terug  begin  verderprepost
[p. 97]

43.
Ick ghinck noch ghister avont so heymelijck op een oort.
(Ps. XXVII)



illustratie

*

 
1.
 
Ik wil van de - sen a - vond
 
nog eens uyt vry - en gaan
 
om mijn soete Lief te spre-ken
 
of mijn jon-ger hert sal bre - ken
 
moet ik voor haar ven - ster staan.
 
 
 
2.
 
‘Slaapt gy of waakt gy
 
Mijn Lief, mijn toeverlaat?
 
Of legt gy in een droome?
 
So peist doch aan een persoone
 
Die hier voor uw venster staat!’
 
 
 
3.
 
‘Ik slaper en ik waker
 
Maar alzoo vaste niet,
 
Ik hoor wel aan uw treuren
 
Gy en meugt my niet gebeuren,
 
Ik en ben die liefste niet.’
 
 
 
4.
 
Klappers en klappeyen
 
Die zaayen haren zaad,
 
Ik zal u wel verwinnen,
 
Zoete lief verkeert uw sinnen
 
Want ik zoek eenigen raad.’
 
 
 
5.
 
Klappers en klappeyen
 
Hebben't u niet gedaan,
 
Gaat by u Lief verheven
 
En die zal u wel troost geven,
 
Blijft dog hier niet langer staan.’
 
 
 
6.
 
‘Lief doet u deurtjen open
 
Al zonder quaad vermoen,
 
Tis alzoo kleine sake.
 
Ey lief! staat my te sprake,
 
Want gy sult my vriendschap doen.’
 
 
 
7.
 
‘Ic en wil myn deurtjen
 
Voor u niet open doen
 
Nog mijn venster niet onsluiten;
 
Stouten Ruiter staat er buiten,
 
Kiest een ander die 't gaarn doen.’
 
 
 
8.
 
‘So mag ik dan wel wandelen,
 
So mag ik dan wel gaan
 
En dolen op der straaten.
 
Lief, gy woudt my niet inlaten
 
En wat heb ik misdaan?’
 
 
 
9.
 
‘Wilt gy dan so gaan wandelen
 
En willt gy dan zoo gaan?
 
Keerd nog eens herwaards omme,
 
Lief, ic sal u wel by komme,
 
Blyft dog een weinig staan!’
[p. 98]
 
10.
 
Princesse dus moet ik scheiden
 
Van d'Allerliefste myn.
 
Adieu, myn uitverkoren!
 
Die lang vrijd 't is al verloren
 
Als het moet gescheiden zijn.
 
 
 
THIRSIS MINNEWIT AMSTERDAM 1716 I 139

De melodie is een verlengde variant van het bekende ‘Ich stund an einem Morgen heimlich an einem Ort’, dat Böhme (Erk-Böhme II 544) volgens Ott 1534 nr. 22 geeft. In plaats van onze eenvoudige herhaling der eersten twee muzikale phrasen vindt men hier een derde en een vierde nieuwe phrase. Het Gassenhawerlin 1535 nr. 15 is volgens Böhme geheel gelijkluidend.

Als tekst zal men vermoedelijk moeten aannemen ‘Ick stonde aen eynen morghen so hemelick op eyn ort’ zooals het in een hs. te Brussel, 2de helft der XVI eeuw staat (Priebsch ZfdPh. XXXIX 174, vijf zevenregelige str.; de tekst is hier niet afgedrukt en was tot mijn leedwezen niet bereikbaar). Hierbij past ook ons nr. 42 en Ambr. Lb. nr. 153 ‘Ich ging mir nechten abendt heraus den abendt ausspacieren’, een lied, dat - er zij terloops op gewezen - ondanks zijn hd. vorm zoo veel ndl. uitdrukkingen bevat, dat het zeer goed oorspronkelijk ndl. zou kunnen zijn.

‘Ich stund an einem Morgen’ is een hd. lied, dat in de verzamelingen der 16de eeuw een groote rol speelt als geheel lied en als stemopgave van af 1480 (Erk-Böhme II 545). De litteratuur is voldoende opgegeven bij Erk-Böhme (l.c.) en bij Kopp (Ndd. Jb. XXVI 36) vgl. daarboven nog Heidelberg-hs. 343 nr. 153 ± 1550. Omstreeks 1530/1540 schijnt het lied het meest populair te zijn geweest

Ook ndd. komt het lied voor op ongedateerde vl. bll. (Alpers Ndd. Jb. XXXVIII 9) en ± 1600 in Uhland en de Boucks Lb. nr. 102 (resp. 87).

In Nederland 1607 † Ick gingh noch heden morgen so heymelyck op een ort Gulden Harpe. - 1618 † Ick stondt maer huyden morghen soo heymelick op een oort, Soetjen Gerrits. - 1697 en 1699 werd het op het klokkespel te Alkmaar gespeeld (Tijdschr. v. Ndl. Muz. gesch. V 280).

*Slechts 7 en 14 hebben C, alle andere uitgaven D.
prepostterug  begin  verder