Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Heimelijkheid der heimelijkheden (1917)

Informatie terzijde

Titelpagina van Heimelijkheid der heimelijkheden
Afbeelding van Heimelijkheid der heimelijkhedenToon afbeelding van titelpagina van Heimelijkheid der heimelijkheden

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (1.53 MB)

Scans (12.79 MB)

ebook (3.07 MB)

XML (0.75 MB)

tekstbestand






Editeur

A.A. Verdenius



Genre

poëzie
non-fictie

Subgenre

proefschrift
traktaat
non-fictie/politiek


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Heimelijkheid der heimelijkheden

(1917)–Jacob van Maerlant–rechtenstatus Auteursrecht onbekend

Vorige Volgende
[pagina 16]
[p. 16]

Hoofdstuk II. Onderzoek naar de Bronnen van het Arabische Werk.

Problemen en meeningen. Wanneer en waar is nu dit werk met zijn veelsoortigen inhoud ontstaan, wie is de maker, welke zijn zijn bronnen? Zijn verschillende afzonderlijke verhandelingen, meer of minder omgewerkt, tot een geheel vereenigd, of was er een oudere kern, waaraan zich in den loop der tijden grootere en kleinere brokstukken hebben gekristalliseerd? Of, derde mogelijkheid, vertoonde het in eersten aanleg reeds de vele ongelijksoortige verhandelingen, die de beide Arabische versies ons hebben doen kennen? Zoo ja, welke van deze beide versies is dan de oudste? Förster meent, gelijk we reeds opmerkten, dat de B-versie in 10 tractaten het naast staat bij het oorspronkelijke Sec. Sec., en Steinschneider schijnt hem bij te vallen; maar Förster grondt zijn meening in hoofdzaak op een vergelijking van de physiognomie in de beide bekende Arabische redacties. Dat de vele onbestudeerde Arabische hss. nog een derde redactie aan het licht kunnen brengen, is niet onmogelijk (vgl. hiervoor, blz. 1, noot 3). Bij een dergelijken stand van zaken blijven we, zelfs bij de behandeling van cardinale vragen, in het rijk der hypothese. Overal heerscht dan ook verschil van meening; alleen op dit punt is er eenstemmigheid: Aristoteles is niet de auteur, deze Aristoteles is te zeer nieuw-platonisch, nieuw-pythagorisch getint om nu nog voor echt te worden versleten. Waar de voorrede op dit voorname punt fabelt, is natuurlijk voor de verdere opgaven voorzichtigheid geboden. Valentin Rose geloofde nog aan een Byzantijnschen oorsprong,Ga naar voetnoot1) in den jongsten tijd Gaster eveneens, Steinschneider aarzelt,Ga naar voetnoot2) Förster en verschillende anderen met hem (W. Hertz o.a.) verwerpen niet alleen de Grieksche origine,Ga naar voetnoot3) maar bijna alles, wat omtrent de geschiedenis van het boek in het proöemium en den proloog van Jahja gezegd wordt. Wel zijn Grieksche bronnen gebruikt, meent Förster: hij bewijst in zijn Commentatio, dat de physiognomie teruggaat

[pagina 17]
[p. 17]

op een verkortende, waarschijnlijk Arabische, samenflansing van twee Grieksche geschriften, nl. een pseudo-aristotelische physiognomie en een physiognomisch werkje van Polemon (Comm., blz. 1-20). De auteur of compilator van het Sec. Sec. zal echter geen Griek, maar een Arabier geweest zijn.Ga naar voetnoot1) De vertaling over een tusschentaal (zie blz. 7 hiervoor) is ‘verdacht’, evenals ook het vinden in een grot of tempel dikwijls een kenmerk is van pseudepigraphische geschriften.Ga naar voetnoot2)

Zoo zal de voorrede op tal van punten onbetrouwbaar zijn en rijst de vraag of Jahja, die zich den vertaler noemt, misschien zelf de auteur is. Ook dat lijkt Förster onmogelijk, vooral op grond van de positie, die Jahja in de Arabische literatuur en aan 't Arabische hof inneemt, een positie, die het plegen van een dergelijk grof literair bedrog onaannemelijk doet schijnen. De conclusie, waartoe Förster komt is deze, dat de maker van het Sec. Sec. met één en dezelfde koene vervalsching Aristoteles, Alexander en Jahja heeft samengekoppeld. Waarom juist Jahja? Omdat deze, een Syrisch Christen, vrijgelatene en dienaar van kalief Mamoen (813-833) bekend stond als uitstekend vertaler,

[pagina 18]
[p. 18]

ook van Aristotelische geschriften.Ga naar voetnoot1) Onder kalief Mamoen, een groot beminnaar van Grieksche wetenschap en wijsbegeerte, neemt het vertalen van Grieksche geschriften, dat reeds in de 8ste eeuw begonnen was, een groote vlucht. Tal van medische, natuurwetenschappelijke en philosophische werken zijn in de 9de eeuw in 't Arabisch vertaald, deels uit oudere of nieuwere Syrische bewerkingen, deels onmiddellijk uit het Grieksch. Men kende verder in Arabië Aristoteles als den wijzen vizier, die met zijn mondelingen en schriftelijken raad Alexander ın al zijn ondernemingen bijstond (vgl. het proöemium: ‘multas morales epistulas composuit’ enz., blz. 7 hiervoor). Brieven van hem aan Alexander, ook over de regeerkunst, waren den Arabieren bekend. Förster noemt (Comm., blz. 23) zoo'n geschrift: π∊ρὶ βασιλείας i.e. ὅπως δεῖ βασιλεύειν.Ga naar voetnoot2) Wie nu de falsaris is geweest, die op zoo'n handige wijze van dit alles partij heeft weten te trekken, alleen het toeval kan misschien eens zijn naam aan het licht brengen.

Een onderzoek naar den tijd van vervaardiging en de gebruikte bronnen levert meer kans op succes, hoewel zoo'n onderzoek in dit stadium niet alleen bemoeilijkt wordt door het ontbreken van een critische Arabische uitgave, maar ook door het bestaan van die talrijke brieven van Aristoteles aan Alexander, waarover ik zoo even reeds sprak. Meermalen wordt in de Arabische literatuur een dergelijke epistola genoemd of aangehaald, zonder dat met zekerheid valt uit te maken, of het Sec. Sec. dan wel een andere brief bedoeld is.Ga naar voetnoot3) Steinschneider en Knust meenen, dat reeds Honein ibn Ishâq (809-873) in zijn ‘Sententiis’ het Sec. Sec. gebruikt heeft, terwijl de eerste in de Theologie van Aristoteles, een neo-platonisch werk uit het begin der 9de eeuw, de rangorde der emanaties in het Sec. Sec. (zie blz. 13) meent

[pagina 19]
[p. 19]

terug te vindenGa naar voetnoot1) In verband daarmee acht hij het auteurschap van Jahja, wiens werkzaamheid in de eerste jaren der 9de eeuw valt, niet onmogelijk. Förster maakt hiertegenover front: hij bestrijdt, dat deze plaatsen (en nog andere) bekendheid met en invloed van 't Sec. Sec. zouden kunnen bewijzen, en tracht aannemelijk te maken, dat het eerste stellige bewijs van het bestaan van ons geschrift wordt geleverd door de gedeeltelijke Latijnsche vertaling van Johannes Hispalensis (waarschijnlijk ± 1130).Ga naar voetnoot2) Vinden we de eerste sporen van een boek, dat zooveel opgang heeft gemaakt, zoo vele jaren na Jahja, dan valt daaruit natuurlijk een sterk argument te halen tegen zijn auteurschap.

In de voorgaande bladzijden heb ik in 't kort het belangrijkste, wat over het Arabische werk geschreven is, vermeld en de verschillende meeningen tegenover elkaar gezet. Een stelselmatig onderzoek naar de bronnen van 't Sec. Sec. is tot dusver nog niet ingesteld,Ga naar voetnoot3) en toch biedt juist een dergelijk onderzoek de kans niet alleen over het karakter van 't geschrift meer licht te krijgen, maar ook de oplossing van de bovengenoemde problemen nader te komen. Zoo leert een oppervlakkige vergelijking reeds, dat Förster tegenover Steinschneider stellig ongelijk heeft, waar hij verwantschap tusschen Sec. Sec. en de verhandelingen der zoogenaamde Trouwe Broeders ontkent (Comm., blz. 24). Dat echter de Trouwe Broeders uit het Sec. Sec. geput hebben, zooals Steinschneider wil, is, zooals we nader zullen zien, niet vol te houden. Al kan ik de talrijke vraagpunten niet alle tot oplossing brengen, toch meen ik, dat het hier volgende onderzoek naar de bronnen, ons een stap nader tot die oplossing brengt. Ik begin met de behandeling van eenige autoriteiten, die onze compilator zelf bij name aanhaalt.

Hermes, Plato, Hippocrates.

Hermes. Het is opvallend, welk een voorname rol Hermes speelt in het Sec. Sec.; herhaalde malen wordt hij, met de meest vereerende epitheta, genoemdGa naar voetnoot4) en aangehaald: volgens de A-versie zou het boek gevonden zijn bij een altaar, dat Hermes zich gesticht had (vgl. blz. 7, noot 3); reeds in het eerste caput vinden we een aanhaling uit Hermes'

[pagina 20]
[p. 20]

geschriften (fol. 8), en verder worden in verschillende tractatenGa naar voetnoot1) zijn uitspraken en zijn wijsheid verheerlijkt in dezelfde mate als dat in vele neoplatonische geschriften geschiedt.Ga naar voetnoot2) Eenmaal wordt een der oude Hermetische geschriften met name genoemd: fol. 12r. (cap. de nimio risu vitando) heet het: ‘nam scriptum est in libro esculapiorum (var. esclabiorum) quod ille rex est laudabilis et amandus qui assimilatur aquile dominanti inter aves: non ille qui assimilatur uni avium subiectarum.’ Hier zou het boek Asklèpios bedoeld kunnen zijn. Ter vergelijking gebruikte ik Louis Ménard, Hermès Trismégiste, Traduction complète précédée d'une étude sur l'origine des livres hermétiques (IIième édition, Paris 1867), en vond, wel niet in het boek Asklèpios, maar in het ‘livre sacré’ ϰόρη ϰόσμου (la vierge du monde) een passage, die eenige overeenkomst vertoont met het bovenaangehaalde, vooral wanneer men let op 't verband, waarin beide passages voorkomen.Ga naar voetnoot3)

Nog een plaats uit het Sec. Sec. meen ik terug te vinden in deze Hermetische boeken: cap. 15 de malis que sequuntur ex homicido iniusto (fol. 13v.) haalt Hermes als volgt aan: ‘Cave igitur quantum potes fundere sanguinem humanum. quia doctor egregius Hermogenes scripsit dicens quod quando creatura interficit creaturam sibi similem: omnes virtutes celorum clamant ad divinam majestatem: dicentes domine domine servus tuus vult esse similis tibi’ enz. In het boek ϰόρη ϰόσμου (Ménard, blz. 195-198) zijn het de elementen, die voor God klagen over de misdaden, moord en doodslag der menschen.Ga naar voetnoot4)

Dat de schrijver van het Sec. Sec. op de een of andere wijze met den inhoud dezer oude religieus-philosophische geschriften, die op naam van Hermes gaan, bekend was, komt mij op grond van het bovenstaande zeer waarschijnlijk voor; meerdere directe bewijsplaatsen vond ik niet;

[pagina 21]
[p. 21]

wel valt in beide werken op de verheerlijking van de justitia (fol. 41v. Sec. Sec.: ‘in iustitia extiterunt celi et constituti sunt super terram’ enz.), de apothéose van het koningschap (fol. 41-42),Ga naar voetnoot1) en ook de voorliefde voor getalspelerijen, waarover straks nader.

Ook met de alchemistische literatuur, op naam van Hermes staande, schijnt onze schrijver vertrouwd te zijn geweest. We vinden in cap. 58, hiervoor op blz. 12 besproken, Hermes in overeenstemming met de oude traditieGa naar voetnoot2) als vader der alchemie; hij, die ‘triplex’ is ‘in philosophia’, heeft met helderzienden blik de kunst van goudmaken ontdekt en neergelegd in een korte verhandeling, die in het Sec. Sec. geen naam draagt, maar van elders bekend is als de Tabula smaragdina, ‘die vielberufene Tabula Smaragdina, welcher von den Alchemisten des Mittelalters und bis in das vorige Jahrhundert so grosse Wichtigkeit beigelegt wurde’ (Kopp, Beitr., blz. 375). Volgens Kopp verscheen ze het eerst in druk te Neurenberg in 1541, als Hermes Trismegisti Tabula smaragdina, in ejus manibus in sepulcro reperta, cum commentatione Hortulani, in Volumen tractatuum scriptorum rariorum de alchymia. Uit die mededeeling blijkt, dat Kopp onkundig was van het voorkomen der Tabula in het Sec. Sec.;Ga naar voetnoot3) trouwens geen der onderzoekers heeft haar, voor zoover ik weet, hier tot dusver gesignaleerd, waarschijnlijk omdat ze hier niet onder dien naam voorkomt, maar alleen ingeleid wordt als prophetische uitspraak van Hermes. Merkwaardigheidshalve laat ik daarom dit korte - maar duistere - begrip der alchemie, zooals de Parijsche druk van 1520 het geeft, in een noot volgen.Ga naar voetnoot4)

[pagina 22]
[p. 22]

Nadere conclusies met betrekking tot den tijd van ontstaan van het Sec. Sec. zijn op grond van deze plaats - voorloopig althans - niet te trekken. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, is tot dusver niets zekers omtrent plaats van herkomst en ouderdom van de Tabula bekend. Onder de sprookjesachtige verhalen die Kopp (Beitr., blz. 377-378; Die Alchemie II, blz. 359-360) meedeelt over de vindplaats, trof mij dat, waarin verteld wordt, dat Alexander op een zijner tochten het graf van Hermes vond en daarin dit geschrift, op een ‘tafel’ van smaragd; waarschijnlijk is dus reeds vroeg de naam van Alexander met deze Tabula in verband gebracht. De auteur van den commentaar Hortulanus (zie hiervoor) wordt, maar zonder zeker bewijs, in de rode of 11de eeuw geplaatst; vast staat alleen, dat in de 13de eeuw de Tabula in 't Westen reeds in hoog aanzien stond.Ga naar voetnoot1) Een oudere versie dan de Latijnsche was, zoover ik weet, tot dusver niet bekend (Kopp, Alchemie I, blz. 218); hier vinden we de Tabula in een Arabisch werk, dat, zooals we nader zullen zien, lang voor de 13de eeuw moet zijn gemaakt.

Nog op een plaats wensch ik de aandacht te vestigen, waar Hermes genoemd wordt in een derde qualiteit, namelijk als arts. De inleidende lofspraak op de achtdeelige medicijn, de medicina inextimabilis, blz. 11 genoemd, eindigt aldus: (fol. 30v.) ‘quidam confirmant siquidem quod enoch novit hoc secretum’ (nl. de vervaardiging dezer medicijn), ‘per divisionem: volunt etiam dicere quod iste enoch fuit magnus hermogenes quem greci multum comendant et laudant. et attribuunt sibi omnem sapientiam secretam et celestem.’ Dat Henoch en Hermes worden vereenzelvigd, komt meer voor in de Arabische literatuur; als bewijsplaats haal ik een passage aan uit de werken der Trouwe Broeders, over welker invloed op het Sec. Sec. aanstonds nader. In hun derde tractaat, over de astronomie, zeggen ze: ‘Von Hermes dem dreifachen in der Weisheit, (trismegistos) und dies ist der Prophet IdrisGa naar voetnoot2) wird berichtet, er sei zur Sphäre des Saturn aufgestiegen und sei mit ihm dreissig Jahre umgeschwungen, bis er alle Zustände des Himmels als Zeuge schaute, dann sei er herabgestiegen und hätte den Menschen die Astronomie verkündet’ (Zum Beleg hierfür wird die Koranstelle 19, 58 angeführt: Wir erhoben ihn (den Idris) auf eine hohe Stelle).Ga naar voetnoot3) Over die ten-hemel-stijging van Hermes spreken ook de Ssabiërs meer-

[pagina 23]
[p. 23]

malen: ‘sie vollzieht sich in einer Säule von Licht’ (Poimandres, blz. 171, noot 3). Waarschijnlijk wordt hiermee verklaard het verhaal omtrent Aristoteles' dood, in het proöemium van het Sec. Sec. vermeld, nl. dat hij ten hemel zou zijn gestegen in columna quasi ignis (zie blz. 6). Een hemelvaart van Aristoteles is mij uit geen andere bron bekend; voor de hand ligt te vermoeden, dat de schrijver van de lofspraak op Aristoteles hem niet beter heeft weten te verheerlijken, dan op dezen over te dragen, wat hem van Hermes bekend was.

Het is zeer wel mogelijk, dat het Sec. Sec., direct of indirect, nog op meer plaatsen verband houdt met Hermetische literatuur; in het vervolg van ons onderzoek zullen we zien, dat de compilator een ijverig gebruik heeft gemaakt van de werken der Trouwe Broeders, die zelf, zooals vooral den laatsten tijd is aangetoond, veel aan het Hermetisme te danken hebben. Al vermag ik niet ten volle aan te toonen, hoe groot de invloed van dat Hermetisme op ons geschrift is geweest, dat die invloed zich duidelijk laat bespeuren, meen ik te hebben bewezen.

Plato wordt eenmaal genoemd in het Sec. Sec., nl. in cap. 22, waar doctor noster Plato, evenals in de neo-platonische Theologie van Aristoteles,Ga naar voetnoot1) wordt voorgesteld als de man die, vooropstellende dat alles is gemaakt probabiti de causa et certissima ratione, langs dien weg is gekomen tot de kennis de ideis et rebus formatis.Ga naar voetnoot2)

Hippocrates. Van de autoriteiten, in 't medisch-hygiënische gedeelte genoemd (vgl. blz. 11 hiervoor), voor 't meerendeel met zeer verminkte namen, vermeld ik alleen Hippocrates. Cap. 24 (fol. 17v.) geeft zijn bekend aphorisme: comedo ut vivam: non vivo ut comedam.

Het Giftmeisje.

Aan de bekende geschiedenis van het giftmeisje (cap. 21, fol. 15v.) heeft Wilhelm Hertz een belangwekkende studie gewijd, die Sage vom Giftmädchen, waaruit ik hier in 't kort laat volgen, wat voor ons van belang is. Het innemen van gif in langzaam grooter wordende doses als middel om zich daartegen immuun te maken, was in de oudheid vrij algemeen bekend; het tot zich nemen van vergift met het doel om aanvallender wijs op te treden en anderen te verderven, is ontsproten aan de phantasie der Indiërs (blz. 48).Ga naar voetnoot3) Een meisje, op die wijze als 't ware doortrokken met gif, heet višakanyâ. In de Indische literatuur spelen ze meermalen een rol,Ga naar voetnoot4) maar vaststaande historische

[pagina 24]
[p. 24]

‘Belege’ voor de practische toepassing van deze gedachte ontbreken. Reeds in 't begin der 10de eeuw valt de overgang van deze zuiver literaire idee naar de Arabische letterkunde te constateeren. Rhazes († 932) en Avicenna († 1057) maken melding van giftmeisjes, de eerste in 't algemeen, zonder op een bepaald voorgekomen geval te doelen. Hij zegt: ‘Wenn die Aethiopen (statt “Inder”) Fürsten ermorden wollen, ernähren sie Mädchen mit Gift, so dass alle Kräuter, welche diese berühren, verdorren, ihr Speichel Hühner und andere Tiere tötet und die Mücken vor ihnen fliehen’ (Hertz, blz. 58).Ga naar voetnoot1) Bij Avicenna vinden we een bijna even vage mededeeling, die misschien voor een deel op Rhazes teruggaat (blz. 59). Door wie, wanneer en op welke wijze deze giftmeisje-sage nu in verband is gebracht met Aristoteles en Alexander, is volgens Hertz niet met zekerheid te zeggen.Ga naar voetnoot2) In elk geval komt ze in dit verband, voor zoover bekend, het eerst voor in het Sec. Sec. Dat de schrijver van dit werk Rhazes en Avicenna gekend heeft, is, zooals straks zal blijken, zeer waarschijnlijk.Ga naar voetnoot3)

Het Tractaat over de Steenen.

De verhandeling over de steenen, wonder- en geneeskrachtige steenen, toont op verschillende plaatsen duidelijke verwantschap met een ouden pseudo-aristotelischen Lapidarius. Deze verwantschap werd opgemerkt door Valentin Rose. In een artikel Aristoteles, de lapidibus und Arnoldus Saxo (Zeitschrift für deutsches Allertum, Band XVIII, blz. 321 vlg.), bespreekt hij een steenboek, op naam van Aristoteles staande, dat echter volgens hem, Byzantijnsch van oorsprong, in de 7de eeuw is ontstaan. Dit geschrift, dat de grondslag voor de geheele Arabische mineralogic is geworden en o.a. grootendeels in de tractaten der Trouwe Broeders is verwerkt, ‘is door den auteur van het Sec. Sec. waarschijnlijk gebruikt en misschien geciteerd’ (blz. 329). Een Grieksch origineel is evenmin gevonden als de Syrische vertaling,

[pagina 25]
[p. 25]

waarnaar Luka ben SerapionGa naar voetnoot1) een Arabische versie vervaardigde. Julius Ruska, die deze Arabische vertaling heeft uitgegeven,Ga naar voetnoot2) meent dat de inhoud naar Perzië en Indië wijst, en de oorsprong niet is te zoeken in Byzantium, maar in een milieu van Syrisch-Perzische medici. De auteur zal geweest zijn ‘ein mit griechischen wie mit persischen Quellen und Traditionen vertrauter Syrer im Zeitalter der Uebersetzungen vor der Mitte des IX. Jahrhunderts,’ misschien Honein ibn Ishâq, die het boek ten minste gekend heeft (blz. 45-46). Volgens den proloog is het een uittreksel uit een grooter steenboek, waarin Aristoteles 700 steenen beschrijft. Misschien juist door die mededeeling is het werk reeds vroeg aan allerlei wijzigingen en aanvullingen overgeleverd, zoodat de verschillende bekende versiesGa naar voetnoot3) van dit pretium atque gaudium philosophiae sterk uiteenloopen. Waar bovendien niet alleen de Trouwe Broeders, maar o.a. ook verschillende Arabische medici meer of minder groote gedeelten van dit boek overnemen, zou alleen een omvangrijke studie misschien kunnen uitmaken, welke versie de maker van het Sec. Sec. gebruikt heeft; dat hij er een gekend moet hebben, blijkt uit de parallellen bij Rose, aan welke ik een paar kan toevoegen. Hier volge eerst een inhoudsopgave van het tractaat uit het Sec. Sec.:Ga naar voetnoot4)

(fol. 36r., cap. 58) Op de aankondiging, dat hier kort over de eigenschappen en krachten van sommige kruiden (sic!) zal worden gehandeld, volgt een verwijzing naar een uitgebreider werk over steenen, kruiden en planten (misschien het boek met de 700 steenen?). Voor den vorst en zijn aanzien zijn steenen van onschatbare waarde, maar ook voor den geneesheer: planten zoowel als steenen bezitten een wonderbaarlijke, goddelijke kracht, ‘sed humano gencri est occulta.’ Na nogmaals te hebben verwezen naar het uitvoeriger boek de lapidibus et plantis, opent de schrijver zijn verhandeling over de steenen met den reeds genoemden lapidem animalem vegetabilem (blz. 12), den steen der wijzen. Deze beschouwing, waarin hier en daar de gebruikelijke allegorische terminologie der oude alchemistische werken valt te herkennen,Ga naar voetnoot5) wordt onderbroken door de beschrijving van een amulet, waarop dan

[pagina 26]
[p. 26]

de reeds besproken tabula smaragdina volgt. Hierna komen de wondersteenen aan de beurt: eerst iste lapis, qui pugnat cum aquis et ventis, dan twee steenen met magische kracht, eveneens zonder naam,Ga naar voetnoot1) vervolgens de lapis bazar, de lapis margarite, zamrad, alchahat, amatistes.

De vijf laatste worden op overeenkomstige wijze in het Pretium behandeld, zooals Rose opmerkte.Ga naar voetnoot2) Ook de eerste drie, door de behandeling van het vergift Bis hiervan gescheiden, misschien in verband met de omstandigheid, dat deze drie reeds van ouds tot de talrijke tooversteenen behooren, die met de Alexandergeschiedenis verband houden, gaan op die bron terug. Daar ik deze overeenkomst noch bij Rose noch bij Ruska vermeld vond, geef ik hier een vergelijking van de betreffende plaatsen, waardoor de lezer tevens een beeld krijgt van den inhoud van dezen lapidarius.

Arist., de lap. Sec. Sec., fol. 370.
(Codex van Luik) Ruska, blz. 207.  
Expositio lapidis qui vocatur Elselsis. iste lapis est levis et fragilis corporis. Qui tangit eum videri potest ei quod ventus eum frangere posset. assimilatur lapidi qui vocatur elphysior quando mare inflatum est. et unde quasi montes fugientes ante ventum currunt. Tune surgit lapis iste cum vento. Qui huius lapidis pondus X granorum ordei portaverit ad brachium ligatum vincet omnes inimicos suos in bello. Et de mirabilibus huius mundi est iste lapis: qui pugnat cum aquis et ventis: vides eum assurgere super aquas quando currunt aque cum ventis et nascitur in mari mediterraneo: cuius proprietas est hec: si accipis hunc lapidem et posueris eum in alio lapide et tecum portaveris non est possibile quod aliquis exercitus possit durare contra te vel tibi resistere sed fugiet precipitanter coram te.Ga naar voetnoot3)

[pagina 27]
[p. 27]

Codex van Luik. Sec. Sec., fol. 37v.
Ruska, p. 204: Nunc nominabimus quendam lapidem quem laudare volumus. Iste lapis levis est supernatans aque de nocte separatur a fundo aque ad superficiem eius i. super faciem aque apparet de nocte. Et quando sol incipit oriri lapis immergitur in aquam ne tangatur a sole descendens ad fundum deductus nunc dextrorsum nunc sinistrorsum undis et vento donec in fundo perveniens in aliquo loco terre quiescat. Et quando sol iterum incipit declinari et lapis incipit elevari paulatim. sic ut post solis occasum supra aquam appareat. Si quis acceperit ex hoc lapide tres dragmas et collis equorum suspendat non poterunt hinnire quam diu ad collum habuerint lapidem suspensum. Idem quoque accidit de aliis bestiis. Nam quecunque lapidem ad collum suum suspensum habuerit non poterit vociferare vel mugire quam diu eum ita tulerit. Alexander precepit hominibus sui exercitus quod animalibus suis adaptarent hos lapides ut dictum est ut animalibus non facientibus tumultum clamoris non haberet alexander impedimentum donec esset supra inimicos suos nutu dei.Ga naar voetnoot1) Sunt ctiam duo lapides preciosi mirabilis virtutis qui inveniuntur in locis tenebrosis. quarum unus est albus et alter rubeus: et reperiuntur in aquis salmaticis. eorum operationes sunt hee. Albus incipit aparere super aquas in occasu solis: et permanet super faciem aquarum usque ad medietatem noctis. et incipit descendere deorsum et in ortu solis pervenit usque ad fundum. lapis vero rubeus contrarium operatur: quia incipit apparere ab ortu solis usque ad horam meridianam et incipit occidere usque ad occasum solis. Horum lapidum proprietates sunt hee. Si suspenderis de lapide rubeo pondus dragme in uno equo tui exercitus equi exercitus tui non cessabunt inire donec auferas ipsum lapidem. Et operatio lapidis albi est per contrarium. quia nunquam iniret donec eum tollas. valent ergo multum ad insidias exercendas et ad opus exercitus.

Zoo gaat dus de verhandeling over de 8 steenen direct of indirect grootendeels op het pseudo-arist. Pretium terug. Die over de planten, van gelijksoortigen inhoud, zal misschien uit een dergelijk werk stammen.Ga naar voetnoot2) Ook hier vinden we weer een inleiding, waarover aanstonds nader.

De Encyclopaedie der Trouwe Broeders.

Hiervoor (blz. 19) werd er reeds terloops op gewezen, dat Steinschneider verwantschap aanneemt tusschen ons boek en de geschriften der Trouwe Broeders: het caput de ortu anime zullen ze volgens hem bijna woordelijk uit het Sec. Sec. hebben overgenomen (Hebr. Uebers., blz. 257), het verhaal van den Jood en den Magiër komt in beide voor; de mineralogie der Trouwe Broeders gaat op dezelfde bron

[pagina 28]
[p. 28]

terug als het steenboek uit het Sec. Sec.,Ga naar voetnoot1) reden genoeg dus om een nauwkeurige vergelijking in te stellen. Die vergelijking werd mij mogelijk, doordat het grootste deel van de werken der Trouwe Broeders door Fr. Dieterici in het Duitsch is vertaald. We vinden hier een voorname, zoo niet de voornaamste bron voor het Sec. Sec.; daarom schijnt het me wenschelijk aan de resultaten van mijn onderzoek een korte beschouwing over de Trouwe Broeders en hun werken te laten voorafgaan.

De Trouwe BroedersGa naar voetnoot2) van Basra, een religieus-philosophische vereeniging, ontstaan in de 2de helft der 10de eeuw, hebben zich, uitgaande van Basra, geleidelijk over het geheele gebied van den Islam verspreid. Hun wereldbeschouwing, berustend op de emanatieleer van Plotinus, is evenals hun geheele wetenschappelijke systeem opgebouwd met behulp van neo-pythagorische getallen-symboliek:Ga naar voetnoot3) Negen is het getal der eenheden - een rij van negen vormen de Godheid en hare verschillende emanaties. Aldus stellen zij de trapsgewijze ontwikkeling van het Eene, het hoogste Zijn, tot de veelvormige wereld voor: 1. God; 2. de scheppende geest (νοῦς); 3. de lijdende geest (de wereldziel); 4. de eerste materie; 5. de natuur, een kracht der alziel; 6. de tweede materie; 7. de wereld der hemelsche spheren; 8. de elementen; 9. de producten (mineraal, dier, plant). Uit het Eene, het grondprincipe, stroomt trapsgewijze de bonte, samengestelde wereld, welke veelheid weer terugstroomt tot dat oerprincipe. ‘Denn die Allwelt ist wie ein sich drehendes Rad. Es taucht nieder zur Tiefe um wieder aufzusteigen

[pagina 29]
[p. 29]

zur Höhe.’Ga naar voetnoot1) Vol verlangen streeft de ‘deelziel’ hier op het ondermaansche naar hereeniging met de wereldziel. Hun geheele wetenschappelijk en philosophisch systeem hebben de Trouwe Broeders neergelegd in een Encyclopaedie, uit 4 hoofddeelen, 51 verhandelingen bestaande. Formeel volgen ze daarin gaarne de peripatetische philosophie, maar nieuw-platonisch is hun kosmogonie;Ga naar voetnoot2) in 't algemeen laat zich hun werk karakteriseeren als een eklektisch gnosticisme op natuurphilosophischen grondslag, met politieken achtergrond (De Boer, a.w., blz. 78). Hun astronomie en astrologie berust op Ptolomaeus, hun anthropologie op Galenus, veel halen ze uit de logische en physische geschriften van Aristoteles; over de rechtstreeks door hen gebruikte bronnen is echter nog betrekkelijk weinig bekend. Van hun werken zijn door Fr. Dieterici de eerste veertig verhandelingen in het Duitsch uitgegeven.Ga naar voetnoot3) Het vierde deel hunner encyclopaedie, de laatste elf tractaten, loopt uit op een voor hun streven karakteristiek occultisme, de inleiding tot een esoterische leer voor de ingewijden (Goldziher, blz. 310).

Hoewel ik bij mijn vergelijking aan den eenen kant aangewezen was op een Duitsche, aan den anderen kant op een Latijnsche vertaling, bleek me duidelijk, dat op vele plaatsen de overeenkomst tusschen Sec. Sec. en deze geschriften zoo groot is, dat men genoodzaakt is te denken aan letterlijk afschrijven.Ga naar voetnoot4) Als bewijs van dat directe verband geef ik hier eerst naast elkaar de inleiding tot Tractaat IV (de consiliariis, vgl. blz. 13) uit het Sec. Sec. en Wellseele, blz. 15-17 (uit Abh. 32):

De éxitu rerum in esse et ordine. Die Anfänge der Körperwelt und ihre Stufenfolge.
Sec. Sec., fol. 43r. Welts., blz. 15.
Scias quod illud primum quod formavit altissimus gloriosus est substantia simplex spiritualis in fine perfectionis et complementi et bonitatis in qua est forma omnium rerum: et nominatur intelligentia: et deinde de illa substantia exivit alia substantia minor in gradu suo que vocatur anima universalis et progressa est ex illa anima alia substantia que voeatur hyle ante Das erste Ding welches der Schöpfer hervorbrachte und in's Sein rief, war eine einfache, geistige, höchst vollendete, vollkommene, vortreffliche Substanz, in welcher die Formen aller Dinge enthalten waren. Sie heisst Vernunft. Von dieser Substanz ergoss sich eine andere, die in der Stufenfolge unter ihr steht und Allseele heisst. Aus der Allseele floss eine andere Substanz aus,

[pagina 30]
[p. 30]

commensurationem que attenditur in longitudine: latitudine et profunditate: in qua factum est corpus simpliciter. Corpus ante figuram nobilissimam que superat omnes figuras et est anterior comparative et antiquior .... die unter ihr steht und Urstoff heisst. Diese ward zum absoluten Körper, d.i. die zweite Materie, da sie Länge, Breite und Tiefe annahm ....
De motu et situ celorum.
Et novem sunt celi unum infra aliud infra se invicem prior ergo et superior spherarum est sphera circundans deum ipsum sphera syderum. Secunda postquam iam sphera est saturnis sic usque ad spheram lune infra quam est sphera elementorum quatuor que sunt ignis: aer: aqua: et terra. Ergo terra est medium elementorum et est depressior substantia inter corpora et spissior substantia rationabiliter et postquam ordinate fuerunt iste sphere quedam in quibusdam in se ipsis sicut dictum est iuxta sapientiam et dispositionem simplicis gloriosissimi et dispositione mirabili et pulchritudine ordinatissima et mote sunt phere (sic) circulariter (p. 43 verso) in suis partibus et planetis super elementa quatuor et vicissitudinantur super dies: et nox: estas: et hyems: estus: et frigus. Commixta etiam sunt quedam cum quibusdam et comparatum est rarum cum denso et ponderosum cum eo quod est leve et calidum cum frigido et humidum cum sicco. et tunc composita sunt ex eis longitudine temporum universe species compositorum corporum que sunt originalia vel semina sive minera et vegetabilia et animalia. sunt ergo originalia composita quicquid congelatur in visceribus terre et in profundis marium et in concavitatibus montium et fumositatibus inclusis et ex vaporibus ascendentibus et ex humiditatibus congelatis et in concavitatibus cavernarum in quibus aer terreus magis dominatur. sicut aurum argentum et ferrum plumbum et lapides margarite corrallus tutia vitrum alumen. et his similia que videntur et cognoscuntur. Animal vero est omne genus quod movetur et sentit et transit de loco ad locum per seipsum et ereitas in eo dominatur magis. vegetabilis vero compositio nobilior est minerali animal vero nobilius est in compositione quam sit vegetabile. homo vero nobilior est
Es sind neun Sphären, die eine davon immer über der andern (Dem Mittelpunkt zu die nächste d.i. die unterste ist die Mondsphäre) die entfernteste davon und die obersteist die Umgebungssphäre (auch die tragende geheissen) ... Dann folgt die Sphäre der Fixsterne, darunter die des Saturn, dann die ... Mercur, unter welcher die des Mondes ist. Unter der Mondsphäre sind die vier Elemente Feuer, Luft, Wasser, Erde. Die Erde bildet den (Kern) Mittelpunkt des Ganzen, sie ist in Hinsicht der Substanz die dichteste, an Körpermasse die dickste.
Da sich diese Sphären, die eine im Innern der andern, so wie es der Schöpfer in seiner Weisheit wollte, in guter Reihenfolge und schöner Ordnung darstellen; da die Sphären mit ihren Sternburgen und Sternen sich um die vier Elemente schwangen; auch sich Tag und Nacht, Winter und Sommer, Hitze und Kälte über denselben folgten und dadurch das eine derselben sich mit dem andern vermischte, das Zarte mit dem Dichten, das Leichte mit dem Schweren, das Heisse mit dem Kalten, das Feuchte mit dem Trocknen sich vermengte, so fügten sich aus den Elementen in der Länge der Zeit die verschiedenen Zusammensetzungen Mineral, Pflanze und Thier. Mineral ist alles, was sich im Innern der Erde, auf dem Grunde der Meere und in den Höhlen der Berge aus aufgelösten Dünsten, aufsteigendem Rauch und aus den in diesen zurückgehaltenen Feuchtigkeiten und Luftarten sich verdichtet. Die Erdtheile sind darin überwiegend.
Pflanze ist alles, was auf der Oberfläche der Erde sprosst, Gewächs, Gras, Kraut, Gemüse, Korn, Baum. In ihr sind die Wassertheile überwiegend. Thier ist jeder Körper der sich bewegt, sinnlich wahrnimmt und mit seiner ganzen Masse von einem Orte zum anderen übergeht. In ihm sind die Lufttheile überwiegend.

[pagina 31]
[p. 31]

in comparatione animalium universorum et igneitas magis in eo dominatur. Et convenerunt in eius compositionem omnia et universe res que reperiuntur in viventibus et simplicibus et compositis. Quoniam homo est ex corpore denso et commensurato et anima simplici spirituali substantia. te ergo oportet si tu es sciens super scientias et virtutes entium existentium quod tu incipias imprimis a cognitione tue anime que propinquior est tibi ceteris aliis demum post hac habere scientiam aliarum rerum. Das Mineral ist von erhabenerer Fügung als alle Thiere und sind die Feuerbestandtheile in ihm vorherrschend, so dass in der Zusammenfügung des Menschen der Sinn alles Seienden, alles Einfachen und Zusammengesetzten, dessen wir vorher gedachten, vereinigt ist. Dies darum, weil der Mensch aus einem dichten, leiblichen Körper und einer feinen geistigen Seele zusammengefügt ist.
Deshalb nennen die Weisen den Menschen eine kleine Welt und die Welt einen groszen Menschen.
...... Somit müssen denn auch wir, wenn wir die Erkenntniss vom eigentlichen Werth der Dinge in's Auge fassen wollen, zuerst mit der Erkenntniss unserer selbst beginnen, da eine solche uns zunächst liegt. Darauf mögen wir uns mit der Erkenntniss der anderen Dinge beschäftigen.

Aan dit kort begrip van de emanatieleer der Trouwe Broeders, ingeleid door hun Abh. 31 (Zahl und Ding) en breedvoerig ontwikkeld in Abh. 33 (Makrokosmos) sluit zich aan een caput over die Allseele (Abh. 32, Weltseele, blz. 17-23), waarvan het Sec. Sec., fol. 44r. (cap. 63 de ortu anime) de inleiding en het slot bevat. Fol. 44v.-45v. (cap. 64-68 de formatione hominis en de zintuigen) zijn te vinden in de Anthropologie, blz. 53-56 (vgl. ook blz. 2, 26-27, 30-32, 35-42).Ga naar voetnoot1) Voor 't gehoor valt ook Propaedeutik (blz. 104) te vergelijken.

De verheerlijking van het vijftal, die op de behandeling der vijf zintuigen volgt (fol. 45v.), geeft Weltseele, blz. 2-3, (vgl. ook blz. 172):

[pagina 32]
[p. 32]

Sec. Sec., fol. 45v.Weltseele, Abh. 31.
perfectio ergo cuilibet rei est in quinque rebus. planete ergo super quas circulariter moventur sphere sunt quinque et genera animalium sunt quinque scilicet hoc (lees homo) volatile: aquatile gressibile et quod ser pit super ventrem et quinque sunt sine quibus non proficit aliqua planta que nascitur ex terra nisi concurrant et conveniant in ea et sunt stipes rami folia fructus et radices. Et quinque sunt toni musicales ... et quinque sunt dies nobilissimi de universis diebus anni in ultima parte maij.Ga naar voetnoot1). Die Dinge, welche als Fünf bestehen, sind die fünf Irrsterne ... Der Naturkörper giebt es ebenfalls fünf ... Der Gattungen in der Creatur sind fünf: Mensch, Flieger, Schwimmer, Läufer auf vier oder mehr Beinen, Kriecher. Fünf Sinne .... Fünf Theile hat die Pflauze: Wurzel, Stamm, Zweig, Blatt, Frucht. Fünf Hauptfiguren erwähnt Euklid ... Der Hauptverhältnisse in der Musik giebt es ebenfalls fünf ... Fünf Hauptpropheten (Noah, Abraham Mose, Jesu, Muhammed) .... Fünf Wochentage werden nach der Zahl benannt .... Auch sind fünf Tage von der Gesammtzahl der Tage des persischen Jahres weggenommen (die 5 Schalttage) vgl. Welts. 172.: Auch giebt es fünf erhabene Tage im Jahr.

Sec. Sec., fol. 47v. verkondigt op dergelijke wijze de uitnemendheid van 3 en 7.Ga naar voetnoot2) De Trouwe Broeders zijn in hun getallenliefde nog minder exclusief. Karakteristiek voor hun (compileerend) streven is deze uiting, na een uitvoerige lofzang op de acht (Propaedeutik, blz. 131): ‘Es giebt freilich viele Dinge als zweifache, dreifache, vierfache, 5, 6, 7, 8, 9, 10fache und so fort. Doch wollten wir mit der Hervorhebung der Acht aus der Sorglosigkeit erwecken und darthun, dass die, welche für die Sieben und deren Vorzug auftraten, doch nur theilweis und nicht allgemein Recht hätten. Dasselbe gilt von denen, welche die Zwei besonders hervorheben und für die Christen, welche die Drei geltend machen, dann von den Vertretern der Naturwissenschaft, die für die Vier auftreten. Von den Khurramiten, welche für die Fünf und den Indern und den Kajjaliten, welche für die Neun auftreten.’ - ‘Dagegen haben die Lauteren Brüder eine allgemeine Betrachtung und umfassen die Gesammtkenntniss.’ Ondanks die verzekering evenwel is hun bijzondere voorliefde voor de 4 niet te miskennen.Ga naar voetnoot3) Het is hier de plaats te doen uitkomen, dat ook in het Sec. Sec. ondanks de verheerlijking van 3, 5 en 7, het viertal een overwegende rol speelt. Ongetwijfeld hebben we hier een kenmerkende eigenaardigheid van het werk, die tevens als bewijs mag gelden voor het ‘einheitliche’ karakter er van. Cap. I begint met Reges sunt quatuor; vier eigenschappen dient een vorst te bezitten om gehoorzaamd te worden (cap. 12.

[pagina 33]
[p. 33]

in quibus consistit obedientia domini), de koningsvergelijkingen zijn vier in getal, in de gezondheidsleer spelen natuurlijk de 4 elementen en de 4 ‘humeuren’ hun rol; verder worden in verband daarmee medische voorschriften gegeven voor de 4 jaargetijden; aan het menschelijk lichaam zijn 4 ‘leden principale’; het bad dient 4 gebouwen te hebben; in het Tractaat over de strategie ontvangt Alexander den raad zijn leger in 4 afdeelingen te splitsen met 4 bevelhebbers; wil hij er meer, dan neme hij tien: ‘quoniam x quatuor sunt perfecta, quoniam in quaternario est unum duo tres et quatuor. Si ergo hec colligis: faciunt decem.’ - Na de 4 treedt de 8 (2 × 4) op den voorgrond: de hiervoor genoemde medicina inextimabilis bestaat uit 8 recepten, die door 8 wijzen zijn gemaakt, de ringspreuk bevat 8 afdeelingen, misschien is het aantal der wondersteenen 8 ook niet toevallig. En in dit verband doet zich bij mij de vraag op, of ondanks Steinschneider en Förster niet een versie in 8 tractaten als oorspronkelijk moet worden aangenomen, zooals de encyclopaedie der Trouwe Broeders uit 4 afdeelingen bestaat. -

Na deze uitweiding over de getallensymboliek in de beide werken zetten we onze vergelijking voort. Reeds is gebleken, dat fol. 43r.-45v. bijna woordelijk overeenkomt met passages uit verschillende Tractaten der Trouwe Broeders. Een dergelijke, dus vrijwel letterlijke, overeenkomst bestaat:

1o. tusschen 't slot van cap. 22 in Sec. Sec. (fol. 16v.) en Prop., Abh. 3, blz. 46;Ga naar voetnoot1)

2o. tusschen de natuurschildering bij de 4 jaargetijden, Sec. Sec. fol. 21r.-23r. en Prop., Abh. 3, blz. 57-59 (Weltseele, Abh: 35, blz. 62-63 komt hiermee overeen). Als voorbeeld volge hier de herfst:

De Autumno Eintritt des Herbstes.
(Sec. Sec., fol. 22r.). (Propaedeutik 58, vgl. Wellseele 63).
Autumnus tunc incipit quando sol intrat primum gradum libre et continet nonaginta unam diem et horam cum dimidia: hoc est a decima septembris usque ad decimam decembris: in hoc tempore adequantur dies et noctes secundem vicem nox crescit et tollit de die: aer frigescit: venti inflantur septentrionales: mutantur: tempora decrescunt flumina: diminauntur fontes: marcescunt: viridaria deficiunt fructus: facies terre sua caret pulchritudine: volatilia querunt calidas regiones: animalia suas appetunt cavernas: serpentia foveas ubi colligunt victum per hyemem. et mundus comparatur femine plene etatis indigenti vestibus quasi ut recesserit ab ea iuventus et festium senectus. Kommt die Sonne zum Ende der Aehre und zum Anfang der Wage, so ist zum zweiten Mal Tag und Nacht gleich, es beginnt die Nacht zuzunehmen über den Tag, der Sommer wendet sich fort und es beginnt der Herbst. Die Luft wird kalt, es weht der Nordwind, das Klima verändert sich, die Flüsse werden trocken, die Quellen versiegen, die Baumblätter werden gelb, die Früchte werden gepflückt. Man tritt die Tennen und sammelt das Korn, das Grün verschwindet, das Antlitz der Erde ist staubig und die Thiere werden mager, das Gewürm verkriecht sich, die Vögel und das Wild wenden sich wärmeren Strichen zu, die Menschen sammeln Speisen für den Winter, die Welt gleicht einer Alternden, von der sich die Tage der Jugend abwandten.

[pagina 34]
[p. 34]

3o. tusschen den mensch als microcosmos en de diervergelijkingen (vgl. blz. 14 hiervoor, Sec. Sec., fol. 49r. en v.), en Anthropologie, Abh. 25, Der Mikrokosmos (blz. 59, ook blz. 41).

Deze diervergelijkingen zijn bij de Trouwe Broeders 32 in getal; in de door mij gebruikte Latijnsche vertaling van het Sec. Sec. vond ik er 29, de Middelnederlandsche Heimelijkheid der Heimelijkheden heeft 22. Zij zullen oorspronkelijk steeds paarsgewijze tegenstellingen hebben gevormd zóó, dat naast elke deugd een ondeugd wordt geplaatst; bij de Trouwe Broeders blijft die regelmaat duidelijk te herkennen, aanvankelijk ook in het Latijn en het Middelnederlandsch. Misschien is de lezing in Arabische hss. nog onbedorven, het Latijn vertoont al spoedig onregelmatigheden en fouten,Ga naar voetnoot1) die natuurlijk in het Middelnederlandsch overgenomen en vermeerderd zijn. Steinschneider wees Hebr. Bibl. XIII, blz. 14, reeds op deze overeenkomst. Een dergelijke uitwerking van de microcosmos-idee wordt gevonden bij Djahitz († 869), een van de meest gevierde vertegenwoordigers van het Motazilitisme, dus reeds lang voor de Trouwe Broeders. In zijn ‘dierenboek’ vertelt hij, dat alle eigenschappen, die in de dierenwereld verspreid zijn, in den mensch vereenigd worden aangetroffen en geeft als bewijs een soortgelijke opsomming als we bij de Trouwe Broeders en in het Sec. Sec. vinden.Ga naar voetnoot2)

Zonder eenigen overgang volgt op deze diervergelijkingen:

4o. het verhaal van den Jood en den Magiër (Sec. Sec., fol. 49v.-50r.), letterlijk overeenkomend met Logik und Physchologie, Abh. 9, über die verschiedenen Charaktere, blz. 113-116.Ga naar voetnoot3)

Geen woordelijke overeenkomst maar toch een zeer duidelijk verband bestaat verder tusschen Sec. Sec., fol. 16r. (cap. 22, vgl. de Mnl. vert.,

[pagina 35]
[p. 35]

vs. 799 vlg.) en Mensch und Tier (blz. 180-182, vgl. ook Prop., blz. 84). Het Sec. Sec. roert hier het probleem der voorbeschikking aan, in verband met de waarde van astrologische voorspellingen. Ziehier hoe onze schrijver transigeert met de leer der absolute voorbeschikking, een leer, die in den Koran niet consequent is doorgevoerd,Ga naar voetnoot1) die onder Mohammed's volgelingen reeds spoedig aanleiding gaf tot veel dispuut en redetwist en die onze auteur op dezelfde wijze weet te verzachten als de Trouwe Broeders:

Sec. Sec., fol. 16r. Mensch und Tier, blz. 180-181 (Vgl. ook Prop. 84).
sunt et alii non min us stulti qui dieunt deum cuncta previdisse et ordinasse ab eterno unde dicunt non prodest futura prenoscere: ex quo debent necessario evenire. Quid igitur valet scientia stellarum .......... confert ergo multum ventura prescire quia melius declinantur et quia possunt homines quando futura prenoscunt destinatorem excelsum tantum precibus implorare quod per suam potentiam futura mala ab eis avertet et aliter ordinabit. non enim predestinavit quod sue potentie in aliquo derogetur. possunt siquidem homines divinam clementiam deprecari orationibus precibus devotionibus ieiunijs sacrificijs elemosinis et multis aliis bonis. - Hierbij sluit de verdeeling van de sterrenkunde, zooeven genoemd, aan. Was nutzt die Wahrsagung aus ... den Sternen ...., wenn man dadurch die Schickung doch nicht von sich fern halten oder abwehren kann? .... ja, man kann so etwas von sich fern halten und sich davor hüten .... mit dem Anruf um Hülfe zu dem Herrn der Sterne .... durch die Verrichtung dessen was das Göttliche Gesetz und die Propheten als den rechten Weg bestimmen. Dergleichen ist Weinen, Demüthigung, Fasten, Gebet, freiwilliges Opfern und Spenden ... dann das an Gott gerichtete Flehen um Abwehr und Abwendung des Geschicks nach seinem Willen, oder dasz er ihnen hierin Heil und Wohl verleihe.Ga naar voetnoot2)

Overeenkomst valt verder op te merken tusschen:

1o. Sec. Sec., fol. 34, de inleidende beschouwingen tot het Tractaat over de steenen (materie en vorm) en Naturanschauung, Abh. 14, die voor een deel ook handelt over ‘Materie’ en ‘Form’ (vgl. ook Abh. 19, blz. 142-143).

2o. Sec. Sec., fol. 40r. (de inleiding tot de vegetabilibus) en Naturanschauung (Abh. 20, Botanik, o.a. blz. 170).Ga naar voetnoot3)

3o. Sec. Sec., fol. 12v.-13r. (de similitudine regis, vgl. blz. 8 hier-

[pagina 36]
[p. 36]

voor) en Weltseele, Abh. 35 (blz. 65); denzelfden gedachtengang vindt men ook Mensch und Thier, blz. 92.Ga naar voetnoot1)

4o. Sec. Sec., fol. 25v. (de custodia caloris naturalis) en Weltseele, Abh. 37 (blz. 91).

In de derde plaats bespreek ik die plaatsen uit het Sec. Sec., die wel geen woordelijke overeenkomst of nauw verband toonen met passages uit het werk der Tr. Br., maar toch genoeg punten van vergelijking aanbieden, om relatie aannemelijk te maken.

Een dergelijke plaats is het hoofdstuk over de gezanten (cap. 73, fol. 51r.), dat zich laat vergelijken met Mensch und Thier, blz. 53, Wie ein Gesandter sein musz.Ga naar voetnoot2) Verder bevatten Boek I en II, de ethica van het Sec. Sec., enkele passages, die overeenkomst vertoonen met Logik, Abh. 8, blz. 102-173 (over de Phsychologie, waarin ook het verhaal van den Jood en den Magiër). In beide treffen we aan een genealogie van deugden en ondeugden, wel niet zoo systematisch en uitgewerkt, als die in Middeleeuwsche Christelijke Zondenspiegels worden gevonden, maar toch op soortgelijke wijze samengesteld. Een soort van systeem in de behandeling der ondeugden, een onderscheiding van hoofd- en bijzonden, schijnt, voor de Christelijke Kerk ten minste, het eerst te zijn gemaakt door Evagrius Ponticus († 399).Ga naar voetnoot3) De eerste schrijvers op dit gebied schijnen aan Egyptische traditiën vast te knoopen.Ga naar voetnoot4) Bij de Oostersche wijze van behandeling (Evagrius) wordt de gulzigheid als uitgangspunt genomen, in het Westen wordt Superbia de algemeene hoofdwortel voor de andere zonden: hoogmoed is de speciale zonde van den duivel. De Tr. Br. staan hier aan den kant van de Westersche behandelingswijze. Logik, blz. 147 (Lobens- und tadelnswerthe Charakterzüge) onderscheiden ze drie kapitale ondeugden: a. der Hochmuth des Iblis (Teufel); b. die Gier (Adams); c. der Neid Kabils (Kains). ‘Diese drei sind gleichsam die Mütter der Widerspenstigkeit, die Wurzel der Uebel und von ihnen gehen, wie ähnliche Schwestern, sich verzweigende Aeste aus.’ Ik wijs nu op de overeenkomst tusschen:

Sec. Sec., fol. 9r., cap. 2 enLogik, blz. 148.
invidia generat mendacium, quod estradix reprobabilium et materiavitiorum:Ga naar voetnoot5) mendacium generat detractionem, de- Dem Neid verwandt sind Hass, heimliche Scheelsucht, Feindschaft, Verfolgung, Zorn, Uebertretung, Hart-

[pagina 37]
[p. 37]

tractio autem generat odium ... etc. tot bellum: bellum vero dissoluit leges et destruit civitates. herzigkeit ..... Schändlichkeit. Dies wird dann Mittelursach zum Zank und offnen und heimlichen Kampf, auch Lüge und Heuchelei, und dies wird dann der Grund die Gemeinschaften zu zerreissen ....

Op dezelfde wijze behandelt cap. 3 de voluptas, terwijl cap. 1 de gierigheid (avaritia) en mildheid (largitas) tegenover elkaar stelt. We zien dus, dat Tractaat I geheel gewijd is aan die deugden en ondeugden, welke in alle moraliseerende werken een voorname plaats innemen. Dat het Sec. Sec. begint met een lange verhandeling over mildheid en gierigheid, is wellicht niet zonder reden. Immers reeds bij verschillende oude schrijvers, bij Plutarchus o.a., wordt Alexander's mildheid geroemd; den auteur van het Sec. Sec. moet die karaktertrek bekend zijn geweest,Ga naar voetnoot1) in dat licht beschouwd is het niet meer dan natuurlijk, dat die deugd, die in de meeste vorstenspiegels den koning als eerste en voornaamste wordt aangeprezen, hier de eereplaats inneemt.Ga naar voetnoot2) - Een vorstenspiegel geven de Tr. Br. in hun Abh. 30 (Anthropologie, blz. 219), ook hier is verband met het Sec. Sec. niet uitgesloten.Ga naar voetnoot3) In hun verhandeling over de Psychologie (no. 8) verwijzen ze naar tractaten, die mij niet toegankelijk zijn, o.a. naar Abh. 49, 50, 51. 49. Die Regierungsweisen, sowie die Stufen, und Beschaffenheit der Regierten. Gott ist der Regierer des Alls, der weiseste Regent steht Gott am nächsten (vgl. het caput de justitia?) 50. Die Welt besteht in der Ordnung des Vorhandenen und Reihenfolge des Seienden. Das Ende knüpft sich wieder an den Anfang; der Weltlauf ist wie ein Rad. 51. Bezauberungen und Liebestränke, böser Blick, Amulette, Talismane.Ga naar voetnoot4) Opvallend is, dat beide werken, Sec. Sec. en Encyclopaedie der Tr. Br., eindigen met, uitloopen op occultisme: het slottractaat, Tractaat X (B) van het Sec. Sec. wordt in een Arab. hs. betiteld: over geheime wetenschappen en talismans (vgl. Steinschneider, Jb. XII, blz. 374). Wellicht vertoonen de laatste verhan-

[pagina 38]
[p. 38]

delingen der Tr. Br. nog meer punten van aanraking met het Sec. Sec. Wil men de parallel tusschen beide geschriften verder doorgetrokken zien, dan kan gewezen worden op een zekere gelijkheid in stijl en voorstellingswijze; het compilatorische, het dikwijls in herhaling vallen, het verwijzen naar vroeger geschreven tractaten valt den lezer in beide op. En dan ten slotte het onderscheiden van een exoterische en een esoterische leer (vgl. hiervoor de prologen) met al het opzettelijk geheimzinnige en raadselachtige daaraan verbonden en - daarmee misschien in verband - de groote rol, die het Hermetisme in beide geschriften speelt; dit alles wijst op een nauwere relatie, die echter buiten mijn gezichtskring valt.Ga naar voetnoot1)

Een directe gemeenschappelijke bron, een werk dus, waaruit zoowel de Tr. Br. als de auteur van het Sec. Sec. al de boven besproken passages letterlijk zouden hebben overgenomen, kan natuurlijk niet worden aangenomen; wel dient te worden nagegaan, of Steinschneider's meening, dat de Tr. Br. uit het Sec. Sec. hebben geput, houdbaar is. Had hij al de door ons genoemde parallellen gekend, dan zou hij waarschijnlijk zijn oorspronkelijke meening hebben laten varen (vgl. blz. 34 hiervoor, noot 3). Bijna al die letterlijk overeenkomende plaatsen staan in de werken der Tr. Br. als onderdeelen van een organisch geheel, in nauwen samenhang met voorafgaande en volgende bespiegelingen (vgl. bijv. de exitu rerum in esse et ordine en volgende capita); ze resumeeren soms, wat te voren breedvoerig is ontwikkeld (de microcosmos-idee bijv.). Dat nu uit een zoo weinig systematisch werk als het Sec. Sec. is, door de Tr. Br. eenige fragmenten, die in zich zelf reeds de sporen dragen van tot een grooter geheel te behooren, zouden zijn overgenomen, letterlijk en - juist passend in hun geheele philosophische systeem - daar geplaatst, waar ze in logisch verband staan met voorafgaande en volgende beschouwingen, is een onmogelijke veronderstelling. Het geheele karakter der beide geschriften dwingt er toe een omgekeerde verhouding aan te nemen: De auteur van het Sec. Sec. zal hier en daar uit de werken der Tr. Br. genomen hebben, wat hem dienstig scheen. Op verschillende plaatsen stelt hij zich tevree met letterlijke overname, dikwijls zonder zich veel om 't verband te bekommeren (Jood en Magiër),Ga naar voetnoot2) op andere maakt hij, wat hij bij de Tr. Br. vond, min of meer pasklaar voor zijn werk. Alles wat hij overneemt, sluit zich in geest en strekking geheel aan bij den overigen inhoud van het werk. Dat dit alles latere toevoegsels zouden

[pagina 39]
[p. 39]

zijn, en een Arabische redactie zou kunnen worden gevonden, waarin niets uit het werk der Tr. Br. voorkomt, lijkt mij onmogelijk. Men mag als vrij zeker aannemen, dat de auteur (compilator) van het Sec. Sec. als hoofdbron voor zijn werk de verhandelingen der Tr. Br. heeft gebruikt. Dit resultaat van ons onderzoek levert een gewichtig argument voor Förster's meening, dat het Sec. Sec. veel later moel worden gesteld dan Jahja.

De Gezondheidsleer in het Sec. Sec.

Ik ga nu over tot het tractaat, dat in de Latijnsche vertaling van Philippus bijna een derde deel van 't geheele werk inneemt,Ga naar voetnoot1) nl. het Regimen Sanitatis. Een onderzoek naar de bronnen hiervan levert natuurlijk voor den leek op medisch gebied tal van eigenaardige moeilijkheden op: het zal mij dan ook genoeg zijn, wanneer door de nadere beschouwing eenige nieuwe aanwijzingen gewonnen worden voor den tijd en het milieu, waarin het Sec. Sec. ontstaan is.

Deze gezondheidsleer berust evenals de physiologische en psychologische beschouwingen der Trouwe Broeders op Galenus, die gezaghebbend is voor de geheele Arabische geneeskunde. Vandaar dat ook op dit gebied, al is er geen direct verband aan te wijzen, nu en dan een zekere overeenkomst tusschen het werk der Trouwe Broeders en ons geschrift valt te bespeuren. In beide wordt doorgevoerd de idee van de correspondentie tusschen macro- en microcosmos, zooals we die ook reeds vroeger leerden kennen (zie o.a. blz. 34): Aan de 4 elementen beantwoorden in het menschelijk lichaam de 4 grondsappen (humeuren): bloed, gele gal, zwarte gal, slijm; het bloed (sanguis) is het warmvochtige, de gele gal (cholera) het warm-droge, de zwarte gal (melancholia) het koud-droge en het slijm (flegma) het koud-natte. Van de normale menging, het evenwicht dier sappen, hangt de gezondheid af; verkeerde menging, het abnormale overwegen van een der humeuren, beteekent ziekte. Het product der menging, de evenwichtstoestand, die in een bepaald lichaam heerscht, heet temperament.Ga naar voetnoot2) De onderlinge verhouding

[pagina 40]
[p. 40]

dier 4 sappen ondergaat invloed van buiten: de ervaring leert bijv., dat in de lente, het warm-vochtige seizoen (vgl. H.d.H., vs. 1083), het bloed, het warm-vochtige humeur overweegt, en zoo zal in den zomer, het warm-droge jaargetij, licht een te veel aan gele gal ontstaan, in den herfst (koud en droog) overheerscht de zwarte gal, in den winter, het koud-natte seizoen, het slijm (verkoudheid!). De vier elementair-qualiteiten warm-koud en nat-droog vormen aldus den band tusschen grondsappen en jaargetijden en daarmee is de correspondentie tusschen microen macrocosmos in systeem gebracht, een systeem, dat als grondslag heeft het ‘viertal’ der Grieksche natuurphilosofen (Empedocles).

Aldus laat zich dit alles in diagram brengen:

illustratie

Op dit systeem nu zijn pathologie en therapie gebouwd. Fondamenten voor de therapie zijn:

1.uitdrijven der materia peccans door purgeeren, aderlaten e. d;
2.bestrijding der ziekte door tegengestelde middelen: contraria contrariis, dus koude door warmte enz.Ga naar voetnoot2)

Geheel in overeenstemming met dit Galeensche systeem zijn de hygiënisch-diëtetische voorschriften, die in het Sec. Sec. worden gegeven (vgl. H.d.H., vs. 955-968). Vooral in verband met de jaargetijden,
Ga naar voetnoot1)

[pagina 41]
[p. 41]

de buitenatmosfeer, wordt het contraria contrariis toegepast; zoo heet het H.d.H., vs. 1153-1155:

 
Herfst es droghe ende coud;
 
So eist tijt dat men spise houd
 
Warem ende wacke, als tkiekin ende tlam.

Ditzelfde systeem vinden we, meer of minder uitgewerkt, in tal van Middeleeuwsche compilatiewerken, die veelal hun medische wijsheid direct of indirect uit Avicenna putten, wiens Kanon, eenige eeuwen lang het wetboek der geneeskunde, in hoofdzaak het Galenisme tot in bijzonderheden doorvoert.

Zoo komen de hygiënische en medische beschouwingen in het Liber de proprietatibus rerum van Bartholomeus Anglicus in vele opzichten overeen met ons Regimen Sanitatis; ook de Sidrach en de Placides en Timeo laten er zich uitstekend mee vergelijken; deze beide laatste geven zelfs evenals het Sec. Sec. een speciale gezondheidsleer voor de vier jaargetijden (zie Langlois, blz. 237, 309 vgl. en vgl. beneden).

Volkomen begrijpelijk in een systeem, dat geheel op 't viertal berust, is ook de onderscheiding van vier hoofddeelen aan 't menschelijk lichaam, vier ‘leden principale’ (vgl. H.d.H., vs. 1269); we vinden die ook weer niet alleen in het Sec. Sec.: de Trouwe Broeders, de Salernitaansche school, ook Placides en Timeo o.a. kennen een dergelijke verdeeling. Deze hoofdleden beantwoorden aan de 4 organische krachten, waarvan de virtus motiva et sensibilis zetelt in de hersenen, de virtus vitalis et vegetativa in 't hart, de virtus nutritiva et augmentativa in de lever, de virtus propagativa et generativa in de voortplantingsorganen.Ga naar voetnoot1)

De 4 leden, die in den Parijschen druk worden genoemd, zijn hoofd, borst, oogen en testiculi. De oogen passen hier natuurlijk niet; toch vond ik ze in al de door mij geraadpleegde drukken en hss. (voor zoover ze deze 4 capita niet geheel of gedeeltelijk missen). Ook in het Arabisch, in sommige hss. ten minste komt dit hst. vermoedelijk reeds voor. R. SteeleGa naar voetnoot2) maakt evenwel melding van Latijnsche versies, die in plaats daarvan een caput over den buik geven. Dat zal oorspronkelijker zijn.Ga naar voetnoot3) Het bleek mij, dat het cap. de oculis is samengeflanst uit eenige capita van Avicenna's Kanon, nl. uit Boek III, Fen. 3, Tract. I, cap. 2, 4 en 5.

Sec. Sec., fol. 24r. Avicenna, Kanon III, 3, 1, 5.
Oculi sunt tertia pars corporis. Oportet autem ipsum qui laborat in conservando sanitatem oculorum ut tueatur eos a pulvere et fumo aeribus egredientibus Oportet in primis ut ille qui laborat in conservando sanitatem oculi tueatur eum a pilvere, et fumo, et aeribus egredientibus ab aequalitate in caliditate

[pagina 42]
[p. 42]

ab equalitate scilicet in caliditate frigiditate et a ventis malis non assiduet: intueri rem unam a qua non avertatur /nec inspiciat multum res instabiles et vitet multitudinem fletus /et multitudinem coitus / et nimiam multitudinem repletionis potus et cibi / et precipue potuum et ciborum vaporem grossum ad caput emittentium sicut porrorum / caulium / cervisie / fabarum et huius modi. nec dormiat super repletionem. Res autem que conferunt oculis sunt species scilicet echie et aque sive sucus feniculi verbene / rose / celidonie: rute submersio oculorum in aqua clara: et aperiri oculos in ea et exaspicere eam.Ga naar voetnoot1) et frigiditate et a ventis turbinosis pulverulentis frigidis et excessive calidis et non assidnet tueri rem unam a qua nou avertat. Et ex eis a quibus oportet ut vere custodiatur est multitudo fletus. Et oportet ut minoretur aspectus in literis vel lineis subtibilibus ....... Et scias quod multiplicatio coitus est nocibilior res oculo. Et similiter multiplicatio ebrietatis et repletionis cibi et etiam somnus super repletionem et omnes cibi et potus grossi et omnia vaporem emittentia ad caput et de summa eorum est omne quod habet acuitatem, sicut porrum et handachocha(?) .....
Res autem quarum usus confert oculo ... sicut tutiae nutritae cum aqua sansuci (= sampsuchi marjolein?) et aqua foeniculi .... et sicut scies in loco suo. Ex eis autem quae abstergunt oculum et acuunt ipsum est submergi in aqua clara et aperire oculum in ipsa.

 Avicenna III, 3, 1, 2.
  (De cognitione dispositionum oculi).
Signa causarum dispositionis oculis convenientis cognoscuntur ex octo canonibus. Ex tactu: ex venis eius / ex figura / ex operationibus propriis colore: qualitate ab eis passionibus que ab eo exeunt: et a rebus exterioribus occurrentibus secundum callidum et frigidum ex venis quidem etc. ... ex figura quidem etc.
Verder is weinig overeenkomst te ontdekken.
Cognitio illius est ex tactu eius et ex motu eius et ex venis eius et ex figura ipsius et ex colore eius et ex quantitate ipsius et ex operationibus suis propriis et ex dispositionibus eius quod currit ab eo et dispositionibus passionum eius Cognitio autem illius ex tactu eius est quoniam invenit eum tactus calidum aut frigidum, aut durum siccum, aut lenem bumidum. Sed cognitio illius ex motu eius est ......
Illius vero cognitio ex venis eius est etc.
Ex colore quoniam color significat humorem dominantem scilicet rubeus sanguinem / citrinus coleram / albus flegma / plumbeus melancoliam. Cognitio vero illius ex colore ipsius est, quoniam color significat humorem dominantem proportionalem / rubeus et citrinus et plumbeus et fuscus.

[pagina 43]
[p. 43]

 Avicenna III, 3, 1, 4.
Curatio autem quarumlibet istarum fit per exhibitionem contrarii egritudinis. Curae oculi sunt oppositae aegritudinibus oculi.

Of de auteur van het Sec. Sec. Avicenna heeft gekend, dient nader onderzocht; deze plaats heeft op grond van wat hiervoor is meegedeeld, geen bewijskracht. De bron voor de vier hoofddeelen des lichaams, de oudste bron althans, is een andere, die aanstonds besproken wordt; het caput over den buik zal later plaats hebben moeten maken voor één over de oogen, wat begrijpelijk is bij een volk, waar de oogheelkunde zoo in het teeken der belangstelling stond. Een nadere vergelijking met Avicenna's Kanon leerde mij wel, dat op meerdere plaatsen overeenkomst is met medische capita uit het Sec. Sec;Ga naar voetnoot1) toch is het geraden, vooral voor den leek natuurlijk, niet te spoedig tot rechtstreeksche ontleening te concludeeren, daar het werk van Avicenna ook met dat van vele andere Arabische artsen in tal van opzichten meer of minder nauw samenhangt, niet alleen hierdoor, dat ze allen hoofdzakelijk bewerkingen van Galenus (en Hippocrates) leveren, maar vooral ook, omdat ze er geen bezwaar in zien heele stukken letterlijk van elkaar over te nemen.Ga naar voetnoot2) Bladerend in Rhazes, Avicenna, Johannitius (Honein ibn Ishâq) vond ik herhaaldelijk meerdere of mindere overeenkomst met capita uit ons Reg. San. Enkele van de meest frappante parallellen zullen aanstonds worden meegedeeld; deze conclusie mag, dunkt me, veilig worden getrokken, dat de medische wijsheid in het Sec. Sec. grootendeels zoo niet geheel uit Arabische bronnen is samengegaard. Een middellijk bewijs voor die meening wordt nog geleverd door het feit, dat men een ander Middeleeuwsch medisch werk, nl. het Régime du Corps van Aldebrandino de Siena,Ga naar voetnoot3) waarvan nu tot in bijzonderheden is aangetoond, dat het uit Arabische geneeskundige werken is opgebouwd, voor een vrije bewerking van het Sec. Sec. heeft kunnen houden.Ga naar voetnoot4)

Nog een andere gezondheidsleer uit de Middeleeuwen is in verband gebracht met ons werk, nl. het bekende Regimen Sanitatis Salerni, dat waarschijnlijk in 't begin der 12de eeuw te Salerno, de civitas Hippocratica, is ontstaan. Dit Latijnsche werkje, in leoninische verzen geschre-

[pagina 44]
[p. 44]

ven, geeft in zijn oorspronkelijken, nog weinig omvangrijken vorm, voornamelijk diëtetische-prophylactische gezondheidsregelen, dus soortgelijke voorschriften als het Regimen van het Sec. Sec.

Dat er dus eenige overeenkomst tusschen beide werken valt te bespeuren is begrijpelijk, vooral ook, omdat de Salernitaansche school eveneens haar wijsheid put uit Hippocrates en Galenus;Ga naar voetnoot1) onjuist is echter de meening, o.a. door G. KriestenGa naar voetnoot2) nog verkondigd, dat het Latijnsche Sec. Sec. de regels van Salerno in vrije bewerking zou bevatten. Onder de vele plaatsen, waar eenige gelijkenis bestaat (vgl. blz. 42, noot 1 hiervoor) is naar het mij schijnt maar één, die op direct verband kan wijzen.Ga naar voetnoot3) Ik heb, in aanmerking nemende den tijd van ontstaan van 't Reg. San. Sal. (ws. nà 1100) en de taal, waarin het geschreven is - Latijn -, aanvankelijk gedacht, dat die passage, waarover aanstonds nader, eerst in de Latijnsche vertaling van Philippus zou zijn overgenomen. Maar de Hebreeuwsche versie, berustend op de Arabische A-redactie, heeft die plaats ook, zoodat waarschijnlijk het Arabische origineel ze reeds had. Mogelijk is dan, dat òf het Reg. San. Sal. en het Sec. Sec. ze aan éénzelfde Arabische bron ontleenen (vgl. noot 1 hieronder). òf dat het Arabische Sec. Sec. zelf in dezen de bron is voor het Salernitaansche Regimen. Een nader onderzoek op dit punt, dat buiten mijn bestek valt, zou wellicht aanwijzigingen voor de dateering van het Sec. Sec. kunnen verschaffen.Ga naar voetnoot4)

Ik laat nu een kort overzicht volgen van die capita uit ons Reg. San., waarvoor ik òf een directe bron meen te kunnen aanwijzen, òf merkwaardige parallelplaatsen.

De eerste hoofdstukken (23-28), die algemeene voorschriften geven met betrekking tot rust en beweging, spijs en drank, waken en slapen, kunnen worden vergeleken met Avicenna's Kanon I, 3, 2, 7 (en 9); voor cap. 25, de signis boni et mali stomachi, zie Av. III, Fen. 13.Ga naar voetnoot5)

[pagina 45]
[p. 45]

Sec. Sec., fol. 20v. (cap. 28 de efficatia diverse dormitionis). Avic. I, 3, 2, 7. Quae ratio in esculentis servanda.
... Item ignorare non debes quod qui consuevit comedere bis in die et continuat ad unam certum eveniet sibi nocumentum sicut evenit illi qui consuevit comedere semel in die et incipit bis comedere quia eius stomachus nequit cibum digerere. et indigestum remanet nutrimentum. et qui consuevit certa hora comedere et transfert suam comestionem in aliam horam cito percipiet et quod sue nature non proficit: sed multum officit quia consuetudo est altera natura .... ... Si roges quoties esca quis se satiare possit dico convenientissimum esse ut aliquando semel, aliquando bis die, mane scilicet et vespere edat. sed in hoc tamen maxime consuetudo est observanda. Qui bis die comedere assuetus, semel tantum capit cibum debilitatur et deijiciuntur eius vires...
Fol. 21r. Et cave ne iterum comedas donec cognoveris stomachum totum esse vacuum et purgatum primo cibo: et hoc cognosces per desiderium id est cum voluntatem comedendi habere ceperis et per subtilitatem salive ad os decurrentis, quia si quis cibum suscipit absque corporis necessitate id est comedendi voluntate inveniet calorem naturalem valde gelidum si vero cum desideravit susceperit: tunc inveniet calorem sicut ignem accensum.
et cum ceperis habere desiderium comedendi debes statim comedere. quia nisi statim comedatur stomachus implebitur humoribus pessimis.
... Sed neque ipse talis, nec quivis alius qui valetudini suae studet, quidquam capere debet, antequam vera appetentia stimulet et ventriculus superioraque intestina ab alimento prius ingesto sint vacua: nihil enim corpori nocentius quam alimentum alimento nondum confecto superingerere....
Non comedendum nisi monente appetentia neque obnitendum appetentiae, quando jam excitata est ....
siquidem tolerare famem ventriculum ichorosis et pravis complet humoribus.
 
Cap. 27. Quid post somnum sit faciendum (fol. 20r).
et requiesce una bora super latus dextrum: deinde ad sinistrum revertere. et super illud dormitionem perfice quia latus sinistrum frigidum est ideo indiget calefactione.
Av. I, 3, 2, 7. Dormientis decubitus primo sit aliquantulo tempore in latus dextrum, deinde in sinistrum, postea rursus in dextrum.
Av. I, 3, 2, 9. Saluberrimum dormienti primum in latus dextrum decumbere, deinde se volvere in sinistrum.

De volgende 4 capita (lente, zomer, herfst en winter) zijn aldus samengesteld: 1. cen astronomische definitie; 2. een natuurschildering, die gelijk we zagen, is overgenomen van de Trouwe Broeders; 3. hygiënische en diëtetische raadgevingen. Enige overeenkomst met Av. I, 3, 5 (Quae victus ratio qualibet anni tempestate sit observanda) is niet te miskennen, de hygiënische voorschriften voor lente en zomer komen echter volkomen overeen met een hst. uit het Reg. San. Sal. Dit is de zooeven bedoelde passage; ik laat ze hier in haar geheel volgen:

Sec. Sec., fol. 21v. de vere: Ver est calidum et humidum et temperatum,Ga naar voetnoot1) (dan volgen de diëletische raadgevingen en daarna) nullum enim tempus est ad minutionem melius,

[pagina 46]
[p. 46]

et proficit in eo usus (veneris uitgelaten?) et motus corporis solutio ventris usus balnei et sudoris et specierum potiones ad digerendum.

de estate: estivum tempus calidum est et siccum, in quo excitatur colera rubea.Ga naar voetnoot1)... ab esu quoque et potatione nimia abstinendum est in estate ... comedas in eo quicquid frigide et humide complexionis fuerit .... et venus parce petatur, ab omni minutione abstineas: nisi necesse fucrit organis et motus sui corporis. balnea habentur parce (lees: et motus corporis sive balnea habeantur parce).

 
Reg. San. Sal. Ver autumnus hyems aestas dominantur in anno
 
Tempore vernali calidus fit aer humidusque;
 
Et nullum tempus melius sit phlebotomiae.
 
Usus tunc homini veneris confert moderatus,
 
Corporis et motus, ventrisque solutio, sudor,
 
Balnea. Purgentur tune corpora cum medicinis.
 
Aestas more calet, siccat; noscatur in illa
 
Tunc quoque praecipue choleram rubeam dominari.
 
Humida, frigida iercula dentur, sit Venus extra.
 
Balnea non prosunt, sint rarae phlebotomiae,
 
Utilis est requies, sit cum moderamine potus.

Een Mittelniederdeutsches Arzneibuch, uitgegeven door J.H. Gallée in Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung (Jahrg. 1889, blz. 105 vlg.) neemt onvertaald deze leefregelen bij de 4 jaargetijden uit het Latijnsche Sec. Sec. van Philippus over.Ga naar voetnoot2)

De volgende hst. (33-34; ook 44, vgl. blz. 10 hiervoor) behandelen hetzelfde onderwerp als Av. I, 2, 3, 1-4:

Sec. Sec., cap. 44 (fol. 28v.). Res que macrant corpus sunt hec diminutio cibi et potus: frequentatio exercitii et laboris in calore et sole: longa vigilia: .... balneari in aquis sulphureis et salsis ... frequens purgatio ventris: diminutio sanguinis: nimius ususveneris: paupertas: sollicitudo: timor: mala cogitatio et anxietas ... (vgl. ook Biervliet, blz. 46). Av. I, 2, 3, 4. Siccantia item plura sunt, scilicet motus, vigilia, multa evacuatio, sub qua coitus censendus est. parca nutricatio, alimenta et medicamenta siccandi facultate praedita, crebri animae motus, occursus rerum desiccantium quo refer lavationem in aquis adstringentibus.

Aan 't slot van cap. 34 staat (waarschijnlijk van zijn plaats geraakt): ‘quin (lees qui) simul lac et pisces sepe comedunt lepram incurrunt (vgl. H.d.H., vs. 1265-68); vinum et lac similia operantur.’ - Av. I, 3, 2, 7: ‘Empirici Indi atque alii experientia celebres aiunt lac haud edendum esse cum rebus acidis, nec pisces cum lacte. Haec enim morbos pariunt diuturnos, quos inter lepra est.’ Neuburger I, blz. 86 (Die Medizin der Inder) zegt: ‘Die Lepra wird abgesehen von vielen

[pagina 47]
[p. 47]

andren Ursachen auch auf den haüfigen Genusz von Milch mit Fischen zurückgeführt.’ - In verband hiermee vestig ik nog de aandacht op een verhaal omtrent Djahitz' dood, voorkomende bij Ibn abi Oseibia; deze zou nl. door gebruik van visch en melk gestorven zijn; zie G. van Vloten in zijn reeds genoemd opstel (Tweemnd. Tijdschr., Mei 1897. blz. 289-290).

Cap. 35-38 behandelen de 4 hoofddeelen des lichaams. R. Steele (L. and B.'s Secrees) wijst als bron hiervoor aan een brief, die door Diocles Caristes (± 320 v. Chr.)Ga naar voetnoot1) zou zijn gezonden aan Antigonus. Er is inderdaad zeer veel overeenkomst tusschen een deel van deze epistola, die ons bewaard is bij Paulus Aegineta,Ga naar voetnoot2) en de bovengenoemde capita: Diocles verdeelt ook het menschelijk lichaam in 4 deelen: caput, pectus, venter (vgl. blz. 41 hiervoor) en vesica, en bespreekt daarna die organen op dezelfde wijze, volgens hetzelfde schema, dat we in het Sec. Sec. vinden: eerst geeft hij een opsomming van ziektesymptomen, dan van middelen om de ziekten te voorkomen, en ten slotte een lijst van kwalen, die dreigen, als men de medicijnen niet gebruikt.

Men vergelijke:

Diocles. Sec. Sec.
Hominem autem quadrifariam dividimus, in caput pectus alvum et vesicam. Siigitur ad capitis partes passio aliqua ventura sit, haec quidem indicia precedunt: opagines (? bij Steele leest men vertigo), capitis dolores, in superciliis gravedines, pulsus circum tempora, lachrymae in oculis, visus obtusitas, obturationes narium, aurium tinnitus.Ga naar voetnoot3) (fol. 23v.): Corpus dividitur in quatuor partes. prima est caput. Quando ergo in capite congregantur superfluitates poteris scire per hec signa que sunt tenebrositas oculorum gravitas superciliorum repercussiones temporum tinnitus aurium inclusio narium (vgl. H.d.H., 1269-1277).

Voor verdere parallelplaatsen zie men Steele, L. and B.'s Secr., blz. 112.

 

Aan het slot van cap. 38 (vgl. blz. 10 hiervoor) vindt men een in de Middeleeuwen zeer bekend geneesmiddel, of misschien beter voorbehoedmiddel tegen vergif: ‘qui comedit ficus cum nucibus et paucis foliis rute venenum in ea die non nocebit ei’ (H.d.H., vs. 1355-1358). Wat Av. IV, 6, 1 als theriakel geeft, vertoont hiermee groote overeenkomst: ‘ficus cum foliis rutae et nucibus et sale trito;’ een dergelijk medicijn geeft de Salern. School (Biervliet, blz. 203).Ga naar voetnoot4)

[pagina 48]
[p. 48]

De hoofdstukken over verschillende spijzen en dranken (40-44) toonen hier en daar eenige gelijkenis met Avicenna,Ga naar voetnoot1) bv.

Sec. Sec. (fol. 26v.) de aquis. Avic. I, 2, 2, 16.
Quando vero terra est pura a ripibus (sic!) non habundans fumositatibus aque illius loci est levis optima et laudibilis: aqua vero nascens in terra lapidosa que habundat fumositatibus est gravis infirma et nocibilis. Bonitatis excellentia omnibus praestant aquae fontanae, non omnium tamen promiscue fontium, sed fontium ex terra erumpentium pura in qua nulla extranea alienave qualitas exsuperat; aut certe ex saxis petrisve manantium; nam aquae hae tales probae sunt, quoniam terrae vitiis non sunt obnoxiae, attamen quae ex pura sinceraque terra, meliores sunt iis quae ex saxis prorumpunt.
 
Signa quidem bonarum aquarum sunt hec: levitas: claritas: bonus color quando facile calescunt et facile frigescunt. ... Caeterum illis dotibus insignita aqua insipida est, videturque dulcis; ... praeterea levis apparet, celeriterque et frigescit et incalescit ob raritatem; hyeme algens, aestate calens; omnis prorsus et saporis et odoris expers ... illamque esse prae ceteris eximiam quae levissima est.
 
  Inter aquas laude dignas etiam pluviae sunt sed praecipue probantur quae sunt aestivae et Jove tonante decursae.Ga naar voetnoot2)

Voor de verhandeling over het bad (cap. 45), waarmee ook weer de 4 jaargetijden met hunne qualiteiten in verband worden gebracht (vgl. blz. 11) verwijs ik naar Av. I, 2, 2, 19, Quid nobis inferant balneatio et insolatio, waar het ongeveer als in 't Sec. Sec. heet: prima quidem regio sive domus refrigerat humectatque, secunda calefacitque atque humectat (als de lente dus) etc......

Of ten slotte de 8 beroemde medicijnen, die op 't hoofdstuk over 't bad volgen, uit Av. V Antidotarium (samengestelde geneesmiddelen, vgl. blz. 11 noot) geput zijn, of de warme aanbeveling van de syrupus acetosus (blz. 10) des schrijvers kennis verraadt met Avicenna's Tractatus de syrupo acetoso (Neub. II, 1, 218) waag ik niet te beslissen; evenmin weet ik voor het slot van ons Regimen, waar de astrologie in dienst

[pagina 49]
[p. 49]

van de geneeskunde wordt gesteld,Ga naar voetnoot1) een bron of parallel aan te voeren. Dat echter deze gezondheidsleer grootendeels getrokken is uit de Arabische geneeskunde, voor een vrij belangrijk gedeelte misschien direct uit Avicenna, meen ik aannemelijk te hebben gemaakt.

En hiermee ben ik aan het slot van mijn onderzoek gekomen: waar de auteur zijn strategische wijsheid vandaan heeft gehaald, heb ik niet kunnen uitvorschen; ook kan ik geen bron voor het Tractaat de justitia opgeven; mogelijk stamt dit met de achtdeelige cirkelspreuk (die o.a. vermeld wordt bij Ibn abi Oseibia († 1270) aan 't slot van 't ‘leven van Aristoteles’Ga naar voetnoot2) uit een of ander Hermetisch geschrift. Een meer deskundig onderzoeker zal trouwens, naar het mij schijnt, wel meer in het Sec. Sec. kunnen vinden, dat met de Hermetische literatuur verband houdt.Ga naar voetnoot3)

Eindbeschouwingen.

Mijn onderzoek kon om verschillende redenen niet zoo diep, noch zoo ver gaan, als ik gaarne gewild had, en wanneer ik mij nu zet om de resultaten van 't geheel samen te vatten, voel ik eerst duidelijk, hoe gevaarlijk het is een gebouw op te trekken op zulke zwakke fondamenten. Bij dat onderzoek ben ik steeds uitgegaan van de veronderstelling, dat de B-versie de oudste is, een veronderstelling, die wel een zekere mate van waarschijnlijkheid krijgt door de autoriteit van Förster en Steinschneider,Ga naar voetnoot4) maar niet berust op uitgebreid critisch onderzoek. Bovendien, zelfs al zou het vaststaan, dat de B-versie ouder is, en het origineel meer nabijkomt dan de A-versie - Förster grondt zijn meening in dezen alleen op het Tractaat over de physiognomie -Ga naar voetnoot5) met de mogelijkheid van een derde, misschien

[pagina 50]
[p. 50]

oudere redactie, dient rekening te worden gehouden (vgl. blz. 1, noot 3). Hoe de oorspronkelijke B-versie er zal hebben uitgezien,Ga naar voetnoot1) hoe Philippus bij het vertalen van zijn Arabisch voorbeeld te werk is gegaan, niemand, die zich met die vragen meer dan oppervlakkig heeft beziggehouden.Ga naar voetnoot2) Hij vertaalt met eenige weglatingen en veranderingen, zegt Steinschneider,Ga naar voetnoot3) en op zijn gezag heb ik dan ook de Latijnsche vertaling ongeveer met de Arabische bron gelijk durven stellen; toch is een nader onderzoek op dat punt om tot zekere resultaten te komen onontbeerlijk. Voeg bij dit alles, dat reeds vroeg naast het Sec. Sec. eenige van de tractaten als zelfstandige geschriften voorkomen, en het grootendeels onontgonnen terrein biedt een vruchtbaren bodem voor allerlei hypothesen in het wilde, die dikwijls gemaakelijker op te bouwen, dan te weerleggen zijn. Een er van alleen wil ik bespreken in verband met de korte beschouwingen, die ik zelf - met de noodige reserve - aan het slot van mijn onderzoek wensch te houden.

Gaster, in zijn inleiding tot de bovengenoemde Hebreeuwsche versie van het Sec. Sec. (Journal 1065), tracht aannemelijk te maken, dat het geschrift bestaat uit een oude kern met verschillende jongere toevoegsels en interpolaties. Om tot die oude kern te geraken werpt hij onder meer de afdeelingen over gezondheidsleer, astrologie en physiognomie, waarvan de eerste en laatste ook afzonderlijk voorkomen, uit. Zijn betoog, waarin hij soms werkt met onjuiste gegevens (zie blz. 54, noot 3 in dit werk) berust bovendien op vrij losse gronden; zijn krachtigste argument is wel dit, dat de uitgebreide hoofdstukken over gezondheidsleer en physiognomie zoowel in den index van de bekende Arabische versies als van de Hebreeuwsche vertaling niet als aparte tractaten voorkomen, maar ondergebracht zijn bij andere; dit moet volgens hem aldus worden verklaard (waardoor dan tevens de verschillende volgorde van boeken in de Arabische en andere redacties wordt aannemelijk gemaakt): ‘When the table of contents was drawn up, these treatises had not yet been incorporated into the Sec. Sec., and were added later on at a new revision of the text.’ Elke vertaler zette dan de nieuwe interpolaties maar, waar hem dat het best leek. - De amputatie wordt nog verder doorgezet,Ga naar voetnoot4) totdat Gaster als oorspronkelijke kern overhoudt een vorstenspiegel, dien hij in relatie tracht te brengen met Grieksche vorstenspiegels, zooals Agapètos er een voor Justinianus gemaakt zal hebben, en den vorstenspiegel in Barlaäm en Josaphat. Na aldus een pleidooi te hebben

[pagina 51]
[p. 51]

geleverd voor den Griekschen oorsprong van het werk, komt hij tot deze conclusie: ‘The Secretum belonged without doubt (!) to a larger cycle of similar compilations and may represent one of the oldest versions of “Mirrors” after pseudo-Isokrates.’ ‘It is a kind of encyclopaedia drawn from the most diverse sources, bearing the stamp of the seventh or eighth century, resting on a somewhat late and already overworked ancient tradition, containing fragments from contemporary literature of a more popular character.’

Tegen dezen geheelen bewijsgang is, nog daargelaten de onjuistheden, waarop hij hier en daar steunt,Ga naar voetnoot1) vrij wat meer aan te voeren dan dat een Grieksch origineel niet gevonden is. Mij schijnt Gaster's hypothese hierom vooral onaannemelijk, omdat het Sec. Sec., zooals het in de versie van 10 tractaten voor ons ligt, ondanks zijn encyclopaedisch karakter, een onmiskenbare eenheid en gelijkvormigheid van behandeling vertoont: de Verhandelingen der Trouwe Broeders zijn niet maar in één enkel tractaat gebruikt, we vinden brokstukken uit hun werken - òf letterlijk overgenomen òf een weinig omgewerkt - in verschillende boeken van het Sec. Sec. en grootendeels zoodanig ingelijfd, dat aan jongere toevoeging niet gedacht kan worden; het viertal speelt, gelijk we zagen, zijn rol het geheele werk door; met astrologische beschouwingen sluiten verschillende tractaten (Tract. II, III, de gezondheidsleer, IX, de strategie, terwijl verder nog op verschillende plaatsen des schrijvers groote neiging tot astrologisme tot uiting komt: in X, over steenen en planten - in IV, over raadgevers: macro- en microcosmos, weverszoon - in III, de gerechtigheid, waar de achtdeelige cirkelspreuk haar tegenbeeld heeft in de wenteling der hemelsche spheren, fol. 42v., enz.). Ten slotte, bekendheid met Hermetische wijsheid, diepe vereering van Hermes toont de auteur op tal van plaatsen. In verband hiermee rijst een tweede, niet minder groot, bezwaar tegen Gaster's meening: Nergens is in het werk een aanwijzing te vinden, dat het van huis uit alleen een vorstenspiegel wilde zijn; wel zijn er verschillende bewijzen van het tegendeel: in Aristoteles' voorrede worden bijna alle tractaten van het Sec. Sec. reeds met een enkel woord aangeduid,Ga naar voetnoot2) Jahja, de Arabische vertaler, op zoek naar dit geschrift, doet overal navraag naar scripturae physicae (blz. 7 hiervoor); religieus-philosophische, alchemistische en medisch-astrologische wetenschap treedt veel meer op den voorgrond dan politische en ethische; in verband daarmee houd ik den titel Secretum Secretorum dan ook, in tegenstelling met Steinschneider voor ouder dan De regimine principum. Niet alleen leert Aristoteles aan Alexander de kunst van goud maken als secretorum maximum secretum, maar reeds in Aristoteles' voorrede is sprake van geheimen, zoo diep en diepzinnig, dat ze het menschelijk begrip bijna te boven gaan en in menschentaal niet kunnen worden weerge-

[pagina 52]
[p. 52]

geven (blz. 5). Die geheele voorrede preludeert, gelijk we reeds zagen, veel meer op occulte wijsheid dan op regeerkunde en vorstenbeleid. Er is ongetwijfeld een gedeelte in het Sec. Sec., dat vorstenspiegel genoemd mag worden, maar wie meent hier een diepgaande behandeling van groote staatkundige problemen te vinden, komt bedrogen uit. Met bekende Middeleeuwsche staatsleeren als Thomas van Aquino's de regimine principumGa naar voetnoot1) is ons werk niet op een lijn te stellen; de gelijkenis, die het daarmee vertoont, is maar zeer gering; trouwens de titel Liber moralium (morum), waaronder het Sec. Sec. ook voorkomt, wijst er reeds op, dat niet politieke, maar zedekundige lessen, hier op den voorgrond staan, vorstenmoraal dus, waarmee echter ook de gewone sterveling zijn voordeel kan doen. Interessant is het na te gaan, hoe, in vele latere bewerkingen, het boek van karakter verandert. Wat, mijns inziens, oorspronkelijk hoofdzaak was - de mystiek-religieuze bespiegelingen, het zij toegegeven, niet zonder politieke tint, en de occulte wijsheid, - wordt grootendeels of geheel en al uitgelaten, zoodat nu politisch-ethische en medische wijsheid naar voren treedt; daarmee wordt dan tegelijkertijd het werk verstaanbare en gewenschte lectuur ook voor het profanum vulgus. In die verandering is een van de hoofdredenen te zoeken voor het groote succes, dat het werk in de Middeleeuwen te beurt valt.

Ik meen in het voorgaande onderzoek aannemelijk te hebben gemaakt, dat het Sec. Sec. in zijn oorspronkelijken uitgebreiden vorm is: een Arabisch compilatiewerk, grootendeels, misschien geheel opgebouwd uit Arabische bronnen,Ga naar voetnoot2) waarvan de voornaamste zijn de tractaten-cyclus der Trouwe Broeders,Ga naar voetnoot3) Hermetische geschriften, de pseudo-aristotelische Lapidarius en medische werken van Arabische artsen (Avicenna). In hoeverre de schrijver gebruik kan hebben gemaakt van een of meer der vele epistulae Aristotelis ad Alexandrum dient nader onderzocht; in elk geval heeft hij deze beide beroemde historische namen op handige wijze aan zijn werk verbonden om zijn succes te verzekeren. Hij zal als zoovelen van zijn tijd philosoof, arts en staatsman tegelijk zijn geweest. Daar hij geput heeft uit de werken der Trouwe Broeders, kan het Sec. Sec. op zijn vroegst geschreven zijn tegen het eind der 10de eeuw; mogelijk is echter, in verband met de vroeger behandelde bijna letterlijke overeenkomst tusschen enkele passages uit het Regimen Sanitatis en sommige voorschriften der Salernitaansche school, dat het ontstaan van het werk nog een eeuw later moet worden gezet. Dat het in 't begin der 12de eeuw reeds in het Westen bekend was, blijkt uit de Latijnsche vertaling van Johannes Hispalensis (± 1130), die in het volgende hoofdstuk besproken wordt.

voetnoot1)
Vgl. Förster, Comm., blz. 20 en Hertz, Giftm., blz. 4.
voetnoot2)
Vgl. Cntbl. f. Bib., Beih. XII, blz. 79.
voetnoot3)
Grieksche hss. zijn niet gevonden. Dat er een Grieksche text heeft bestaan, heeft men willen afieiden uit het voorwoord, dat Jofroi de Waterford (een Dominicaner monnik, gest. ± 1300) aan zijn Fransche vertaling van het Sec. Sec. laat voorafgaan (zie Histoire Littéraire de la France, Tome XXI, p. 216). De ietwat duistere woorden van J.'s inleiding zijn verkeerd opgevat. Men vergelijke daarvoor G.L. Hamilton, The Sources of the Secret des Secrets of Jofroi de Waterford, Romanic Review I, blz. 259, en het hst. over Lat. vert., blz. 59, noot 3.
voetnoot1)
Zie F.'s argumenten, Comm., blz. 20-21.
voetnoot2)
Een treffende overeenkomst met ons werk toont een geschrift over elixers en amuletten, getiteld Thesaurus Alexandri. Volgens den proloog zou dit boek, ontdekt in een Christelijke kerk te Amorium, geschreven op 360 gouden bladen, door den ontdekker Muhammed ibn Châlid op bevel van zijn kalief Al-Mu'tasim (833-842) de graeca et romana (= rumijja) lingua zijn vertaald in 't Arabisch. In die kerk was het begraven, in een gouden kistje, door Antiochus, Alexander's veldheer. Aristoteles had het Alexander geschonken met een opdracht, waarin hij meedeelt, dat hij, Aristoteles, 't gekregen heeft van Balinas (= Apollonius van Tyana) en dat de auteur Hermes is (zie F., Comm., blz. 22 en vgl. Steinschneider, Cntbl., Beiheft XII, blz. 90).
Interessant is ook een vergelijking met den proloog van den Sidrach, waarvan Langlois (a.w., blz. 202-205) een analyse geeft. Hier ligt de zaak zeer gecompliceerd: een Grieksch origineel wordt in 't Latijn vertaald, deze vertaling wordt overgezet in 't ‘Sarraceensch’. Keizer Frederik II laat hiernaar een Latijnschen text vervaardigen, welke ten slotte in 't Fransch wordt overgebracht, als men de inleiding mag gelooven. Intusschen is het niet onmogelijk, dat de Sidrach een origineel Fransch werk is: Latijnsche, Grieksche of Arabische texten zijn nooit gevonden.
In een Engelsche prozavertaling van het Sec. Sec. (± 1440 door John Shirley voor Hendrik VI van Engeland gemaakt) is het aantal tusschentrappen belangrijk uitgebreid. Volgens S. is het werk vertaald: ‘out of the literal language of Caldee into Ebrewe, out of Ebrewe into Greke, out of Greke into Arabesk, out of Ebrayeke into Latijne, out of Latine into Frenssh, and out of Frenssh now it is translated into our reude volgaries moders tonge’ (Knust, Jb. X, blz. 279).
Dat een vertaling over een tusschentaal - zelfs al staan beide vertalingen op naam van denzelfden persoon - niet altijd op vervalsching behoeft te wijzen, is bekend.
Een dergelijke wijze van doen is zelfs zeer gewoon bij de Syrische vertalers, die in de 9de en 10de eeuw de Grieksche wetenschap voor de Arabieren toegankelijk maakten. Zij vertalen meermalen eerst uit het Grieksch in het Syrisch, en daaruit in 't Arabisch (vgl. T.J. de Boer, Die Philosophie im Islam, blz. 23). In ons werk is het juist de combinatie met andere min geloofwaardige bijzonderheden, die ook deze mededeeling verdacht doet schijnen.
voetnoot1)
Vgl. Langlois (a.w., blz. 194): ‘Il est certain ..., qu'en Orient, au moyen âge, le nom de Yahyâ ibn el-Bitriq (Johannes filius Patrich ou Petri, Jean fiz Patrice ou Jean Pierre) fut synonyme de traducteur par excellence.’ In den Sidrach is het - men lette op de merkwaardige overeenkomst - een Jean Pierre de Lyon, in dienst van den patriarch van Antiochië, die de 2de Latijnsche vertaling naar Toledo brengt en in 't Fransch vertaalt. - Over Jahja's werkzaamheid kan men bijzonderheden vinden bij Steinschneider in Virchow's Archiv für pathologische Anatomie und Physiologie LII, blz. 364 vlg.; zie ook De Boer, a.w., blz. 23.
voetnoot2)
Deze is sedert uitgegeven door J. Lippert, de epistula pseudo-aristotelica π∊ρὶ βϰσιλείας commentatio (Dissertatie-Halle, Berlijn 1891), die naast het Arabisch een Latijnsche vertaling geeft, waaruit mij bleek, dat deze epistula niet de minste overeenkomst vertoont met ons geschrift.
voetnoot3)
Vgl. Förster, Comm. 24.
M. Berthelot, die in zijn werk la Chimie au moyen-âge (Paris 1893), T.I, p. 248, een tractatus Aristotelis alchymistae ad Alexandrum Magnum de lapide philosophico vermeldt, zegt naar aanleiding hiervan: ‘il courait à cette époque dans le monde de prétendues lettres d'Aristote à Alexandre sur toutes sortes de sujets;’ (vgl. ook Kopp, Beitr., blz. 359). Een dergelijke uitspraak vond ik bij Nöldeke, Beitr. zur Geschichte des Alexanderromans (Denkschr. der Kaiserl. Ak. der Wissensch. in Wien, Philos.-Hist. Classe), Bnd. 38, (Wien 1890), blz. 9. Bij de bespreking der gezondheidsleer zullen we nog een soortgelijken brief leeren kennen.
voetnoot1)
Steinschneider, Jb. XII, blz. 356 en 369; dez., Deutsche Litteraturzeitung, 1883, 12. col. 406.
voetnoot2)
Een plaats in de Anthologie van Ibd Rabbihi van Cordova (gest. 939 of 940) kàn op bekendheid wijzen, zegt F., Comm., blz. 24, en vgl. 33 noot. Steinschneider's argumenten tegen F. vindt men Hebr. Uebers., blz. 248 en 257.
voetnoot3)
Alleen de Physiognomie is onderzocht door Förster; hij brengt deze, gelijk reeds gezegd is, terug tot een ws. Arab. bron; vgl. daarover ook nog R. Förster, Scriptores Physiognomonici (Lipsiae, Teubner 1893).

voetnoot4)
Versie B heeft, gelijk reeds gezegd is, steeds Hermogenes (vgl. blz. 8) en de Middelnederlandsche bewerking, die hierop teruggaat, eveneens. Dat Hermes bedoeld wordt is natuurlijk buiten twijfel; vgl. Kausler, Denkm. III, blz. 302.
voetnoot1)
In 't voorbijgaan wijs ik er hier reeds op, dat dit een argument levert voor de meening, dat het Sec. Sec. van huis uit een geheel is, en niet uit verschillende oorspronkelijk zelfstandige tractaten is samengegroeid.
voetnoot2)
Vgl. T.J. de Boer, Geschichte der Philosophie im Islam, o.a. blz. 20, 27, en Steinschneider, Beiheft enz. XII.
voetnoot3)
Men vergelijke daarvoor Sec. Sec., fol. 12r. en Ménard, blz. 191: ‘Les plusjustes parmi vous ... seront parmi les hommes des rois justes ...; parmi les oiseaux des aigles qui ne chassent ni ne dévorent ceux de leur espèce et ne laissent pas attaquer devant eux les espèces plus faibles, car la justice sera dans la nature de l'aigle.’ DeMiddelnederlandsche vertaling van het Sec. Sec., die hier iets uitgebreider is dan de mij bekende Latijnsche versies, vertoont meer overeenkomst, vgl. vs. 548-554.
voetnoot4)
Daarop is Gods antwoord (Ménard, blz. 198): ‘Je vous enverrai un effluve de moi-même, un être pur qui inspectera tous les actes, qui sera le juge incorruptible et redoutable des vivants ....’ In het Sec. Sec. klinkt het antwoord van God op de klacht Oud-testamentisch: ‘permitte michi vindictam et ego retribuam’ (vgl. Deuteronomium 32, vs. 35; ook Rom. 12, vs. 19). Is dit te beschouwen als een jongere, Christelijke toevoeging of wijziging? Over des schrijvers (vertalers) bekendheid met den Christelijken godsdienst zie men Förster, Comm., blz. 20 en Georg Kriesten, Ueber eine deutsche Uebersetzung des pseudo-aristotelischen ‘Secretum Secretorum’ aus dem 13. Jahrh. (Inaugur.-Diss., Berlin 1907), blz. 13.
voetnoot1)
Fol. 41r. (Tract. de iustitia) ... ‘assimilandus est deo et ideo oportet regem assimilari et imitari altissimum in omnibus operibus suis’ (Mnl. vert., vs. 1465: Dus es hic als een arders god). Ook in het ‘livre sacré’ worden de koningen voorgesteld als werkelijke goden op aarde (Ménard, Intr., blz. XCV).
voetnoot2)
Kopp, Die Alchemie in älterer und neuerer Zeit, Ein Beitrag zur Culturgeschichte (Heidelberg 1886), I, blz. 4 wijst er op, hoe in de (oudste) alchemistische werken Hermes als ‘der eigentliche Urheber der Kunst, edle Metalle hervorzubringen’ genoemd wordt.
voetnoot3)
Beitr., blz. 382 zegt hij: ‘Eine Erwähnung dieser Schrift bei den Arabern ist mir nicht erinnerlich und mindestens zweifelhaft.’ Daar ze, blijkens Hebr. Uebers., blz. 997, ook in Arab. B-hss. voorkomt, is Kopp's vermoeden onjuist.
voetnoot4)
Fol. 37r.: ‘Et pater noster hermogenes: qui triplex est in philosophia: optime prophetando dixit veritas ita se habet: et non est dubium quod inferiora superioribus respondent. operator vero miraculorum unus solus deus est a quo dependet omnis operatio mirabilis: sicut omnis res creatur ab uno sola substantia: una sola dispositione: cuius pater est sol: et mater luna: que portavit ipsam per auram in utero: terra tamen privata est ab ea: hie igitur pater incantamentorum: thesaurus miraculorum: largitor virtutis. ex igne facta est terra. separa terram ex igne: quia subtile dignius est grosso: et rarum spisso: hoc fit sapienter et discrete, ascendit enim de terra in celum: et ruit de celo in terram. et interficit superiorem et inferiorem virtutem: sic ergo dominatur inferioribus et superioribus. ut tu dominaberis sursum et deorsum: tecum enim est lumen luminum et propter hoc fugiunt a te omnes tenebre. et virtus superior vincit omnia. Omne enim rarum agit in densum secundum dispositionem majoris mundi currit hec operatio. et propter hoc doctor hermogenes triplex in philosophia.’
voetnoot1)
Merkwaardig lijkt mij de volgende bewijsplaats uit Kopp (Beitr., blz. 382, noot), omdat hier blijkbaar het (een?) Secretum Secreiorum op naam van Hermes wordt gesteld: Albertus Magnus zegt in zijn boek de rebus metallicis et mineralibus, L. I, Tract. I, cap. 3: ‘Summum ingenium alchimicorum docet Hermes in secreto secretissimorum suorum per verba metaphorica dicens: Lapis suaviter cum magno ingenio ascendit a terro in caclum, iterumque descendit a caelo in terram’ enz.
voetnoot2)
Idris is bij de Arabieren de naam voor Henoch.
voetnoot3)
Fr. Dieterici, Die Propaedeutik der Araber im X. Jahrhundert, Berlin 1865, blz. 67. - R. Reitzenstein, Poimandres, Studien zur griechisch-ägyptischen und frühchristlichen Literatur (Leipzig 1904), blz. 173 zegt: ‘Schon seit dem zweiten Jahrhundert v. Chr. ist Henoch als Besitzer und Lehrer geheimer Weisheit zum Gegenbilde des hellenistischen Hermes geworden.’
voetnoot1)
Vgl. T.J. de Boer, a.w., blz. 29. Verschillende neo-platonische geschriften gaan, eigenaardig genoeg, op naam van Aristoteles.
voetnoot2)
Sideribus hebben andere Lat. hss., vgl. de Mnl. vert., vs. 787-791, en de aant.

voetnoot3)
Max Neuburger in zijn Geschichte der Medizin (Stuttgart 1906) I, blz. 84, sprekende over de uitvoerige studie, die Indische artsen van giffen en tegengiffen maakten, zegt: ‘Noch ungeklärt ist das Wesen der indischen “Giftmädchen”, deren Umgang tötete.’
voetnoot4)
Zie o.a. een voorbeeld in een Gidsartikel (Jg. 1907) van J.S. Speyer, Een Indisch Drama.
voetnoot1)
Jacob Cats, die gelijk we later zullen zien, ook de giftmeisje-geschiedenis kent, geeft dezelfde, en nog andere bijzonderheden, die het Sec. Sec. nietheeft, en die misschien als latere toevoegsels zijn te beschouwen (vgl. Hertz, blz. 56, 58, 60). Het gift is bij Cats napcllus (monnikskap). In de t' Samen-spraack tusschen ziel en lichaam, waar hij het verhaal vertelt, heet het: ‘Een vlieg, die aan haar lijf maar eens en quam tesuygen,/ Die konde met 'er daat van haren aart getuygen:/ Want op den staanden voet soo swol het gantsche beest,/ En na een korten tijt soo was' et sonder geest.’
voetnoot2)
‘Die Anlehnung an Alexander mag durch die Erinnerung an eine verbreitete persische Sage angeregt worden sein, nach welcher ein indischer König unter andern Geschenken seine wunderschöne Tochter dem heranziebenden Eroberer entgegenschickte, in deren Armen er alle Begier nach dem Reiche ihres Vaters vergessen sollte.’ (zie Hertz, blz. 64 vlg.).
voetnoot3)
Voor de verschillende lezingen, en de tallooze bewerkingen der sage in de Middeleeuwsche literatuur verwijs ik eveneens naar Hertz (zie ook Kriesten, a.w., blz. 87). Alleen de Nederlandsche worden later vermeld.

voetnoot1)
Een schrijver, die overigens niet bekend is.
voetnoot2)
Das Steinbuch des Aristoteles mit literar-geschichtlichen Untersuchungen, nach der arabischen Handschrift des Bibliothèque Nationale herausgegeben und übersetzt von Dr. Julius Ruska (Heidelberg 1912).
voetnoot3)
Ruska noemt een Arabische, een Hebreeuwsche en twee Latijnsche. Hij drukt de Arabische versie af met een Duitsche vertaling, en geeft de Latijnsche naar een codex van Luik. In Rose's artikel vindt men het Lat. hs. van Montpellier afgedrukt, en eveneens dat van Luik.
voetnoot4)
Voor de inleidende bespiegelingen tot dit tractaat zie men blz. 11 hiervoor.
voetnoot5)
‘Et si egreditur album sicut avis, que vocatur in arabico achavo, et in hebraico(!) peres’ (fol. 37r.). De witte vogel is een aanduiding voor den steen der wijzen; zon en maan, hier ook een rol spelend, voor goud en zilver (zie Ruska, blz. 185, ook 71, noot 3). Volgens Ruska modelleeren ook de Parijsche (Arabische) en Luiksche versie van het ‘Pretium’, vooral de laatste, dat werk om tot een alchemistisch tractaat.
voetnoot1)
Tusschen deze twee en den lapis bazar staat een korte beschrijving van het vergif Bis: ‘est ex instrumentis bellicosis latentibus quo expellis nocumentum in gubernatione tua sicut notificavi tibi’ (vgl. blz. 2, volgorde der tractaten).
voetnoot2)
Zie de parallellen in Rose's artikel: blz. 405 (389), 400, 398, 416, 408.
voetnoot3)
Jofroi de Waterford (zie blz. 16) slaat in zijn vertaling het tractaat over de krachten van steenen en planten over. Wel spreekt hij even over den inhoud, over dien wondersteen, die onoverwinnelijk maakt; maar hoedan te verklaren, dat Alexander toch wel eens overwonnen is? vraagt hij. Hij is van meening ‘que quant qu'est bien dit et solone raison en eest livre Aristotles dit ou eserist, mais quant qu'est faus ou desordeneement dit, fu la coupe des translatours.’ Wil men de natuur en de krachten der steenen kennen, dan leze men den ‘Lapidaire’, raadt hij ten slotte. Bedoelt hij Marbodius?
Onder de wondersteenen van Alexander zijn er ook, die den bezitter voor vergiftiging kunnen behoeden. Toch is A. vergiftigd. De auteur van het Speculum Historiale weet dat aldus te verklaren (ik haal Maerlant's vert. aan, Sp. Hist. I, 4 vs. 1525-1534): ‘men leset dat hi hadde eenen steen, /dattem venijn altoes en gheen, /wie sone drouch, mochte gescaden, /maar, alse hi dus was verraden, /wart hi hem des nachts bestolen, omme dat die mort bleve verholen; /ende als tfenijn was indie aderen, /enter naturen was geen vergaderen, /was hi hem weder angedaen: /dus es hem die aventure vergaen.’ Men ziet, ook Vincentius tracht den critisch gezinden lezer te bevredigen, al is het dan niet op zoo radicale wijze als Jofroi.
voetnoot1)
Een even uitvoerige beschrijving van den anderen steen qui contrarium operatur, vindt men in Rose's artikel (blz. 377).
voetnoot2)
Ruska, onder verwijzing naar V. Rose, noemt blz. 45 een liber de plantis, waarvan Honein ibn Ishâq de maker is (vgl. blz. 25 hiervoor); vgl. ook Steinschneider, Cntbl. f. Bibl., Beiheft XII, blz. 102.

voetnoot1)
Men vergelijke Sec. Sec., fol. 38v.: ‘Lapis margarite et ipse est aliacur(t) in arabico est triplicis generis: rubeus: croceus: arenosus. quilibet istorum ligatus in anulo et suspensus collo intrantis civitatem in qua est infirmitas Tamen liberat eum ab infirmitate illa. margarita rubea in anulo ligata portantis cor fortificat et eum reddit honorabilem in conspectu hominum. Et qui sculpserit in eo formam leonis’ enz. en de Trouwe Broeders in hun verhandeling over de mineralen (Fr. Dieterici, Die Naturanschauung und Naturphilosophie der Araber im X. Jahrh., II Ausg., Leipzig 1876, blz. 126): ‘Der Hyacinth ist ein harter, warmer, trockner Stein ... er hat verschiedene Farben, ist roth, gelb, grün, blau ... Zu seinen (des rothen) nützlichen Eigenschaften gehört, dass, wenn man ihn zum Siegelring nimmt, während man in einer Stadt ist, deren Bewohner von der Pest und Seuche betroffen sind, man mit der Zulassung Gottes davon frei bleibt; auch ist ein solcher Mann gar beliebt in den Augen der Menschen ....’
De overeenkomst is treffend; de gemeenschappelijke bron vindt men in Arist., de lap., cap. 3 de iacinto (Rose, blz. 386).
voetnoot2)
Ik houd dezen naam in overeenstemming met het algemeen gebruik bij, hoewel hij schijnt te berusten op een minder juiste vertaling. Vgl. Ignaz Goldziher in Die islamische und die jüdische Philosophie des Mittelalters (Kultur der Gegenwart, Tl. I, Abt. V (Allgemeine Geschichte der Philosophie, II. Aufl., Leipzig-Berlin 1913), blz. 309: ‘ein religiös-philosophischer Bund, dessen arabischen Namen man früher als “die lauteren Brüder” erklärt hat, den man aber, aus sprachlichen Gründen, angemessener als die “Lauteren”, oder die “Aufrichtigen” übersetzt’.
voetnoot3)
Vgl. Goldziher, a.w., blz. 310. De nieuwste onderzoekingen schijnen te leeren, wat in ons verband niet van belang ontbloot is, dat het Hermetisme een niet geringen invloed op hun denken en werken heeft gehad, zie blz. 38, noot 1 in dit werk.
voetnoot1)
Fr. Dieterici, Philosophic der Araber II (Leipzig 1879), Vorwort, S.V.
voetnoot2)
Vgl. echter noot 3 op de vorige blz. en blz. 38.
voetnoot3)
Die Propaedeutik der Araber im X. Jahrhunderi (Berlin 1865); Die Logik und Psychologic d.A. (Leipzig 1868); Die Naturanschauung und Naturphilosophie d.A. II. Ausgabe (Leipzig 1876); Der Streit zwischen Mensch und Thier (Berlin 1858); Die Anthropologie d.A. (Leipzig 1871); Die Lehre von der Weltseele d.A. (Leipzig 1872). -
Een samenvatting van hun systeem geeft Dieterici in Die Philosophie d.A. im X. Jahrhundert. I Einleitung und Makrokosmos (Leipzig 1876) en II Mikrokosmos (Leipzig 1879).
voetnoot4)
Een gemeenschappelijke bron, schijnt, zooals blijken zal, uitgesloten.
voetnoot1)
De eerste 3 boeken der Anthropologie (Abh. 22-24) geven de samenstelling van 't menschelijk lichaam, de zinnelijke waarneming en de uiteenzetting der microcosmosidee. De vergelijking van het menschelijk lichaam bij een stad wordt in Abh. 22 breedvoerig, met vele herhalingen en tot in finesses uitgesponnen. Men vindt ze o.a. aangehaald bij Neuburger (a.w. II, I, blz. 161), die daarop laat volgen: ‘unverändert oder blosz modifiziert finden sich die physio- und psychologischen Anschauungen der lauteren Brüder auch bei den späteren arabischen Philosophen und bei den Aerzten.’ Van deze vergelijking vinden we in ons Mnl. gedicht zoo goed als niets (vgl. blz. 14 hiervoor). Alleen vs. 1545-1548 houden daarmee verband. Een bewijs, dat deze allegorie ook in onze Mnl. letterk. is doorgedrongen, vindt men in den Lksp. I, 15, waar vs. 71-94 een dergelijke uitgewerkte vergelijking geven; een ander voorbeeld levert Een disputacie van Rogiere ende van Janne, vs. 521 vlg. (uitg. Kausler, Denkm. III, blz. 33).
voetnoot1)
De Tr. Br. zijn gelijk men ziet, uitvoeriger dan 't Sec. Sec. De Mnl. bewerking, vs. 1549-1556, noemt na de 5 zinnen alleen de ‘vijfterande creaturen’
voetnoot2)
Vgl. H.d.H., vs. 1712-1718.
voetnoot3)
Vgl. T.J. de Boer in Archiv für Geschichte der Philosophie, (Bnd. XIII) Zu Kindi und seiner Schule, blz. 166: ‘Ihr Bund hatte vier Stufen, sie studirten vier Arten von Büchern, sie kannten eine vierfache Materie’ u.s.w.
voetnoot1)
Over de verdeeling van de sterrenkunde. Het Sec. Sec. laat één onderdeel uit. V.
voetnoot1)
Anthrop. 59: ‘Man findet Menschen tapfer wie Löwen, andere furchtsam wie Hasen. Die Einen sind freigebig wie der Hahn, andere habgierig wie der Hund. Die Einen sind keusch wie die Turteltauben, andere unkeusch wie der Adler.’
Sec. Sec., fol. 49r.: ‘est autem homo audax ut leo: timidus ut lepus: largus ut gallus: avarus ut canis: durus et austerus ut corvus: pius ut turtur.’
Mnl. vert., vs. 1885-1894:
 
Men vanten stout als den lyon,
 
Ende blod na des hasen doen;
 
Milde als den hane mach menne kinnen,
 
Die sijn coren ghevet der hinnen;
 
Vrec vindmen als den hond nochtan,
 
Dies niene mach ende niemen ian;
 
Hart onghetemperd na des herts seden,
 
Die dolende gaet van steden te steden;
 
Als die huusduve tam ende sochte,
 
Die men belghen niet doen mochte.
Bij 5 en 6 is, zooals men ziet, reeds verschil. De Lat. bron voor de Mnl. vertaling zal cervus i. pl. v. corvus hebben gehad. Verdere punten van verschil komen bij de behandeling van den Mnl. text ter sprake.
voetnoot2)
Zie daarvoor Tweemaandelijksch Tijdschrift III. Jaarg. (1897), Een Arabisch natuurphilosoof in de 9de eeuw door G. van Vloten, blz. 307.
voetnoot3)
Steinschneider drukt dit verhaal af in Hebräische Bibliographie X, blz. 11 vlg. Hij meent hier, dat het oorspronkelijk in het Sec. Sec. niet thuis hoort, maar, als randnoot, uit het werk der Tr. Br. in het Lat. Sec. Sec. is ingeslopen. Later (Hebr. Uebers., blz. 251, waar hij 3 Arab. B-hss. nagaat) deelt hij mee, dat één B-hs. het in ieder geval heeft, en een ander opmerkt, dat dat verhaal te bekend is om te vertellen. Hebben we hier een aauwijzing, hoe de ‘verkorting’ in A kan zijn ontstaan?
voetnoot1)
‘De Koran zegt wel, dat het lot van ieder mensch van te voren bepaald, ja zelfs opgeschreven is, maar even dikwijls leest men, dat de engelen de daden der menschen opschrijven, nadat zij verricht zijn,’ Dr. R. Dozy, Het Islamisme, IIIde dr. (Haarlem 1900), blz. 143. Ook in ons werk bespeuren we een dergelijke inconsequentie, vgl. vs. 695-704 Mnl. vert., waar twee ‘gheeste’ al onze werken, ‘groot ende smal’, voor den Schepper brengen, en de astrologisch-fatalistische geschiedenis van den weverszoon (vs. 1605-1646).
voetnoot2)
Vgl. Mnl. vert., vs. 832: ‘die plaghe ten besten kere.’
voetnoot3)
Het is opmerkelijk, dat in het Sec. Sec. wel een hst. over mineralen, en een over planten wordt gevonden, maar niet een over de dieren.
voetnoot1)
Vgl. Mikrokosmos II, blz. 182: ‘Denn bei den Thaten Gottes ist nur der allgemeine Nutzen und das allgemeine Wohl das Ziel; wenn auch theilweiser Schaden entsteht,’ en de Mnl. vert., vs. 602 vlg.
voetnoot2)
Vgl. Förster, Comm., blz. 24.
voetnoot3)
Zie J.H. Jacobs, Jan de Weert's Nieuwe Doctrinael of Spieghel der Sonden ('s-Gravenhage 1915), blz. 49, die uit voerig den oorsprong van dit systematiseeren der zonden nagaat.
voetnoot4)
Hermetische? Dan zouden deze genealogieën bij de Tr. Br. en in het Sec. Sec. ten slotte ook op het Hermetisme kunnen berusten.
voetnoot5)
Als pendant daarvan heet even later veritas radix laudabilium et materia omnium bonorum; vgl. Mnl. vert., vs. 213-214 en 240-242.
voetnoot1)
In de latere Middeleeuwen wordt deze eigenschap van Alexander hoe langer hoe meer op den voorgrond gesteld. ‘A partir de la seconde moitié du XIIe siecle,’ zegt Paul Meyer (Alexandre le Grand dans la Litt. française du Moyen âge, Paris 1886, Dl. II, blz. 372), ‘et jusqu' à la fin du moyen âge, le mérite pour lequel Alexandre est universellement célébré, ce n'est pas son génie pour les choses de la guerre ... ce n'est pas même son courage personnel, .... c'est surtout et par-dessus tout sa largesse. Alexandre est devenu le type idéal du seigneur féodal, ne cherchant point à amasser pour lui, mais distribuant généreusement à ses hommes les terres et les richesses gagnées avec leur aide...’
voetnoot2)
Macchiavelli, die in het laatste gedeelte van zijn beroemd Boek van den Vorst uiteenzet, hoe zich de vorst tegenover zijn onderdanen heeft te gedragen, begint evenals ons Sec. Sec. met een beschouwing over mildheid en gierigheid. We vinden hier ook soortgelijke gedachten uitgedrukt als in het Sec. Sec. Of M. ons werk gekend heeft? Onmogelijk lijkt me dit niet; ook zijn hst. over de keus van raadslieden vertoont eenige gelijkenis met het Sec. Sec. Zie de aant. achter den Middelnederl. text.
voetnoot3)
Als 7de voorschrift geven de Tr. Br.: ‘Lass dich nicht zu viel mit Weibern ein;’ vgl. cap. 19 de custodia proprie persone a mulieribus, fol. 15r.
voetnoot4)
Deze inhoudsopgaven geeft Dieterici, Makrokosmos, blz. 136.
voetnoot1)
Vgl. Reitzenstein, Poimandres, blz. 181: ‘Die Einwirkungen (des unter dem Islam weiterlebenden Hermetismus) scheinen zum Beispiel bei der Sekte der treuen Brüder von Basra nicht gering’ (vgl. ook blz. 167). - Deze wijsheid (de Hermetische nl.) - aldus T.J. de Boer in Ztschrft. für Assyriologie XXVII (Heft 1-3) - in nauwste verbinding met alchemie en astrologie uit 't Hellenisme overgenomen, werkt (bij de Tr. Br.) veel dieper en breeder dan de meer of minder neo-platonisch bewerkte peripatetische philosophie.
voetnoot2)
Van belang is op te merken, dat in de A-versie de meeste ontleeningen aan de werken der Tr. Br. niet worden gevonden; vgl. blz. 34, noot 3.

voetnoot1)
In A is het veel korter (vgl. blz. 9 hiervoor); misschien heeft dit tractaat wel het meest aan verandering en uitbreiding blootgestaan, en niet het minst bijgedragen tot de populariteit van 't geheele werk: geneeskundig advies werd te allen tijde even graag gegeven als aanvaard. Of B ook op sommige punten belangrijk afwijkt van Philippus, weet ik niet, we vinden in de Lat. vertaling zonderlinge herhalingen, die misschien oorspronkelijk niet in de B-versie voorkomen.
voetnoot2)
H.d.H., vs. 859:
 
Ende ghesont so nes negheen,
 
Ensi dat draghen overeen
 
Die complexien, daermede
 
Versament es die menscelikede;
 
Ende complexie es els ghene dinghe
 
Dan ghevoughe temperinghe
 
Van der wacheit des lechamen.

Sec. Sec., fol. 17r.: ‘Non est sanitas nisi per equalitatem complexionum: et non est equalitas complexionum nisi per temperantiam humorum’. - Complexie is ‘"temperament, een hoedanigheid van gestel, welke voortvloeit uit de vermenging van de humoren of lichaamssappen en hunne werking op elkander’ (Dr. E.C. van Leersum, De Cyrurgie van Meester Jan Yperman, Leiden 1912, blz. 256).
voetnoot2)
Vgl. Neuburger I, Galenos (o.a. blz. 393).
voetnoot1)
Vgl. H.d.H., vs. 1083-1085: Die lentin es warem ende nat, / ende der lucht ghelike in dat; / inden mensce wasset dat bloet enz. Zie ook vs. 1115, 1153, 1177 en vgl. Natuurkunde van het Geheel-Al door J. Clarisse (Werken v.d. Maatsch. der Ned. Letterk., Nieuwe Reeks IV, Leiden 1847), vs. 1173 vlg.
voetnoot1)
Vgl. Neuburger, Bnd. II, I2, blz. 313.
voetnoot2)
L. and B.'s Secrees, blz. 112 (vgl. de Middeleng. vert., blz. 55).
voetnoot3)
Het cap. over de oogen is niet alleen veel uitvoeriger dan de andere drie; ook de behandeling is afwijkend van het schema, waarnaar die drie zijn opgesteld; vgl. hier beneden.
voetnoot1)
Vgl. het Regimen Sanitatis Salerni:
De nocumentis visus:
Balnea, vina, Venus, ventus, piper, allia, fumus,
Porri cum cepis, lens, fletus, faba, sinapi,
Sol, coitus, ignis, labor, ictus, acumina, pulvis,
Ista nocent oculis: sed vigilare magis
en De confortantibus visum:
Foeniculus, verbena, rosa, chelidonia, ruta
Ex istis fit aqua, quae lumina reddit acuta.
voetnoot1)
Ik herinner hier ook aan de giftmeisje-geschiedenis.
voetnoot2)
Förster, Comm., blz. 24 wijst - m.i. terecht - af een bewering van Val. Rose (de Arist. libr. ord., blz. 183), dat Constantinus Africanus († 1087) in Pantechni lib. I c. 8-18, ed. Basil. 1539 het Sec. Sec. gebruikt zou hebben. De overeenkomst is maarzeer gering, in verband met de opmerkingen hierboven te gering om aan verband tusschen de twee werken te denken.
voetnoot3)
Uitgegeven door Louis Landouzy en Roger Pépin (Paris 1911).
voetnoot4)
Förster, Cntbl. VI, blz. 63, vermeldt het als zoodanig, nl. als een bewerking van het geheele Sec. Sec. De vergissing is juist hierom vooral vreemd, daar Aldebrandino's werk een zuiver medisch geschrift is. De uitgevers wijzen als een der voornaamste directe bronnen Avicenna aan; het eerste boek van het Régime du Corps is bijna geheel geput uit A.'s Kanon; juist dit boek toont hier en daar overeenkomst met ons Reg. San.
voetnoot1)
De oudste medische werken der school van Salerno berusten op traditiën van onvervalscht Grieksch-Romeinschen oorsprong (Neub. II, 1, 2, 283); eerst later (Const. Afr., 1018-1087) doet zich Arabische invloed gelden, vgl. ook Landouzy et Pépin, Aldebr. de Siena, Avant-Propos, pag XIII.
voetnoot2)
G. Kriesten, a.w., blz. 12 en 15.
voetnoot3)
Een nadere vergelijking leerde mij, dat een bijna even groote overeenkomst als de in noot 4 genoemde bestaat tusschen Sec. Sec., fol. 21tr.: et cave ne iterum comedas enz. (zie blz. 45) en Reg. San. Sal.: lu nunquam comedas enz. (zie Van Biervliet, blz. 33 en vgl. de aant. achter den text bij vs. 1039).
voetnoot4)
De bedoelde passage geeft leefregelen voor lente en zomer. Terwijl het Sec. Sec. nu soortgelijke voorschriften voor herfst en winter heeft, vinden we in 't Reg. San. Sal., ten minste in de oudste bekende redactic, die van Arnoldus de Villanova, slechts de twee eerstgenoemde jaargetijden behandeld. Volgens Paul Tesdorpf (Das medizinische Lehrgedicht der hohen Schule zu Salerno, P. Tesdorpf und Th. Tesdorpf-Sickenberger, Berlin-Stuttgart-Leipzig 1915) is deze text van A.d.V. als ‘authentischer, echter Text’ te beschouwen. In dat geval wordt de waarschijnlijkheid, dat het Sec. Sec. als bron voor het Reg. San. Sal. heeft gediend, grooter.
voetnoot5)
Ook de Salern. regels kunnen hier en daar vergeleken worden; zie A.L. van Biervliet (Les préceptes de l'école de Salerne, Louvain 1863) o.a. blz. 25, 101, 17, 19, 33. - Vgl. ook de aant. achter den Mnl. text.
voetnoot1)
Elk der jaargetijden vertoont twee elementair-qualiteiten, de lente is bovendien nog ‘temperatum’; op deze laatste eigenschap van dit seizoen legt Avicenna vooral den nadruk.
voetnoot1)
D.i. de gele gal. Bij de lente heet het excitatur sanguis (vgl. H.d.H., 1085-1087), in den herfst colera nigra consurgit. Bij den winter is in den Parijschen druk de lezing bedorven. In verschillende Lat. hss. en dr. ontbreken deze woorden. Vgl. blz. 40 hiervoor. In een Mnl. gedicht uit een Berlijnsch hs. (Tschr. XXII, blz. 197), dat later nog ter sprake komt, vindt men precies denzelfden gedachtengang.
voetnoot2)
Een volledige Nederduitsche bewerking van het Reg. San., en een gedeeltelijke (de 4 jaargetijden) noemt G. Kriesten, a.w., blz. 76.
voetnoot1)
Voor Diocles zie men Neub., a.w., I. 241, en voor zijn brief ad valetudinem tuendam ook J.L. Heiberg, Naturwissensch. und Mathem. im klassischen Altertum (Aus Natur und Geisteswelt, Bnd. 370, blz. 31).
voetnoot2)
De werken van P. Aeg. (eerste helft 7de eeuw) zijn reeds vroeg in 't Arabisch vertaald, o.a. door Rhazes, vgl. Neub. o.a. II, 1, 121, zoodat ook hier aan een directe Grieksche bron niet behoeft te worden gedacht.
voetnoot3)
Vgl. Steele, blz. 111; ik gebruik hier een uitgave van Diocles' brief, gedrukt achter Meletius, de natura hominis, bezorgd door Nicolaus Petreius Corcyraeus, Venetiis 1552).
voetnoot4)
Ruten, als medicijn tegen vergif, kent ook Maerlant, o.a. Nat. Bl. X, 585; ook noten en vijgen noemt hij als zoodanig, Nat. Bl. VIII, 600 en 355; over dergelijke antidota zie men Hertz, Giftm., blz. 46.
voetnoot1)
Aldebrandino gebruikt voor zijn verhandeling over spijzen (des simples coses qu'il convient a oume user) de diaetis universalibus et particularibus van Isaäc Judaeus, een veel gebruikte bron in de M.E. Een deel hiervan wordt ook door Jofroi de Waterford in zijn Fransche bewerking van het Sec. Sec. opgenomen (vgl. Hist. Litt. XXI, blz. 221 vlg.).
voetnoot2)
Voor deze alinea vond ik geen parallel in den Parijschen druk. In het Lat. hs., dat de Mnl. vertaler gebruikt heeft, moet echter een dergelijke passage hebben gestaan; In 't Mnl. luiden vs. 1397-1400: Reghen water, dat hier neder / vallet in starc onweder,/updat ment reine mach ontfaen, / dat es ghesont sonder waen.
voetnoot1)
Neub. II, 1, 33: ‘Galenus neigte - im Gegensatz zu Hippokrates - zu astrologischen Lehren, und gerade seine Autorität hat hierdurch der späteren Machtstellung der Astrologie in der Medizin vorgearbeitet.’
voetnoot2)
Uitgave A. Müller, 1884 I, blz. 67.
voetnoot3)
Ik vermeld hier nog, dat Knust op sommige plaatsen Egyptische wijsheid meent te zien, hij verwijst naar Diodorus Siculus; vgl. Jb. X, blz. 284 en Steele, L. and B.'s Secr., blz. 101.

voetnoot4)
Vgl. blz. 1 hiervoor.
voetnoot5)
Comm., blz. 2. Het is voor mij, die de Arabische taal niet machtig ben, natuurlijk ondoenlijk een eigen opinie te vormen. Toch wil ik op een paar punten wijzen, waar de A-versie dichter bij den oorspronkelijken text kan staan dan de B-versie: In de eerste plaats lijkt mij een verdeeling in 8 boeken, zooals A heeft, meer in overeenstemming met het geheele werk, dat zoo'n duidelijke voorliefde voor de getallen 4 en 8 toont, dan een in 10. Verder schijnt mij de volgorde in A logischer dandie in B (vgl. blz. 3 en Knust, Jb. X, blz. 305, die van dezelfde meening is). De groote autoriteit Hermes komt in B onder den naam Hermogenes, in A onverminkt voor; in verband daarmee vestig ik de aandacht er op, dat A als vindplaats van het werk noemt een tempel van Hermes (vgl. blz. 7); B spreekt van het oraculum solis, quod construxit esculapides. - Daarentegen valt in A op sommige plaatsen duidelijk verkorting op te merken; de combinatie in Tractaat A VII kan niet oorspronkelijk zijn. - Van minder gewicht misschien, maar toch vermeldenswaard in dit verband is, dat het aantal bekende A-hss. dat der B-hss. verre overtreft.
voetnoot1)
De onderzochte B-hss. vertoonen onderling meer of minder belangrijke afwijkingen.
voetnoot2)
Steinschneider geeft Hebr. Uebers. eindnoot 25, blz. 995, een korte vergelijking van een A-hs., 3 B-hss. en Phil. Lat. vert.
voetnoot3)
We hebben van Philippus zelf ook een mededeeling dienaangaande, die wel voornamelijk op zijn wijze van vertalen betrekking zal hebben; hij zegt nl. in zijn proloog: ‘ellitiens (eliciens) quandoque litteram ex littera: quandoque sensum ex sensu cum alius fuerit loquendi modus apud arabes et alius apud latinos.’
voetnoot4)
Een deel van de alchemie, en den Lapidarius snijdt hij verder uit.
voetnoot1)
Zie bv. blz. 1068-70.
voetnoot2)
De gezondheidsleer niet.
voetnoot1)
Een titel, misschien in navolging van ons werk ontstaan. Ook Aegidius Colonna gebruikt dienzelfden titel voor zijn ‘vorstenspiegel’.
voetnoot2)
Wat op Griekschen of Indischen invloed wijst, kan, gelijk we zagen, steeds door Arabische vertaling ter kennis van den schrijver zijn gekomen.
voetnoot3)
Te verklaren blijft, hoe in de A-versie zoo weinig daarvan gevonden wordt; vgl. blz. 38, noot 2.

Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken