Het sonnet

Sinds het midden van de zestiende eeuw zijn er door Nederlandse dichters duizenden, tienduizenden, misschien wel honderdduizenden sonnetten geschreven. En dat bijna zonder onderbreking. Het sonnet is alleen in de achttiende en een groot deel van de negentiende eeuw wat minder populair geweest, maar maakte vervolgens een glorieuze rentrée met Jacques Perk en de Tachtigers.

 

     Theorie en praktijk van het sonnet

Wat is een sonnet? Het Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek geeft een bondige omschrijving, verwijst door naar verwante begrippen, en behandelt de diverse typen sonnetten en verschillende verstechnieken. Veel uitvoeriger en geestdriftiger is de Tachtiger en sonnettenschrijver Albert Verwey in de eerste jaargang van De Nieuwe Gids (1885) in een programmatisch betoog dat samenvalt met de grote herleving van het sonnet op het einde van de negentiende eeuw. Hoe de theorie zich verhield tot de praktijk kan worden afgelezen aan Verweys sonnetten in de verschillende jaargangen van De Nieuwe Gids (I p. 298, I p.484, II p.304, II, p. 455, enz. (zie het overzicht op de aan Verwey gewijde pagina). De beroemde eerste negen jaargangen van De Nieuwe Gids bevatten verder sonnetten van onder anderen Hélène Swarth, Hein Boeken, Lodewijk van Deyssel, Jacobus van Looy, en uiteraard ook een aantal van de beroemdste sonnetten van Willem Kloos, zoals ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten’ (zie de inhoudsopgaven van de Nieuwe Gids: I, II, III, IV, V , VI, VII, VIII en IX) let daarbij ook op aankondigingen van ‘gedichten’ of ‘verzen’, en zie ook de afzonderlijke uitgave van Kloos' Verzen).

 

     De eerste Nederlandse sonnetten

Maar de eerste bloeitijd van het sonnet lag in de Renaissance. Lucas de Heere schreef waarschijnlijk het eerste Nederlandse sonnet, zo rond 1557, later opgenomen in zijn Hof en boomgaerd der poësien (no.XLII). De Heere stond al snel in de schaduw van jonker Jan van der Noot, die in zijn grote en invloedrijke bundel Het bosken (te verschijnen) strooide met even soepele als geleerde sonnetten.

Een volgend hoogtepunt was de bundel Weerliicke liefden tot Roose-mond van Justus de Harduwijn uit 1613. Onmstreeks deze tijd schreven ook P.C. Hooft (Sonnetten) en G.A. Bredero (Groot lied-boek en zie ook zijn Vertaalde gedichten) hun virtuoze sonnetten. En zij inspireerden vele anderen, onder wie Maria Tesselschade (De gedichten) en Jacobus Revius (Over-Ysselsche sangen en dichten).

 

     Studie van het sonnet

Zie voor de periode dat het sonnet in de Nederlandse literatuur geïntroduceerd werd het artikel van Leonard Foster. De betrokkenheid van de Leidenaar Jan van Hout bij deze literaire vernieuwing wordt uiteenzet in een beschouwing van Johan Koppenol. Zie voor de vermeende biografische strekking van Bredero's amoureuze sonnetten het spraakmakende artikel van A. Keersmaekers. Over een mysterieuze cyclus ‘Sonnetten van de schoonheyt’ uit 1615 handelt een artikel van J.W. Steenbeek. Voor het burleske genre ‘sonnet du coude’ zie een artikel van B. de Ligt, en voor de revival van het sonnet bij de Tachtigers een artikel van Gert de Jager.

De verschillende handboeken geven verspreid veel aandacht aan het sonnet, zoals Jonckbloet (1888-1892) en Te Winkel (1922-1927); deze informatie kan vaak het eenvoudigst achterhaald worden door in de auteursoverzichten bij bekende sonnettendichters naar de beschikbare secundaire literatuur te kijken. Zie ook het handzame overzicht van K. ter Laan in zijn Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid uit 1952.

 

     Belangrijkste Nederlandse sonnettendichters

De dbnl bevat over tal van Nederlandse auteurs allerhande informatie als biografieën, titeloverzichten, secundaire literatuur en portretten:

 

Pioniersperiode (tweede helft 16de eeuw): Lucas de Heere, Jan van der Noot, Carel van Mander, Roemer Visscher

17de eeuw: G.A. Bredero, Justus de Harduwijn, P.C. Hooft, Willem G. van Focquenbroch en vele anderen

18de eeuw: spaarzaam; incidenteel bij dichters als Pieter Langendijk, Hermanus van den Burgh en H.K. Poot

19de eeuw: Herman Gorter, Willem Kloos, Jacques Perk, Henriette Roland Holst, Hélène Swarth, Albert Verwey

eerste helft 20ste eeuw: Willem Elsschot, Prosper van Langendonck,Willem de Mérode, J.A. dèr Mouw, Martinus Nijhoff, J.J. Slauerhoff, Simon Vestdijk, Karel van de Woestijne en vele anderen

tweede helft 20ste eeuw - 21ste eeuw: Hans Andreus, Ida Gerhardt, C.O. Jellema, Gerrit Komrij, Jan Kuijper, Jan Kal, Jean Pierre Rawie en vele anderen.

 

     Sonnetten in de maak

Hoe maak je een sonnet? Jan Kuijper is openhartig over zijn eigen aanpak in een interview met Johan Diepstraten en Sjoerd Kuyper uit 1978. Terwijl Herman de Coninck in 1982 in een gesprek met Willem Roggeman uitlegde hoe het vertalen van sonnetten zijn eigen dichtwerk beïnvloedde.

 

     Klinkende sonnetten

Jean Pierre Rawie droeg op 30 augustus 2002 in het Rijksmuseum te Amsterdam zijn favoriete gedichten uit de Gouden Eeuw voor. Zijn optreden is te beluisteren op onze audio-pagina. Niet toevallig zaten in deze kleine bloemlezing ook vier sonnetten, van Hermanus van den Burgh, P.C. Hooft, Constantijn Huygens en Jacobus Revius.

Op de audiopagina is bovendien het sonnet ‘Een stad’ van Hein Boeken te beluisteren, vertolkt door ‘De Dichters uit Epibreren’ (Bart F.M. Droog en Jan Klug).

 

     Verspreide sonnetten

Overal in de dbnl zitten sonnetten verborgen. Het curieuze Album Joannes Rotarii bevat een aantal van de vroegste Nederlandse sonnetten, zo ook het voorwerk van uitgaven als Karel van Manders Ossenstal en Landt-werck en Bredero's Spaanschen Brabander. Soms zit er zelfs een sonnet ín een toneelstuk verstopt, zoals in P.C. Hoofts treurspel Achilles en Polyxena (vers 1043 e.v.). En er zijn ook veel bundels waarin hier en daar een sonnet opduikt, zoals Karel van de Woestijnes Wiekslag om de kim, of in Luceberts apocrief, dat opent met ‘sonnet’, een van de meest roemruchte sonnetten van de twintigste eeuw.

 

     Recente sonnetten

Dat het schrijven van sonnetten gewoon doorgaat bewijst de rubriek ‘Nieuwe gedichten’ op de startpagina van de dbnl. Zie C.O. Jellema's ‘Ontmoeting met een blaarkop’ (januari 2003), Jacob Groots ‘Tramlijn Begeerte’. En wat te denken van het veertienregelige gedicht van Ed Leeflang, ‘Reclames in een landschap’ (december 2001)?

 

 

[RvS, december 2004]