Ridderverhalen

 

 

     Een tijd van ridders en jonkvrouwen

In de Middelnederlandse literatuur waren ridderverhalen ongekend populair. Het ridderverhaal, ook wel hoofse roman genoemd, ontstond in de twaalfde eeuw in Frankrijk en waaide al snel over naar onze streken. Gedurende enkele eeuwen domineerden deze verhalen over ridders, jonkvrouwen, avontuur en liefde, geschreven in proza of rijm, de Middelnederlandse literatuur. Vanaf de vijftiende eeuw werden veel ridderromans gepopulariseerd en vanaf de zestiende eeuw verdween het genre langzaamaan. De belangrijkste thema's - ridderlijkheid, heroïek en hoofsheid - verdwenen niet en bleven ook in de daaropvolgende eeuwen in de literatuur opduiken.

 

 

     Wat is ridderepiek?

De term ‘ridderepiek’ dekt verschillende ladingen. In het Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek worden verschillende sleutelbegrippen bondig uitgelegd. Zo wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de ridderroman en de ridderpoëzie. De verschillende terugkerende motieven en ridderlijke personages in de Middelnederlandse ridderverhalen laten ook een onderscheid toe tussen bijvoorbeeld Arturromans, Karelromans, hoofse romans of Brits-Keltische romans. De handboeken van Kalff (deel 1), Te Winkel (deel 1) of Knuvelder (deel 1) vertellen meer over de werken die in deze (sub)genres geschreven zijn.

 

 

     Beroemde verhalen

Zoals een aanzienlijk deel van de Middelnederlandse literatuur zijn de meeste ridderverhalen anoniem overgeleverd, zoals Karel ende Elegast en de Historie vanden vier heemskinderen. Van De jeeste van Walewein en het schaakbord en Floris ende Blancefloer is bekend dat ze geschreven zijn door respectievelijk Penninc en Pieter Vostaert en door Diederik van Assenede. Daarnaast was ook Jacob van Maerlant auteur van een aantal ridderverhalen, denk aan Alexanders geesten, de Merlijn of de Historie van Troje (alledrie nog niet beschikbaar in de dbnl). Het grootste deel van de overgeleverde ridderepiek is in Vlaanderen tot stand gekomen, maar ook in Brabant en Holland was het genre populair. Zie voor de geografische spreiding van de middeleeuwse ridderliteratuur een artikel van Van den Berg. Debaene geeft een beschrijving van heel wat van de genoemde ridderverhalen tegen de achtergrond van de prozaroman (ook wel ‘volksboek’ genoemd).

 
Belegering van Jerusalem. - Groningen, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 405, fol. 163ro (Cat. 26). Ontleend aan: J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (1970)

 

 

     Hoofse liefde

Een rode draad in vele ridderverhalen is hoofsheid, een sociale gedragscode die er op gericht is individuen in harmonie te laten samenleven. De meest typerende hoofse code is wel de idealiserende hoofse liefde, maar ook gastvrijheid en de dienstbaarheid aan God en vorst zijn belangrijk. Hoofsheid staat centraal in de hoofse literatuur. Gerritsen bespreekt de achtergronden van dit middeleeuwse culturele verschijnsel en gaat ook in op de veranderingen in de toepassing van het concept ‘hoofsheid’, en op de bestudering van dit begrip door recente onderzoekers.

 

 

 

     In dienst van Karel de Grote

In diverse Middelnederlandse epische ridderverhalen is de hoofdrol toebedeeld aan Karel de Grote. De legendevorming rond de macht en grootsheid van deze koning der Franken en keizer van een groot deel van het huidige West-Europa gaf vanaf de dertiende eeuw aanleiding tot heel wat ridderverhalen, zoals blijkt uit de artikelen van Spijker en Van den Berg en Besamusca. Karel ende Elegast, het Roelantslied (tekst nog niet beschikbaar) en Renout van Montalbaen spreken wellicht het meest tot de verbeelding, maar ook de Aiol (nog niet beschikbaar) en de Roman der Lorreinen spelen zich af rond het hof van Karel de Grote. Deze dertiende-eeuwse Karelromans zijn alle vertalingen of bewerkingen van Franse chansons de geste. Naast de strijd tegen de heidense vijand is een steeds terugkerend thema de feodale verhouding tussen de vorst en zijn leenmannen, en de trouw van de vazal aan zijn leenheer.

Ook in de veertiende eeuw werden nog Karelromans geschreven. Deze tonen naast de kruistochtthematiek en feodaliteit een toenemende aandacht voor avontuur en hoofse liefde. Het genre bleef tot in de zestiende eeuw populair. Op het ontstaan, de context en ontwikkeling van de Karelepiek gaan Van den Berg en Besamusca dieper in.

 

 

 
De dood van Beyaert; houtsnede in de Leidse druk uit 1508 van Jan Seversoen (München, Universitätsbibliothek) Ontleend aan: Irene Spijker, ‘Koning Karel. Edele vorst of halsstarrige dwingeland?’ (1992)

     De ridders van koning Artur

Niet enkel Karel de Grote was in de Middeleeuwen inspiratiebron voor ridderliteratuur. Ook over koning Artur - een mythische Keltische legeraanvoerder die in de zesde eeuw tegen invallende Saksen gestreden zou hebben - en zijn ridders van de Ronde Tafel is heel wat inkt gevloeid. De wortels van de Arturliteratuur liggen eveneens in Frankrijk. Grondlegger was Chrétien de Troyes. Omwille van de Keltische verhaalstof uit Engeland, Ierland, Normandië of Bretagne wordt de Arturroman ook wel Brits-Keltische roman genoemd. Centraal staat de queeste, een zoektocht die door de held van het verhaal tot een goed einde moet worden gebracht. In de Walewein bijvoorbeeld staat deze queeste in het teken van het zwevende schaakbord. Een artikel van Putter behandelt de religieuze achtergrond daarvan. In de Ferguut is de queeste gericht op de jonkvrouw Galiene. Vaak zijn de titelhelden uit de Arturromans geïdealiseerde ronde tafelridders, maar dit is niet altijd zo. Winkelman bespreekt dat in de Walewein de ridder eerst een individuele crisis moet doorstaan, vooraleer hij zijn zoektocht kan starten. Deze aandacht voor het individu en de liefde onderscheiden de Arturroman van de hoofdzakelijk feodale mannenwereld van de Karelroman.

 

 

     Tragische heroïek in de zeventiende eeuw

Hoewel de laatste ridderromans in de vijftiende eeuw worden geschreven, blijven de heroïsche ridderlijke thema's populair. Niet zelden krijgen ze een tragische tint. In de tragedie Gysbreght van Aemstel van Vondel blijkt de titelfiguur tijdens de ondergang van het middeleeuwse Amsterdam naast heldhaftige karaktertrekken ook een aantal tragische tekortkomingen te hebben. Van Stipriaan vertelt hier meer over. Het breken van de hoofse erecode staat ook centraal in de Geeraerdt van Velsen. Hooft bewerkt in dit treurspel het veertiende-eeuwse historielied over Graaf Floris en Gerard van Velsen, over de moord op graaf Floris V.

 
Walewein en het zwevende schaakbord. - Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 195, fol. 120vo (Cat. 9). Ontleend aan: Ik probeer mijn pen... (1979)

 

 

     De historische roman

Middeleeuwse ridderlijkheid en vergeten heldendaden kregen in de negentiende-eeuwse romantiek weer volop de aandacht. In de historische roman werden niet alleen vorsten en edelen maar ook diverse volksfiguren tot heldhaftige ridders verheven. Met de Leeuw van Vlaanderen (nog niet beschikbaar) leerde Hendrik Conscience de Vlaming hoe tijdens de Guldensporenslag de Vlaamse Klauwaards het onoverwinnelijke Franse leger versloegen. Gobbers bestudeert dit historische epos in een ruimer perspectief. In verschillende Vlaamse steden werd in de historische stoet het roemrijke verleden van de eigen Vlaamse of Belgische natie tot leven gebracht. Verschaffel vertelt meer over de chauvinistisch-nationalistische missie van deze optochten. Couttenier gaat meer in het algemeen in op de natievormende idealen van de negentiende-eeuwse Vlaamse of Belgische literatuur.

In de Noord-Nederlandse historische roman gaat de aandacht voornamelijk uit naar de roemrijke Gouden Eeuw. Te Winkel noemt in deel 7 van zijn literatuurgeschiedenis ook De Roos van Dekama. Hierin plaatst Jacob van Lennep de mislukte ridderlijke kruistocht van Graaf Willem IV van Holland tegen de Friezen centraal.

 

 

 

     Ridders in de moderne literatuur

Ook voor twintigste-eeuwse auteurs is de ridderliteratuur nog geregeld bron van inspiratie. In Het zwevende schaakbord bewerkt Couperus de stof rond koning Artur. De tafelridder Gawein krijgt er de opdracht op zoek te gaan naar het zwevende schaakbord, en raakt tijdens zijn zoektocht verwikkeld in een liefdesavontuur. Ook in Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans onderneemt de hoofdfiguur een queeste (beluister het gesprek van Freddy de Vree met de auteur). Op zoek naar bewijsmateriaal voor een wetenschappelijke hypothese onderneemt de geoloog Alfred Issendorf een expeditie vol hindernissen doorheen Noorwegen die hem steeds verder leidt. Tegen de traditie van de Arturroman in loopt de expeditie echter uit op een mislukking.

 

 

     Ridders voor de jeugd

In de jeugdliteratuur wordt eveneens vaak stof uit de ridderwereld van de Middeleeuwen verwerkt. Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckman brengt de kruistochten van de dertiende eeuw opnieuw tot leven. Dolf komt met een tijdmachine in een kinderkruistocht tegen de Turken terecht. Het wordt een tocht vol spannende avonturen. In Kievits Fulco de minstreel wordt de held Fulco na een aantal moedige daden tot ridder geslagen. Ridderschap en heldendaden zijn ook het hoofdthema in De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees van C. de Kinder. P.J. Andriessen tot slot vertelt in zijn historische jeugdroman De schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel over de avonturen van de schildknaap van Gijsbrecht, de heer van Amstelland die door Vondel eerder al onsterfelijk was gemaakt.

 

 

 

 

[Helga Dierckx, februari 2006]