In dit Hs. wordt niet alleen de laatste versregel herhaald zooals in onze melodie, maar na deze herhaling wordt de tweede helft der strofe nog eens herhaald, zooals dikwijls in duitsche volksliederen het geval is, b.v. bijna altijd in de liederen, die ik (1897-98) in de Badensche Palts noteerde. (Marriage M.E., Volkslieder der Badischen Pfalz, Halle, 1900).
Sommigen hebben in ‘die grijsen’ str. 7 den getrouwen Eckhart willen zien (zie o.a. Ndd. Jb. XXXVIII 43). Ik zou liever een fout bij het afschrijven veronderstellen. ‘grijsen’ voor ‘greynen’ liefsten (de camerieren waarvan in str. 19 sprake is). Str. 14 Ronsen = Renaix (Willems).
Tot nu toe was de oudste bekende Tannhäuser-wijs het fragment in Schmelzel's Quodlibet 1544 (gedrukt in Böhme Ad. Lb. no. 21). v. duyse geeft tekst A; heeft echter niet de verwantschap der melodie opgemerkt wegens de slordige stemopgave van v. Nyevelt's ‘Vrou Venus-wijf’ in plaats van ‘Her Danel-man’. Een nog oudere wijs hebben wij in het geestelijk lied ‘Heer Jesus Christus lof ende danc’ op de wijze van ‘Venus Vrou gae gys my of so blyf ic’ (vgl. A str. 3-4) gevonden door Bäumker in een Berlijnsch Hs. van het eind der XV eeuw (zie Vierteljahrschr. f. Musikwiss. VIII 289).

Ik geef de derde strofe van den geestelijken tekst omdat zij het nauwst bij het wereldsche voorbeeld aansluit (A strofe 1). Een maatverdeeling heb ik zonder veranderingen niet kunnen doorvoeren. Het best schijnt een 7/4 maat te passen, als die ooit bestaan heeft! Of men zou verscheidene halve noten * in kwarten moeten veranderen, dan zou men een regelmatige 3/4 maat krijgen. Voor de geliefdheid der wijs spreekt de stemopgave bij Paul v.d. Aelst ‘Im Ton vom alten Tanhäuser’ (Weimar Jb. II 352).
Wat den tekst aangaat is A wel de oudste bekende overlevering: A is nog duidelijk roomsch terwijl B het oorspronkelijk ook geweest zal zijn, maar door inlassching van str. 13 een protestantsche kleur gekregen heeft. In een ndd. tekstvorm vervloekt Daniel zelf den paus (ndd. Jb. XVI. 65). Het mooie lied heeft zijn weg door alle duitsche landen gevonden: nederduitsche opteekeningen hebben wij van 1520 (ndd. Jb. XVI, 65) op een Fl. Bl. tesamen met ‘Maria tzart’ (zie beneden no. 130): Alpers citeert nog op deze plaats een ndd. fl. Bl. Berlijn Yd 8719 ‘Veer lede, Danhüser’ (ndd. Jb. XXXVIII, 8). Uit Middenduitschland hebben wij een fl. Bl. Marburgk 1564 (Stevenson Inv. no. 2799 rr) Frankfurt, Mons Veneris van Heinrich Kornmann 1614 (Uhland no. 297), Frankfurter (Ambr.) Lb. 1582 no. 224. Neurenberg fll. Bll. van Jobst Gutknecht 1515-1536 (Böhme Ad. Lb. no. 21) F. Gutknecht (Stevenson Inv. no. 2365i). Zwitserland 1830 (Uhland l.c.) waar het nog in den volksmond leeft, vgl. verder Erk-Böhme I 39 vv. W. van Helten (Tijdschr. TLk. XV 219) neemt aan dat het lied uit Duitschland geimporteerd is en Daniel door een schrijffout uit Danhûs is ontstaan, hetgeen bij de lange staarten der letters zeer goed mogelijk is. Kalff (Lied blz. 70) daarentegen gelooft, dat in de mnl. bewerking het Tannhäuser-lied met een ander zou zijn samengesmolten, waarvan een heer Daniel de held was. Bij ontstentenis van dat lied zullen wij ons liever aan v. Heltens scherpzinnig voorstel houden.