terug  begin  verderprepost
[p. 89]

39.
In Oostlant wil ick varen mijn
bliven is hier niet lang.
(Ps. LXXXII)



illustratie

 
1.
 
‘In Oost - lant wil ic va-ren,
 
mijn bli - ven en is hier niet lanck,
 
Met een - der schoon-der vrouwen,
 
si heeft mijn her - te - ken be - vaen’.
 
Hi nam dat maech-de-ken bider hant,
 
al bi - der wit - - - te hant,
 
hi ley - de se op een eyn - de
 
daer hi een bed - de - ken vant,
 
daer hi een bed - de - ken vant.
 
 
 
2.
 
Daar lagen si twee verborgen
 
Den lieven langhen nacht,
 
Van tsavonts totten morghen
 
Tot dat scheen den lichten dach.
 
‘Wel op, ridder coene!’
 
Sprack si dat meysken fijn
 
‘Keert u herwaerts omme,
 
Mi wect een wilt vogelken.’
 
 
 
3.
 
‘Hoe soude ic mi omkeren?
 
Mijn hooft doet mi so wee,
 
En waer dat niet geschiet
 
Ten schiede nemmermeer.’
 
Had ic nu drie wenschen,
 
Drie wenschen also eel,
 
So soude ic nu gaen wenschen
 
Drie roosen op eenen steel.
 
 
 
4.
 
Die een soude ick plucken,
 
Die ander laten staen,
 
Die derde soude ic schencken
 
Der liefster die ic haen.
 
Aen ghene groene heyde
 
Daer staen twee boomkens fijn,
 
Die een draecht noten muscaten,
 
Die ander draecht nagelkijns.
 
 
 
5.
 
Die naghelen die zijn soete,
 
Die noten die zijn ront;
 
Wanneer so sal ic cussen
 
Mijns liefs rooden mont?
 
Die ons dit liedeken sanck
 
So wel ghesonghen hae
 
Dat heeft gedaen een lansknecht,
 
God geve hem een goet jaer!
 
 
 
ANTWERPSCH LIEDBOEK 1544 NO. XCVII
 
Een nyeu liedeken.
[p. 90]

Het komt mij voor, dat de schrijver van het Antw. Lb. hier allerlei samengesmolten heeft, en wel allerlei, dat niet bij elkander past. Misschien noemt hij het daarom, ‘een nyeu liedeken’, want de bestanddeelen zijn zeker oud.

De geschiedenis van dit lied, al is die niet even ingewikkeld als die van het vorige, is ook niet eenvoudig, omdat er twee liederen van gelijken strophenbouw en ongeveer hetzelfde begin bestonden. Het andere ‘Naer Oostland willen wij rijden’ (vgl. v. Duyse I 713), een landverhuizer-lied, geen minnelied, wordt licht met het onze verwisseld. Boerenlietjes (na 1706) geeft den titel ‘Nae Oostland wil ic vaare’ (v. Duyse l.c.), de melodie is niet verwant met de onze. Het landverhuizer-lied wordt nu nog op Terschelling gezongen, gecontamineerd met ons nr. 47 (Ps. 6) ‘In Oostenrijck daer staet’: het speelt een rol in de volksgebruiken vgl. Jaap Kunst bl. 50 ‘Naar het Roozenland (resp. Oosterlant) zoo zijne wij gevaren’. Het was ook langen tijd in Zweden populair (Hoffmann Ndl. V. bl. 208, Kossmann Euphorion X 276). - 1569 Veelderh. L. fol. 155. - 1570 Offer des Heeren (Wackernagel, Ndl. Ref. 181). - 1721 Thirsis Minnewit 101. - 1730 de oprechte Sandtvoorder Speelwagen (Duyse l.c.) - omstr. 1830 het vroolijke Bleekersmeisje (ib.).

De melodie reeds bij Ott 1535 voor een lied tegen de Turken (Kossmann l.c.)

Str. 2-3 zijn dikwijls voorkomende ‘wanderstrophen’ vgl. b.v. ‘Het worp een knaep’ beneden nr. 136, ‘Het reet een ridder jaghen’ Weimar-hs. nr. 40, ‘Nun schürz dich Gretlein schürz dich’ (Uhland) enz. Hier zijn de rollen van den ridder en van het meisje verwisseld: str. 3 past beter in 's meisjes mond. Van hier af is de verdeeling in strophen moeilijk. Waarschijnlijk ontbreekt de oorspronkelijke tweede helft van de eerste en de laatste strophe. Dan zouden de twee andere aardige ‘Wanderstrophen’ in orde komen. Muskaat werd de bruid bij de bruiloft ten geschenke gegeven en Liselotte van de Palts verdenkt Mme de Craon, de maitres van haar schoonzoon, den hertog van Lotharingen, ervan dat zij hem ‘Eine Muscketnuss Zu fressen geben den wen Er sie nicht sicht ist Er In Einer solchen Qual, dass Er drüber schwitzt. Es ist gewiss Etwass uber Nattürliches.’ (Briefe an die Raugräfin Luise, Stuttgart Litt. Ver. 1843 bl. 374). Zoo ook in het duitsche volkslied: -

 
Muskaten die sein räss,
 
Die geb' ich meinem Schätzel
 
Dass er mein nit vergess.
prepostterug  begin  verder