terug  begin  verderprepost
[p. 85]

III Minneliederen

[p. 87]

38.
Het was een Clercxken dat ghinck ter scholen.
(Ps I)



illustratie

 
Het was een clerxken dat ginc ter sco - len,*
 
syn eer - ste les - ken en const hij nyet will
 
syn jonge dom herte-ken viel in do - len
 
syn al - der - lief - ste en wou-de nyet wil.
 
1.
 
Een ander boelken soude ic kiesen
 
Dorst ic wil op aventuere;
 
Maer ic duecht ic soude verliesen
 
Als ic dede ter lester ure.
 
Mer, ruyters geselle, ten mach niet syn:
 
Van u te comen is my confuys;
 
Wat ghij cloppet ic en bin niet thuys.
 
 
 
2.
 
Het lach een clercxken langhen tijt ter scholen,
 
Syn eerste lesken en const hij nyet will;
 
Syn ionge dom herteken viel in dolen:
 
Syn alder liefste lieveken en woude nyet wil.
 
Mer, ruyters geselle, enz.
 
 
 
3.
 
Het ginck een geselleken tsavonts uyt vrijen,
 
Tsavonts in den maneschijn;
 
Hij clopten voer zijns lievekens doere,
 
Hij woude in gelaten zyn.
 
Mer, ruyters geselle, enz.
 
 
 
4.
 
Gheselleken, als ghij gaet uyt vrijen,
 
So denct altijt op op vroukens duecht,
 
So muechdy draghen den schilt van prijse,
 
Dye is altijt van vrouwen verhuecht.
 
Mer, ruyters geselle, enz.
 
 
 
A. GHYSELERS HANDSCHRIFT 1517
 
van Duyse Het Oude Nederlandsche Lied I 891.
[p. 88]

De tekst bij Willems nr. 77 wijkt in bijzonderheden eenigszins af en heeft de volgorde der strophen 2, 3, 1, 4. Een bron is niet opgegeven, maar ik meen te kunnen aannemen dat Willems het lied uit Ghyselers-hs. heeft ontnomen: zijne veranderingen beoogen een gladderen vorm en een duidelijker zin, met uitzondering van ‘confuys: niet t'huis’, dat hij - vermoedelijk als te prozaisch - veranderde in een bleek ‘verdriet: hore u niet’, vgl. van Duyse, Souterl. I 122.

Wij staan hier voor een waar liederkluwen, zoo als men ziet uit het Weimar-hs. 1537 nr. 23 en het Antwerpsch Lb. nr. 69 (Amst. 1589 bl. 81 v.). Het lied in het Weimar-hs. begint ‘Datt was ain meyken fan twintich jaren Beschlatten in ain klosterkienn’ en bevat 12 strophen waarvan de 2de luidt:

 
Datt was ain jungelinck, der gennck ter schollenn,
 
Dien rechtten weck had hie gmist;
 
Ja schonne jonnckfrawlin brengen inn doele
 
Weder umb to keren datt donncktt my best.
 
 
 
(z. Tijdschr. XXXVIII 101).

Het verdere komt niet overeen, maar str. 10, 11 hebben denzelfden inhoud als onze str. 3. Het Weimaarsche lied toont ook verwantschap met nr. 93 ‘Hoe mach een man sijns lebens lusten die sijn lief’ en met boven genoemd Antw. Lb. nr. 69. Dit laatste is een quodlibet, dat uit minstens een dozijn liederen is samengeflanst, str. 3 luidt:

 
Ic was een clercxken, ic lach ter scolen,
 
Den rechten wech hebbe ic ghemist;
 
Schoon ionghe vrouwen doen mi dolen,
 
Weder te keren dunct mi best.

Verder hebben wij slechts stemopgaven, maar van deze genoeg om te bewijzen dat het lied langen tijd zeer populair was. 1562 † Schriftver. L. (Wackernagel, Ndl. Ref. bl. 29 en 90): ‘Ick was een clercxken en ginck ter scholen’. - 1565* Ecclesiasticus nr. 195 volgens Nyevelts eerste versregel ‘Salich ist den man’; nr. 34 ‘Ick was een clercxken’. - 1569 † Veelderh. L. fol. 80; fol. 68 ‘Salich is de man’. - 1570 † Offer des Heeren (Wackernagel, Ndl. Ref. 181). - 1575 Coornhert. - 1607 † Gulden Harpe 350. - 1618 † Soetjen Gerrits nr. 46.

Bij str. 1 vgl. ‘Ic soude so gaerne een boeltgen verkiesen dorst ik wel aventueren’ een andere melodie uit een hs. te Berlijn einde XV eeuw, zie Bäumker, Vierteljahrschr. f. Musikwiss. IV 294.

Deze punt ontbreekt 14, staat echter in 1, 7, 8, 9, 20, 21.
*Tekst: Het lach een clercxken langhen tijt ter scholen.
prepostterug  begin  verder