
Geen lied verkrijgt een groote populariteit of het moet een of andere verdienste hebben, hetzij door den tekst hetzij door de wijs. Ik kan niet gelooven, dat deze melodie, alleen of in samenhang met bovenstaande plat- en gemeenheden, zich in de bemindheid verheugd zou hebben, die haar voor Nyevelt's doel geschikt maakte. Immers hij koos voor zijne psalmen de meest populaire wijzen van zijn tijd. Buitendien noemt het Antw. L.b. het lied ‘een nyeu liedeken’. Dit plaatselijke spotlied zal wel op een bekende wijs gedicht zijn. Zeer veel liederen hebben hetzelfde begin: ons nr. 8 de twee ghespeelkens, de drie ghesellen uit Rosendael (Hor. Belg. II 139), Geraert van Velsen (Princesse Lietboek 1605 bl. 76, Melis Stoke's Hollandsche Rijm-Kroniek 1591 z. de belangrijke verhandeling in Gids 1899 bl. 273) en verscheidene historische liederen in de Geusen liedekens 1581 bl. 35 en in van Duyse's groote verzameling, met name een Amsterdamsch lied van 1572, een lied van den Storm van Alkmaer 1573, van den Slag bij Moock 1574 en den Slag bij Nieupoort
1600. Zelfs tot in onzen tijd is het een bekend straatzang-begin gebleven vgl Dülkener Fiedler bl. 64 ‘Al wer will hören ein neues Lied, all wat in Gläbeck ös geschiet.’ Maar Geraert van Velsen had een andere wijs (Thysius uitg. Land bl. 45), ‘die drie ghesellen uit Rosendael’ ging naar de wijs ‘mijn Heer van Falkenstein’ (Haarlem Lb. bl. 61), en op eigen melodie (Extr. Cath. 1631), het Geusenlied ‘op de wijze van Haerlinghen.’ Bovendien zijn de meeste, zoo niet alle deze liederen vierregelig. Er is echter in het Antwerpener Lb. nog een lied met hetzelfde begin vijfregelig, het schoone lied van het Lazarus-meisje, en dat zal wel de oorspronkelijke tekst zijn.
Van Duyse I 141 geeft verwante liederen uit den Marsdrager Amsterdam 1754, Looten en Feys en Willems. Alle zijn in dezelfde versmaat.