Het embleem  *

In de zeventiende eeuw was het embleem een populair literair genre dat werd beoefend door vele dichters. Onder hen Vondel, Cats, Hooft, Bredero, Roemer Visscher en zijn dochter Anna. Het embleem kenmerkte zich door een combinatie van woord en beeld: vaak een korte spreuk (motto), afbeelding (pictura) en onderschrift (subscriptio), maar ook andere samenstellingen en vormen kwamen voor.

 

     Europese herkomst

De eerste embleembundel werd uitgebracht door de Italiaan Alciato en zijn uitgever, in 1531. Enigszins bij toeval ontstond in dat jaar de combinatie van woord- en beeldelementen die daarna het embleem zou kenmerken. Alciato bracht slechts teksten (gedichten met korte titels) naar zijn uitgever. Die plaatste er, om het geheel aantrekkelijker te maken, afbeeldingen bij en zo werd het embleem geboren. In de dbnl is in het Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek meer over de achtergronden van het ontstaan van het embleem te lezen. Aldaar ook verwijzingen naar de belangrijkste secundaire literatuur.

 

     Raadsels en grappen

De grote populariteit van embleembundels in de vroegmoderne tijd (1560-1750) laat zich verklaren door het vaak humoristische en raadselachtige karakter van emblemen. Wat viel er op te zien, wat bedoelde de dichter precies te zeggen, en aan welke literaire voorgangers werd gerefereerd? Er bestonden handboeken waaraan emblematici (dat zijn: dichters van embleembundels) voorbeelden ontleenden. In de dbnl vind je daarvan de belangrijkste: Cesare Ripa's Iconologia (in de Nederlandse vertaling uit 1644 van D.P. Pers). Over het humoristische karakter van emblemen lees je meer in dit artikel van K. Porteman.

 

     Eerste Nederlandse initiatieven

Het emblematische genre werd al snel een groot succes in heel Europa. In de Nederlanden danken we de bloei van het embleem vooral aan de Antwerpse uitgever Chistoffel Plantijn. De eerste embleembundel die bij hem verscheen was in het Latijn - zie voor de betrokkenheid van Lucas d'Heere bij het maken van de platen, de inleiding bij zijn Hof en boomgaerd -, maar al snel zouden bundels in het Nederlands volgen.

 

     Het Nederlandse liefdesembleem

Aanzet tot de vernederlandsing van het emblematische genre werd gegeven door Daniel Heinsius, hoogleraar in Leiden. Heinsius bundelde in 1601 de krachten van een aantal van zijn vrienden (onder anderen de graveur Jacques de Gheyn en jurist/historicus/staatsman Hugo de Groot) in de bundel Quaeris quid sit amor? (‘Zoek/Vraag jij wat liefde is?’). Vanaf de derde druk had de bundel een titel - Emblemata amatoria - die uit zou groeien tot de aanduiding van een subgenre in de internationale emblematiek, de liefdesemblematiek. Otto Vaenius, leermeester van Rubens, volgde Heinsius in 1608 na met een bundel Amorum emblemata. En in 1611 kwam P.C. Hooft met Emblemata amatoria, zie de prachtige editie van die bundel (met een uitgebreide toelichting op de emblemen en een inleiding waarin ook Heinsius' en Vaenius' rol worden besproken).

De liefdesembleembundels waren bedoeld voor de ‘vrijende jeugd’, op zoek naar echtgenoot of echtgenote. Een artikel over deze lezersgroep van E.K. Grootes. Het genre werd verbreed door Jacob Cats, die in zijn Sinne- en minnebeelden (1618/1627) aan de liefdesemblemen een toepassing gaf die ook geschikt was voor gehuwden en ouden van dagen; zie de prachtige editie van Hans Luijten. In 1615 kreeg de liefdesemblematiek een nieuwe dimensie met de publicatie van Vaenius' Amoris divini emblemata, een vrije bewerking van zijn eerder verschenen Amorum emblemata.

 

     Realistische emblemen
De Nederlandse emblematiek kenmerkte zich naast de nadruk op het onderwerp ‘liefde’ ook door een voorkeur voor het dagelijkse leven als bron van motieven, en als mogelijkheid om moralisaties te concretiseren. In het artikel ‘Gezien of gelezen’ van Hans Luijten wordt uitgelegd hoe realistisch Cats' emblemen waren. Een artikel van B.F. Scholz geeft inzicht in de uitwerking van dit ‘realisme’ door Roemer Visscher in diens Sinnepoppen (1614). In veel gevallen zijn de realia te zien en te lezen als onderdeel van de gedachtegang dat Gods ‘tweede boek’, de natuur, gelezen kan worden als de bijbel. Afbeeldingen uit het dagelijkse leven dienen dan als verbeeldingen van het vergankelijke. Dat is bijvoorbeeld de boodschap van Jan Luykens bundels Des menschen begin, midden en einde (1712) en Het leerzaam huisraad (1711). Deze godvruchtige bundels vormen nogal een contrast met Luykens debuut, een bundel uitbundige liefdesemblemen met de titel Duytse lier. Een nog uitgesprokener didactische toepassing kreeg het embleem in Vaderlandsch A-B boek voor de Nederlandsche jeugd van J.A. Swildens (1781). In het verlengde daarvan liggen kinderboeken met prenten en versjes, zoals W.P. Razoux' Een aardig prentenboek met leerzame vertellingen (1848, zie ook diens Een nieuw aardig prentenboek (1849) Het laatste aardige prentenboek (1863)).

 

     Reikwijdte van het Nederlandse embleem

Door de kwaliteit van de gravures die in de Nederlanden bij de emblemen gemaakt werden, door de ‘uitvinding’ van het liefdesembleem, en door de wisselwerking tussen emblematiek en schilderkunst heeft het Nederlandse embleem sporen in de Europese kunst nagelaten. Hoe via schilderijen emblematische thema's en motieven - vaak gerelateerd aan erotiek en liefde - verspreid werden, wordt uiteengezet in het artikel ‘Erotica in vogelperspectief’ van E. de Jongh.

 

     Doorwerking van het embleem

De speelse, soms erotische toonzetting van het embleem is een goede verklaring voor het succes van het genre in de Nederlandse literatuur. Dat succes is nu lang vervlogen. Maar de beeldend kunstenaar/schrijver Charlotte Mutsaers waagde zich in het recente verleden met Het circus van de geest (1983) aan het vervaardigen van een embleembundel. Zelfs de ooit zo populaire embleemdichter Cats werd na de negentiende eeuw nauwelijks meer gelezen. Daar staat tegenover dat veel emblematische gedachten, uitwerkingen en motieven nog steeds in de Nederlandse cultuur te herkennen zijn, niet in de laatste plaats in reclame-uitingen, zie daarvoor het al genoemde artikel van Hans Luijten.

 

     Het embleem als studie-object

Het embleem raakte ook als studie-object in de vergetelheid, maar werd halverwege de vorige eeuw herontdekt als een van de invloedrijkste en populairste literaire genres uit de vroegmoderne tijd. In de naslagwerken die zijn opgenomen in de dbnl kun je die verschuivende aandacht goed waarnemen. In het al genoemde Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek uit 2002 is er een volledig lemma aan gewijd. In de oudere literatuurgeschiedenissen is informatie moeilijker te vinden, zoals in die van Jonckbloet, Kalff en Te Winkel en Knuvelder (bijvoorbeeld in zijn beschouwing van Cats).

 

 

[Els Stronks, januari 2005]

 

 


 *
 Deze pagina bevat ook een aantal verwijzingen naar teksten die zijn opgenomen in de site van het Emblem Project Utrecht.