de rederijkers

In de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw waren er verspreid over heel Noord- en Zuid-Nederland honderden rederijkers actief. Deze toneelliefhebbers en voordrachtkunstenaars hadden zich verenigd in zogenaamde rederijkerskamers. Die kamers, elke zichzelf respecterende stad had er minstens één, organiseerden wedstrijden, verzorgden feesten en officiële optredens. De rederijkers schreven een onafzienbare hoeveelheid gedichten en toneelstukken. Een groot deel daarvan is bewaard gebleven.

wie waren de rederijkers?

In het Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek is een aantal relevante lemma’s opgenomen over de rederijkers, zoals de genres die ze beoefenden: balladen, refreinen, en toneel, de kamers waarin ze zich verenigden en de term rederijkerij. Te Winkel gaat in zijn handboek dieper in op de specifieke kamers in de gewesten. Hij schenkt vooral aandacht aan het religieuze aspect van de rederijkers zoals aan de inhoudsopgave van deel 2 van zijn Ontwikkelingsgang valt af te lezen. Voor de ontstaansgeschiedenis, de lyriek en het toneel van de rederijkers kunnen we terecht bij Knuvelder. Coigneau geeft in één artikel een handzaam globaal overzicht van de rederijkers en hun activiteiten.

de kunst van de rederijkers

De Oudenaardse rederijker Matthijs de Castelein geeft in De const van retoriken concrete aanwijzingen over hoe de rederijkers zouden moeten werken en welke technieken ze zouden moeten gebruiken. Te Winkel gaat in op zijn richtlijnen en ziet De Castelein als verpersoonlijking van de rederijkerij. Ook Knuvelder ziet in De Castelein een sleutelfiguur in de rederijkerij. Kalff gaat ook inhoudelijk in op de De const van retoriken. Beroemd is het ‘schaakbord’ in dit werk, waarin 38 balladen verstopt zouden zitten. Aan de lezer de taak ze te achterhalen. Westgeest doet een - geslaagde - poging daartoe. Spies laat overigens zien dat De Castelein voorliep met zijn retorische ideeën. Volgens Pleij was voor de rederijkers niet alleen de techniek van belang, ze moesten ook vakmanschap hebben én goddelijk geïnspireerde furore.

beroemde rederijkers

Ondanks dat de meeste rederijkers zich min of meer anoniem in kamers ophielden, zijn er enkele rederijkers die er boven uitstaken. Redelijk bekende rederijkers zijn Lucas de Heere, Jan van Doesborch, Jan van Stijevoort, Jan van den Berghe, Robert Lawet en Anthonis de Roovere. Anna Bijns was geen lid van een rederijkerskamer maar wordt wel tot de geestverwanten van de rederijkers gerekend. Een beroemd gedicht van haar handelt over de keuze tussen Maarten Luther en Maarten van Rossem. Pleij gaat in op de motieven voor haar voorkeur. Waarom Bijns als vrouw toch ‘meetelde’ wordt, in het kader van genderstudies, besproken door Lie.

competitie: landjuwelen en andere wedstrijden

Rederijkers van verschillende kamers kwamen elkaar tegen tijdens wedstrijden, zogenaamde refreinfeesten, waarop de mooiste werken van de rederijkers werden bekroond. Ze werden juwelen (met een stedelijk of regionaal karakter) of landjuwelen (met een bovenregionaal karakter) genoemd. In het eerder genoemd Lexicon wordt uitgelegd hoe zo’n wedstrijd tot stand kwam en hoe het een en ander in zijn werk ging. Ter Laan geeft enkele voorbeelden.

Het rederijkersfeest te Gent in 1539 was naast het Antwerpse landjuweel in 1561 de meest spraakmakende wedstrijd die ooit is gehouden. Het feest duurde 23 dagen en is vooral van belang vanwege het reformatische karakter, zie hieronder.

In 1596 koppelde Jan van Hout een rederijkerswedstrijd aan de Leidse loterij. Koppenol bespreekt deze wedstrijd, inclusief de gedichten die voor de wedstrijd werden ingezonden.

De Haarlemse rederijkerswedstrijd van 1606 wordt behandeld door Ramakers, die vooral ingaat op het visuele aspect van het evenement. Soms was er ook strijd zonder prijzen: in 1611 verscheen een gedicht over het verzet van een lelie tegen een tulp. Koppenol en Verhoeven tonen aan dat hier meer aan de hand is en dat de rederijkers hier verantwoordelijk voor waren.

de rederijkers in hervormingstijd

De meeste feesten en optredens die de rederijkers organiseerden waren ter ere van de stad. Toch waren niet alle activiteiten van de rederijkers even officieel. Soms zijn hun teksten kritisch of zelfs opstandig, met name in het begin van de Reformatie. Dat spreekt bijvoorbeeld uit het spel Nyevont en uit de eerder genoemde Gentse spelen van 1539.

De ‘acties’ van de rederijkers tijdens de Reformatie bespreekt Waterschoot. Bij Te Winkel vinden we een overzicht van reformatorisch gezinde toneelstukken, en over de vervolging die ze regelmatig opriepen. Wille laat zien dat er een paradox zit in de manier waarop de kerk en de staat met de rederijkers omgingen: hun kunst bleek iets anders te zijn dan hun spelen.

lokale ontwikkelingen

Wat betreft de lokale ontwikkelingen biedt P.J. Meertens een boeiend overzicht van de rederijkers in Zeeland. Van verscheidene rederijkers konden gegevens achterhaald worden. Zo is er bijvoorbeeld Job Gommersz, een van de weinige Zeeuwse rederijkers waarvan werk is overgeleverd (nog niet op de site beschikbaar). Van Adriaen Valerius, ook een Zeeuwse rederijker, is meer beschikbaar: Nederlandtsche gedenck-clanck en zijn bijdrage aan de Zeeusche Nachtegael.

toneel en spektakel

Een volledig overzicht van het rederijkerstoneel biedt het repertorium van Hummelen (door de auteur herzien in 2003). Zie ook nog enkele artikelen van hem over rederijkerstoneel, onder meer over toneel op de kermis, waarin rederijkerstoneel wordt besproken aan de hand van schilderijen en prenten. In het kader van het onderzoeksproject Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen hebben Ramakers en Van Dijk een inleiding geschreven op het middeleeuwse toneel; uiteraard komt het omvangrijke rederijkerstoneel ook ter sprake.

Brinkman behandelt het vroegste Nederlandse toneel; de rederijkers spelen nog maar een marginale rol, maar het artikel geeft een duidelijk inzicht in de voedingsbodem voor het rederijkerstoneel. In Worps Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland komt het repertoire van de rederijkers uitgebreid aan bod. Worp biedt een overzicht van de verschillende genres en er worden concrete stukken genoemd en daarbij wordt ook een overzicht gegeven van de wedstrijden waarvoor ze eventueel zijn geschreven. Zijn oordeel over de rederijkers is evenwel niet zo positief: ‘De rederijkers hebben geen enkel kunstwerk van beteekenis voortgebracht’. Het Letterkundig lexicon biedt precieze omschrijvingen voor de verschillende toneelgenres van de rederijkers: esbattement, blijspel, klucht, spel van zinne, tafelspel, allegorie, moraliteit etc. Er staan enkele rederijkerstoneelstukken op de site, zoals bij de beschikbare titels te zien is. Zo is er bijvoorbeeld Mariken van Nieumeghen; Coigneau heeft daar niet alleen een editie van gemaakt, hij heeft ook een artikel gewijd aan de ontstaansgeschiedenis van het stuk. Ook de Elckerlijc is te vinden op de site, met een uitgebreide inleiding; zie ook de secundaire literatuur over dit stuk. Een bijzondere plek nemen de Spelen van de hel in: duivelspelen gemaakt door rederijkers. Bij Mak vind je niet alleen de tekst van vier ‘excellente’ kluchten, hij heeft ook een lijst van overgeleverde zestiende-eeuwse rederijkerskluchten opgenomen. Een artikel van Fleurkens behandelt Coornhert als overgangsfiguur tussen het verdwijnende rederijkerstoneel en het opkomende renaissancetoneel. Ook Spies bespreekt de overgangsproblematiek van de late rederijkers en de vroege renaissancisten.

vernieuwing en verwording

De rederijkerij maakte in de tweede helft van de zestiende eeuw hier en daar een grondige modernisering door. Spies laat dat zien voor de Amsterdamse rederijkers. Koppenol beschrijft de vernieuwing bij de Leidse rederijkers, in het bijzonder Jan van Hout, met name diens poëticale ontwikkeling; zie ook de rederijkerswedstrijd waarbij Van Hout de deelnemers in de uitnodiging probeerde uit te dagen renaissancistische elementen aan te wenden in hun poëzie. Jans vader Cornelis Meesz. van Hout kan al gezien worden als een overgangsfiguur, zie zijn sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit.

Er zijn tal van voorbeelden waarin de rederijkerskunst zich met de Renaissance verenigt, bijvoorbeeld het Groot lied-boeck van Bredero. Stuiveling laat de literaire ontwikkeling zien van de rederijker Bredero tot de renaissancist Bredero; de technische verschillen tussen rederijkerskunst en renaissancekunst (adjectiva, rijmwoorden etc.) komen ook aan bod.

In Den Nederduytschen Helicon, een verzamelwerk van Leidse, Haarlemse en Amsterdamse dichters, is goed te zien hoe vernieuwing de overhand krijgt op traditie. Doordat de auteurs nog niet geheel vrij zijn van het oude en nog niet helemaal vertrouwd met het nieuwe, heeft de bundel een wat tweeslachtig karakter gekregen.

De Franse (renaissancistische) invloed op de rederijkers en hun werk bespreekt Waterschoot. Overigens gaf Pleij aan dat de rederijkersliteratuur uit de vijftiende eeuw al bezig was zich te vernieuwen: hij toont aan dat dit voortkomt uit het vroege humanisme.

In de Geschiedenis van de Nederlandse taal wordt de taal van de rederijkers én de invloed van de renaissance op de taal besproken.

Grootes gaat in op de marginalisering van de rederijkers in de loop van de zeventiende eeuw: ‘dode rivierarmen’ waren het.

rederijkers, kannekijkers

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw lijkt ook de beeldvorming rond rederijkers steeds negatiever te worden. Zie bijvoorbeeld vers 207-218 in de Spaanschen Brabander van nota bene oud-rederijker Bredero. Ook in zijn Klucht vande koe haalt Bredero de rederijkers aan, in de proloog en in vers 584-612. Jan van Hout had aan de later zo beroemde uitdrukking ‘rederijker, kannekijker’ al veel voedsel gegeven met zijn ongeremde kritiek op de gang van zaken in de Leidse kamer. Overigens maakte Busken Huet in 1877 nog melding van een Jaarboekje voor Rederijkers en Beminnaars der Poëzij, waarin ruim 200 kamers worden vermeld. Busken Huet verdenkt de leden ervan overigens van niet al te nobele motieven om hiermee bezig te zijn: ‘maar om, voor weinig geld, en met weinig onkosten van toilet, een avond buiten \\\\\\\'s huis door te brengen; te zien en gezien te worden’. Westers bespreekt dan weer de verbazing van Busken Huet en vertelt over de opkomst van deze negentiende-eeuwse rederijkers. Kneppelhout geeft in zijn Studententypen een schets van een negentiende-eeuwse rederijkerskamer. Wat de rederijkers van die dagen bezield moet hebben, en wat de literatuurgeschiedschrijvers ervan dachten, laat Van Kalmthout zien.

onderzoek naar de rederijkers

Tot slot geeft Coigneau een goed overzicht over wat het onderzoek naar de rederijkers nu inhoudt, inclusief terreinverkenning, benaderingswijze en uitgebreide aanbevelingen voor verdere studie. Eventueel kan er voor meer literatuur in de dbnl gekeken worden bij de ‘Middeleeuwen’ en/of de ‘Gouden Eeuw’.

[Jelske van der Hoek, april 2005]