1940-1945

 

     Oorlog

Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland het neutrale Nederland binnen. Diezelfde dag begon het ook de oorlog tegen België dat op 28 mei capituleerde. Nederland capituleerde al na 5 dagen, nadat een dag eerder een verwoestend bombardement op Rotterdam de overmacht van de Duitsers had aangetoond. Dolf Verroen beschrijft in het autobiografische jeugdboek Als oorlog echt is de begindagen van de oorlog, wanneer hij vanuit Delft Rotterdam gebombardeerd ziet worden. Het bombardement op Rotterdam zit ook verwerkt in het autobiografische jeugdboek Wie niet weg is wordt gezien van Ida Vos, dat de belevenissen beschrijft van een joods meisje tijdens de oorlog. Zie voor de gevolgen van het Rotterdamse bombardement ook het artikel van Jos Biemans over de belevenissen van de pater franciscaan Bonaventura Kruitwagen, een prominent boekenverzamelaar. Het jeugdboek Chaweriem van Leonard de Vries beschrijft de meidagen van 1940 door de ogen van een tienjarig jongetje in de Amsterdamse volkswijk Kattenburg.

 

     Voorspel

Nederland was niet goed voorbereid op de overrompelende inval van de Duitsers; dat kwam vooral doordat men erop vertrouwde dat de nazi's de neutraliteit van dit land wel zouden respecteren. Maar niet iedereen was zo goedgelovig. Al vroeg in de jaren dertig, na het aan de macht komen van Hitler in 1933, werd er in verschillende kringen gewaarschuwd tegen het bruine gevaar, zoals in het tijdschrift Forum. Met name door Menno ter Braak, in artikelen als ‘Boeken en burgers’, ‘Renaissance van het fatsoen’ , ‘“Das unbewusste Europa”’ (met vervolg), en ‘Het instinct der intellectueelen’. Zie ook de korte geïllustreerde geschiedenis van het katholieke tijdschrift De Gemeenschap door Theo Bijvoet e.a., waaruit duidelijk wordt dat de linkse én rechtse ideologieën in de loop van de jaren dertig steeds meer het leven van Nederlandse intellectuelen gingen beheersen. De dreiging van nazi-Duitsland is ook al merkbaar in de roman Else Böhler van Simon Vestdijk.

 

     Vervolging

Op de dag van de Nederlandse capitulatie, 15 mei 1940, pleegde Menno ter Braak zelfmoord. Het zou zijn faam als geweten van intellectueel Nederland bij tijdgenoten en latere generaties alleen maar versterken (zie hierover de beschouwing van J.J. Oversteegen in zijn studie Vorm of vent). De repressie die de Duitsers in de bezettingsjaren ontketenden lijkt Ter Braak gelijk te geven. De vervolging richtte zich vooral op de joden; in Ondergang van J. Presser wordt de geschiedenis van de jodenvervolging in Nederland in de jaren 1940-1945 uitgebreid beschreven. Onder anderen Anne Frank en Etty Hillesum lieten indrukwekkende documenten na waarin het lot van hun familie en henzelf van dag tot dag beschreven is; ze overleefden beiden het concentratiekamp niet. Anderen keerden wel terug uit het concentratiekamp, zoals Ed. Hoornik die Dachau wist te overleven. Er waren nog meer slachtoffers van Duits geweld onder Nederlandse auteurs: A.M. de Jong werd in 1943 in Blaricum vermoord door de SS, en de verzetsman Johan Brouwer werd eveneens in 1943 gefusilleerd in de duinen van Overveen. Het zijn maar enkele voorbeelden. Vanaf juli 1942 zat een aantal vooraanstaande Nederlanders als gijzelaar gevangen in het kamp Beekvliet te Sint-Michielsgestel, onder wie Anton van Duinkerken en Simon Vestdijk. De laatste schreef er een grote hoeveelheid gedichten die vier jaar na de oorlog onder de titel ‘Gestelsche liederen’ werden uitgegeven.

 

     Verzet

Teksten waren belangrijk voor het verzet; ondergrondse kranten en verzetsliteratuur werden op grote schaal gedrukt en verspreid, onder andere door een verzetsgroep rond drukkerij De Blauwe Schuit van H.N. Werkman - zie voor de geschiedenis en het literaire netwerk van deze drukkerij de beschouwing van G.J Dorleijn e.a., die ook inzicht geeft in het verzet tegen de Kultuurkamer. Zie tevens het artikel ‘Collaboratie en verzet 1949-1945’ van Lisette Lewin in 't Is vol van schatten hier; of het artikel van Martinus Nijhoff over de beroemde, in drie afleveringen verschenen bundel verzetsgedichten Geuzenliedboek 1940-1945.

 

     Verhalen

Sinds het einde van de oorlog is een grote hoeveelheid oorlogsliteratuur verschenen. De dbnl biedt daaruit vooralsnog een bescheiden selectie. Miep Diekmann tekende het verhaal op van Dagmar Hilarová in Ik heb geen naam; Hilarová bracht als kind in het kamp Terezín in Tsjechië. Jan Terlouw schreef over de ontberingen tijdens de hongerwinter het inmiddels talloze malen herdrukte jeugdboek Oorlogswinter. Zie voorts de jeugdboeken De kinderen van het achtste woud van Els Pelgrom, De storm steekt op van Anne de Vries, en Als oorlog echt is van Dolf Verroen.

 

     Terugkijken

Vanaf het moment dat Nederland bevrijd werd begon het herinneren, begrijpen en reconstrueren. Er verscheen ook een bijna onafzienbare hoeveelheid beschouwingen over de rol van literatuur en de (illegale) drukpers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zo opende Martinus Nijhoff in 1951, toen de wonden nog vers waren, een tentoonstelling van verzetsdrukwerk, Gedrukt in verdrukking - een eerste poging om de herinnering zoveel mogelijk te bewaren. In de wetenschap gaat men inmiddels veel verder, getuige Dirk de Geest die in 1996, eveneens in een lezing een voorstel deed om de literatuur in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog te bestuderen tegen de zeer complexe achtergrond van de door het nazisme geïntroduceerde waarden en normen.

 

[RvS, mei 2005]