Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
DBNL Logo
DBNL Logo

Hoofdmenu

  • Literatuur & Taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taal
    • Limburgse literatuur
    • Friese literatuur
    • Surinaamse literatuur
    • Zuid-Afrikaanse literatuur
  • Selecties
    • Onze kinderboeken
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • E-books
    • Publiek Domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Gebruiksvoorwaarden
    • Hergebruik
    • Disclaimer
    • Informatie voor rechthebbenden
  • Over DBNL
    • Over DBNL
    • Contact
    • Veelgestelde vragen
    • Privacy
    • Toegankelijkheid
Journalen. Derde deel

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (0,75 MB)






Genre
non-fictie

Subgenre
non-fictie/dagboek
non-fictie/politiek


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

 

Journalen. Derde deel

(1888)–Constantijn Huygens jr.

Vorige Volgende

December.

1 Woonsd.

Was Joffrouw Calandrini besoecken.

2 Donderd.

Was met Calandrini tot Mr. Godefroy, maer hij was niet thuijs.

3 Vryd.

Was savonts tot Calandrini ten eten. Daer waren noch twee Sindiques Godefroy en ......1) en hij tracteerde ons seer wel.

4 Saterd.

Was tot Serment en verruijlde mijn slachwerck tegen een nieuw vergult horologe en een werck om in een cristalle kas te setten. Sprack smergens een Doctoor aengaende mijn hoest en vertelde hem dat mij gebeurdt was den 20e van de voorleden maendt, hij ordineerde mij twee pillen te nemen. Dese importune hoest, die mij al over de 3 jaer nu gequelt heeft en nu sint ick te Geneve ben geweest noch eenichsins verergert is, doet mij gelooven dat ick wel vroegh het groote padt der werelt mocht betreden, en de hoop bedrieghen van een goeije vader die ick vrees dat te vergeefs voor mij sorgt en sich bemoeijt. En hoewel het niet sonder moeijten is dat men sich van hier kan loss maken in soo vroeghe jaren, soo draeg ick nochtans met gedult Godes plaghen, wiens weldaden ick ondanckbaerlyck genoten heb; en ben wel gerust de straff te draghen

[p. 149]

die ick duisentmael over verdient heb en weerdich ben. Maer Godes wille moet geschieden. De oorsaecken quae mihi tam seriam mortalitatis cogitationem deden krijghen, waeren dat mij altemet witte stuckjes als den 20 der voorleder maent uithoesten afginghen, dat mij van selfs quade smaken in de mont quamen, dat ick eenighen tijt geleden int rijden voornemelijck, een doove pijn voelde in de rechter zijde van de longe en noch meer andere teeckenen van een bedorven longe, als roode wanghen, en dat ick eenighen tijt geleden ben magerder geworden.

5 Sond.

Purgeerde. Calandrin was mij besoecken en Carer. Men sette twee hoeren int gevangenhuijs, daer van Clant er een met kint gemaeckt hadt.

6 Maend.

Wert smergens gelaten. Nae den eten gingh tot J. Calandrin en speelde met haer opt schaeckbert.

7 Dinsd.

Kreegh brieven uijt Hollandt dat neef Becker den bruydeghom was. Dat J. Alida van Vlaerdinghen doot was en gestorven van de pockjes. En dat Caspar Kinschot stirf van de teeringh.

8 Woonsd.

Was naemiddach tot Serment, en Burlamachi was mij besoecken.

9 Donderd.

Was tot Calandrini en hoorde Turetini preecken in Italiaensch.

10 Vrijd.

Was met Carer wandelen en in de kaetsbaen die niet en docht. Socht Godefroy te vergeefs.

11 Saterd.

Was met Calandrin tot Micheli en daernae tot Calandrin. Micheli die een suster heeft van Poletti in den Haegh is een man van in de vijftich jaren heel impotent, en altijt te bedt leggende van podagra en een paralysie. Hoorde Burlamachi preecken privatim.

12 Sond.

Wa stweemael in de kerck en daernae tot Calandrin daer ick att savonts.

[p. 150]

13 Maend.

Was naemiddach Godefroy soecken te vergeefs en tot Serment.

14 Dinsd.

Was naemiddach tot Calandrin, die mij seij dat hij de fraeyste Joffer van Geneve wilde tot zijnent doen komen om mijnent wil en onder pretexte de venir casser des noix.

15 Woonsd.

Was naemiddachs tot Serment en daernae tot Burlamachi.

16 Donderd.

Was naemiddach in de Italiaensche predicatie en daernae tot Calandrin. Speelde schaeck met Annelet en won haer twee mael af.

17 Vrijd.

Was tot Serment.

18 Saterd.

Speelde naemiddach in de Maliebaen met de Graef en Charles en onse twee Hollanders.

19 Sond.

Was tweemael in de kerck (smergens wierdt Mr. Turetini als predicant geïnstalleert) en daernae tot Calandrini.

20 Maend.

Was naemiddach tot Burlamachi en tot Serment en gingh savonts eeten tot Calandrin, daernae den eeten quamen de dames om de noten te kraken. Daer waeren de twee Jen Turetine, Madame de Chasteau vieil, Mademoiselle Lect, al Calandrius dochters, 2 Joffrouwen Fabri etc., en wij dansten tot over middernacht. De Violons waren slecht en de Joffrouwen en kosten niet veel dansen, maer 't geselschap was goet.

21 Dinsd.

Waeren Charles Burlamachi, en Deodati mij besoecken. Was naemiddach niet uijt.

22 Woonsd.

Was den dach van de Escalade die men hier geweldich viert. Naemiddach was op de Treille daer ick vont Calandrin met al zijn volck Mademoiselle Lect, Madame de Chasteau Vieil etc., gingh tot Calandrin. Joffrouw Calandrin seij dat Madame de Chasteau Vieil sooveel gevraeght hadt als waerom ick niet eens uijt en quam.

[p. 151]

23 Donderd.

Was in de Italiaensche predicatie en daer nae met Annelet tot de Jen Turetini, daer wij praeten tot 6 uren toe. Daer was noch een luijtmeester.

24 Vryd.

Was nae de middach tot Serment en sont tot Madame de Chasteau Vieil, maer te vergeefs.

25 Saterd.

Oock tot Serment en te vergeefs tot Madame de Chasteau Vieil.

26 Sond.

Was tot Calandrin en att daer savonts en most er van daen, doordien ick pillen daeghs te voren genomen hadt. Sij vertelden mij dat de Comte Sissel brouillerie had gehadt met Madame de Chasteau Vieil, hij haer op de rock getreden hebbende int danssen en dat Mr. Jan Jaques Favri, haer galant, het voor haer opgenomen hadde.

27 Maend.

Was naemiddach tot Calandrin en nam een lintje van Annelet.

28 Dinsd.

Was tot Mademoiselle Lect en praeten daer den ganschen avont. Int ende quam Mr. Lect oock daerby.

29 Woonsd.

Sont tot Madame de Chasteau Vieil, maer te vergeefs. Gingh tot de Joffrouwen Turetini.

30 Donderd.

Was tot Calandrini.

31 Vryd.

Att savonts tot Calandrini op sijn geboortendagh met all sijn kinderen en kintskinderen. Mrs du Buisson en Lullain waren mij besoecken. Calandrin liet mij een steen sien, dat een graeuwe gemeene straetsteen was en daer stont op gehouden, soodat de letters uijtstaken in breedachtighe Italiaensche letteren, vier versen van Nostra damus, daermede het innemen van Savoyen int jaer 1600 door Henry IV, mede voorsegt werdt, dese steen was in een muur gevonden die men afbrack. Noch haddense in een muur gevonden een geraemte van een mensch, gemetselt in de muur, met een weinich gebroken glasen

[p. 152]

daerby. En het huijs was van te voren soo infaem geweest van spoock, dat het eens voor 600 escus verkocht was.

1)
Oningevuld.


Vorige Volgende

Over dit hoofdstuk/artikel

1 december 1649

2 december 1649

3 december 1649

4 december 1649

5 december 1649

6 december 1649

7 december 1649

8 december 1649

9 december 1649

10 december 1649

11 december 1649

12 december 1649

13 december 1649

14 december 1649

15 december 1649

16 december 1649

17 december 1649

18 december 1649

19 december 1649

20 december 1649

21 december 1649

22 december 1649

23 december 1649

24 december 1649

25 december 1649

26 december 1649

27 december 1649

28 december 1649

29 december 1649

30 december 1649

31 december 1649