terug  begin  verderprepost
[p. 15]

7.
Aen gheender linden daer staet een dal.
(Ps. XXVIII)



illustratie

 
1.
 
Daar zou een mage - tje vroeg op-staan,
 
Om haar zoete - lief te zoe - ken gaan
 
En zy zocht hem on - der de lin - den,
 
Maar kon haar lief - - - - je niet vin - den.

Bij deze wijs staat in Dr. Scheurleer's exemplaar der 4de uitgave in oud schrift de aanteekening: ‘Ick sye die morgensterre’ vermoedelijk eenvoudig als opmerking dat de maat van beide liederen gelijk is.

 
2.
 
Met een kwam daar een heer aangaan,
 
Die zei: ‘Kind wat doet gij hier alleen te staan?
 
Of telt gij alle groene boomen,
 
En al de geel goude rozen?’
 
 
 
3.
 
‘Ik tel er de groene boomen niet
 
En pluk ook alle goude rozen niet,
 
Ik heb er mijn liefje verloren
 
En kan er geen tijding van hooren.’
 
 
 
4.
 
‘Heb gij er uw liefje verloren,
 
Kan je ook geen tijding van hem hooren?
 
Hij is er op Zeelands douwe
 
En verkeert met andre schoone vrouwen.’
 
 
 
5.
 
‘Is hij er op Zeelands douwe,
 
Verkeert hij daar met schoone vrouwen?
 
Zoo mag de Hemel zijn leidsman zijn
 
Met alle mooije meisjes die bij hem zijn!’
 
 
 
6.
 
Wat trok hij uit zijn mouwe?
 
Een ketting, rood van goude.
 
‘Die wil ik u, schoon kind, schenken
 
Wilt op uw lief niet meer denken.’
[p. 16]
 
7.
 
‘Al ware de ketting nog eens so lang,
 
Dat hij van den hemel op de aarde hang.
 
Veel liever wil ik ze verliezen
 
Eer ik een ander liefje wil kiezen.’
 
 
 
8.
 
Doe ontroerde de heer zijn bloed:
 
‘Schoon kind, ziet wel voor u watje doet,
 
Gij bent er mijn regte vrouwe
 
En ik wil er geen ander trouwen.’
 
 
 
LE JEUNE, LETTERKUNDIG OVERZIGT. 1828. BLZ. 203.
 
‘uit een blauwboekje.’

Dezelfde wijs, ontleend aan de Souterliedekens, in Ecclesiasticus 1565 no. 96. Twee bezwaren kan men tegen dezen tekst inbrengen: hij is laat en zijn begin be antwoordt niet aan de stemopgave. Niettemin geef ik hem om zijn taal de voorkeur boven den ouderen (1592) en passenden Duitschen tekst:

 
Es stet ein lind in jenem Tal
 
Ist oben breit und unden schmal.
 
Darauf da sitzt frau Nachtigal
 
Und andre vögelein vor dem wald.
 
Uhland 116.

De toedracht is in beide liederen dezelfde. Dat onze tekst reeds in de 16de eeuw in Nederland bestond bewijst de inhoudsopgave van het Amst. Lb. 1589 ‘Het was een meysken vroech opgestaen blz. 79’; de bladzijden, waarop het lied stond, zijn helaas uitgescheurd. Willems (blz, 220) zegt dat Le Jeune het lied uit de ‘Lammeren vreugd’ 9de uitg. Amst. 1778 genomen heeft. Vgl. Nieuwe Amsteldamsche Buijten Zingel blz. 35 ‘daer zou een magetje vroeg opstaen’ (Euphorion IX 29).

Nog hedendaags wordt het lied (ongeveer deze tekst) op het eiland Terschelling gezongen op een melodie, die, zooals de heer J. Kunst opmerkt, de eenige is die hij in een ouden kerktoon op het eiland vond: en deze wijs komt aan het slot met de onze overeen



illustratie

voor de vergelijking transponeer ik uit C naar F.

Ook in Duitschland wordt het lied nog veel gezongen: voor de litteratuur zie Marriage Forster V 18, Badische Pfalz no. 4, Köhler-Meier no. 117.

prepostterug  begin  verder