Amoureuze en scabreuze liederen in de Gouden EeuwLiederen werden in de Gouden Eeuw ingedeeld in drie brede categorieën: stichtelijke, kluchtige en amoureuze liederen. Onder de laatste twee categorieën bevonden zich veel scabreuze liederen. Hoewel het volkslied in het algemeen wel onderzocht is (zie bijv. W.H. Thijsse over de zestiende en zeventiende eeuw), zijn de amoureuze en scabreuze liederen een ondergeschoven kindje gebleven, vanwege de niet zelden onkiese inhoud. Aan werken van de grote amoureuze dichters als P.C. Hooft en G.A. Bredero wordt wel uitgebreid aandacht besteed (zie bijv. G.P.M. Knuvelder over de eerste en de tweede), maar de vele kleine en anonieme auteurs blijven in de schaduw staan. DBNL werkt samen met het Meertens Instituut en de Universiteit Utrecht aan het project Dutch Songs Online, dat beoogt zoveel mogelijk, zo niet alle, overgeleverde liederen vanaf de middeleeuwen tot 1900 te digitaliseren en te verrijken. Binnen dat project worden en passant veel amoureuze en scabreuze liederen uit de Gouden Eeuw toegankelijk gemaakt. Soorten liederenDe erotische poëzie nam allerlei vormen aan, zoals liefdesliederen, herdersdichten, kluchten, levertjes en serenades. Liedboeken bevatten altijd een divers aanbod aan liederen; ze werden wel vergeleken met een buffet waaruit ieder naar zijn smaak kan kiezen, zoals in Bruylofts-kost. Schuine volksliedjes zijn natuurlijk van alle tijden; twee laatmiddeleeuwse voorbeelden zijn ’Het soude een scamel mersenier’ uit het Gruuthuse-handschrift en ’Wi meyskens net’ uit het Antwerps liedboek. Rond 1600 raakt het herderslied in zwang, dat seksueel getinte ontmoetingen met herders en herderinnetjes in de vrije natuur beschrijft, vaak aangekleed met mythologische figuren en motieven. In de wat vroegere liederen, zoals ’Droomlied van Laura’ uit het Nieu dubbelt Haerlems lietboeck (1643), is het nog redelijk onschuldig en gaat het vooral om de spanning. Die komt echter heel duidelijk tot een ontlading in een later lied uit De Nieuwe Haagsche Nachtegaal (1659). Als tegenhanger van het herderslied ontstaat het kluchtlied. Dat bevat tamelijk platte anekdotes die zich in de stad en veelal ’s nachts op straat afspelen. Zo wordt in ’Snaakze Frats’ uit De nieuwe hofsche Rommelzoo een schoenmaker uit zijn slaap gehouden door een copulerend stel op zijn dak. Een lied in Den koddigen opdisser verhaalt dan weer over een katholieke koster die in de kerk een meisje verleidt. Andere soorten liederen die in deze tijd populair worden zijn de liefdesdialoog, zoals ’Jonge Dogters Vryagie’ uit Den groten zee-held Paul Jonas; de minneklacht van de jongedochter die verlaten is door haar geliefde, zoals ’Beslapen vrysters klagt’ uit Het wydberoemde Overtoompje; en de bruiloftsliederen, waarvan grote aantallen werden opgenomen in werken als \'t Kleyn lust-hofje vol van bruyloft-zangen, echt-liedekens, houwlijcx-baken en feest-gedichten van Hendrik Jacobz. Soetenboom. TaalgebruikHet taalgebruik in de liederen is over het algemeen redelijk bedekt. Taboewoorden werden consequent vermeden. In plaats daarvan werden bloemrijke metaforen gebruikt, die vaak op hun beurt weer taboewoorden werden. Dichters konden ook zelfcensuur toepassen door een woord deels te vervangen door puntjes, waarbij de betekenis duidelijk werd uit de context, zoals ‘k.....’ in een lied uit De nieuwe hofsche Rommelzoo. De eufemismen werden op den duur algemeen bekend en vormden vooral een poëtisch instrument. Een vergelijkbaar spel met bedekte termen en dubbelzinnigheden vond plaats in de schilderkunst; zie voor meer informatie het artikel ’Erotica in vogelperspectief’ van E. de Jongh. De scabreuze liederen werden geschreven door mannen. In de liederen wordt de vrouw gereduceerd tot een lustobject, dat dom is en gemakkelijk te verleiden. Vrouwen hebben zelf ook een schier onverzadigbare seksuele drift, maar zijn vaak passief en dienen vooral voor het bevredigen van de mannelijke lusten. Een typisch voorbeeld is ‘Truytjes Mis-trouw’ in Den vermakelycken opdisser. In alle niet-religieuze liedboeken stonden ten minste een paar amoureuze liedjes. Hoe gewaagd die waren, hing af van de algemene toon van het boek. Voor de spannendere liedjes kon men vaak terecht bij liedbundels die geheel gewijd waren aan de liefde, zoals Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne van Joan Blasius en De tempel der zanggodinnen. De doelgroepDe amoureuze poëzie was veelal gericht op jongvolwassenen met voldoende geld en vrije tijd. Zo werden luxe liedboeken gebruikt als een cadeau waarmee jongemannen een meisje de liefde konden verklaren. Dat komt vaak terug in het voorwoord van zo’n boek, waarin het zichzelf aanbiedt aan de lezeressen. Zie bijvoorbeeld Lente-bloemtjes geworpen in de schoot van aangename juffers en De Amsterdamsche Pegasus. De schenker kon dan door zo’n boek als het ware zichzelf aanbieden aan de ontvangster. Zie voor meer informatie het artikel 'Het jeugdig publiek van de "nieuwe liedboeken" in het eerste kwart van de zeventiende eeuw' van E.K. Grootes. De liedboeken waren bedoeld om in gezelschap gebruikt te worden. Zo konden dialoogliederen als ‘'t Samen gesangh’ uit Amsteldamsche minne-zuchjens beurtelings gezongen worden door enkele personen. Refreinliederen, zoals het ’Sangh-snakerytje voor de Speel-noodts’ uit Den koddigen opdisser, hadden een terugkerend refrein dat dan weer door het hele gezelschap werd gezongen. Het lied in de Zuidelijke NederlandenDe meeste amoureuze liedboeken werden geproduceerd in de Noordelijke Nederlanden. In de Zuidelijke Nederlanden werden ook wel liefdesliederen geschreven, maar daar overheerste de religieuze poëzie. Enkele voorbeelden van Zuid-Nederlandse liedboeken met amoureuze en scabreuze liederen zijn de Brusselschen Blom-hof van Cupido, Het bevel van Cupido en Den eerelycken pluck-voghel. Zie De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde van J. te Winkel voor een overzicht van de Zuid-Nederlandse liedcultuur. TegenstandIn de Republiek was er vanuit de overheid weinig weerstand tegen scabreuze poëzie. Er was wel een verbod op obscene literatuur, maar in de praktijk werd dat nauwelijks nageleefd. Des te meer verzet kwam er vanuit de kerk. Veel dominees zagen in amoureuze liederen een verderfelijke invloed op jonge geesten. De liedboeken waren in hun ogen onderdeel van een goddeloze levensstijl. Zo haalt Willem Sluiter in zijn bundel Psalmen, lof-sangen, ende geestelike liedekens hard uit naar de wereldse liederen, die hij ‘beestelike’ liederen noemt. Ook Daniel Bellemans beklaagt zich in Den lieffelycken paradys-vogel over de grote aantallen niet-religieuze liedboeken. Als verweer brachten de schrijvers van amoureuze poëzie vaak in dat hun liederen juist een didactisch doel hadden: ze onderwezen de jeugd in de kunst van de liefde. Ook combineerden dichters soms amoureuze en stichtelijke poëzie in één bundel, opdat de lezer eerst vertier en daarna verheffing zou vinden. Jacobus de Ruyter doet beide in zijn Nieuw liedboek genaemt den vrolyken speelwagen. Lange tijd ondervond de amoureuze poëzie weinig wezenlijke hinder van de kerkelijke kritiek. Pas aan het begin van de negentiende eeuw was de publieke moraal zodanig veranderd dat er geen plaats meer voor was. Die nieuwe ethiek is goed zichtbaar in de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (p. 230) van W.J. Hofdijk, die in 1857 verscheen. Pieter Boddaert jr. wordt gezien als de laatste grote erotische dichter. [Jos Vos, januari 2012] |