
Tekst naar Amst. Lb. 1589 bl. 33. Alpers (Ndd. Jb. XXXVIII 29) wijst er op dat str. 17 met den rijm uit: huis een hoogduitschen oorsprong doet veronderstellen. Op hoogduitschen grond is het lied ook meer algemeen: vl. bl. Neurenberg Valentin Neuber z.j. Ein schönes lied von der Frawen van Weissenburg, Stevenson
Inventaris nr. 2788 ff. Uit het Saaldal in Brotuffs Chronica 1557 (Hor. Belg II2 nr. 8), volgens de Top-haligraphia Sulzensis (Sulza aan de Ilm) door M. Wille 1674 zouden de gebeurtenissen van dit lied slaan op de legendaire moord op paltsgraaf Frederik van Saksen door Lodewijk van Schönburg in 1065 (Böhme, Germania XXI 51). Daar heet de vrouw ook van Weissenburg: de melodie is niet verwant aan de onze. In Erk-Böhme I 362 wordt landgraaf Ludwig von Thüringen verondersteld de minaar te zijn. Willems zoekt den historischen grond in de vergiftiging van Johan van Beieren, hertog van Luxemburg, wiens vrouw Elizabeth van Gorlitz een nicht van Keizer Sigismund was (Willems nr. 24). Latere lezingen noemt Hoffmann H.B. II2 nr. 8) uit het Badensch Scharzwald en Erk-Böhme: - 1668 Hschr. Beschreibung der Amtei Rossla in het Archief te Weimar; 1820 Weenen; Rheinland; Brandenburg, vgl. ook Uhland nr. 123; Wunderhorn II2 282.
Als stemopgave † Schriftuur L. 1562 ‘van my vrouwe van Lucssenborch’.


