Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Ideën VII (1879)

Informatie terzijde

Titelpagina van Ideën VII
Afbeelding van Ideën VIIToon afbeelding van titelpagina van Ideën VII

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (1.80 MB)

ebook (3.09 MB)

XML (0.85 MB)

tekstbestand






Genre

proza

Subgenre

aforismen
verhalen


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Ideën VII

(1879)– Multatuli–rechtenstatus Auteursrechtvrij

Vorige Volgende
[pagina 229]
[p. 229]

Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens, opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.

1261.

Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan, zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief aan de opgeblazen Hersilia - jammer dat het niet gediend had - maar 'n preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't vlotte niet. Telkens als-i op z'n: ‘m'nheer, hoor eens!’ zoo goedmoedig ten antwoord kreeg: ‘wat bliefje, jongeheer?’ zonk hem 't hart in de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als 't héél laat was, 'n dubbel-

[pagina 230]
[p. 230]

tje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.

 

Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen 'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel zeker: ‘steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden om uw woord te verkondigen?’ Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan 't preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n gebed te doen: ‘steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!’ maar hy wou doen wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'nheer Jansen 'n eerwaardig man, kwam - juist omdat-i 'n domme jongen was - niet in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongeluî, zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te kapittelen, als ze maar - door Styntje? - ‘bevestigd’ waren, en de voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och, 't lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken, leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:

 

- Kan u zingen, m'nheer?

 

Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen, kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen, maar hy had weer: ‘m'nheer, hoor eens!’ geroepen, en moest toch iets antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?

 

- Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys in de kerk, die bood hem...

[pagina 231]
[p. 231]

ik weet niet hoeveel geld, als-i zich wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp je. Maar anders... hy zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is 'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet!

 

Als 'n bliksem vloog hier Styntje's mededeeling dat Femke niet van ‘pastoor hiernaast’ hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!

 

- Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó, en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is?

- Neen, m'nheer!

- Kyrie beteekent: ‘Heer’ en eleison is zooveel als: ‘verlos ons!’ Nu, dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerst man in z'n vak. Hy is orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen - nu, dàt zal je vreemd vinden! - ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof...

 

Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek over spaarzaamheid.

 

...voor 't heele hof, denk eens!

- Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel.

- Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i gezeten heeft? Dat moet je nu eens raden, jongeheer.

- Op 'n stoel, m'nheer.

- Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i gezeten. Hoe vindje dàt?

 

Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek.

[pagina 232]
[p. 232]

De fondsen van z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi, fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat 'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.

 

- Op haar schoot, m'nheer?

- Ja.

- 'n Aartshertogin?

- Ja, van Oostenryk.

- Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk?

- Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens, en Styn weet het ook, want ze was er by...

- Aan 't hof, m'nheer?

- Neen, toen pastoor Koens 't vertelde.

 

De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met 'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet!

 

- Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...

 

Nòg meer, o hemel?

 

...hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt geraden hebben?

- Neen, m'nheer!

- Dat dacht ik wel! En ik ben er nog niet! De Keizerin heeft hem gezoend...

- Maar, m'nheer!

...gezoend op allebei z'n wangen.

 

‘Naar Weenen, naar Weenen!’ riep alles wat stem had in Wouter's gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd - ach, vernietigd te-gelyker-

[pagina 233]
[p. 233]

tyd - door 't vervolg en slot van de historie.

 

- De keizerin stopte z'n zakken vol...

- Hè?

...vol suikerdemangelen.

 

Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:

 

- Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem gestudeerd - later, weetje - en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie...

 

Wouter rilde protestantelyk.

 

...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek, toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild, want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde, en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens!

- Hè, m'nheer!

- 't Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensch 'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis 'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten aan, ook. Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n Vulgata - altyd met die ééne pink, moet je denken - tot quotidianum van de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf zei,

[pagina 234]
[p. 234]

bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht, macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik 't wel laten, dat vat je wel!

 

Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zyn.

 

- Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i 't me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk, en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!

 

't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse, en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in ‘Femken’ of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs, en zonder dat dit hem moeite kostte.

 

- 't Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over, maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat 'n man

[pagina 235]
[p. 235]

in de kerk - 't was 'n slachter, moet je begrypen - die kreeg 'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd, en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om die kinderen.

- En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden?

- Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, en Styn moest ze terugbrengen, zeid-i.

- Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen.

- Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook, en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want ik mag wel worst.

- Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?

- Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood.

- Wat had-i gedaan met die Trineke?

- Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel - want we hadden 'n kapel in 't Simmenarie - hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen, wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paasschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen - 't was al z'n derde, want, daar de mâskes veel meekregen,

[pagina 236]
[p. 236]

wou ieder ze hebben - en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je 'r nooit over spreken zult?

- Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!

- Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt, 'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over sterkte. ‘Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met Lies. ‘Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?’ Want dàt wou ik weten. ‘En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineken is.’

 

Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen twee- drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom, die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal dood te maken. In

[pagina 237]
[p. 237]

byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had, droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is, en daarby zoo byzonder sterk.

 

- Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...

- Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen 't verhaal afbreken zou.

- O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't weet. Ik wou je dan zeggen - maar 't spyt me wel - dat de boeren... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...

- Hè?

...die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was? ‘Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!’ En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf - dit gebeurt soms - dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet - dat begryp je wel - maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal, en vroeg: ‘is ze hier?’ maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: ‘wat wil je toch met dat ouwe mensch?’ Maar ik zei: ‘met jou dans ik niet!’ en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de deuren van den stal wou openen? ‘Neen, zeid-i, en ze is er niet!’ En ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet 'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik

[pagina 238]
[p. 238]

heb er nog schik van.

- En Trineke, m'nheer?

- Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem verbryzelen zou, precies zoo als ik die staldeur gedaan had... neen, veel erger nog! En ik zei - met 'n zwaren vloek er op - dat ik bord noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineken op 'n bed lag, met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor! O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei: ‘denk jy dat God met koperen poppen gediend is? Die ouwe Trine draagt meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was, en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja, maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?’ Zoo heb ik gesproken, en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak, daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.

- En Liesje, m'nheer?

- Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar

[pagina 239]
[p. 239]

dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker om die weddingschap.

 

Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien ‘schoven ze maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier.’ Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut périlleux. De onkunde der jeugd is wreed - cet âge est sans pitié, zei de fabeldichter - en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:

 

- En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer?

- O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou. Want dàt had ik haar verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde 't wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!

- Waarom huilde ze zoo, m'nheer?

- Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want 'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik Trineken opnam...

- Had U dat gedaan, m'nheer?

- Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was Koremans z'n eigen bed...

- Och!

- Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest, of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n

[pagina 240]
[p. 240]

huis maken. En Lies wou háár bed afstaan, maar ik zei: ‘né, in 't zyne, of ik kom hier nooit weer!’ En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader - je bent maar 'n ruige Ezau! zei ik - en daarom zal ze misschien gehuild hebben.

- Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer?

 

Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling tusschen de varianten ‘mooi’ en ‘schoon’ deed hem telkens aarselen. 't Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor - te gemeen ook misschien - en 't andere klonk te boekerig by Jansen's gemeenzaamheid. Toch moest ons romanlezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter, of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!

 

- O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in, en zei dat hy dat wel zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och, zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken 't maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik, en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.

- En, m'nheer, bezocht u Liesje niet?

- Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!

- Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten.

- Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zy aan 't venster. Ook

[pagina 241]
[p. 241]

soms aan 't hek, maar zoodra we naderby kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n Simmenarie. Nu, dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruzer geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschim weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!

 

Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't paar de haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.

 

- Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben moê ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat afgedraafd, en verlang naar 'n zitje. Maar... wat is dáár te doen?

 

Inderdaad, er was 'n ‘standje’ by de aanlegplaats van de schuit. Onze wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte van te weten.

 

Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansens preekmanier geven zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft.


Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken