[p. 69]
II Dageliederen
[p. 71]
31.
Den dach en wil niet verborghen sijn
Het is schoo
6
n
32
(Ps. XLVII)
*
1.
‘Den dach en wil niet ver-bor - ghen zijn,
het is schoon dach, dat dun - cket mi;
mer wie ver-bor-ghen heeft zijn lief
hoe noode ist dat si schey - - - - - - den
hoe noo - de ist dat si schey-den!’
2.
‘Wachter, nu laet u schimpen zijn
Ende laet hi slapen die alderliefste mijn!
Een vingerlinck root sal ic u schincken
Wildy den dach niet melden!’
3.
‘Och melt (ic) hem niet, rampsalich wijf,
Het gaet den jongelinck aen zijn lijf!
Hebby den schilt? Ick hebbe die speyr,
Daer mede maect u van heyr!’
4.
Die jonghelinck sliep ende hi ontspranck,
Die liefste hi in zijn armen nam:
‘En latet u niet so na ter herten gaen!
Ick come noch tavont weder.’
5.
Die jonghelinck op zijn vale ros tradt,
Die vrouwe op hooger tinnen lach,
Si sach so verre noortuwaert inne
Den dach door die wolcken op dringhen.
6.
‘Had ick den slotel vanden daghe
Ic weerpen in gheender wilder Masen,
Oft van der Masen tot in dem Rijn,
Al en soude hi nemmeer vonden zijn!’
ANTWERPSCH LB. 1544. No XIX.
Een nyeu liedeken.
Tekst nog eens Amst. Lb. 1589 blz. 32.
*
De schijnbare varianten van hier af in 8 zijn slechts het gevolg van een verschuiving der roode lijnen.