'-AAR, -ARIJ, -SEL en -TE +'


auteur: F. Zwarts


bron: Frans Zwarts, ‘-Aar, -arij, -sel en -te +. ’ In: TABU 6 (1975), p. 9-23.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 9]

-Aar, -arij, -sel en -te +

1.

Een optimale taaltheorie moet met behulp van een expliciete karakterisering van de restricties op woordvormingsprocessen in natuurlijke talen een definitie geven van zulke noties als ‘potentieel woord in taal T’ en ‘actueel woord in taal T’. Het domein van de morfologie wordt overeenkomstig deze visie omschreven door de taak een ondubbelzinnige specificatie te verschaffen van de generatieve capaciteit van het lexicon.

De restricties op woordvorming zijn van velerlei aard. Allereerst wordt de aanhechting van affixen aan grondwoorden in een aantal gevallen bepaald door condities op de segmentele structuur en categoriale status van het grondwoord. We kunnen dit illustreren aan de hand van het suffix -aar (vgl. ook van Haeringen 1962).

Beschouw de voorbeelden in (1).

 

(1)

A A B B
I II I II
babbelen babbelaar kladderen kladderaar
dribbelen dribbelaar bewonderen bewonderaar
bedelen bedelaar plunderen plunderaar
handelen handelaar belegeren belegeraar
beoordelen beoordelaar weigeren weigeraar
pingelen pingelaar kankeren kankeraar
huichelen huichelaar mopperen mopperaar
goochelen goochelaar luisteren luisteraar
smokkelen smokkelaar stotteren stotteraar
knutselen knutselaar veroveren veroveraar

C C
I II
beoefenen beoefenaar
loochenen loochenaar
rekenen rekenaar
tekenen tekenaar
ontwapenen ontwapenaar1)

Als we aannemen dat het infinitief-suffix -en aangehecht wordt aan verba, en niet aan stammen2), dan kunnen we vaststellen dat suffigering van -aar alleen mogelijk is als het grondwoord een verbum is waarvan het laatste segment een liquida (kolommen 1A en 1B) of een dentale nasaal (kolom 1C) is. Deze condities op de suffigering van -aar kunnen geformuleerd worden in de vorm van een woordvormingsregel Ri,3)

 

(2)



illustratie

4)

 

De in (2) gebruikte symbolen moeten als volgt geinterpreteerd worden: W1, W2 en X zijn variabelen, V is ‘verbum’, S is ‘suffix’, N is ‘nomen’ en # is het woordgrenssymbool.

Op de woordvormingsregel Ri bestaan enkele positieve uitzonderingen, zoals Overijsselaar, Brusselaar en zondaar5). Het grondwoord is hier een nomen, terwijl in het laatste geval het nominale grondwoord bovendien eindigt op een vocaal (zonde).

We zullen aannemen dat op de volgende wijze voorzien wordt in positieve uitzonderingen. Onregelmatig gevormde afleidingen worden opgenomen in een tot het lexicon behorende lijst van morfemen. Deze lijst van morfemen bestaat uit stammen, affixen, niet-afgeleide

[p. 10]

woorden en, gegeven onze aanname, onregelmatig afgeleide woorden. Regelmatig gevormde afleidingen, zoals de moorden in de kolommen (1A II), (1B II), en (1C II), worden echter gegenereerd door de woordvormingsregels en behoeven derhalve niet te worden opgenomen in de lijst van morfemen.

Beschouw vervolgens de vocaal in de laatste syllabe van de grondwoorden in (1). Aangezien deze vocaal in alle gevallen ongeaccentueerd is, kunnen we concluderen dat de suffigering van -aar onderworpen is aan een conditie op de prosodische structuur van het grondwoord. Derhalve wijzigen we de in (2) geformuleerde woordvormingsregel als volgt:

 

(3)



illustratie

Aan de reeds genoemde uitzonderingen kunnen we nu de volgende toevoegen: minnaar, winnaar, leraar en dienaar.6)

Het is duidelijk dat een grammatica die een verzameling woordvormingsregels R1,....,Rn bevat, een aantal expliciete uitspraken doet omtrent het al dan niet systematische karakter van bepaalde hiaten in het lexicon. In het onderhavige geval wordt de verzameling potentiële woorden die afleidbaar zijn met het suffix -aar, gedefinieerd door de in (3) geformuleerde fonologische condities op Ri.

Bijgevolg is het ontbreken van zulke woorden als in (4) in het lexicon van het Nederlands systematisch bepaald door de woordvormingscomponent van de grammatica.

 

(4)

*reinigaar *bewonaar
*verdedigaar *beginnaar
*versieraar *zaaiaar
*verkleinaar *zanikaar
*slijpaar *beheraar
*spelaar *adverteraar

Een ander type woordvormingsproces, waarbij de al dan niet afgeleide status van het grondwoord bepalend is voor de mogelijkheid van affigering, kan geillustreerd worden aan de hand van het suffix -te (vgl. ook Schultink 1962).

Beschouw de voorbeelden in (5).

 

(5)

A A B B C C
I II I II I II
koel koelte breed breedte rond rondte
stil stilte wijd wijdte slank slankte
hol holte scheef scheefte sterk sterkte
ruim ruimte stijf stijfte kalm kalmte
groen groente vroeg vroegte warm warmte
fijn fijnte menig menigte scherp scherpte
gewoon gewoonte droog droogte schaars schaarste
zwaar zwaarte vlak vlakte    
mager magerte ziek ziekte    
ver verte slap slapte    
lauw lauwte diep diepte    
flauw flauwte groot grootte    

Het is duidelijk dat het suffix -te, dat dient om nomina van adjectieven af te leiden, optreedt na sonorante consonanten (kolom 5A) en na obstruenten (kolom 5B)7). De voorbeelden in kolom (5C) tonen aan dat als het grondwoord met een cluster van twee consonanten eindigt,

[p. 11]

de voorlaatste consonant een liquida of een dentale nasaal is. Op grond van deze observaties kunnen we nu een woordvormingsregel Rk formuleren.8)

 

(6)



illustratie

De representatie van het betreffende suffix als [#te]S in (6) is gebaseerd op de werking van de fonologische regel (7), die obstruenten stemloos maakt voor een woordgrenssymbool, in zulke gevallen als stijfte, breedte en wijdte (tegenover respectievelijk stijve, brede en wijde; vgl. in dit verband ook Booij 1975).

 

(7)

[-sonorant] → [-stem] / _#

 

Beschouw vervolgens de grondwoorden in (5) met betrekking tot hun al dan niet afgeleide status. Het is duidelijk dat geen van de betreffende grondwoorden door middel van affigering is afgeleid. Derhalve voegen we aan de woordvormingsregel Rk een conditie toe:

 

(8)



illustratie

9)

Uitzonderingen op de woordvormingsregel Rk zijn: rechtte, zachtte (vgl. Schultink 1962), sterfte, schaamte, begeerte, behoefte en eventueel gezindte en goedkoopte. In gevallen als rechtte wordt de laatste consonant voorafgegaan door een obstruent. Voorts zijn afleidingen zoals schaamte uitzonderlijk vanwege de verbale status van het grondwoord, terwijl woorden zoals gezindte eventueel als afgeleide woorden beschouwd kunnen worden.

Uit de formulering in (8) volgt dat de klasse van potentiële -te-afleidingen gedefinieerd wordt door de verzameling adjectieven die niet zijn afgeleid met behulp van affigering en waarvan de laatste vocaal gevolgd wordt door een optionele coronale sonorant en ten hoogste één consonant. Dit impliceert dat het niet voorkomen van de nomina in (9) een reflectie is van een door de woordvormingsregel Rk bepaald, systematisch hiaat in het lexicon van het Nederlands.10)

 

(9)

A B C
*slechtte *nurkste *gelovigte
*striktte *wulpste *maagdelijkte
*stiptte *schalkste *deugdzaamte
*naaktte   *kleurlooste
*lakste   *wendbaarte
*preutste   *zenuwachtigte
*melaatste   *prachtigte
*vreemdte   *weelderigte
*echtte   *boosaardigte

De laatste consonant van de grondwoorden in kolom (9A) wordt voorafgegaan door een obstruent of een labiale nasaal, hetgeen in strijd is met de in term 6 van regel (8) gespecificeerde voorwaarde. In de grondwoorden in kolom (9B) wordt een coronale sonorant gevolgd door twee consonanten, waarmee de voorwaarde van ten hoogste één consonant in term 7 van regel (8) wordt geschonden. En tenslotte zijn de grondwoorden in kolom (9C) afgeleid met behulp van suffigerings-processen, zodat niet voldaan wordt aan de conditie op de variabele in term 4 van regel (8).

[p. 12]

2.

Zoals reeds opgemerkt door Halle (1973), Schultink (1974) en Siegel (1974), hebben woordvormingsregels als Ri en Rk belangrijke konsekwenties voor de organisatie van de grammatica. Immers, in het door Chomsky (1965) en Chomsky en Halle (1968) voorgestelde model opereren de syntactische transformaties op de door de basisregels, het lexicon (en daarmee dus ook de woordvormingsregels) en de lexicale transformaties geproduceerde dieptestructuren, terwijl de fonologische regels opereren op de door syntactische transformaties geproduceerde oppervlaktestructuren. Aangezien de regels die verantwoordelijk zijn voor de specificatie van het accentpatroon in woorden een deelverzameling zijn van de verzameling fonologische regels, leidt een dergelijke organisatie van de grammatica onvermijdelijk tot de empirische hypothese dat woordvormingsregels, die immers tot het lexicon behoren, niet onderworpen zijn aan condities van prosodische aard, d.w.z. condities die betrekking hebben op de specificatie van het accent in bepaalde contexten. Deze hypothese is noodzakelijk omdat op het moment waarop de woordvormingsregels opereren, de fonologische segmenten nog niet gespecificeerd zijn voor accentwaarde. Het is echter duidelijk dat, gegeven de woord-vormingsregel Ri in (3), de uit dit model voortvloeiende hypothese over het formele karakter van woordvormingsregels onjuist is. We moeten derhalve concluderen dat tenminste de accentregels (en mogelijk ook sommige fonologische regels van segmentele aard) tot het lexicon van de grammatica behoren.

Op grond van deze overwegingen kunnen we het lexicon voorlopig als volgt structureren: ten eerste een lijst van morfemen, die bestaat uit stammen, affixen, niet-afgeleide woorden en onregelmatig afgeleide woorden; ten tweede een verzameling accentregels die opereren op deze lijst van morfemen; en ten derde een verzameling woordvormingsregels die met behulp van affixen woorden afleiden van stammen, niet-afgeleide woorden en reeds afgeleide woorden en die geordend zijn na de accentregels.

Er bestaat echter naast de reeds geillustreerde condities op de segmentele en prosodische structuur en de categoriale en afgeleide status van het grondwoord, nog een vijfde klasse van restricties op woordvorming. We zullen naar deze klasse verwijzen als de klasse van lineaire restricties.

Beschouw de voorbeelden in (10) en (11).

 

(10)

A B C
list listig listigheid
nijd nijdig nijdigheid
einde eindig eindigheid
mond mondig mondigheid
dom dommig dommigheid
muf muffig muffigheid
gelden geldig geldigheid
stuntelen stuntelig stunteligheid
begeren begerig begerigheid

(11)

A B C
waar waarheid *waarhedig
dom domheid *domhedig
laf lafheid *lafhedig
vaag vaagheid *vaaghedig
hard hardheid *hardhedig11)

De kolommen (10A) en (10B) tonen aan dat het suffix -ig aan nomina, verba en adjectieven aangehecht kan worden. Uit kolom (10C) blijkt

[p. 13]

dat de met -ig afgeleide adjectieven suffigering met -heid kunnen ondergaan. De kolommen (11A) en (11B) tenslotte, laten zien dat -heid eveneens aangehecht kan worden aan niet-afgeleide adjectieven. De aldus gevormde nomina zijn echter, zoals blijkt uit kolom (11C), niet ontvankelijk voor -ig-suffigering.

Deze restrictie op -ig-afleidingen kan niet teruggevoerd worden op segmentele of prosodische condities: ten eerste is in het eerste lid van paren als vlijt-vlijtig en strijd-strijdig dezelfde segmentele context aanwezig als in waarheid, en ten tweede tonen paren als stuntelen-stuntelig aan dat het accentpatroon in woorden als wáarheid, waar het hoofdaccent op de voorlaatste syllabe valt, irrelevant is voor de suffigering van -ig. De afgeleide status van het grondwoord van de woorden in kolom (11C) is evenmin terzake vanwege paren als hebzucht-hebzuchtig en leerplicht-leerplichtig.12)

Beschouw nu de positie van het hoofdaccent en de kwaliteit van de slotconsonant van het grondwoord in de voorbeelden in (12).

 

(12)

víjand - vijándig
wréed - wréedheid

Onder invloed van het suffix -ig verandert de positie van het hoofdaccent en wordt de fonologische regel (7) geblokkeerd. Geen van deze verschijnselen doet zich echter voor bij suffigering van -heid Als we bovendien aannemen dat het hoofdaccent in het Nederlands gewoonlijk op de laatste sterke cluster van een niet-samengesteld woord valt13), dan moet de gehele klasse van -heid-afleidingen als een uitzondering op de hoofdaccentregel van het Nederlands beschouwd worden.

Op grond van soortgelijke overwegingen postuleren Chomsky en Halle (1968) en Siegel (1974) daarom twee klassen van affixen: accent-bepalende affixen en accent-neutrale affixen. Het formele onderscheid tussen de twee klassen wordt tot stand gebracht door de accent-bepalende affixen te associëren met een formatiefgrenssymbool (‘+’) en de accent-neutrale affixen met een woordgrenssymbool (‘#’). Een suffix zoals -ig wordt dienovereenkomstig gerepresenteerd als [+ig]S; een suffix zoals -heid daarentegen als [#heid]S. We zullen in het vervolg de accent-bepalende affixen klasse I-affixen noemen en de accent-neutrale affixen klasse II-affixen.

Met behulp van deze noties kunnen we de in (10) en (11) geconstateerde lineaire restrictie op woordvormingsprocessen nu als volgt herformuleren: een klasse I-affix kan gevolgd worden door een klasse II-affix, maar een klasse II-affix kan niet gevolgd worden door een klasse I-affix. Om deze restrictie te verklaren heeft Siegel (1974) voorgesteld om het lexicon van de grammatica op overeenkomstige wijze te organiseren. Schematisch kunnen we haar suggestie als volgt representeren.

 

(13)

1. Klasse I-Woordvormingsregels

2. Accentregels

3. Klasse II-Woordvormingsregels

 

Het schema in (13) impliceert dat het woordvormingsproces nu als volgt verloopt: allereerst opereren de woordvormingsregels die klasse I-affixen introduceren op stammen en niet-afgeleide woorden (en eventueel klasse I-afgeleide woorden); daarna opereren de accentregels op niet-afgeleide en klasse I-afgeleide woorden; en tenslotte opereren de woordvormingsregels die klasse II-affixen introduceren op niet-afgeleide woorden en klasse I-afgeleide woorden (en eventueel klasse II-afgeleide woorden). Uit deze ordening volgt

[p. 14]

onmiddellijk dat een klasse II-affix niet gevolgd kan worden door een klasse I-affix en dat het accentpatroon van een niet-afgeleid woord of een klasse I-afgeleid woord vast ligt voordat de klasse II-woordvormingsregels er op geopereerd hebben.

Deze hypothese over het lexicon wordt bevestigd wanneer we terugkeren naar de -aar- en -te-afleidingen. In (2) en (3) hebben we het suffix -aar gerepresenteerd als [#aar]S, dus als een klasse II-affix. De reden hiervoor is dat, hoewel het suffix -aar een sterke cluster is, het hoofdaccent in de woorden in (1) onveranderlijk op de laatste sterke cluster van het grondwoord valt. Het is duidelijk dat dit de te verwachten positie van het hoofdaccent is, als we aannemen dat de accentregels op het grondwoord toegepast worden voordat het suffix door de klasse II-woordvormingsregels is aangehecht.

Onder de aanname dat -aar een klasse II-affix is en -ig een klasse I-affix, volgt uit Siegels hypothese dat het ontbreken van de woorden in (14) in het lexicon van het Nederlands systematisch bepaald is door de formele structuur van de grammatica.

 

(14)

*rekenarig *knutselarig
*bedelarig *bewonderarig
*huichelarig *kankerarig
*smokkelarig *stotterarig

Het suffix -te hebben we in (6) en (8) eveneens gerepresenteerd als een klasse II-affix, dus als [#te]S. Immers, de fonologische regel (7) opereert op de slotconsonant van de grondwoorden in -te-afleidingen (vgl. breedte en stijfte). Hieruit volgt dat de afwezigheid van de woorden in (15) in het lexicon systematisch bepaald is.

 

(15)

*stiltig *dieptig
*holtig *slaptig
*ruimtig *kalmtig
*lauwtig *warmtig
*droogtig *sterktig

3.

Een potentieel probleem voor deze hypothese over de structuur van het lexicon is het suffix -ij.14) Beschouw de voorbeelden in (16) en (17).

 

(16)

A B A B
kleed kledij waard waardij
voogd voogdij bastaard bastaardij
dwingeland dwingelandij ruwaard ruwaardij

(17)

A B A B
babbelaar babbelarij smokkelaar smokkelarij
brabbelaar brabbelarij rijmelaar rijmelarij
kibbelaar kibbelarij koppelaar koppelarij
dobbelaar dobbelarij metselaar metselarij
bedelaar bedelarij knutselaar knutselarij
zwendelaar zwendelarij keutelaar keutelarij
huichelaar huichelarij keuvelaar keuvelarij
wichelaar wichelarij kwezelaar kwezelarij
goochelaar goochelarij beuzelaar beuzelarij

De woorden in (16) tonen aan dat het suffix -ij een klasse I-affix is. Ten eerste is de fonologische regel (7) niet van toepassing op de slotconsonant van de grondwoorden in (16B) en ten tweede valt het hoofdaccent in -ij-afleidingen niet op het grondwoord, maar op het suffix. De voorbeelden in (17) verschillen echter van de voorbeelden in (16). Terwijl de grondwoorden in (16B) niet-afgeleid

[p. 15]

zijn (vgl. kolom 16A), zijn de grondwoorden in (17B) gevormd met behulp van -aar-suffigering (vgl. kolom 17A), Aangezien -aar een klasse II-affix is, volgt hieruit dat de -ij-afleidingen in (17B) in strijd zijn met de in (13) schematisch weergegeven hypothese over het lexicon. Immers, de woorden in (17B) zijn gevormd door toepassing van een klasse II-woordvormingsregel (-aar-suffigering) gevolgd door een klasse I-woordvormingsregel (-ij-suffigering).

Merk evenwel op dat het laatste segment van het grondwoord van de -aar-afleidingen in (17A) zonder uitzondering een anterieure liquida is. Deze restrictie kan niet toegeschreven worden aan de woordvormingsregel Ri in (3), zoals blijkt uit de voorbeelden in (1). Dit impliceert dus dat de woordvormingsregel die het suffix -ij introduceert, gevoelig is voor de segmentele structuur van de voorlaatste cluster van het grondwoord (d.w.z. de voorlaatste cluster in woorden zoals babbelaar). Een dergelijke situatie is echter uniek in het domein van de morfologie. Er zijn ons geen woordvormingsregels bekend die onderworpen zijn aan condities op de segmentele of prosodische structuur van een andere cluster dan de laatste cluster van het grondwoord.15) Op grond van deze formele eigenschap van woordvormingsregels moeten we derhalve concluderen dat de woorden in (17B) geen -ij-afleidingen zijn.16) Hieruit volgt dat de afleidingen in (17B) zijn gevormd met behulp van suffigering van -arij aan een verbaal grondwoord.

De condities op de aanhechting van -arij kunnen nu geformuleerd worden met een woordvormingsregel Rs.

 

(18)



illustratie

Uit de formulering in (18) volgt dat het suffix -arij alleen aangehecht kan worden aan verba waarvan de laatste cluster bestaat uit een schwa gevolgd door een anterieure liquida of een dentale nasaal.17) Het ontbreken van de woorden in (19) in het lexicon van het Nederlands moet dus beschouwd worden als een toevallig hiaat.

 

(19)

*rekenarij

*tekenarij

*godloochenarij

*beoefenarij

 

Daarentegen moet de afwezigheid van de woorden in (20) als een systematisch hiaat beschouwd worden.

 

(20)

*plunderarij *weigerarij
*kankerarij *mopperarij
*stotterarij *veroverarij

Het is dus duidelijk dat, gegeven de woordvormingsregel Rs, de afleidingen in (17B) geen tegenvoorbeelden zijn tegen Siegels hypothese over de organisatie van het lexicon.18)

4.

We zullen nu aan de hand van het suffix -sel aantonen dat de organisatie van de woordvormingscomponent van de grammatica zoals gerepresenteerd in (13), nog verder gewijzigd moet worden.

[p. 16]

Beschouw daartoe de voorbeelden in (21).

 

(21)

A A B B
I II I II
raden raadsel krabben krabsel
voeden voedsel zagen zaagsel
winden windsel behangen behangsel
stellen stelsel mengen mengsel
omhullen omhulsel braken braaksel
beginnen beginsel stikken stiksel
verschijnen verschijnsel bedenken bedenksel
plomberen plombeersel stremmen stremsel
proberen probeersel kappen kapsel
ziften ziftsel scheppen schepsel
hechten hechtsel weven weefsel
zetten zetsel stijven stijfsel

C C
I II
naaien naaisel
schoeien schoeisel
broeien broeisel
breien breisel
plaveien plaveisel
strooien strooisel
blauwen blauwsel
bouwen bouwsel
brouwen brouwsel

Zoals blijkt uit (21) treedt het suffix -sel op na liquidae en dentale consonanten (kolom 21A), na labiale en velare consonanten (kolom 21B), en na vocalen en half-vocalen (kolom 21C). Merk echter op dat grondwoorden waarvan het laatste segment een dentale spirant is, ontbreken in kolom (21A). We vinden dus geen -sel-afleidingen van het type (22).

 

(22)

I II I II
eisen *eissel plaatsen *plaatssel
hijsen *hijssel blazen *blaassel
dorsen *dorssel kiezen *kiessel
lassen *lassel lezen *leessel
wassen *wassel overpeinzen *overpeinssel
krassen *krassel kneuzen *kneussel

Voorts is het duidelijk dat de grondwoorden in (21) verba zijn. We kunnen derhalve een woordvormingsregel Rw formuleren voor -sel-afleidingen.

 

(23)



illustratie

19)

Beschouw vervolgens de prosodische structuur van de grondwoorden in (21). In alle gevallen berust het hoofdaccent op de laatste vocaal van het verbum. We kunnen derhalve concluderen dat de afwezigheid van zulke afleidingen als in (24) in het lexicon van het Nederlands systematisch bepaald wordt door formele eigenschappen van de woordvormingsregel Rs.

[p. 17]

(24)

*vervaardigsel *smokkelsel
*bevestigsel *verzamelsel
*prediksel *stempelsel
*verwezenlijksel *tekensel
*beoordeelsel *verzekersel

Bijgevolg wijzigen we de formulering van Rw in (23) als volgt20):

 

(25)



illustratie

De restrictie in term 5 van regel Rw impliceert dat het suffix -sel een klasse II-affix is, hetgeen overigens wordt bevestigd door de werking van regel (7) in zulke gevallen als voeden-voedsel en raden-raadsel. Gegeven onze aanname over het suffix -ig en gegeven Siegels hypothese verwachten we dus dat geen van de woorden in (26) voorkomt in het lexicon van het Nederlands.

 

(26)

*stijfselig *stelselig
*zaagselig *beginselig
*mengselig *probeerselig
*braakselig *blauwselig

Hierop bestaat éé uitzondering: raadselig.

Beschouw nu de voorbeelden in (27), waar het grondwoord een samengesteld verbum is.

 

(27)



illustratie

Het accentpatroon van de samenstellingen in (27) is het resultaat van cyclische toepassing van de Compositum Regel en de Nucleaire Regel, die in vereenvoudigde vorm weergegeven kunnen worden als in (28) en (29) (vgl. ook Halle 1973).

 

(28)



illustratie

De formulering in (28) en (29), en in het bijzonder de conditie op de variabele P in (28), is gebaseerd op de contrasterende accent-verhoudingen in de samenstellingen in (30A) en (30B).21)

[p. 18]

(30)



illustratie

De derivatie van woorden zoals staatsbosbeheer en pluimveehouder verloopt, gegeven de Compositum Regel (28) en de Nucleaire Regel (29), nu als volgt:

 

(31)



illustratie

De Nucleaire Regel is niet van toepassing op de tweede cyclus van (31), aangezien niet voldaan wordt aan de conditie op de variabele M in (29). Op de derde cyclus van (31) wordt weliswaar voldaan aan de structurele conditie van de Compositum Regel, maar verhindert het principe van strikte cycliciteit dat de regel [1 accent] toekent aan de reeds als [1 accent] gespecificeerde vocaal van bos. Het door Chomsky (1973) en Kean (1974) voorgestelde principe van strikte cycliciteit houdt in dat geen regel van de vorm A → B / X_Y toegepast kan worden op een cyclisch domein ZXAYW, als XAY een cyclisch subdomein van ZXAYW) is. Aangezien alle segmenten die voldoen aan de structurele conditie van (28) op de derde cyclus van (31) eveneens tot de tweede cyclus van (31) behoren, wordt de Compositum Regel geblokkeerd.22) Dit geldt echter niet voor de toepassing van de Compositum Regel op de derde cyclus van (32). Aangezien niet alle segmenten die voldoen aan de structurele conditie van (28) op de derde cyclus van (32) eveneens tot de tweede cyclus van (32) behoren, wordt de Compositum Regel in dit qeval niet geblokkeerd. Overigens is de Nucleaire Regel niet van toepassing op de derde cyclus van (32), omdat wederom niet voldaan wordt aan de conditie op de variabele M in (29).

De contrasterende accentpatronen van de samenstellingen in (30A) en (30B) volgen dus uit de formulering van de Compositum Regel in (28) en de toekenning van verschillende constituentstructuur.

[p. 19]

We keren nu terug naar de voorbeelden in (27). Het is duidelijk dat als de Compositum Regel (28) en de Nucleaire Regel (29) worden toegepast voor de woordvormingsregel Rw in (25), het hoofdaccent op wend in een samenstelling als [#1[voor#]p1[#wend]V#]V wordt gereduceerd tot een tertiair accent, zodat het resulterende accentpatroon [#1[voor#]p3[#wend]V#] niet beantwoordt aan de structurele conditie van regel (25).

We moeten derhalve concluderen dat de accentregels die opereren op woordniveau (d.w.z. de accentregels die cruciaal gebruik maken van de configuratie ##, zoals de Compositum Regel (28) en de Nucleaire Regel (29)) geordend zijn na de klasse II-woordvormingsregels. Onder deze aanname verloopt de derivatie van een woord als voorwendsel als volgt:

 

(33)



illustratie

De Nucleaire Regel is niet van toepassing op de derde cyclus van (33) omdat niet voldaan wordt aan de conditie op de variabele M in (29). Merk voorts op dat voorwendsel niet de interne structuur in (34) kan hebben, aangezien de Compositum Regel in dat geval op de laatste cyclus geblokkeerd zou worden door de conditie op de variabele P in (28) en het principe van strikte cycliciteit. Het resulterende accentpatroon zou in dat geval door toepassing van de Nucleaire Regel *2voor1wendsel zijn.

 

(34)

[#[voor#]P[#[wend#]V[#sel]S]N#]N

 

Met deze wijziging in de organisatie van het lexicon is de woordvormingscomponent van de grammatica nu als volgt gestructureerd:

 

(35)

1. Klasse I-Woordvormingsregels

2. Woord-interne Accentregels

3. Klasse II-Woordvormingsregels

4. Woord-niveau Accentregels

 

Deze hypothese over het woordvormingsproces is ongetwijfeld voor verfijning vatbaar. Met name is het twijfelachtig of de klasse II-woordvormingsregels een homogeen geheel vormen. Het is namelijk mogelijk om een formeel onderscheid aan te brengen tussen klasse II-prefigering enerzijds en klasse II-suffigering (en tevens klasse I-affigering) anderzijds. Dit onderscheid betreft de categoriale status van de door de woordvormingsregels geproduceerde afleidingen. Terwijl de categoriale status van door klasse I-affigering en klasse II-suffigering gevormde afleidingen niet noodzakelijk identiek is aan de categoriale status van de betreffende grondwoorden (vgl. ver-, ont-, be-, -ig, -baar, -((e)t)je, -heid, -achtig), is daarentegen

[p. 20]

de categoriale status van de woorden die afgeleid zijn met behulp van klasse II-prefigering, altijd gelijk aan die van het grondwoord (vgl. her-, on-, super-, uit-, oer-, af-, meta-). Uit deze formele tegenstelling, die nader uitgewerkt wordt in Zwarts (MS), volgen tenminste twee conclusies. Ten eerste kan het traditionele onderscheid tussen derivatie en flexie niet gebaseerd worden op het criterium van categoriale transpositie, aangezien de categoriale constantheid die gewoonlijk geassocieerd wordt met flexie, een parallel vindt in klasse Il-prefigering.23) En ten tweede kan het woordvormingsproces dat traditioneel aangeduid wordt als ‘samenstelling’, gereduceerd worden tot een speciaal geval van klasse II-prefigering, aangezien de categoriale status van samenstellingen, op enkele uitzonderingen na24), identiek is aan de categoriale status van het tweede lid van de samenstelling.

Voortgezet onderzoek zal moeten uitwijzen hoe deze resultaten kunnen worden geintegreerd in de in (35) schematisch weergegeven hypothese over de formele organisatie van het lexicon.

 

Frans Zwarts

[p. 23]

Verwijzingen:

M.H. Aronoff (1974), Word-Structure. MIT.
L. Bloomfield (1933), Language. New York.
G.E. Booij (1975), ‘Generatieve Morfologie en Grenssymbolen’, Spektator 5, 2-16.
N. Chomsky (1955), The Logical Structure of Linguistic Theory. MIT.
N. Chomsky (1965), Aspects of Syntactic Theory. Cambridge, Mass.
N. Chomsky (1973), ‘Conditions on Transformations’, in: S.R. Anderson and P. Kiparsky (eds.), A Festschrift for Morris Halle. New York.
N. Chomsky and M. Halle.(1968), The Sound Pattern of English. New York.
C.B. van Haeringen (1962), ‘-Aar of -Er’, in: Gramarie. Assen.
M. Halle (1973), ‘Prolegomena to a Theory of Word Formation’, Linguistic Inquiry 4, 3-16.
M. Halle (1973), ‘Stress Rules in English: A New Version’, Linguistic Inquiry 4, 451-64.
M. Halle (1975), ‘Confessio Grammatici’, Language 51, 525-35.
M.L. Kean (1974), ‘The Strict Cycle in Phonology’, Linguistic Inquiry 5, 179-204.
P. Kiparsky (1974), ‘A Note on the Vowel Features’, in: E. Kaisse and J. Hankamer (eds.), Papers from the Fifth Annual Meeting of the Northeastern Linguistic Society. Harvard University.
H. Schultink (1962), De Morfologische Valentie van het Ongelede Adjectief in Modern Nederlands. Den Haag.
H. Schultink (1974), ‘Plaats en Aard van Morfologische Regels in een Transformationeel-Generatief Taalmodel’, Forum der Letteren 15, 23-39.
D.C. Siegel (1974), Topics in English Morphology. MIT.
F. Zwarts (MS), ‘Woordvorming en Accent in het Nederlands’, Rijksuniversiteit Groningen.

 

Frans Zwarts