Str. 9 een ‘Wanderstrophe’, die dikwijls voorkomt en eigenlijk niet tot ons lied behoort.
Veel vergelijkende litteratuur geeft Bolte Jb. f. ndd. Spr. XIII (over het * Lb. van Peter Fabricius, begin 17de eeuw, waar het lied voorkomt); verder Böckel, Vl. aus Oberhessen nr. 28; Kopp (das Newe uud grosse Lb. 1650 nr. 113) ZfdPh. XXXIX 219 en Ndd. Jb. XXVI1 (Uhland en de Bouck), Erk-Böhme III 862, Böhme Ad. Lb. nr. 158.
Vier verschillende liederen hebben dit begin (vgl. Marriage, Badische Pfalz nr. 7), het lied van den gevangen knaap, van den verkleeden pelgrim, van den heer van Falkenstein en ons lied. vgl. nog Forster, herdruk bl. 241. In het ndd. Lb. van Uhland en de Bouck hebben wij alleen al drie:
dar licht ein stadt in Osterryck de is so wol gezyret nr. 72
idt licht ein schlot in Osterryck de ys gantz wol gebuwet nr. 84
idt steyth ein Boem in Osterryck de drecht Muscaten Blomen nr. 98.
Het eerste is ons lied, het laatste ons nr. 21.
Ndd. ook op een vl. bl. Alpers Ndd. Jb. XXXVIII 9, 47. Als stemopgave, ‘Nachtegal cleyn Voghelken woudt ghy my een Liedt singen’ vgl. str. 4 - † Schriftver. L. 1593 (Wackernagel Ndl. Ref. 44).
Verwant met onze melodie zijn die bij Peter Fabricius (l.c); Stalperts Gulde Jaers Feest-dagen 1635 ‘In Oostenrijk daer staet een huys’ bl. 209, Werlin 1646 (Ad. Lb. nr. 158).