Skiplinks

  • Tekst
  • Verantwoording en downloads
  • Doorverwijzing en noten
Logo DBNL Ga naar de homepage
Logo DBNL

Hoofdmenu

  • Literatuur & taal
    • Auteurs
    • Beschikbare titels
    • Literatuur
    • Taalkunde
    • Collectie Limburg
    • Collectie Friesland
    • Collectie Suriname
    • Collectie Zuid-Afrika
  • Selecties
    • Collectie jeugdliteratuur
    • Basisbibliotheek
    • Tijdschriften/jaarboeken
    • Naslagwerken
    • Collectie e-books
    • Collectie publiek domein
    • Calendarium
    • Atlas
  • Periode
    • Middeleeuwen
    • Periode 1550-1700
    • Achttiende eeuw
    • Negentiende eeuw
    • Twintigste eeuw
    • Eenentwintigste eeuw
Nederduitsch taalkundig woordenboek. T-U. V (1810)

Informatie terzijde

Titelpagina van Nederduitsch taalkundig woordenboek. T-U. V
Afbeelding van Nederduitsch taalkundig woordenboek. T-U. VToon afbeelding van titelpagina van Nederduitsch taalkundig woordenboek. T-U. V

  • Verantwoording
  • Inhoudsopgave

Downloads

PDF van tekst (4.31 MB)

Scans (477.69 MB)

ebook (6.03 MB)

XML (2.96 MB)

tekstbestand






Genre

sec - taalkunde

Subgenre

woordenboek / lexicon


© zie Auteursrecht en gebruiksvoorwaarden.

Nederduitsch taalkundig woordenboek. T-U. V

(1810)–P. Weiland–rechtenstatus Auteursrechtvrij

Vorige Volgende

[Tam]

TAM, bijv. n. en bijw., tammer, tamst. Getemd, aan het bedwang, waarin onze huisdieren leven, onderworpen en gewoon; want eigenlijk bezigt men dit woord enkel nopens dieren: onze tamme schapen zijn groote-

[pagina 21]
[p. 21]

lijks ontaard van de wilde. Een tamme olifant. Een tam paard wordt dus genoemd in tegenoverstelling van een wild, al verdient het den naam van mak nog niet. Kruipend, wild, en tam, gediert. L.D.S.P. Tamme eenden, die, bij de boeren, in de sloten en de eendenkooijen leven, in tegenoverstelling van wilde, die in het wild vliegen. Voorts noemt men ook planten tam, die door landbouwers, of tuinlieden, kunstmatig aangekweekt en behandeld worden; zoo als een tamme wijnstok, een tamme kastanjeboom. En eindelijk geeft men den naam van tam aan een mensch, die gedwee en handelbaar is: hij begint reeds tammer te worden. In dezen zin is mak intusschen gebruikelijker. Van hier tammen, tamheid en tammigheid, bij Kil.

Tam, moesogoth. en zweed. ook tam, angels. en eng. tame, neders. taam, hoogd. zahm, Notk. zam, stamt af van tammen, bij Kil. evenveel als temmen, en verwant aan ons toomen, het lat. domare, en het gr. δαμαειν; zie temmen.


Vorige Volgende

Footer navigatie

Logo DBNL Logo DBNL

Over DBNL

  • Wat is DBNL?
  • Over ons
  • Selectie- en editieverantwoording

Voor gebruikers

  • Gebruiksvoorwaarden/Terms of Use
  • Informatie voor rechthebbenden
  • Disclaimer
  • Privacy
  • Toegankelijkheid

Contact

  • Contactformulier
  • Veelgestelde vragen
  • Vacatures
Logo DBNL

Partners

Ga naar kb.nl logo KB
Ga naar taalunie.org logo TaalUnie
Ga naar vlaamse-erfgoedbibliotheken.be logo Vlaamse Erfgoedbibliotheken