Varianten van het Weimar hs:
1c. Ennd hie hatt ain ferholden lieff - 1ƒ des saffens als die dach untter gennck, so gennck ich dar bey schlapen.
3b. Ich hadden lieff, dar mytt ich affer die heide rett, hie dede my niet, so fer ann ghen gronn heide
4b. danswartt - 4ƒ. mien hartien hefft iw secken lieff, mien angkens sein u gernne.
5b. dan ain fogelkinn, enn datt mach nemantt temmen hett moett die lieveste sien, enn datt mach niemans temmen dan die alderlieveste mien, Gott wett wal wen ich meinne.
Veel aardiger is de musikale lezing der tweede en derde uitgave:

Men lette op de allerliefste veranderingen in den tweeden regel. die aan het lied iets geven, wat aan den nachtigaalslag doet denken.
Melodie Ecclesiasticus 1565 blz. 167. Als stemopgave buitengewoon veel aangehaald, wat met het oog op de fraaie eigenaardige melodie en dichtmaat wel te begrijpen is: † Amst. Lb. 1589 52 Nieuwejaarslied - † Amst. Lb. 1605 blz. 46, 65, 20 Nieuwejaars-, drink- en bruiloftsliederen - 1593 † Schriftver. L. (Wackernagel Ndl. Ref. 45) - 1607 † Gulden Harpe ‘mijn jongste dochter is wech’ onze dicht-
maat blz. 229 - 1609 † Hs. von Wouter Verhee, Hamburger Stadtbibl. Tijdschrift V 139 - 1616 Tvermach der jeught, Leeuwarden, bruiloftslied.
Willems nr. 227 heeft de melodie bedorven, door ze een terts te verhoogen en in G te zetten.
Waarom Hoffmann von Fallersleben (Weimar Jb. I 106) een hd. oorsprong van het lied aanneemt, is mij niet duidelijk: voor zoover ik weet komt het slechts in Nederland voor.