De tekst heeft nog drie strophen, die overtollig en walgelijk zijn; wij kunnen ze met een gerust geweten weglaten en het lied daardoor verfraaien, vgl. Hoffmann Ndl. V. nr. 148 naar het Brabandsch Nachtegaelken.
De laatste phrase der melodie der ‘groenen straatjes’ in Thysius luitboek (Land. bl. 51) komt overeen met onze laatste phrase; dit feit en het gebrek van een tekst, die beter bij onzen titel past, nopen mij dit lied hier te plaatsen. vgl. Jaap Kunst bl. 54 ‘Ik ben er de groenelands straatjes zoo dikwijls ten einde gegaan’.