Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
DBNL Logo
DBNL Logo

Hoofdmenu

  • Literatuur & Taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taal
    • Limburgse literatuur
    • Friese literatuur
    • Surinaamse literatuur
    • Zuid-Afrikaanse literatuur
  • Selecties
    • Onze kinderboeken
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • E-books
    • Publiek Domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Gebruiksvoorwaarden
    • Hergebruik
    • Disclaimer
    • Informatie voor rechthebbenden
  • Over DBNL
    • Over DBNL
    • Contact
    • Veelgestelde vragen
    • Privacy
    • Toegankelijkheid
Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 2: 1619-1627

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (5,48 MB)






Editeur
Cornelis de Waard



Genre
non-fictie

Subgenre
non-fictie/dagboek
non-fictie/natuurwetenschappen/wiskunde
non-fictie/natuurwetenschappen/natuurkunde
non-fictie/filosofie-ethiek


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

 

Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 2: 1619-1627

(1942)–Isaac Beeckman

Vorige Volgende

[1624]

[20 januari 1624]

+De schouwen, die hooghe syn, trecken den roock best, omdat de locht, hoe hooger hoe kouder synde, alles in haer te beter draeght, gelyck vooren2) oock geseydt is. Derhalven den roock of de vlamme onder de schouwe synde, wort opgetrocken, behalven datse van selfs opwaerts vlieghtb); want men siet bescheelick, dat de vlamme na het recht gat van de schouwe neyght, ende lanck ende smal wort door den geduerighen tocht, die der doorgaet - doordien, segghe ick, dat de locht in de schouwe allenckxken hoe kouwer is, ende de locht dicker ende dicker, also dat alle

[p. 283]

+ oogenblick het opvliegende gemackelicker opgaet; ende also treckt het opperste des opvliegendens damp het onderste een weynich, sonder twyffel aeneen hangende. Daerenboven so doet den wint daer oock wat toe, want dewyle sy teghen de aerde gesteudt wort, so isse beneden dichter dan boven, daerse nergens teghen en stoot. Ende also wort alles van beneden na boven gestooten daer eenighe vensters of +deuren open syn, sodat daerdoor in een open velt eenen geduerighen tocht kan gemaect worden, sonder vapeuren of roock, door de beweginghe des lochs alleen, dewelcke beneden synde, door de wint gedronghen wort in alle gaten, daer de wint so dicht niet in en sit, gelyck in schouwen, die hoogh syn, als geseydt is. Maer als de wint niet eenparich en vlieght, maer door huysen, torens of mueren gesteut wort, so maecktse dickwils een suyghinghe, daer andersins de locht dichst behoort te syn door den wint, also datse de deuren ende veynsters open suyght, die maer rechs aenstaen. Dit geschiet als de wint ergens teghen steutende, opwaert schiet, of eenen anderen wech kiest dan de lochta) is, want dan wort de locht aldaer open, dewyle dat alles vandaer loopt ende daerdoor die plaetse ledich wort.

 

+Als den radix1) niet effen uytgetrocken en kan worden, so dobbeleert men den gevonden radix ende men doeter één by, dat is dan den nomber vant overschot.

De reden is, omdat het dobbel van eenen radix ende één daerby, effen is het verschil tusschen het quadraet van dien radix ende het quadraet des radix, die één grooter is. Als by exempel: 2 radix, synb) quadraet 4; 3 radix, syn quadraet 9; het verschil 5. Het dobbel van 2 is 4 ende één daarby is 5. So oock 5 radix, | syn quadraet 25; 6 radix, syn quadraet 36; het verschil 11. Het dobbel van 5 is 10; één daerby is oock 11.

De reden hiervan is, alsmen een quadraet maeckt, so mach men den radix 5 in twee stucken snyden: 4 ende 1, ende quadreren: 4 kompt 16 voor het quadraet van den radix, die één kleynder is. Dan moet men 4 met 1 multipliceren tweemael, kompt 8; en ten laetsten de 1 quadreren, kompt 1. Ergo 16 ende 8 ende 1 is 25; ergo 8 ende 1 is 9, het verschil tusschen 16 ende 25. Aldus en kan het gebroken number so groot nietc) syn alsd) den denominator, want dan soude terstondt den radix moghen één grooter syn.

 

+Als men radix quadrata of cubica, of eenighen anderen, uytreckt, so moet men achten dat het getal in tween gedeelt is; tis eveleens hoe groot het sy ende van hoeveel letters, want de eerste letter is een stuck van den radix met soveel 00 alser puncten na staen; ende de andere letters syn gemaeckt van het quadraet van de reste der letter des radix ende de supplementen; ende de cubus naer advenant etc.

Als, by exempel, maeck een quadraet, cubus etc. van 321:

[p. 284]
+

illustratie



illustratie



illustratie



illustratie

a

+Also ick van de heeren burghmeesteren van Rotterdam naer den ysdam op de Vaert gesonden was1), om te sien of ick daer yet goets doen konde, ende par compangie eenighe heeren met my ghinghen ende wy savons late na Schoonhoven voerenb), sagh één van ons, datter na den tyt, sonder sterrenlicht, al te klaer weder was na gewoonte. Waerop den schipper antwoorde: ‘dat licht sullen wy noch wel gevoelen, want de see worpt op’c), verstaende toekommenden storm. Dit seyde hy den 17en Jan. 1624, ende ick seyde: ‘de schipper spreeckt wel’c). Ende het begond) den 18en snachs te stormen uyt den Noortwesten, een dach of twee duerende, sodat de heeren, thuys kerende, in groot peryckel waren. Ende men schreef dien wint toe het scheuren ende wechgaen van den ysdam.

De reden waerom dat dit licht storm causeert, is dat de dampen uyt de see oprysende, ende sullende storm verwecken (door oorsaken elders verclaert), met haer nemen yet des soudts van de Noortsee, welcke silticheyt, subtyl synde, ende geduerich optreckende, causeert het licht, gelyck gesoute vischgraten ende geroert soudt water.

 

+Also ick van Der Gouwe, om het water te sien2), thuys quam, seyde onderweghen

[p. 285]

+ één van ons geselschap, dat hy konde touback drincken door het bier van een glas, also dat den roock door het bier passeren soude; doch niemant willende de konste betalen, sweegh hy stille1).



illustratie
Fig. 29.


Hetwelck ick concipiere aldus te geschieden: Men stopt het glas boven dicht toe met kley of yet anders, ende men steeckt de toubackpype daerdoor, tot byna aen den bodem. Daerna steeckt men daer een ander buysken door het stopsel van kley, niet aen het bier rakende; ende men suyght door dit buysken eenighen locht uyt, ende dan wast het bier hoogher, ende daer kompt ydelheyt onder, dewelcke den roock door de toubackpype treckt, dewelcke, lichter synde dant bier, ryst op daerdoor tot aent biers oppervlack, ende kompt also in het buysken, sonder met bier gemengelt te syn.

[22 februari 1624]

+Jan Weymans2) seyde my den 22en Feb<ruarij>a), datter in syn landt soveel schouwen niet en syn, die roocken, als hier in Hollant.

Nu syn landt is St Truyen ontrent Luyck, berghachtich ende drooghe. Dit kompt overeen met de speculatie, die ick vooren ergens3) gehadt hebbe van de vochtighe locht, datse so wel den roock ende dampen niet en kan draghen als een drooghe locht, omdat de vochticheyt niet en is gelyck soudt in de see, maer gelyck slyck int Haerlemmermeer4). Also en kan derhalven de locht, met vochticheyt besedt synde, ofte oock met dampen, den roock niet wel heffen, want daer de vochticheyt is, ende gheen lochtb); ende vochticheyt en heft niet, omdat se maer by accident omhooghe gehouden en wort, haer natuere synde om te dalen. Noch oock de dampen en heffen soveel niet als locht, omdat se lichter syn als locht, als daerin opvliegende.

+Vergelyckt dit met het teecken, dat Virgilius, Georg.5), geeft van regenachtich weer, te weten als de asschen van het lement in de lampe blyft sitten aen de neuse, ende maect die dicke, waervan wy vooren6) oock mentie gemaeckt hebben.

[p. 286]
+

+Praedicatum propositionis, ut antè1) dixi, latiùs est subjecto, nec obstat conversio per contrapositionem, ubi species videtur praedicari de genere. Sicut enim dicimus: Omnis homo est animal, ita etiam dicitur: Quod non est animal, non est homo, ubi ‘homo’a) videtur praedicari de animali. Verùm ‘homo’a) hîc non est terminus, sed habendus duntaxat pro parte termini, quia (ut ex praemissis facilè intelligendumb) est) praedicatum est ‘non homo’a), subjectum ‘non animal’a). Atque ita ‘non homo’a) plus comprehendit quàm ‘animal’a). Illud enim bestias etiam comprehendit, non autem hoc. Unde videmus | ea, quae affirmata praedicanturc) de subjectis etiam affirmatis, fieri latiora negata subjectis etiam negatis; ideòque subijcienda.

[31 mei 1624]

+Vooren hebbe ick ergens2) gesproken van den as van een radt, dat rust op een anderen wielken, aldus: ab het wiel, cd den asch; ende c rust op het wielken ef, ende d op het wielken rs.

De oorsake, segghen Pauls de smidt ende Weymans3), daerom dit so gebruyckt wort, is het leven; dat is dat het lichter gaet dan of cd op een block laghe ende

illustratie

Fig. 30.


draeyde in een vierkandt gadt (men houdt het vierkant gadt beter dan een rondt gat, omdat den asch in het rondt gaet, sluytende allom raeck; maer den asch in een vierkant spelende, en raeckt maer aen twee of 3 punten, te weten onder ende ter syden, ende also isser min naecksel). Want, segghen sy, de asschen gh, tu van de wielkens ef, rs moghen veel dunder syn dan den asch van het groote wiel cd, omdat

[p. 287]

+ de asschen gh, tu korter syn, of syn moghen, dan cd; endea) een kort houdtken of yserken kan meer draghen dan een lanck.

Daerteghen segghe ick, dat dit wel so is int regaert van den midden van dien asschen, maer niet aen de eynden, want het yserken, dat lanckx is, breeckt in den middel. Daerom, alsb) de middel sterck genoech is, so sullen even dicke eynden evenveel gewichts konnen draghen, al waere den eenen asch een myle lanck ende den anderen maer een voet lanck; want anders soude men also een duysent pont op een stroyken konnen doen rusten. Evenwel so moghen de asschen gh, tu half so dunne syn als den asch cd, omdatse onder haer tweeën maer soveel en draghen als denc) grooten alleen; maer dat en is niet omdat se korter syn, want gelyck de lenghde of kortheyt in cd gheen veranderinghe en geeft, also en is dierhalven oock gheen veranderinghe in gh, tu. Maer indien men aldus de asschen dickwils halveert, so sal men ten laetsten 1000 ℔ op stroykens draghen - niet op twee stroykens, gelyck gemeynt wiert met den asch cd, maer op menichte van stroykens, elck rustende op een bysonder bloxken. Evenwel so en gheeft dese dunte der askens op de wielkens gheen lichticheyt int drayen door haer dunte, want onder haer tweeën syn sy al veel dicker, dat is hebben onder haer tweeën veel meer ommeloops dan de groote alleene, ende derhalven oock meer naecksel. |

Niettegenstaende nochtans dit alles, segghe ick, dat het veel lichticheyt geeft int drayen, ende datter also veel min naecksel is dan of den grooten asch alleen op éénen blocken drayde. Doch om een ander reden wille, te weten omdat de asschen van de kleyne wielkens veel tragher omgaen dan den asch van het groote wiel, <dat is te segghen>d) so veel tragher als de kleyne wielkens grooter syn dan den asch van het groote wiel; want als den asch van het groote wiel ééns ronsom het kleyn wielken geloopen heeft, so en is den asch van het kleyn wielken maer ééns omgedraeyt. Waeruyt volcht, dat als het groote wiel met synen asch ééns omgedrayt is, so en is maer een kleyn deelken van den asch van het kleyn wielkene) vergaen, ende derhalven weynich naecksel geweest. In somma, het gaet hiermede toe gelyck met eenf) rat van een uerwerck, twelck so veel tragher ende gemackelicker omgedraeyt wort als het volder is van wielkens, op de manniere vant almachtich van Stevyn1).

Voorder so moet men weten, dat het naecksel des ondersten punts van de spille of asch veel styver pranght dan het punt, dat tersyden naeckt, want de heele swaerte licht daerop, ende dit en is maer teghen het verschuyven. Nu so en wort het naecksel des sy-punts met dese wielkens niet benomen, niet veel bysonders synde, maer het naecsel des ondersten punt wort heel, of byna heel, wechgenomen, omdat het punt op het wielken niet en schuyft, maer daerop pranghende, doet-

[p. 288]

+tet dat drayen sonder scrabben, gelyck oft een kleyn tandeken ware, dat tusschen twee tandekensa) des wielkens in kommende, datselvighe met hem treckt, also dat de pori ende asperitates des aschs ende wielkens syn instede van tandenb), waerom men oock somtyts het wielken vol schrabbekens ende putkens maeckt, gelyck een vyle.

In de voorgaende figure is te sien het groot rat ab, overkant gesien, drayende om den asch cd, die licht om de wielkens ef, rs, welcke drayenc) op den asschen gh, tu. Welcke wederom ligghen op vier wielkens ik, no, wx, ϕχ, wier asschen lm, pq, yz, ᾿θ nu eerst ligghen op de blixkens, die vast staen.

Men soude oock de pranghinghe van tersyden konnen wechnemen met een wielken, tersyden teghen den asch rustende tusschen het groot wiel ende het kleyn wielken; want also salmen al de gemeynde pranghinge byna heel wech nemen.

 

+Soni materiam eandem numero esse qui erat in oro loquentis1) etiam probatur vulgatâ opinione, nimirum requiri contactum corporum solidorum. Quî igitur sonus primò editus a corporibus solidis, poterit similem sonum gignere, cùm tantummodo aeri impingat corpori non solido, aut saltem multò minùs solido quàm primum erat, unde primus sonus procreabatur?

 

Dat de schippers somtyts liefste) aen de kandt varen, somtyts int midden van de see of reviere, is omdat het int midden lanckxtf) stroompt of ebt; ende aen de kanten begint het eerst te ebben ende te vloyen.

+De reden is, omdat het water in de midden veel synde, aen beyde syden onverhindert langer in synen loop blyft, gelyck een groot schip langher voortgaet dan een kleyn, al wordense beyde seffens even veerdich afgestooten, gelyck vooren2) dickwils geseydt is. Maer aen de kanten is het water weynich ende kleynder, ende wort noch bovendien van de canten gehouden ende gesteut, seght Willem de schipper, dit alsg) eenighe reden daervan gevende, daer ick nochtans bewyse de menighte des waters int midden meest daertoe te doen. |

 

+Quidam homo est dives; hic homo est pauper; ergo quidam pauper est dives.

Hîc minor singularis nequit esse pro universali quia ‘quidam homo’h) particularis in majore latior est quàm ‘hic homo’h) in minore. Tùm enim duntaxat singularis propositio habetur pro universali cùm non subordinatur particulari.

 

+Quaeratur cur propè horisontem plures semper nubes etiam formatae, non solum nebulosae, sed terminatae appareant quàm prope zenit nostrum.

[p. 289]
+

Ratio est, quia nubes non longè remotae sunt à Terrâ, unde fit ut concavitas earum, cum ipsius aeris superficie, exigua est nostro respectu et ferè plana. Idemque accidit hîc quod in longâ porticu aut templo in quo multa anathemata vel candelabra pendula sunt; ea enim, etiamsi aequaliter ab invicem distant, tamen remotissima videntur invicem propinquiora, proxima verò ab invicem longiùs distantia, quod angulorum mutatio in opticis satis manifestè docet. Ita etiam nubes sunt tabulatum Terrae quàm proximè incumbens, et eo modo quo Terra ferè planum nobis videtur. Hinc horisontales nubes manifesté remotissimae videntur ac reverâ sunt. Quò igitur nubes sunt altiores, eò minor hac in re est differentia, eòque pauciores circa horisontem conspiciuntur. Imò si tantum quantum stellae abessent, non plures circa horisontem quàm circa zenit conspicerentur. Et si tantùm altitudine turris abessent, etiam rarissimae nubes speciem praeberent densissimarum nubium circa horisontem.

Den 31en Mey 1624.

[16 juni 1624]

+Eodem tempore vidi nubes superiores versus S.W., inferiores versus N.O. simulet eodem tempore moveri.

Cur autem nubes inferiores non ascenderint usque ad superiores, haec est ratio: Nubes superiores, cùm sint in aeris superficie, ibi omnis omninò calor colligatur; fit superior ea aeris pars admodum calida, ideòque rarior quàm paulò inferior. Solae igitur nubes calidiores eo perveniunt, frigidiores verò infra subsistunt, quia tenuitas superioris aeris eas nequit ferre, eo modo quo in oleo nequeunt natare ea, quae in aquâ natant.

Antè alubi1) dixi quomodo nubes a Terrâ usque ad frigidissimam regionem aeris, crescente semper motu, ascendant, inde verò usque ad supremam superficiem, decrescente semper motu, ascendant. Pluvia verò cadens à supremâ superficie usque ad locum frigidissimum, motu decrescit; et procul dubio ibi interdum haeret quamdiù adhuc tantum caloris continet qui eam ibi elevatam detineat; hinc verò ad Terram decidens, motu crescit.

Quorum omnium ratio patet ex Staticâ aquarum, ex theoremate hoc: levissima et plus spacij capientia corpora in eodem pondere, optimè et maximâ sui parte exserta, innatant liquoribus densissimis; et minùs spacij capientibus in eodem pondere <subeunt>a). Ita lignum meliùs innatat aquae marinae quàm dulci, et <meliùs>b) argento vivo quàm aquae; et aquae meliùs innatat suber quàm lignum.

 

+Als ick door een gaetjen, met een spelle int pampier gesteken synde, met één ooghe eenighe letters sie, so kan ick die van verder lesen dan met beyde, of met myn één ooge, sonder door het gaetjen te sien.

[p. 290]
+

De reden is, omdat ick myops, dat is bysiende, synde, de stralen, van de letter door het gaetjen kommende, gerefringeert worden, ende kommen tesamen in een punt dat verder van het gaetjen is dan of de stralen recht deur gynghen; want sy krommen haerselven om de binnenste kanten van het gaetjen, gelyck water teghen een boom noes gespeuydt synde, sich een weynich na den boom krompt, daeraen wat blyvende kleven. |

 

+Rechs vooren1) is geseydt dat de lichste wolcken dryven int oppervlack des lochts, ende de swaerste daer de locht alderkoudts is, also dat de dampen, die aen het eertryck omhooghe konnen vlieghen, niet stil en konnen staen totdat se aen de alderkoudtste locht syn, om dieswille dat de locht by de aerde dunder is dan hoogher. Maer vant koudste af na boven isse hoe hoogher hoe dunder, omdat int oppervlack des lochts alle hitte, met weynich waters gemeynght, vergadert wort2). Nu de wolcken int midden van de locht blyvende hanghen, so treckt daeruyt vooreerst het subtylste met weynich materie gemeynght, ende vergadert sich tot windtwolcken int oppervlack des lochts. Daerna hetgene, dat tot aen het oppervlack niet kommen en kan, blyft onderweghe hanghende, het eene hoogher als het andere, waerdoor dit seer selden wolcken causeert, want die en kommen maer alser vergaderinghe geschiet in een vlack. So wort dan altemet die plaetse tusschen de opperste ende onderste wolcken met mist of donckerheyt vervult of nevelachticheyt.

+Welcke nevel somptytsa) bestaen uyt sulpherachtighe substantie, daervan de materie swaerder is dan datse soude kommen int opperste van de locht. Dese materie, ontsteken synde door haer eyghen subtylheyt ende hitte, synde gelyck fyn buspoeyer, is den blixem; ende de wolcken onder ende boven dit buspoyer besluytende, causeren den donder doordien dat de materie, grofachtich synde, subitelick seer verdunt ende breeckt de wolcken, somptyt door de opperste uytvlieghende sonder schade, ende somtyt de onderste brekende met verdistrueringhen van huysen, boomen, ende vee.

16 Junij.

 

+De kaeghschuyten konnen beter teghen wint opseylen dan eenighe andere, omdat haer syden gelyck bodemen syn, daer se so wel opvaren konnen als op haer onderste bodemen, Ligghende dan op haer syde, so kompt de mast, daer het smackseyl is, leegher. Neempt dat het so leeghe kompt datb) de mast paralleel is met het water, so sal danc) het hoeckxken vant seyl datd) by het roer is, dicht aent water syn, ende de syde aen den mast so hooghe boven het water als de schuyte half dicke is. Dit so ligghende, so sal de schuyte voortgaen met wint, die van boven

[p. 291]

+ nederwaerts valt op de manniere van de windtmolens. Nu so ist gelooflick, dat de wint, hoese waydt, altyt een weynich na beneden drynght, doordien sy, daer vergadert, gesteudt ende verdicht of verdickt wort. De kaeghschuyten dan meer konnende hellen dan ander schuyten, konnen om die reden oock scherper seylen.

Den 16en Junij 1624.

 

+Dea) wallen van eerde, van buyten met muer besedt synde, sullen te vaster syn indiender anckers aen de muer gedaen worden, geheght aen balken, in de aerde van de wallen stekende. Want al ist dieselfde aerde, die den muer doet wycken, nochtans dewyle sy dat doet door persinck, so worden de balcken so geperst ende gepranght, dat <sy>b) niet volghen en willen. Kondt het proeven met kley, daer een bordeken teghen licht, vastgemaeckt met dweerse houtkens in den kley stekende; ende soude het uytwycken, het moet al seffens vallen, of een groot deel, gelyck een geanckerde muerec). Ende dat brockelt, geschiet met kleyne stucken, welck brockelen de wallen onderworpen syn. |

 

+Tgene ick te Hasersouw onder Simon Stevyns nagelaten pampieren gesien hebbe1), den 15en Junij 1624, is dit volgende:

<1> d) Van de Singhkonst.
<2> Van de Spabylhouw.
<3> Van de geduerighe verlegginghe des crychsvolckx.
<4> Van de weerdicheden der cryghsampten.
<5> Oorden der verkiesinge.
<6> Calis int groot afgebeelt.
<7> Chryghssaken.
<8> Teghen verdruckinghen.
<9> Veltslachoordeningh.
<10> Pyckschansinghe.
<11> De toutes reigles doubles sans y user de regle renverse. Invention de Son Excellence.
<12> Aenhanck der dwaelderloop.
<13> Snellij Cometarum apotelesmata.
<14> Chryghskonst, seer veel daervan.
<15> Verscheyden chryghstochten, dadelick van hem gesien ende geordineert.
<16> Van Watermolens ende Pompen.
<17> Syn Excellenties teyckeninghen ende schrift.
<18> Santplate te Danzick.
<19> Metaelproef.
<20> Burgelick Levens Aenhanck.
<21> Conste der distillatien; van ander schrift2).
<22> Cleytreckinck, kort.
<23> Ordeningh der steden.
<24> Solders ende overwelfsels.
<25> Metselerye, timmerinck, smedingh, roock.
<26> Huysbouw.
<27> Van Steygers.
<28> Van Cammen ende Staven.

[p. 292]
+

Hiervan hebbe ick de pampieren van de Singhkonst met my gebracht om te deursien, met consent van syn huysvrouwe, hebbende by ons een sone van Stevyn in de kost, om latyn te leeren1).

Maer wat aengaet de Singhkonsta), is niet veel bysonders boven hetgene hy in syn groot boeckb) daervan schryft, waervan ick oock hiervooren2) wat geschreven hebbe. Seght nochtans3) ergens geschreven te hebben de reden, waerom de proportie van de vyfde, gelyck hy se stelt van 2 tot √⑫32, of van 1 tot √⑫1/128, so soet in ons ooren klynckt. Maer ick en vinde die nergens4); soude my oock verwonderen daervan reden te sien5).

 

+Hy seght in de pampieren van syn Huysbouw6), dat men, om den stanck van de secreten te benemen,c) tot onder het quelmsant delven moet, omdat de stront, int water vlietich wordende, also met het water doortrecken mocht, met stanck met al, sonder noot te hebben van te moeten geruympt worden; ende dat men de buysen, daer de strondt deur valt, recht nederwaerts soude doen strecken, seer effen synde, opdat de stanck daer niet in en bleve hanghen.

Maer ick segghe daerboven, dat men die buyse hoe leegher hoe wyder behoort te maken, opdat de strondt die nergens en raeckt, ende de stanck, opwaerts kommende, altyt meer ende meer teghenstandt ontmoete, gelyck ick int contrarie ergens7) van den roock geschreven hebbe.

 

+Stevyn, in de pampieren van <de>d) Huysbouw8), seght, dat hy in syn handt hebbende een glaesken boven met een kleyne) gaetken, gelyck een spellepunt, ende het glaesken vol waters, datter boven op dat kleyn gaetjen een blaesken quam staen, solanghe de warme handt daeraen was; maer die daer af synde, sonck het wederom in, totdat de warme hant daer wederom aen quam ende so voorts. Daeruyt besluydt

[p. 293]

+ +hy, dat alle water koudt wordende, verkleyndt, ende warm wordende vergroot, ende derhalven dat het ys min plaetse beslaet dan het water ende dat daerdoor de glasen breken ende de steenen in de vorst vermorselen.

Doch dese opinie van het ys hebbe ick teghen alle andere physici, uyt Stevyns Waterwicht selve, vooren ergens1) oogenschynelyck wederleyt, omdat het ys int water dryft, etc. Ende van het blaesken, daer hy van seght, is gekommen van het verdunnen des lochts van binnen int glas; want het glas en kan niet heel vol water geweest syn. Dit blyckt uyt myn nagebotste gelas, daerdoor ick de koude afmete. So dan int gaetken wat vochticheyt sittende, wiert opwaerts gedronghen door de warmte des handt, de locht van binnen uytgespreydt wordende. |

 

+Stevyn seght seer wel in de pampieren van de Boukonst2), dat het sandt welsandt wort als het water van het landt daer rontsom hooghera) staet in de aerde dant op dat sandt doet, want dan syncketb) van onder opwaert door het sandt om even hooghe te syn. Ende so gebeuret oock, dattet somtyts welt, ende somtyts niet en welt, naerdat de nevenstaende landen drooch of waterich worden.

 

+Abraham Jansen de Boos, myn swagher3), hadde gebeelde keersen voor <syn>c) deure hanghen, waervan erd) twee hinghen ende drupten door de warmte, ende de andere niet. Die niet en drupten hadde hy gegoten met heet roet, de andere met heel koel roet.

De reden waerom de twee met koel roet gegoten, drupten is, achte ick, omdat het koel roet, geroert wordende, granuleert, dat is te segghen, tot kleyne bollekens verstyft; want doort keeren int loopen moet nootsakelick het binnenste, buyten kommen, also dat het binnenste, so koel wordende als het buytenste ende dan wederom binnen kommende, en kan so wel niet kleven aen hetgene daert bykompt, aengesien dat ooc een reis of twee misschien buyten geweest is. Dese graentjens syne) kleyn ende grooter, ja onsichtbaer, nadat het roet meer of min koel is; want hoe heeter, hoe fynder ende dunder het loopt, ende dierhalven de graentjens kleynder, want dan schiet alles lichter vaneen dan alst begint koeler ende styf te worden, also dat ten laetsten de graentjens wel sichtbaer worden gelyckse in gesmolten loot doen, hetwelcke, geduerich geroert synde, totdat het styf is, verandert heel in graentjens, dat is kleyn haghelbollekens. De keersen dan, van grooter graentjens gemaeckt synde, syn de hitte meest onderworpen, omdat die tusschen de openheden best ende in

[p. 294]

+ meerder quantiteyt deur kan, ende voecht sich rontsom die bollekens ende maecket also te eer sachte ende <geneyght>a) te smelten, ende also te druppen.

Hetselve hebbe ick vooren ergens1) geschreven van souduere, daermen loot mede soudeert, dewelcke bestaende uyt half loot ende half tin, smelt al veel lichter dan loot of tin; ende daerom ist bequaem tot souduere, om dieswille, seyde ick, dat de deelkens van loot ende tin so wel niet en vermenghen alsb) van tin of loot alleen.

 

+Dese granulatie2) mach oock seer wel veroorsaken het daveren van de vlamme der keersen, dewyle de vlamme van oly ende sonder twyffel van gesmolten roet, niet en davert, ja hoe pensroetachtiger, ende boterachtigher de keersen syn, hoe min haer vlamme davert ende danst.

Om dit te voorkommen, ende evenwel de keersen hardt te maken, soudemen moghen deuren ende veynsters toesluyten, belettende het roet aen de keersen subitelick te styven. Want alstc) alleynskens styft, so krimpet gelyckelick, gelyck Stevyn schryft in syn pampieren van syn Boukonst van houdt ende kley3), want kley, by het vier gedroocht, kryghtd) boven spleten, omdatter veel vochticheyts uytgaende, de materia superficialis minder wort, niet konnende, gelyck te vooren, al het binnenste begrypen. Also oock het hout, in de Sonne staende. Maer als kley ende houdt alleynsxkens noch drooghen, so krimpet al seffens, het binnenste vocht tyts genoech hebbende om mede uyt te trecken.

So machmen waernemen hoe langhe het roet aen de keersen moet besich syn om te styven sonder granuleren; want gegranuleert synde, en ist niet vrempt, dat de vlamme somtyt vermeerdert ende vermindert, omdatter tusschen de graentjens wat spatie is ende derhalven niet continueerlick evenveel opgetrocken wort tot de vlamme. Men mach hopen tot een goet eynde te geraken, alse) men siet dat de keersen dickwils een poosken branden sonder daveren - ergo daer is yet wel gemeynght. |

Men sal oock waernemen hoe heet het roet moet syn om niet te granuleren, want alst te heet is, so en gaet het werck niet wel voort.

[24 juni 1624]

+Over twee jaer wiert ick seer ernstelick geraden van Philips Lansberghe4), dat ick myn beste doen soude om eenen verrekycker te maken gelyck het schyndt, dat Galileus a Galilaeo gehadt heeft in Nuntio sidereo5).

[p. 295]
+

So ginck ick dan met syrien sone Jacob, D.M.1) ende dede een glas slypen te Middelborgh van chrystalyn, dat heel groot was ende syn vergaerpunt hadde seer verde achter het glas. Twelck also geschiede, maer ick bevondt dat dit vergaerpunt so groot was, dat menta) tot gheen perfectie en konde brenghen, want het was wel sooveel grooter als de vergaerpunten van andere glasen, als het glas grooter was dan andere glasen. So docht ick doen dat dit quam by foute van de jonghen, die het geslepen hadde, niet hebbende een perfect ende so groot cirkelstick daer hy ons glas in slypen konde2).

Maer desen 24en Junij, in den Haghe4) een brandtgelas koopende, dat verde achter het glas brande, sach ick dat het in het pampier een groot gat maeckte, veel grooter dan de brandtglaeskens, die kleyn syn ende dicht achter sich branden, want die syn gelyck een spellenhooftken, ende dese byna gelyck eenen naghel van myn handt. So dan begeerde ick op den slyper, dat hy my een glas slypen soude, dat noch verder achter sich brande ende maer een gaetjen gelyck een spellenhooftken maeckte, hopende daerdoor tot mynen voorgenommenen verrekyker te geraken. Maer hy antwoorde, dat het niet moghelick en was van yemant ter weerelt; twelck ick niet en geloofde, want perfecte sticken van groote staleb) concave sphaerenc) hebbende, meyne datter wel goede handtwerckers syn, die het doen souden konnen.

Doch die niet vindende, houde nochtans het daervoord) dat de sake daerin bestaet. Want als het vergaerpunt groot is, so blyckt dat de stralen niet metal in één punt en vergaderen, maer deen onder, dander boven, dander ter syden; ende somptyts die van deen syde kompt op dander syde, ende die boven is, kompt wel onder het ware vergaerpunt, waerdoor de saken, daer de stralen van kommen confuselick in de ooghen geraken, ende duyster sonder bescheydt gesien worden. Ende also en machmen het verkleynglas niet dicht genoech aen het vergaerpunt stellen, maer so verde daervan als de stralen noch op haer order loopen. Want al ist wel waer, dat 3)

[p. 296]

+ se van den beginne, dat is van de refractie int glas af, al wat qualick, ende niet na behooren van malkanderen staende, loopen, nochtans en ist int begin gheen noot, omdat elcke strale noch haer syde behoudt; soude evenwel lustigher ende bescheelicker sich vertoonen, waeren de stralen wela) in proportie staende achter het gelas, gelyck vóórb) het gelas, de natuere der ware refractie geconsidereert synde.

Doch om evenwel met hetgene ick bekommen kan tot myn intentie te geraken, so sal ick nemen veel glasen, van de lanckste ende perfecste verrekyckers, die ick vinden kan, ende die met koperdraet so aeneen maken, dat al haer vergaerpunten ineen kommen. Also doende met veel glaeskens, dat ware beter <dan>c) met één glas, omdat het vergaerpunt hierdoor niet verder achterd) al de glasen en kompt dan achter één van die; ende also moet het verkleynglas te scherper syn, twelck so goet niet en is, om redenen elders1) verhaelt. Nochtans hope ick perfectie te kryghen door dese veel glasen, die men anders niet wel en souden bekommen.



illustratie
Fig. 30.


Men moet oock bedencken, dat als al de stralen van de Sonne in één punt vergaeren gelyck een spellenhooftken, dattet het dan noch niete) juistf) goet en is, want het vergaerpunt moet van die natuere syn, dat anders gheen stralen daer ing) en kommen dan van een waer punt kommende, ende het naeste punt maeckt door syn stralen een ander vergaerpuntken achter het glas, dicht by het eersteh), | ende so voorts naer advenant, dat alles op een muer staet gelyck in der waerheyt is, doch verkeert, want al de stralen die paralleel vallen op de glasen, tsy één of vele, moeten juyst in één puntjen kommen. Nu also syn de glasen van de verrekyckers gemaeckti) so wel als de makers konden. Ergo veel sulke glasen op een punt aeneen voechende, sullen de stralen eens punts aen het oogh vermenichvuldighen.

Men sal oock de groote glasen kennen, of se wel ende op één punt geslepen syn, indien het sonneschyn op de muer of papiergaetken, na proportie van syn distantie van het glas, groot is, ende allom van eenparigher klaerheyt. Want daerin syn veel vergaerpuntjens byeen; ende waer de Sonne hondertmael grooter, so soude dien schyn oock hondertmael grooter moetenk) syn. Siet fol. 241bl)2).

 

+Stevyn meyndt in syn pampieren3), dat de loode goten tusschen twee huysen

[p. 297]

+ niet goet en syn, voornementlyck om het sneewater, dat daerin valt, die stopt. Maer men gebruyckt hier te lande somptyts delen daerin geleydt eenen halven voet van de gront, daer de snee op vallende, daeronder gheen verstoppinghe maken en kan.

 

Te vernemen1) of men van deselfde cley niet wel beter steen can backen alsmer wel oppast. Soude men clinckaert niet rechts connen backen? Soude clinckaert niet goet syn in gevels? Backt men classioren? Soude men geen moppen konnen backen van 16 duym lanck, 8 breet, 4 dick? om muyren van een steen dick te maken.

 

De gemaeckte vaert van Brussel heeft op vyff mylen 42 voeten vervals. Van Wyck tot Utrecht, wat verschil isser aen de vaert?

 

Ick moet aen de metsers vragen oft niet goet en soude syn in de overwelfsels seer weynich moortel te leggen om min te crimpen.

 

Ick moet ondersoecken, waerom ronde overwelfsels, als brootovens, soo sterck syn, nochtans sooseer pladt wesende.

 

+Als de kinders hoesten2) omdat sy ergens aen sticken, etc., so smyten de moeders haer op den rugghe, met goede reden, want also worden se te meer verweckt om uyt te hoesten, doordien de longhen, daer dicht aenligghende, door de ingaende ribben wat gepranght wordena), waervan sy haer door hoesten soeckenb) te bevryden.

 

+In Jacob's3) uerwerck, alsmen de lootkens verder vant centrum hinck aent eynde van de armkens, so bleef het altemet heel stille staen; maer als ick se dicht by het centrum hinck, doen bleef het gaende sonder op te houwen, maer de ueren gincken veel rasser deur danse behoorden4).

[p. 298]
+

De reden is, omdat de lootjens, aent eynde der armen hanghende, veel meer wechs moeten gaen dan dicht by het centrum hanghende, om eenselfde gedeelte haers cirkels te voldoen, twelck haer doet doen de haeckxkens in de tandekens vattende, also dat nootsakelick even groot gedeelte des booghs begaen moet worden. Maer het derdendeel eens grooteren booghs is grooter dan een derdendeel eens kleynderen booghs; daerom moettet tragher voortgaen als de lootkens aent eynde der armkens hanghen, dewyle die daerdoor meer lochts moeten breken. Want waert al ydel, het soude al evenrasch gaen, tsy dat se dicht byt centrum, of verde daervan hinghen. Nu dan tragher gaende, kan de minste haperinghe haer doen stille staen; maer dat rasch gaet, dringht deur ende het kan niet gesteut worden dan met meerder macht. Maer de uren worden kleyn, omdat se dan niet alleenlick rasscher voortschieten, maer hebben oock min wechs te gaen.

 

+Met de glaskens daermen eenen vloo etc. so distinckt ende groot mede siet1), soude men konnen groot profyt doen in koopmanschappen, daer kennisse van waren van doen is. Want hier kan men scherpelick alle fouten deur sien, siende veel dynghen in koren etc., die men te vooren niet en sach, ende andere veel bescheelicker. Die hemselven dan daerin wilde oeffenen, wat teecken het nieu gesiene dinck sy, soude konnen voorweten of de stoffen haest bederven souden, of langhe dueren konnen; of beter of erger syn dan andere.

 

+In Jacob's uerwerck2) staen de armkens geboghen, also dat de lootjens, die der aenhanghen meer aen deen syde hellen dan aen d'ander, twelck naecsel causeert. Want het bovenste van het gaetjen des centers in de armkens leent na vooren toe, ende het onderste naer achter. Ende hoe verder de lootjens vant center hanghen, hoe | styver de prangh geschiet, omdatter dan te meer gewichts op deen syde komt, totdat de armkens, vooren samenloopende, by de lootjens dicht aeneen hanghen, makende also het meeste naecksel. Dit naecksel dient tot vertraghinghe des uerwerckx; alst te rasch loopt, dan hanght ment uytwaerts.

Tgene rechts vooren3) geseydt is vant uerwerck dient tot rechte armkens, maer in de gebogene ist beyde.

 

+Cùm plures eundem psalmum simul canunt, unusquisque sibi videtur meliùs canere quàm cùm solus canit.

Ratio est, quia qualitas vocis, quae ex organorum malâ dispositione oritur, tum non auditur, nam reliquorum qualitates, huic contrariae, interimunt hanc, ita ut

[p. 299]

+ ex omnibus media quaedam qualitas audiatur. Sic venti contrarij anemiam producunt. Quantitas verò, cùm ab omnibus eadem expetatur, illustrior fit. Sic antè1) +dixi plura medicamenta ejusdem naturae collecta, fortiùs secundùm eam naturam agere, quia qualitates, non expetitae dissentiunt, ita ut nulla manifesta possit agere praeter eam, quae omnibus est eadem.

 

Die een sichtstrale trecken wilt, paralleel met den horisont perfect, ende seer lanck, die mach lanckx twee gaettjens of punten den waren horisont sien, want dan is die lichtstrale horisontael.

 

+By hetgene ick vooren2) geseydt hebbe van een buyse te maken, gelyck Nuntius Sidereus3) gehadt heeft, dient oock ditte, dat de stralen, die door een circelstuck kommen, niet effen net in één punt en vergaderen, maer hoe kleynder stuck, hoe netter; waerdoor het gebeurt, dat de buysen, maer een kleyn gaetken of glaesken hebbende, dickwel also net, ja somtyts wel netter, de saken vertoonen dan die groote glasen hebben. Daerom salmen veel kleyne stucken aeneen koppelen, synde heel kleyne gedeeltena) eens cirkels, tot het maken van de voorseyde buyse4).

 

+Cùm nulli Veterum aut Neotericorum exploratam naturam coloris esse putarem, inveni in Stobaei Eclogis physicis, den 15 Julij 1624, Aristarchum Samium mecum sentientem, ubi cap. XIX haec verba habentur: ᾿Αρίσταρχος Σάμιος, μαθηματικὸς, ἀκουστής Στράτωνος, φῶς εἷναι τὸ χρῶμα, τοῖς ἐπικειμένοις ἐπιπίπτον, id est: ‘color est lux in subjectas res incidens’b). Adde: et inde in oculos nostros reflexa, proque fractione diversâ intra poros superficiei diversos, diversum colorem excitatc), non aliter quàm colores iridis creantur, dum species visibiles quas vocant, per vitreum conum triangularem in oculos incidunt refractae.

 

+Vooren5) is geseydt van wielkens lichter te doen gaen met de assen op de circumferentie der wielkens te legghen, ende also worden de assen gemultipliceert. Maer men moet bedencken dat de askens oock onstercker worden hoe dunder, te weten, dat een houdtken, half soveel circumferentie hebbende, viermael onstercker is, also

[p. 300]

+ dat de stercktea) ende het naecksel niet evenredelick en minderen, maer de sterckte mindert meest, ende het naecksel mindert minst. Door reden dickwils voorschreven.1).

+Waerdoor oock geschiet datter so groote veugels niet en syn als beesten, doordienb) dat de vlercken superficie syn, die het corpus ophouden moeten. Daerom, hoe kleynder corpus, hoe minder vlercken meer als naer advenant. Also en synder so groote beesten niet als visschen, want het corpus der beesten moet rusten op voeten, ende der visschen blyft in everedicheyt met het water; ende hoe groot het sy, <het>c) blyft even gemackelick in twater dryvende, dewyle de substantien overandert blyven.

 

+Hetgene dat de ooghen ende ooren behaeght, is alleen de gelyckvormichheyt2), want een rechte liny is frayer dan een cromme, sonder sekered) ende aenmerckelicke order getrocken. Laet oock eenen hoop menschen in een rechte lyny staen, het sal aerdich syn; ende noch aerdigher, indien d'een ende d'ander soveel aen d'een syde als aen d'ander syde uytloopt, also dat hy den meesten tyt in die lyny staet. Want de ordentelicke veranderinghe maeckt de geduericheyt des vermaeckx. Maeck dan een cirkel of eenighe andere ordentelicke figure van menschen, ende laetse in die order voortloopen, of uyt ende in, het sal een soorte worden van eenen vermakelicken dans. Wat is dan dit anders dan tgene van de lieflickheyt der musycke ende architecture te vooren3) van my geseydt is?

 

+Quos Christus non vult perire, ij servabuntur; at nullos Christus vult perire; ergo omnes servabuntur. Hîc negatio in ‘nullos’e) latens, est pars medij, res verò in ‘nullos’e significata, minor terminus. Talis igitur est minor propositio: at omnes homines sunt quos Christus non vult perire; ergo etc.

 

+Historiam scripturus non tenetur alicujus provintiae historiam abrumpere, etsi alterum annum aut etiam tertium, etc. ingrediatur. Dummodo ea alterius provintiae gestis enarrandis, toto illo tempore non misceatur; imò praestat lectoribusque gratiùs est, totam tum simul absolvere. Quod Thuanus4) ubique non servat, annuas ferè particulas recensens. |

 

+Indien yemant eenich boeck houdt seer noodich voor het gemeenebest gelesen

[p. 301]

+ te worden, als by exempel Teelinckx1) Volstandighen Christen2), ende siet dat die de gemeynte niet genoech bekent gemaeckt en wort, also dat de weerde daervan verdonckert blyft, die sal door verscheyden persoonen uyt alle boeckverkoopers-winckelsa) op verscheyden tyden 2 of 3 exemplaren opkoopen ende by sich houden. Want also sullen veel boeckverkoopers, dieder ordinaris maer 2 of 3 en hebben, op een nieu 7 of 8 van den drucker ontbieden, ende sullen teghen de lieden segghen hoeseer dat het boeck getrocken wort, waerdoor sy oock aent koopen kommen sullen. De schade sal oock cleyn syn, al liet men die gekochte boecken ligghen; doch alser treck in is, sal mense voor denselven prys licht wederom quydt wordenb) eer het boeck verdruckt wort.

 

+Mors est bona. In hac enuntiatione praedicatumc) est bonad) cum essentiali parte quae est in verbo este). Item cum tempore et actione, quae latet in eodem est; tempus autem est praesens, actio verò transitiva, qualis est in Mors occupat etc., sed, ut ita dicam, substantiva neutra et inhaerens. Copula verò hîc latet partim in est, partim in bona. In est per regulam convenientiae; id est copulae nominativus et verbum conveniunt in numero et personâ, nam est est singularis numeri et tertiae personae, ut et mors; in bona, per regulam convenientiae syntacticae, adjectivum et substantivum conveniunt in genere, numero et casu, nam bona est singularis numeri, nominativi casûs et feminini generis, ut et mors. Quinque igitur constituunt copulam in hac enuntiatione. In Mors occupat verò duo duntaxat: persona et numerus in occupat. Ejus verò tempus praesens, actio transitiva et τὸ occupare constituunt verbum. Nam cùm pro occupat dicitur est occupans, in occupans plus est quàm nomen, videlicet pars aliqua copulae, et in est plus est quàm copula, viz. pars aliqua essentialis quae conjuncta cum essentiali in occupans constituit nomen alterum; quod vestitum cum tempore et actione, quae sunt in est, fit verbum et praedicatum.

 

+Alser ymant in een camer heftich spreeckt, preeckt of bidt, ende dat een ander syn hoet op de handt heeft, so voeltf) hy bescheelick aen syn handt elck woort, dat gesproken wort.

[p. 302]
+

Dat geschiet aldus: De locht vliecht uyt de mondt ende verspreyt sich allom, ende kompt oock binnen in den hoet aen alle kanten, also datse den hoet uytwaerts doet puylen, hetwelck de vingers buyten aenden hoet voelen. Ende dewyle de woorden ende redenen pausen hebben, so moet het nootsakelicka) uyt ende ingaen, ende ophouden, alsmen spreeckt. Nu dewyle dit niet en geschiet, al blies men in die kamer met eenen blaesbalck, so machmen daeruyt afnemen dat het die eygene locht is die in den hoet kompt, dewelcke te vooren in des sprekers mont geweest is ende snellick doort snel beweghen der instrumenten des monts uyt vlieght1).

[15 september 1624]

+Het is een seer deerlicke constitutie in een landt, daer de lieghers ende bedrieghers rycker worden konnen als deghelicke lieden; dewelcke noch erger wordt als het lieghen ende bedrieghen daerdoor soveelb) gepleecht wort, dat men synen kost daer sonder niet gewinnen en kanc).

Dit geschiet in de pachten hier te lande, want men kan | seer qualick deur de weerelt geraken, indien men de pachter syn gerechticheyt geeft. Daerom, indien men gheenen beteren wech vinden en kan van pachten, dewelcken meughelick syn soude, <soude het goet syn>d) indien een collegie van 50 of meer lieden al de pacht doort heele lant pachte van één soorte, te weten als by exempel van de keerssen, want dan sal dit gaen, gelyckt doet met cooplien ende factoors.

Doch sooder inconvenienten syn, die dat beletten, so mach men dit doen in forme van collectien, in deser mannieren: Men sal tellen hoeveel menschen in een stadt syn ende rekenen hoeveel keersen elck in een jaer brandt, d'een door d'ander; ende voor elck pont gerekent eenen halven stuyver, so sal men dat gelt verdeelen in elcke stadt, na de menichte van keersmakers ende doen elck evenvele geven, ende laeten se voors dobbelen ende sobbelen, verkoopen, versenden, gelyck sy begeeren. Ende dat men meyndt, datter dan gheen kleyne keersmakers en konnen syn, dat sal het ambacht treffelick maken, gelyckt met de brouwers gaet. Ende sy moghen so langhe keersen verkoopen, totdat se sien dat se de pacht geven konnen ende dan selve maken. Also mach deen stadt vry in d'ander seynden, nadat de keersen fray ende goet syn, gelyck oft heele landt maer één stadt en ware, ende men en sal maer die schepen hoeven te ondersoecken die uyt ander landen immediatelick hier aenkommen.

Te Rotterdam, den 15en Sept. 1624.

Maer soomen vreest, datter al op éénen keersmaker drayen sal, men mach de stadt in wycken deelen, ende in elck eenen setten ende maken het gilde so kleyn dat mer na solisiteerte), gelyck men t'Antwerpen na de vischbancken doet, ende te Middelborch na de vrye vleesbancken.

[p. 303]
+

De keersverkoopers, sonder datse die maken, moghen half soveel geven, of een gedeelte na behooren.

 

+Videntur Veteres subtiliores nobis fuisse hoc argumento, quòd Graeci et Romani potuerint passim casûs usurpare quod hodiè in nullà linguâ reperitura); imò ipsi Romani et Graeci degenerantes non ampliùs potuerunt vulgò Romae etc. differentiam casuum observare et ad usum referre. Quidnib) igitur multa intellexere in re philosophicâ quae nostrum acumen nunc fugit?

 

+Men siet in de psalmen dat elcken regel ten minsten een quarte vervaet, dat is te segghen dat de hooghste ende leeghste note daervan ten minsten een quarte van malkanderen staen, waerdeur kompt dat de quarten so dickwils in monochordo gebruyckt worden.

De reden hiervan is dat in een quarte aldereerst alle noten een consonantie maken teghen eenighe van de noten, te weten een groote tertie of een cleyne tertie, of een quarte; gelyck by exempel: re re ut re mi fa mi re, re fa is een cleyne tertie, mi ut een groote, ut fa een quarte, maer re re ut re mi re ut daer is re teghen mi ende ut een secunde ende alleenlick mi ut een tertie. Waerin de proportie tusschen de secunden, dat is dissonantien ende concordantien, te groot is.

Dit geschreven hebbende, ghinck ic in den psalmboeck daerna soecken, ende bevondt het ordinaris soals geseydt is, twelck de sake te waerschynelicker maeckt, omdat de experientie de redenc) sterck gemaeckt heeft. Evenwel en ist niet altyt soo, als, by exempel, Psalm 71, den derden regel, is mi sol sol fa fa mi, waerin nochtans een sprongh mi sol gevonden wort ende dan de unisonus mi mi, also datter maer een dissonantie sol fa gevonden ended) die verbetert wort met twee consonantien, waerby oock kommen die repetitien in unisono sol sol fa fa, beter synde dan mi sol fa mi ende dat beter dan mi fa sol fa mi, tensy om de unisoon fa fa, daer de sol tusschen kompt. |

[3 oktober 1624]

+Anno 1624, den 3en October, hebbe ick met David Jacobsen1) de vooghdye aengenomen van de kinderen die onderjarich syn van Jan Weymans2), sydeverruwer tot Rotterdam. Doch heeft hy de dispositie by testamente behouwen van alles, totdat hy kompt te hertrouwen ofte te overlyden; en dan moeten wy reke-

[p. 304]

+ ninge doen van alles aende weeskamer, daervan de weeskamer niet gesecludeert en is. Is al gesecludeerta)1).

 

+Den 103en Psalm is undecimi toni, wantb) sy heeft de dry noten daervan, endec) neempt hier licentie om in de middelste te eyndighen, gelyck vooren oock wel geseydt is.

 

+Cùm ij qui peregrinantur in Indijs, variè aegrotant, vermibus etd) pedibus molestantur, etc., cùm etiam pluviosume), calidiùsf) solito, tempus varios morbos producat, quis negabit omnes varietates prodire ex nimiâ abundantiâ primarum qualitatum? quis enim spiritus alius hîc quàm ibi, tum quàm nunc? Pestis igitur, occultae qualitates etc., pendent à primis et ex earum materiâ constant. Omnia sunt manifesta satis ingeniosis et doctis.

 

+De servetten syn geweven met figuerkens, diemen wel siet, doch duysterlick, omdat het al van één soorte van wit garen is. Ende alsg) men de Sonne op het licht daer sterck op laet schynen, so en kanmen de figuerkens niet wel sien; maer als men de handt houdt voor het meeste licht, dat het so sterck op de servette niet en schyndt, so siet men de figuerkens bescheedelick, veel verschillende van het eerste gesicht met te veel lichts.

De reden hiervan is, dat de proportie van straelkens, op de figuerkens vallende ende haer nevenstaende partyen, verandert ende vermindert, want het groot licht doet elck kleyn veselinxken in de ooghen verschynen. Dewyle dan dat de veselinckxkens, in de figuerkens schynende, niet en verschillen van de veselynckxkens der nevenstaende partyen, ende dat het verschil tusschen de verschillende partyen der figuerkens ende nevenstaende partyen niet en verandert, maer deselve proportie houdt, indien men dan de gelycke proportie der veselynckxkens tot beyde doet, so sullen de gecomponeerde, dewelcke te vooren in proportie verschilden, nu min verschillen, ende derhalven nu min veranderinghe int gesichte causeren. Neempt dat de figuerkens so gestelt syn datse twee straelkens des lichts in d'ooghen senden, teghen één der nevenstaende partyen van een groote, de proportie sal dan syn gelyck 2 tot 1. Maer de veselynckxkens syn gelyck 1 tot 1; het gecomponeerde dan is gelyck 3 tot 2, welcke proportie en is maer subalterna, daer deerste dobbel was. Also siet men de distinctie van een schaduw of van een natte plecke in een wit seyl, dat begoten is, van verder beter dan van heel naby.

 

+Den 51en Psalm is quarti toni, indien men de tertie onder de finael een octave hoo-

[p. 305]

+ gher rekent te staen. Maer dewyle de la hiervoor een van de principaelste noten gehoort wort, so staet de quarte onder de quinte. Daerom mocht het beter decimi toni geheeten worden (dewelcke met quarti toni geconfondeert wort van degene, die maer acht toonen en stellen) ende men moet de tertie, boven de la staendeb), rekenen te staen onder de ut, synde de octave la sol fa mi (id est la) sol fa mi re. Want of men de fa ende mi een octave hooger of legher sinckt, gelyck men wel dickwils doet, wat psalm men oock synckt, het gaet evelleens. Al schyndt dan de quarte in den 51en Psalm tusschen twee tertien te staen, so kanse nochtans bedocht worden boven een quinte te staen.

 

+Om de bas te leeren singhen teghen den kercksanck met fundament, so salmen eerst al, die primi toni syn, allom op eenselve consonantie singhen; ende dander toonen daer so na kommen alsmen kan. By exempel, tegen de finael re unisonum, teghen mi, rec) quinte onder; teghen fa, re tertie; sol, fa quinte; la, re octave; mi, la quinte; fa, re decime; sol, re octave; de soete fa, re decime; ut (onder de finael)d), re tertie. Siet den 24en Psalm. |

 

+Symon Stevyn's pampieren1) hebbe ick beginnen te ondersoecken ende hier te noteren t'gene ick best achte ende dienstelickxt, den 18en Sept. 1624, behalven den Huysbou, dewelcke ick eenighe maenden te vooren ondersocht hebbe, ende op ander pampieren uytgeteeckent, dat my goet docht2).

.....................................................................3).

+Sal heet water in een spongie op den bodem geleydt, het water niet doen syncken? Ja et; maer de spongie wech synde, sal daerna wederom rysen, uyt oorsaeck dat de locht buyten het glas niet persen en kan, maer loopt int groot lichaem des lochts.

 

+Als men een keerse in een glas stelt ende tglas omgekeert int oppervlack des waters, so seght Stevyn, dat mer instede van de vlamme soude moghen stellen een yser, gloyende klootken, om het water sowel als de vlamme op te halen; de hitte jaeght de locht wech door het glas. Als sulck gebeurde, so soude hitte locht schynen.

.......................................................................

[p. 306]
+

Ick moet te Middelborgh vernemen, hoe breet ende diep de sluysen daer altemael tsamen syn, die in de haven schueren; sgelyckx t'Amsterdam, te Delfshaven, te Rotterdam, te Goeree. Hoe wyt ligghen de twee dycken van malcander van de haven te Middelborgh? Ick moet in de haven te Middelborgh op leegh water meten de schoensheyt der syden van de kiel des havens, oock te Vlissinghen. Ick moet vraghen na de grootheyt ende gestalt van tgat der sluys te Duynkercke1).

.....................................................................2).

+Ut discipuli mei in disputando se in omnes formas possint vertere, opponentesque possint respondentes cogere ad attentionem, et pervenire ad finem optatum, hoc pacto eos exerceo:

Qui non probat probandum, aut peccat in formâ, aut primum syllogismum non format in tertiâ vel secundâ figurâ, si ibi formari possit, vices suas disputandi ulteriùs hoc tempore amittit. Secundus syllogismus est liber, id est potest formari in aliquâ trium figurarum. Tertius necessariò est ducens ad absurdum. Quarto probanda est universalis, primo occurrens, per inductionem, etiam si in ducente ad impossibile conclusionis respondenti absurdae non visae sit, contradictoria sit universalis; tum cogitur respondens dare contrariam instantiam, vel, si non possit dari, aut nolit dare, dabit rationem negationis. Hanc datam instantiam vel rationem opponens vel tacitè vel expressè revocabit ad formam syllogisticam, ac alterutrius praemissarum contradictoriam probabit syllogisticè. Tum cogitur opponens, si ulteriùs velit pergere, probare syllogismo disjunctivo, tandem hypothetico.

Ratio cur primam figuram et hypotheticum non vehementiùs urgeam, est quòd studiosi spontè ferè ijs solis utantur. Porrò loco dissertationis licet inserere explicationes prolixiores terminorum eosque explicatos paucis verbis syllogismo conficere. Idem dictum sit de terminorum ambiguorum distinctione, quovis loco permissâ. Ad haec omnes praedicti syllogismi et argumentationes debent esse subordinati, ne, si collaterales admitterentur, unus opponensa) totâ horâ disputet. Hîc tam exactus argumentandib) ordo incipientibus utilis erit; inductiones verò et terminorum excationes, cum eorundum limitationibus, fuerint dissertatiunculaec) auditoribus gratissimae.

 

+Als de veugels met troepen wechvliegen teghen den winter, ofte andersins verre vlieghen moeten, so vlieghen sy heel hooghe, niet alleenelick om vry te syn van geschoten of gevanghen te worden, maer voornementlick omdat sy gevoelen, dat se omhooghe best vlieghen konnen.

[p. 307]
+

De reden is, omdat daer de locht dichter is dan beneden, als hier door de reflectie der stralen verdunt ende ondichter synde1). Sy souden wel noch hoogher vlieghen, maer het is daer (acht ick) te koudt, of werden door yet anders belet.

 

+Als ick myn water make, so worde ick door het ontrent syn van ymant vrems, lichtelick belet, dat ickt niet maken en kan, als op een waghen of in een schip, etc. Om dit belet te voorkommen segghe ick stillekens yet van buyten op, te weeten een veers of twee uyt Virgilius etc., of spreke by myselven eenighe heftige woorden, waardoor ick myn gedachten van den persoon, die ontrent my is ende my beschaempt maeckt, afkeere tot yet anders, dat my niet en belet.

 

+Ick achte dat de peste2) in heete daghen wel meest voortgaet, maer als daerop koude daghen kommen, dat dan oock diegene, die per insensibiles poros pestis materiam quydt geworden souden hebben, daermede bevanghen worden; ende also schyndt sy <te>a) groyen, ende daer sterven der meer dan tevooren. Maer waert dat de koude bleef dueren, sy soude de locht suyveren ende also de sieckte doen minderen.

+Als menb) heet gegaen is, sal men sich wachten van in eenighe plaetsen te gaen daer de swaricheyt is. Want dewyle men dan veel asems van doen heeft, so trecktc) men lichtelick de materie der peste, die | hier ende daer met de locht vermeynght is, na sich int lyf. Maer tis goed te sitten dan by een goet droogh vier, hetwelcke, door de neuse int lichaem kommende, suyvert van binnen ende dryft uyt; ende van buyten het vel verwarmende, treckt uyt hetgene dat dampich int lyf is ende meughelick quaet, ofte van buyten ingekommen of van langherhandt daerbinnen vergadert ende geconcipieert.

[20 oktober 1624]

+Den 20en October 1624, als ick vant leger quam3), seyde een vrouwe int schip, dat het in een huys, daer veel luyden van de peste gestorven syn, des snachs licht is; ende dat de peste ergens in eenen hoeck vlieght boven aen den solder by de spinnekoppen, ende dattet daer blickt gelyck een soute vischgrate snachs.

[24 oktober 1624]

+Den 24en Oct. - Justus Teelinck4) cùm vidisset prunas candentes circa murum

[p. 308]

+ positas in Sole, umbram reddere in muro, et sciret fieri id, quia igniculi exeuntes è prunis radijs solaribus obstant ne murum tangant eo loco, mirabatur apud me umbram quae nihil est, videri, corpus verò, cujus est umbra, non videri.

Respondi multos igniculos in aere, secundùm trinam dimensionem volitantes, omnes suas umbras reddere in muro plano, duas duntaxat dimensiones habente, atque inde fieri ut multae umbrae ex multis igniculis in unum locum muri coeant, ideòque magis esse conspicuas quàm ipsos igniculos. Adhaec fieri interdum ut corpuscula ita sint disposita, viz. propè alias res ejusque coloris, vel solitariè volitantia, umbra verò nigra in muro candido; atque ita etiam umbram solitariam meliùs videri ipso corpore.

 

+Vooren staet1) hoemen sal gewennen eenen bas te leeren singhen teghen den tenor, te weten alsmen een manniere neempt, diemen vooreerst in alle moden gebruyckt. Dit doende, kanmen daerby oock den superius ende den contratenor voeghen, also datter allom onverwacht in kercken ende collegien op elcken psalm een volkommen partye kan gesonghen worden, alleen den tenor voor sich hebbende. Meyne oock, dat de monnicken op die of diergelycke manniere alle dynghen haer craeltjens leeren singhen, hebbende daertoe de formen van de acht toonen, waerdoor sy weten hoe sy elck veers eyndighen sullen ende wat toonen dat sy tusschen het beginsel ende eynde singhen sullen, gaende altyt op eenen voet, also datse heele boecken, als den heelen bybel, op accoort singhen konnen, sonder ommesien, al en stater niet af op musycke, alst slechs in veersen afgeteyckent is. Ende konnen door de acht toonen elck veers op achtderley mannieren singhen.

 

+Inductio non potest dici cùm enuntiatio probatur per varia argumenta, quorum singula eam possent separatim probare, ut: Homo est animal, nam sentit, edit, ambulat, etc. Sed cùm ea probatur per ejusmodi media, quae sola non sufficiunt, verùm relinquitur semper dubium an non posset instantia contraria inveniri, ut: Animalia meticulosa habent cor amplum proportione, ut cervus, dama, mus etc.

Hoc posito, videmus inductiones fieri dupliciter, viz. cùm multas species enumeramus, vel multas rei partes.

Enuntiatio affirmativa potest probari per inductionem partium praedicati. Exempli gratiâa): Petrus est doctus, nam est logicus, physicus, mathematicus, historicus etc., nec ulla pars quae hominem doctum constituit, in eo desideratur. Hîc sumitur doctus pro toto, ita ut quis nequeat doctus dici qui non habeat omnes doctrinae partes. Praedicatum autem hîc nunquam sumitur | generaliter, ut: Homo est animal,

[p. 309]

+ id est homo est aliquod animal. Non igitur hîc potest esse enumeratio specierum praedicati; sufficienter enim enuntiatio probata est, si una species praedicati insit subjectio.

Enuntiatio negativa potest probari per inductionem specierum praedicati. Exempli gratiâa): Petrus non est doctus, nam non est logicus, nec physicus, nec mathematicus, nec historicus etc., nec aliquid in eo est per quod dici posset doctus. Hîc sumitur doctus pro genere, ita ut doctus dicaturb), de quo aliqua doctrinae species potest dici. Non igitur potest quis probari non esse doctum, nisi ab eo omnes docti species removeantur. Praedicatum autem hîc nunquam sumitur totaliter, ut: Homo non est bestia, id est Homo non habet omnes partes quae requiruntur ad constituendam bestiam. Non igitur hîc potest esse enumeratio partium praedicati; sufficienter enimc) talis enuntiatio probata est, si non omnes partes necessariae insint subjecto.

Enuntiatio universalis potest semper probari per inductionem specierum subjecti. Exempli gratiâa): Omnia animalia meticulosa etc., ut supra. Quem modum inductionis duntaxat Logici describunt; subjectum autem nunquam potest totaliter sumi, ut: Homo est animal, id est omnis vel aliquis homo est animal generaliter. Non igitur unquam fit enumeratio partium subjecti; necessè enim est affectionem inesse toto subjecto, etd) quantitas universalis vel particularis, videtur esse de essentiâ subjecti. Si autem toto subjecto aliquid non conveniat, committitur ambiguitas, ut: AEthiops est albus.

Particularis ergo negativa admittit duntaxat inductionem per species praedicati, particularis affirmativa per partes praedicati, universalis negativa per species subjecti et praedicati, universalis affirmativa per species subjecti et per partes praedicati.

Mixtae enuntiationes admittunt inductiones pro naturâ simplicium, ex quibus componuntur, ut: Musica accommodata est solis voluptatibus. Haec enim constat ex: Omnis musica est accommodata voluptatibus, et: Omnis musica est accommodata non voluptatibus.

[28 oktober 1624]

+Abraham Melis1), den 28en Octob., seyde, dat de Coninck van Sweden2) (van wien hy nu rechs quam) dickwils ende sekerlick geproeft heeft, dat een groote cogel, met cruydt, na advenant gejaeght synde, so verre niet en vlieght als een cleynder3), ende dat (seyde hy) omdat den grooten platter is, te weten de platticheyt nader, ende also so wel door de locht niet en kan als een kleynder, eveneens gelyck een groote kogel so diep in een aerde bollewerck niet en kan geschoten worden als een kleyne.

[p. 310]
+

Daerop ick antwoorde dat haghel, dat is de cleynste cogelkens, geweldich rascha) voortgedreven worden solanghe sy int roer syn, ende gerocht worden van de cracht des buscruydts; maer buyten het roer kommende, terstondt haren loop eyndighenb) omdat dese kleyne dynghen een groote superficie hebben na de proportie van haere lichamen, weerhouden synde van de locht, also dat se eerst veel lyden konnen van het cruydt ende daerna seer teghen gehouden <worden>c) van de locht. Maer de grootste cogels, al en wordense so seer van de locht niet weerhouwen, so en heeft oock het cruydt, om deselfde reden wille, sulcken macht op haer niet, omdat de superficie cleyn is na proportie van haer groot lichaem. Daerom, om dat gelyck te maken, moester soo veel cruydt meer toe syn alse meer weghen dan de cleyne, ende dan noch so veel meer als de proportie van haer superficies | teghen haer lichaem minder is dan der cleyner. Ende dan sal den grooten kogel, so rasch voortgaende int geschut als de cleyne dede, ende soseer van de locht niet verhindert werdende, veel verder vlieghen. Anders, om een groote cogel effen so verre te doen vlieghen als eend) geproefde cleynee), so moest men, het cruydt naer advenant de swaerheyt genomen hebbende, noch soveel vermeerderenf) totdat men siet, dat de hulpe des lochts ende des cruydts het begeerde tsamen uytbrenght.

 

+Ab. Melis seght oock, datmen in Sweden de hartste metalen smelt met hitte, die men door een buyse leydt uyt eenen back, daerse eerst in gevanghen wort, als staende over het vier gelyck eenen helm; meyndt oock, datmen op die maniere met min vier dan men nu doet, eenen brouwketel soude konnen heeten, te weten, soomen door sulcken buyse de hitte onder den ketel als in eenen hooven liet kommen, ende aen den voet van desen hoven lochtgaten maeckt, daerdoor de grofste hitte, altyt onder wesende, wech gaet, also dat die hove onder den ketel altyt vervult blyft met de subtylste hitte.

Twelck ick qualick geloove, nadiender, na d'oude manniere, onder eenen brouketel weynich hitte verloren gaet, daer hierdoor het lochtgat al veel verliest, tensy de subtylheyt des viers int opperste des hovens, den bodemg) des ketel rakende, beter door den ketel kan danh) tgene met roock ende locht gemeynght is. Twelck men proeven konde, ende meteenen maken datter onder niet te veel uyt en vlieghe, maer dat dese subtyle hitte onder den ketel gepropt ende gepranghti) wierde, vooren oock al toe synde, behalven een cleyn gaetjen, daerdoor de buyse de hitte inbrenght.

 

+Ab. Melis seyde oock, dat den artillerymeester des Conings hem geseydt heeft, dat men over twater veel langher rechte houden kan int schieten met een grof geschut, dan lanckx het landt.

[p. 311]
+

De reden acht ick te syn de geduerighe ende menichvuldigea) dampen dan opt lant opgaende uyt het water, die den cloot, maer weynich pooghende te sincken, doordien hy in corten tyt veel lochts raeckt (twelck vooren1) ergens breeder verclaert is), gemackelick een weynich tyts konnen ophouden, makende de locht daer wat dichter ende selve opwaerts poogende, wesende oock koudt ende vochtich, contrary de nature des viers.

 

+Een predicant staende een half uere van Horen2), seyde my dat de predicanten in Noorthollant, daer veel netten in de kerken opgehanghen worden, bescheelick gewaer worden dat sy veel luyder moeten roepen, eer sy gehoort kunnen worden, ten tyden als de vischnetten in de kercke hanghen. Ende mishandt haer seer in haer stemmen.

De reden is, dat de reflectie benomen wort. Desgelyckx gevoelt men hier oock als de kercke vol volckx is, daerin de stemme cropt ende teghen de effene vloer niet steuten en kan; gelyck oock een gladde, effene, witte kamer met hetselfde licht claerder isb) dan een oneffene etc. De aessemen des volckx in een kercke verdrucken de locht seer, ende en verhinderen de stemme ende tghehoor daerdoor oock niet weynich.

 

+Anno 1624, den 26en Augusti (also onsen conrector van Rotterdam, Henricus cranenburch3), overleden was den 22en dito), hebbe ick, uyt last van de scholarchae, Burghmr Goeree4) ende D. Nieuenro5), des overledens lessen beginnen waer te nemen. Ende den 4en November ben ick in syn plaetse conrector gekoren by de gantsche vroetschap, niemant anders stemmende. Syn gage was oock de myne, 450 guldenc) sjaars ende daertoe de woninghe6). |

[8 november 1624]

+Syllogismi hypothetici propositionem antè7) ostendi varijs modis efferri, viz. interdum subjectum, interdum praedicatum bis repetitur etc. Nunc verò ejus rei origo et fundamentum occurrit noctu den 8en Novemb.

[p. 312]
+

+Propositio igitur hypothetica nihil aliud est quàm enthymema estque connexio alterius praemissarum cum conclusione idque in tribus figuris.

Vulgaris autem modus, quein Logici solum videntur cognovisse, est connectio minoris propositionis cum conclusione in primâ figurâ. Exempli gratiâa): Omnis homo est animal; Petrus est homo; ergo Petrus est animal. Hinc fit talis hypothetica: Si Petrus est homo, Petrus est animal. Jam verò videamus varietatem et sumatur major cum conclusione. Hinc fit: Si omnis homo est animal, Petrus est animal.

In secundâ figurâ: Nullus lapis est homo; Petrus est homo; ergo Petrus non est lapis. Hinc fiunt: Si Petrus est homo, Petrus non est lapis, quae coincidit cum vulgari, et: Si nullus lapis est homo, Petrus non est lapis.

In tertiâ: Omnis homo est animal; quidam homo est Petrus; ergo Petrus est animal, Hinc fiunt: Si quidam homo est Petrus, Petrus est animal, et: Si omnis homo est animal, Petrus est animal.

Idem fiat in omnibus modis. Praeterea conjunctis duobus syllogismis, fit aliud genus enthymematis, aut propositionis hypotheticae, sumptâ aliquâ quatuor praemissarum cum conclusione, hoc modo: Omne animal sentit; omnis homo est animal; ergo omnis homo sentit. At: Petrus est homo, ergo Petrus sentit. Hinc fiunt: Si omne animal sentit, Petrus sentit; si omnis homo est animal, Petrus sentit (ubi quatuor sunt termini diversi); si omnis homo sentit, Petrus sentit; si Petrus est homo, Petrus sentit. Idque tentandum in varijs modis conjunctionem secundùm syllogismorum numerum, figuras, et modos. Hinc reductio spontè se prodit.

Hinc etiam regulae consequentiarum eruuntur. Nam si praemissarum aliqua vera est, cùm altera praemissa suppressa pro verâ etiam habeatur, sequitur necessariò conclusio, quae semper est consequens hypotheticae; at si praemissab) (quae est antecedens in hypotheticâ) negetur, non ideò falsa est conclusio. Poterit enim forsitan altera substitui in ejus locum vera.

Tum, si conclusio falsa est, necessè est praemissarum aliquam falsam esse, quae si est antecedens hypotheticae, evertitur verâc) et fit conclusio. Si verò suppressa estd) falsa, consequentia non est bona, quia ex falsis verum sequi non potest. At si conclusioe) affirmetur, non propterea praemissa estf) vera, quia ex falsis verum potest colligi syllogisticè.

Exempli gratiâ a): si Petrus est homo, Petrus est animal; at Petrus est homo; ergo Petrus est animal. Hîc, quia minor propositio, Petrus est homo, assumitur, et suppressa major: Omnis homo est animal, vera intelligitur, etiam legitimè concluditur: Petrus est animal. At si minor: Petrus est homo, evertitur, non propterea evertitur etiam conclusio. Erit enim hîc minor negativa in primâ figurâ, et potuisset altera quaedam, viz.: Canis est homo verè evertitum.

Tum: Si lapis est homo, lapis est animal; at lapis non est animal; ergo lapis non est

[p. 313]

+ homo. Hîc conclusio Lapis est animal evertitur et negatur, id est dicitur esse falsa; ergo etiam praemissa antecedens: Lapis est homo est falsa, quia suppressa Omnis homo esta) animal vera est, nam ex utrâque verâ non posset sequi falsum. At etiamsi conclusio Lapis est animal foret vera, non proptereab) praemissa Lapis est homo, esset vera. |

 

+Inductione peractâ, videndum an sit legitima. Legitima est cùm singulae instantiae possint syllogisticè inferre particularem conclusionem subalternam propositioni, per inductionem probandae. Ut si probem omnia animalia meticulosa habere cor amplum, per cervum, damam, murem, hinc fiunt syllogismic): Cervus habet cor amplumd); cervus est animal meticulosum; ergo aliquode) animal meticulosum habet cor amplum, et sicf) per damam et murem etc.

Nec aliam ob causam affertur ab opponente inductio, ut cogatur respondens ipse aliud quid afferre. Det igitur operam opponens ut inductionis instantiae quotquot affert, sint verae. At si alio disputationem gestiat transferre, licet opponenti instantiam afferre, quam speret respondentem negaturam; speret, inquam, nam non cogitur respondens eo transferre disputationem quo velit opponens. Sed licet ipsi, idque elegantiùs et pressiùs, omissâ falsâ instantiâ, novam proferre, ad quam opponens cogatur accedere. At si velit respondens certâ de causâ eo concedere, ac neget instantiam aliquam opponentis, non oportet jam opponentem ex eâ instantiâ syllogismum facere secundùm mentem respondentis (ut antè praecepi), nam ea non est ejus mens, sed immediatè probare suam instantiam esse veram. Ut, si negat respondens cervum esse animal meticulosum, vel habere cor amplum, probandum est alterutrum.

 

+Disputaturus cum privato quodam ambigit saepèg) <ut>h) uter debeat defendere aut opponerei). Ratio autem exigit ut is, qui affirmativam propositionem statuit, sit defendens, quia theses debent esse affirmatae; thesium vero author est defendens, nam qui theses negatas proponunt, peccant contra leges artium, a Rameis tam studiosè explicatas. Cùm autem faciliùs sit negare quàm affirmare, negantis erit opponere; in pluribus enim figuris et modis <magis>k) negatur quàm affirmatur. Imò affirmatio universalis, quales debent esse theses, tantùm potest probari in Barbara1), cùm ejus contradictoria concludi possit in sex modis. Ne tamen uni perpetuò incumbat is labor opponendi, intercedit legitima inductio. In privatâ enim disputatione cogitur respondens suam instantiam probare auditoribus, nam quid absurdiùs quàm effugium quaerere per aliquid, quo ipse non possit ostendere

[p. 314]

+ verum esse? In publicis disputationibus academiarum usus obtinuit ut defendens semper defendat, fortè contra legitimum modum et ordinem. Certè privata disputatio, ubi neuter venit ad oppugnandum, debet vicissitudinem aliquam prae se ferre, quae per inductionem procuratur.

 

+Probatur quaestio vel per praemissas, id est per medium terminum qui antecedita) quaestionem, id est naturâ prior est, vel per consectaria et lemmata, id est per medium qui quaestionem sequitur, id est naturâ posterior est. Iterum per praemissas probamus vel simpliciter, id est cùm unus tantùm est medius terminus isque absolutè quaestionem infert, nihil omittens quod facit ad concludendum ita ut medium totum et plenum sit expressumb); vel per inductionem, ubi medium non integrum ponitur, sed relinquitur ejus pars aliqua respondentis vel auditorum sinceritati judicanda.

Per consectaria verò vel deducimus ad absurdum, quando quaestionis contradictorium fit alterutra praemissarum estque non minùs firmum argumentandi genus quàm praecedentia; nihil enim verum est ex quo falsum sequitur. Vel quando quaestio ipsa est alterutra praemissarum; estque minùs | firmum quidam argumentum ad probandam quaestionem, quia ex falsis verum aliquando sequitur, sed tamen per argumentandi genera praecedentia; ostenditurque quaenam vera et bona ex quaestione nostrâ (siquidem vera sit)c) consequantur. Optimè igitur et eleganter his quatuor modis probationum tota confirmatio absolvitur.

+
Fumaria altiora cur meliora.
2)
Cf. t. I, pp. 295-296, 304 et ci-avant pp. 10 et 157.
b)
vlieghen.
+
Fol. 190v-191r
12 décembre 1623-[20] janvier 1624
+
Ventum perpetuum excitare.
a)
den wint.
+
Radicis quadratae extractio examinata.
1)
Cf. la note ci-dessus pp. 280-282.
b)
so.
c)
niet ajouté d'une autre encre dans l'interligne.
d)
al.
+
Radicis quadratae et cubicae ratio.
+
[20] janvier 1624
Fol. 191r-191v
a
le ms porte: 221.
+
Lux nocturna, praeter rationem apparuit mihi. Cur hinc tempestas.
1)
Pendant l'hiver très rigoureux de 1623-1624 une barrière de glace s'était formée dans le Lek; la neige étant tombée abondamment et la rivière ne pouvant transporter toute l'eau, la digue septentrionale céda de sorte que les terres dans les provinces d'Utrecht et de Hollande furent inondées; même à Amsterdam il en résulta de grands inconvénients (cf. Aitzema, Saken van Staet en oorlogh, I, p. 269).
b)
varende.
c)
pas de guillemets.
d)
wiert.
+
Nicotianie) fumum per aquam haurire.
e)
necotiani.
2)
Cf. la note précédente.
+
Fol. 191v
[22 février] 1624
1)
Le tabac fut apporté en France par Jean Nicot vers 1560; son usage se répandit en Angleterre après le retour de Drake de la Virginie (1586) et en Hollande à la fin du 16e siécle. Citons un opuscule curieux, contemporain de la note de Beeckman: Een korte beschrijvinge van het wonderlycke kruyt Tobacco etc. (Rotterdam, by de Borse by Joris Pauwelsz, Anno 1623). Quant à l'expérience relatée dans la note présente, Kircher la rapporte comme une nouveauté, vue par lui à Rome chez le médecin Giovanni Trullio (1598-1661) (Magnes, ed. Romae, 1654, p. 428).

+
Fumaria in montibus vulgò meliora.
2)
A son sujet, cf. ci-dessus p. 264, n. 1.
a)
feb.
3)
Cf. t. I, p. 305 et ci-avant pp. 6 et 9.
4)
Pour cette comparaison, cf. t. I, pp. 257-258.
b)
loocht.
+
Fungorum in flammis ratio.
5)
Lib. I, vs 391-392.
6)
Cf. ci-avant p. 6.
+
[22 février]-31 mai 1624
Fol. 191v-192r
+
Praedicatum omninò latiùs est subjecto.
1)
Cf. ci-dessus p. 274.
a)
pas de guillemets.
b)
intelligere.
c)
d'abord praedicantur fieri latiora; puis fieri latiora barré.

+
Assche op een wielken drayende by exempel vertoont ende bewesen.
2)
Cf. ci-dessus p. 264.
3)
Sur Jan Weymans, teinturier de soie, cf. ci-dessus p. 264, n. 1.
+
Fol. 192r-192v
[22 février]-31 mai 1624
a)
d'abord ende tgene dan; puis tgene dan barré.
b)
al.
c)
d'abord den anderen; puis anderen barré.
d)
dat is te segghen manque.
e)
d'abord wielken omgeweest; puis omgeweest barré.
f)
d'abord een wiel dat; puis wiel dat barré.
1)
Cf. t. I, pp. 38 et 67.
+
31 mai 1624
Fol. 192v-193r
a)
tandens.
b)
d'abord tanden ende tusschen; puis ende tusschen barré.
c)
dryen.
+
<Probatur>d) soni materiam eandem numero esse quae erat in ore loquentis.
d)
probatur omis.
1)
Sur cette conception, cf. t. I, pp. 92-93, 252 et ci-dessus p. 232.
e)
liest.
f)
lanckx.
+
Fluxus cur in medio maris diutiùs duret.
2)
Cf. t. I, pp. 61, 196, 213, 283, et ci-dessus pp. 276-277.
g)
le ms porte: de.
+
Singularis non semper pro universali habetur.
h)
pas de guillemets.
+
Nubes cur circa horisontem ferè plures.
+
Fol. 193r
31 mai 1624

+
Nubium superiorum et inferiorum ratio.
1)
A ce sujet cf. t. I, pp. 98, 271-272 et 274; ci-avant pp. 3, 128, 277 et 282-283.
a)
subeunt omis.
b)
melius omis.
+
Myopes per exiguum foramen longiùs vident.
+
16 juin 1624
Fol. 193r-193v
+
Nubium ascendentium et descendentium ratio.
1)
Cf. ci-dessus pp. 288-289 et 289.
2)
Au sujet des diverses régions, en lesquelles on divisait alors l'atmosphère, cf. t. I, p. 304, n. 2.
+
Fulminis et tonitruum causa.
a)
somtyt.
+
Naves quaedam cur meliùs contra ventum moveantur quàm aliae.
b)
dat, deux fois (la première fois à la fin d'une ligne).
c)
dat.
d)
dan.
+
Fol. 193v-194r
16 juin 1624
+
Propugnacula firmiora facere.
a)
d'abord de bollewercken; puis bollewercken barré et wallen écrit dans l'interligne.
b)
sy omis.
c)
mueren.
+
Stevini manuscripta quid contineant.
1)
Stevin était mort à La Haye, probablement en 1620. Sa veuve, Catharina Caerelsdr Cray, demeurait encore à La Haye, lorsqu'elle se maria, le 14 mars 1621, avec Maurice de Viry, demeurant également dans cette ville. Vraisemblablement en 1623 les époux se fixaient à Hazerswoude, dont de Viry était le bailli.
d)
nous avons fait le numérotage qui suit.
2)
C'est à dire: pas de sa main.
+
16-24 juin 1624
Fol. 194r
1)
Stevin avait laissé deux filles, Suzanne et Levina, et deux fils, Frédéric, né à La Haye vers 1612, et Hendrick, né à La Haye vers 1614. Il s'agit ici de Frédéric qui fut immatriculé à l'Université de Leyde le 5 décembre 1629 et encore le 11 février 1639, comme d'ailleurs son frère Hendrick le 14 février 1639. Cf. la Biographie au t. I (p. XV) et notre Avertissement au second volume.
a)
d'abord Singkonst staen; puis staen barré.
b)
boeck ajouté d'une autre encre dans l'interligne.
2)
Sur la gamme temperée discutée par Aristoxène, Zarlino, Salinas et Stevin, cf. t. I, pp. 29 et 180-181. Cf. aussi p. 181, n. 1.
3)
Cf. p. 69 de l'édition, faite d'après une révision retrouvée parmi les papiers de Constantin Huygens: Simon Stevin, ‘Van de Spiegeling der Singhconst’ et ‘Van de Molens’. Deux traités inédits. Réimpression par Dr. D. Bierens de Haan, Amsterdam, 1884.
4)
Cependant Beeckman semble avoir trouvé plus tard la cause alléguée par Stevin que nous reproduisons dans l'Appendice I à la fin de ce volume (p. 404).
5)
Beeckman rejetait la gamme tempérée de Stevin. cf. t. I, pp. 29, 88-89, 180-181 et au t. IV ses lettres du 1er octobre 1629 et du 30 avril 1630.
+
Latrinas non foetidas facere.
6)
Sur cet ouvrage cf. notre Avertissement, pp. III-IV. Le passage discuté par Beeckman se trouve aux pp. 92-93 de l'édition que Hendrick Stevin a inséré dans ses Materiae politicae (Leyden 1649).
c)
d'abord benemen onder; puis onder barré.
7)
Cf. t. I, pp. 64 et 296; cf. ci-après p. 333.
+
Aqua an comprimi possit.
d)
de omis.
8)
Le passage auquel se réfère Beeckman, ne se trouve pas dans l'édition citée dans la note 6 ci-dessus. On trouvera un extrait relatif à ce passage dans l'Appendice I à la fin de ce volume (p. 401).
e)
glijn.
+
Fol. 194r-194v
16-24 juin 1924
+
Stevyn etiam putat aquam plus loci occupare quàm glaciem.
1)
Cf. t. I, pp. 60, 61, 215, 281, 363 et ci-avant p. 253, n. 5.
+
Welsandt quomodo fiat.
2)
Méme remarque que celle de la note 6 de la page précédente.
a)
hoorgher.
b)
sycket.
+
Candelae quaedam cur minimo calore madeant.
3)
Abraham Jansz du Dois, né probablement à Delfshaven, fils de Hans Jansz du Bois, et Grietken Verneyen, donc apparenté aux Beeckman. Il était tisseur (de drap probablement) et il demeurait au ‘Delffsche vaert’, lorsqu'il fit à Rotterdam, le 11 juin 1623, ses accordailles avec Maria Beeckman, née à Middelbourg le 5 avril 1602, et soeur de notre auteur. Jusqu'à son mariage (conclu le 4 juillet 1623) elle avait habité dans la ‘Bagynestraat’, où se trouvait l'école latine. Pour Abraham du Dois, cf. aussi fol. 425verso.
c)
syn omis.
d)
de.
e)
sy.
+
16-24 juin 1624
Fol. 194v-195r
a)
geneyght manque.
1)
Cf. ci-avant pp. 179-180.
b)
al.
+
Candelarum scintillatio quomodo praevenienda.
2)
Cette note et la précédente son écrites bout à bout, sans aucune interruption.
c)
al.
3)
Même remarque que ci-dessus p. 292, n. 6.
d)
d'abord kryght van; puis van barré.
e)
le ms porte: ende dat.

+
Telescopia an perfectioraf) fieri possint quàm vulgaria.
f)
perfectio.
4)
Au sujet du célèbre astronome, demeurant à Middelbourg, cf. t. I, p. 106.
5)
Sidereus Nuncius magna, longeque admirabilia spectacula pandens, suspiciendaque proponens unicuique, praesertim vero Philosophis, atque Astronomis, quae a Galileo Galileo Patritio Florentino Patavini Gymnasij publico Mathematico perspicilli nuper a se reperti beneficio sunt observata in Lunae facie, fixis innumeris, lacteo circulo, stellis nebulosis, apprime vero in quatuor planetis circa Iovis stellam disparibus intervallis atque periodis, celeritate mirabili circumvolutis, quos nemini in hanc usque diem cognitos, novissime Author depraehendit primus, atque Medicea Sidera nuncupandos decrivit (vignette). Venetiis, Apud Thomam Baglionum. M.DC.X. Superiorum permissu, et privilegio.
+
Fol. 195r
24 juin 1624
1)
Jacob Lansbergen, né à Goes en 1590, fils de Philippe et Sara Lievaerts, étudia, en 1608, la philosophie à Leyde, et, en 1613, la médecine à Franeker, où il prit ses grades de docteur. Depuis il exerça la médecine à Goes, mais en 1615 il se fixa à Middelbourg, où il demeura depuis 1621 dans la ‘Spanjaerdstraet’. Il s'y maria, en 1629, avec Maria Bouhuys. C'était un homme savant et courageux qui défendit contre divers astronomes à l'étranger les opinions de son père sur le système héliocentrique. Ardent partisan de la maison d'Orange, son habitation fut pillée en 1651, après quoi il se fixa à La Haye, où il mourut en 1657.
a)
le ms porte: het.
2)
Pour ce verre à grande distance focale, cf. ci-avant p. 210, n. 2. Il est douteux si le ‘garçon’ qui tailla ce verre, fut identique de Johannes Sachariassen, fils de Sacharias Jansen, avec lequel l'auteur aura plus tard des relations assez étroites; en effet ce fils fut baptisé à Middelbourg le 25 septembre 1611 (cf. pour lui au t. III).
4)
Beeckman s'arrêta dans cette ville après avoir visité de nouveau la veuve de Stevin à Hazerswoude.
b)
d'abord stale sphaeren; puis sphaeren barré.
c)
spaeren.
d)
le ms. porte: vindende ende nochtans het daervoor houdende.
3)
C'était peut-être vers cette époque que Beeckman acheta à Delft la lunette hollandaise, dont il fait mention plus tard (t. III, fol. 455 recto).
+
24 juin-15 juillet 1624
Fol. 195r-195v
a)
met.
b)
d'abord vooren int; puis la fin de vooren et int barré.
c)
le ms porte: dat beter ware met.
d)
d'abord achter het ge; puis het ge barré.
1)
Cf. ci-dessus pp. 209-210.
e)
d'abord niet goet en is; puis goet en is barré.
f)
juist niet.
g)
daer net in.
h)
d'abord eerste hoe dichter hoe beter; puis hoe dichter hoe beter barré.
i)
gemaeck.
k)
moet.
l)
les derniers mots ont été ajoutés postérieurement.
2)
Les derniers mots semblent ajoutés postérieurement. Cependant le renvoi ne répond pas au foliotage actuel du manuscrit. Il semble que l'auteur indique fol. 255 verso (p. 357).
+
Goten tusschen de huysen vant sneewater bevryden
3)
Pas plus que les passages suivants du Huysbou de Stevin, l'énoncé de cette note ne se trouve dans le texte imprimé par Hendrick Stevin en 1649.
+
Fol. 195v
24 juin-15 juillet 1624
1)
Cette note et les trois suivantes ne se trouvent pas à ce fol. 195verso, mais plus loin, aux fol. 225verso, 226recto, 226verso et 232recto, parmi plusieurs passages que Beeckman a tirés du Huysbou de Stevin. Nous avons reporté ces notes ici, puisqu'elles ne paraissent pas tirées du traité de Stevin, mais semblent reproduire des réflexions faites par Beeckman, au cours de la lecture et du résumé terminé le 26 juin 1624. La place fausse des extraits du Huysbou dans le Journal s'explique par le fait que Beeckman remit ces extraits à un copiste et ne les put insérer que plus tard (cf. l'Avertissement et l'Appendice I à la fin de ce volume).
+
Suffocationis periculum quî tussiendo vitatur.
2)
Rappelons que le 29 Mars 1624 était né le troisième enfant de l'auteur, le seul d'ailleurs qui lui survécut. Les notes généalogiques à fol. 50recto disent à son sujet: ‘Het heet Catelyntjen, na haer moeders moeder. De peters syn Abraham Jansen de Boos ende François de Mey, de meters Janneken van Ryckegem ende Janneken Beeckmans (te weten Jacob myn broeders wyf ende ons suster) ende Jaques Schouten's huysvrouwe’).
a)
wordt.
b)
soeckt.
+
Horologiorum brachia longa et brevia, quid patiantur.
3)
Jacob Beeckman, frère de l'auteur et recteur de l'école latine à Rotterdam.
4)
Probablement il ne s'agit pas d'une montre, mais d'une horloge, dont l'usage remonte à la fin du XIIIe siècle. Mises en mouvement par un poids, elles avaient des roues dentées, réglées par un balancier (onrust), dont les vibrations étaient produites par un échappement. C'était ce balancier qui portait à chacun de ces deux extremités le petit poids, mentionné par l'auteur. Cardan qui parle des horloges à roues dentées assez amplement aux pages 478-480 de son de Varietate (ed. cit. au t. I, p. 270), ne donne à la p. 478 qu'un dessin très imparfait du balancier.
+
24 juin-15 juillet 1624
Fol. 195v-196r
+
Microscopiorum usus in re mercatoriâ.
1)
Sur ces verres, cf. ci-dessus p. 33 et 240.
+
Horologiorum brachia incurva cujus sint usûs.
2)
Cf. ci-dessus p. 297 la note 4.
3)
Cf. ci-dessus pp. 297-298.
+
Cantus plurium simul cur melior.
+
Fol. 196r-196v
15 juillet 1624
1)
Cf. ci-avant pp. 88, 89-90 et 166-167.
+
Medicamenta ejusdem naturae plura cur meliora.
+
Telescopij ex multis vitris ratio.
2)
Cf. ci-dessus pp. 294-296.
3)
Au sujet du titre de cet ouvrage, cf. ci-dessus p. 294, n. 5.
a)
gedeeltel.
4)
La note qui suit relate en 17 lignes la maladie de Gerson Beeckman, frère de l'auteur, né à Middelbourg le 10 août 1604, élève à l'école latine de Rotterdam et immatriculé à Leyde le 25 juillet 1623, où il excellait en latin, grec et hébreu. S'étant rendu en hiver à pied de Rotterdam à Leyde, il contracta une pneumonie. A Rotterdam il fut soigné par le médecin Pieter van Goedereede (cf. à son sujet ci-dessous p. 359 n. 1), puis à Middelbourg par le médecin Jacob van Lansbergen (cf. ci-dessus p. 295, n. 1). C'est dans cette ville (où notre auteur se trouvait alors probablement) que Gerson Beeckman mourut le 10 juillet 1624. Nous supprimons cette note qui n'a aucun intérét scientifique.
+
Colores esse lumen refractum testimonio probatur.
b)
pas de guillemets.
c)
excitantem.
+
Assche op wielkens drayende examinatus.
5)
Cf. ci-dessus pp. 264 et 286-288.
+
15 juillet-15 septembre 1624
Fol. 196v-197r
a)
d'abord sterckte naer; puis naer barré.
1)
Apparemment l'auteur invoque son théorème sur l'accroissement des superficies et des volumes de corps de même matière. Cf. t. I, pp. 25, 31, 61, 86, 117, 171, 175, 176, 196 etc.
+
Aves cur minores quadrupedibus et hi minores piscibus.
b)
door die.
c)
het omis.
+
Oculos et aures quid maximè delectet.
2)
Beeckman ayant vu tout récemment le Huysbou de Stevin, notons qu'on y trouve, du moins dans l'édition de 1649 (pp. 11-16) tout un chapitre: Van de bepaling en beschryvingh der lycksydigheydt.
d)
seker.
3)
Cf. t. I, pp. 214 et 288-289.
+
Syllogismus quidam examinatus.
e)
pas de guillemets.
+
Historiae scibendae ratio.
4)
Pour le titre de l'ouvrage du célèbre historien, cf. t. I, pp. 227 et 237, n. 5.
+
Libros admodum venales reddere.
+
Fol. 197r
15 juillet-15 septembre 1624
1)
Willem Teelinck né à Zierikzee en 1579, après avoir, en Angleterre, pris goût au piétisme, publia dans ce genre plusieurs ouvrages. Ministre à Middelbourg depuis 1613, il était le père de Maximilien, l'élève de Beeckman (cf. ci-dessus p. 250, n. 1) Il mourut à Middelbourg le 8 avril 1629.
2)
Den volstandigen Christen, voorghestelt in dry Tractaten. Het eerste vervatende de wonderbaerlycke overwinninge, die de ware Christen behout tegen alle creaturen. Het tweede aenwysende drie voornemelycke pointen, daerop sonderlinghe te letten staet, om een recht oordeel te strycken over de leere van de volstandicheyt der heylighen, door de verdonckeringhe van dewelcke vele misleydt werden. Het derde bewysende dat de leere van de volstandicheyt niet alleene meer troostelyck is dan de latre van den affval, maer oock meer dienstich tot vorderinghe van de ware Godsalicheydt, ende van d'eere Gods. Door Willem Teelinck, Bedienaer des heylighen Evangeliums binnen Middelburg in Zeelandt (vignette). Tot Middelburgh, Gedrukt by Hans van der Hellen voor Geeraert van de Vivere, woonende by de nieuwe Beurse in de Druckerie, 1620. - in-4o. 141 + 91 + 55 pp.
a)
winckel.
b)
d'abord worden eer se; puis eer se barré.
+
Copula enuntiationum minutim explicata.
c)
le ms porte: verbum; notre correction est hasardée.
d)
bona corrigé de bonum.
e)
d'abord est, copula vero hic hab; puis copula vero hic hab barré; alors est partim in; enfin est partim in barré également.
+
Vocis materia est eadem numero quae crat in ore loquentis.
f)
voldt.
+
15 septembre 1624
Fol. 197r-197v
a)
nootsalick.
1)
Sur les hypothèses de l'auteur sur ce sujet, cf. t. I, pp. 92-93, 252 et ci-dessus pp. 232 et 288.

+
Vectigalia absque bonorum injuriâ constituere.
b)
so veel daer door.
c)
dat men synen kost niet gewinnen en kan daer sonder.
d)
soude het goet syn omis.
e)
solisteert.
+
Fol. 197v-198r
[3] octobre 1624
+
Veteres an nobis fuerint subtiliores.
a)
reperire est.
b)
quid in.
+
Quarta cur in cantu simplici tam sit frequens.
c)
d'abord reden waer gemae; puis waer gemae barré.
d)
ende wort.

+
Privatum quid de me.
1)
Sur David Jacobsz Haeckendover, lecteur à l'Eglise de Rotterdam, cf. ci-dessus p. 206, n. 1.
2)
A son sujet, cf. ci-dessus p. 264, n. 1. Sa femme Maeyken Wuesten avait fait testament, devant le notaire W. Jacobsz, le 21 juillet 1623 et son décès fut déclaré à la Chambre des orphelins le 16 août 1623. La maison que Weymans avait achetée en 1618 (cf. ci-dessus p. 264, n. 1) est notée en 1625 comme étant habitée par Hans Weymans, probablement le nôtre. Beeckman mentionne encore Jan Weymans dans ses notes du commencement de 1627 (cf. l'Appendice II à fin de ce volume). Sans doute celui-ci a-t-il quitté Rotterdam après cette date, peut-être à cause des démêlés mentionnés ci-avant pp. 264, n. 1; toutefois il n'est pas fait mention de sa mort dans cette ville.
+
[3]-20 octobre 1624
Fol. 198r
a)
gesiecludeert.
1)
Cette phrase doit avoir été ajoutée postérieurement.
+
Psalmus 103 est 11 <mi> toni.
b)
d'abord want het; puis het barré.
c)
d'abord ende heeft; puis heeft barré.
+
Morbi omnes ex primis qualitatibus oriuntur.
d)
le ms porte: in.
e)
pluviosa.
f)
calidior.
+
Lux nimia cur saepiùs multa obscuret.
g)
al.
+
Psalmus 51 an sit 4ti auta) 10mi toni.
a)
an.
+
Fol. 198r-198v
[3]-20 octobre 1624
b)
stande.
+
Contrapunctum musicum facere.
c)
d'abord re (synde oock; puis (synde oock barré.
d)
pas de parenthèses.
+
Stevini manuscripta selectiora 35 folijs comprehensa.
1)
Sur ces papiers, cf. ci-dessus pp. 291 sqq.
2)
Il faut ajouter la Singhconst, résumé le 29 juin 1624. Cf. ci-dessus p. 297, n. 1.
3)
Une première série d'extraits des papiers de Stevin, écrits de la propre main de Beeckman, et formant la plus grande partie de ces notes, occupent actuellement fol 198verso-224verso. Comme parmi les extraits du Huysbou (cf. ci-dessus p. 297 n. 1), on trouve aussi çà et là des notes, dont on ne sait si elles sont de Stevin ou de Beeckman, qui, en transcrivant ses extraits, peut avoir ajouté des considérations de son crû. Ce sont seulement ces notes d'origine douteuse que nous reproduisons ci-dessus. Pour une discussion détaillée des extraits que Beeckman fit des papiers de Stevin, cf. notre Avertissement au second volume et l'Appendice I à la fin de ce volume.
+
Vitri quo calor examinatur ratio.
+
Vitrum inversum per ferrum ignitum aquâ implere.
+
[3]-20 octobre 1624
Fol. 208v et 239r
1)
Cette note conclut la série d'extraits que Beeckman tira de la Waterschuering de Stevin. Plusieurs parties de ce traité furent publiées par Hendrick Stevin dans son Wisconstigh Filosofisch Bedryf de 1667 (Boeck XI, pp. 37-84).
2)
Les extraits des papiers de Stevin se terminent au fol. 233verso. Le fol. 234recto est resté en blanc, mais depuis 1629, alors que le manuscrit était déjà relié, Beeckman a utilisé les autres feuilles du cahier commencé par le copiste, pour continuer ses notes généalogiques et personnelles, qui se terminent à fol. 238verso. Pour ces notes, que nous supprimons, cf. notre Note sur le manuscrit en téte du vol. I.
+
Disputandi in meâ scholâ leges.
a)
oppones.
b)
argumentanti.
c)
dissertatiuncule.
+
Aves diù volaturae cur altum aerem petant.
+
Fol. 239r-239v
20 et 24 octobre 1624
1)
Sur la constitution de l'atmosphère selon l'Ecole, cf. t. I, p. 304, n. 2. Toutefois Beeckman a soutenu souvent une opinion contraire à celle émise ci-dessus.
+
Pudor meus correctus.
+
Pastis frigore augeri videtur.
2)
La peste s'était déjà manifestée à Amsterdam, où elle fit 5.929 victimes en 1623. Depuis l'été de 1624 on prit des mesures rigoureuses dans toutes les villes des Pays-Bas. Au cours de l'automne de 1624 l'épidémie reprit à Amsterdam, où elle emporta 11.795 personnes et 6.781 en 1625; à Leyde fut enlevé le célèbre Erpenius.
a)
te omis.
+
Pestis calidos facilè occupat.
b)
la phrase commençait d'abord par daerom; puis daerom barré.
c)
treck.

+
Pestis an lumen excitet.
3)
Depuis le début de septembre 1624 le marquis de Spinola et son armée campaient devant Bréda. L'armée hollandaise, sous la conduite des princes Maurice et Frédéric Henri, tenait Geertruidenberg, Made et Zevenbergen, où l'on construisit des réduits et installa des batteries.

+
Umbra rei non visae cur videatur interdum.
4)
Un jeune homme de ce nom fit sa confession de foi à Middelbourg le 4 août 1624, demeurant alors chez sou père Willem Teelijnc (cf. ci-dessus p. 250). Toutefois ou trouve aussi un Justus Teelinck, né à Zierikzee vers 1612, fils de l'échevin et Conseiller Mr Johannes Teelinck et Veronica de Huybert, qui se fit immatriculer à l'Université de Leyde le 8 mai 1630 et y prit ses grades de licencié ès droits. Il se maria en 1640 à Zierikzee avec Catharina Ockers, y fut échevin et Conseiller et y mourut le 21 juillet 1645.
+
24-28 octobre 1624
Fol. 239v-240r
+
Contrapunctorum componendorum modus generalis.
1)
Cf. ci-dessus p. 305.
+
Inductionis ratio admodum minutim concisa.
a)
e.g.
+
Fol. 240r
28 octobre 1624
a)
e.g.
b)
d'abord dicatur qui aliqu; puis qui aliqu barré.
c)
d'abord enim haec; puis haec barré.
d)
d'abord et videtur; puis videtur barré.

+
Globi majores explosi an minùs longè volent.
1)
Cf. sur ce frère d'Antonius Aemilius ci-dessus p. 150.
2)
Gustave Adolphe.
3)
Cf. le problème énoncé ci-avant pp. 276-277 et les passages cités p. 277, n. 1.
+
28 octobre-[4] novembre 1624
Fol. 240r-240v
a)
rachs.
b)
d'abord eyndighen omdat se; puis omdat se barré.
c)
worden manque.
d)
d'abord een cleyne; puis cleyne barré.
e)
d'abord cleyne moet se; puis moet se barré.
f)
d'abord vermeerderen alsmen; puis alsmen barré.
+
Igni pauciore quî plus caloris us.
g)
bodem deux fois.
h)
dat.
i)
gepraght.
+
Globus cur in mari diutiùs horisontalis volet.
+
Fol. 240v-241r
[4 et] 8 novembre 1624
a)
menigvuldiger.
1)
Cf. t. I, pp. 25, 174, 263-264, 264-265, 331 et ci-dessus p. 244 avec la note 8 et 277 avec la note 1.
+
Vox, prohibitâ reflectione, est obscurior.
2)
Peut-être à Schellinkhout, situé sur mer aussi. Depuis 1600 on y avait comme ministre C. Jansz. (mort en 1625).
b)
syn.
+
Ego quando Roterodami factus sim conrector.
3)
Henricus van Cranenburg était attaché à l'école latine de Rotterdam dès 1604, lorsqu'il composa un poème latin en l'honneur du recteur Carpentarius. Il fut nommé co-recteur en 1606 et remplaça en 1620, Carpentarius jusqu'à l'arrivée de Jacob Beeckman, le frère de notre auteur.
4)
Govert Willemsz van Goedereede, apothicaire, mort en 1625. Cf. à son sujet ci-dessus p. 164.
5)
Petrus van Nieurode, né à Utrecht en 1591, fut immatriculé à l'Université de Leyde le 23 mai 1609. Il fut ministre à Zyderveld et Everdingen en 1613. Devenu ministre à Rotterdam en 1618, il fut nommé curateur de l'école latine de cette ville en 1621. Il se fit connaître comme persécuteur des dissidents. Dans les démêlés de 1625 et 1626, Beeckman prit parti contre van Nieurode (cf. les documents, au t. IV). Celui-ci partit en 1631 pour Alcmar, où il mourut en 1639.
c)
d'abord gulden ende het huys om in te wonen; puis ende.... wonen barré.
6)
A propos de cette nomination, cf. t. IV.

+
Hypothetici syllogismi fondamentum ex enthymemate.
7)
Cf. ci-dessus pp. 270-271 et 279-280.
+
8 novembre 1624-[1] janvier 1625
Fol. 241r
+
omnium figurarum.
a)
e.g.
b)
d'abord premissa ea id est; puis ea id est barré.
c)
le ms porte vere.
d)
d'abord est solum; puis solum barré.
e)
d'abord conclusio negetur; puis negetur barré et affirmetur écrit dans l'interligne.
f)
d'abord est falsa; puis falsa barré et vera écrit dans l'interligne.
+
Fol. 241r-241v
8 novembre 1624-[1] janvier 1625
a)
d'abord est vera; puis vera barré.
b)
proptera.
+
Inductionis in disputando regimen.
c)
d'abord cervus est animal meticulosum; puis cer vus est animal meticulosum barré.
d)
d'abord amplum, ergo quidam qui habet cor amplum; puis ergo.... amplum barré.
e)
d'abord aliquod quod est; puis quod est barré.
f)
sic de.
+
Disputationis privatae ratic.
g)
d'abord saepe quis; puis quis barré.
h)
ut manque.
i)
d'abord opponere ideo; puis ideo barré.
k)
magis omis, semble-t-il.
1)
Pour cette figure de la logique, cf. les ouvrages cités ci-dessus p. 29, n. 3.
+
[1] janvier 1625
Fol. 241v-242r
+
Probationum 4 modi explicati.
a)
d'abord antecedit conclusionem; puis conclusionem barré.
b)
d'abord expressum quod fit; puis quod fit barré.
c)
pas de parenthèses.

Vorige Volgende

Over het gehele werk

Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634 (4 delen)


Cornelis de Waard


Over dit hoofdstuk/artikel

over Simon Stevin


20 januari 1624

22 februari 1624

31 mei 1624

16 juni 1624

24 juni 1624

15 september 1624

3 oktober 1624

20 oktober 1624

24 oktober 1624

28 oktober 1624

8 november 1624