
Als Zuylen van Nyevelt niet zoo zorgeloos met zijn wereldsche stemopgaven was, zou het onzinnig zijn in dit lied een ‘ael oudt ruyterkijn’ te willen terug vinden. Deze eigenaardige strophe ken ik alleen bij dit lied en onze melodie. Dat de overgeleverde ndl. tekst zeer laat is, hoeft niet te hinderen, daar het lied reeds op vll. bll. der Hergotin (± 1530) voorkomt. Aan nr. 68 van het Antwerpener Lb. ‘Het voer een lantsknecht spaceren so verre aan ghenen rijn’ valt niet te denken, omdat de strophe vijfregelig, niet zevenregelig is. Aan ‘es gieng ein lantzknecht über feld (Forster II 47) ook niet, het lange refrein past niet in de laaste drie versregels. Een stemopgave der Schriftver. L. 1562 luidt verwant ‘Het was een Ruyter uyt den Bruynswicker lant soo verre in’ maar de tekst is onbekend.
Coornhert 1630 (eerste uitgave 1575) geeft onzen titel als stem zeker naar de Souterliedekens. Dus, bij gebrek aan een beteren tekst houden wij ons aan dezen. Willems nr. 73 geeft een dergelijken tekst maar met leemten en zinneloosheden (b.v. peerle voor Keerle str. 9) vgl. v. Duyse I 792 en de vrolijke Nederlander zingende met zijn Incréable meisje. Amst. S. en W. Koene 1799 bl. 7.
Over de geschiedenis van het gedicht zie Kopp Euphorion IX 34: - vll. bll. von der Hergotin, Val. Neuber, Georg Wachter, Nederrijnsch Liederhs. 1574, Berlijnschs hs. 1575 nr. 72, Fischart's Gargantua, Grillenschwarm 1610 (Z.f.d.Ph. XV 48), Bergliederbüchlein ± 1740, Williams P.B.B. XXXV 449, Alpers Ndd. Jb. XXXVIII 8, Köhler-Meier nr. 132. Erk-Böhme III 189: - Silezie, Zwaben, Kuhländchen 1817, Hartsgebergte, Hessen, Rijn, Dülkener Fiedler bl. 35, Simrock 47, Zwitserland; ik noteerde de melodie uit het canton Bern en publiceerde ze met prof. John Meier in Schweizer Archiv. für Volkskunde 1901.