|
|
|
| |
| | | |
Toelichtingen
| | | |
Kinderarbeid en sociale wetgeving
Het probleem van de kinderarbeid was misschien niet het meest ernstige sociale probleem in Nederland, maar het was wèl een zaak die vanaf het begin van de negentiende eeuw de meeste aandacht trok en het denken over sociale wetgeving op gang bracht. Vergeleken bij industrielanden als Engeland en België, was de omvang en verbreiding van de kinderarbeid in Nederland minder groot. Maar ook hier ging de ontwikkeling van nieuwe industriële activiteiten gepaard met de uitbuiting van kinderen beneden de twaalf jaar. Hun zeer goedkope arbeid werd vooral gebruikt als hulparbeid voor volwassenen. Het verzet tegen de afschaffing van kinderarbeid kwam dan ook niet alleen van ondernemers, maar vaak juist van volwassen arbeiders, die hun eigen werk bedreigd zagen. Ook in de parlementaire enquête zijn daarvan nog voorbeelden te vinden.
Nu heeft kinderarbeid waarschijnlijk een geschiedenis die teruggaat tot vèr voor de industrialisering in de negentiende eeuw. In het huishouden, op het platteland, in de velden en in de huisnijverheid werden vanouds ook kinderen ingezet. Maar het was de speciale vorm waarin de nieuwe industrie zich van de kinderen bediende, die het verzet opriep. Bij de andere vormen van kinderarbeid werkten de kinderen vaak onder begeleiding van hun ouders (zoals op het land) of verrichtten zij hulparbeid voor hun thuiswerkende vader. De nieuwe industrieën echter haalden de kinderen weg uit hun vertrouwde omgeving, verzamelden hen met andere lotgenoten in fabrieksruimten en stelden hen te werk onder toezicht van opzichters en bazen.
Verzet tegen kinderarbeid en de vraag om een wettelijke beperking van het werken van kinderen in fabrieken gaan dan ook gelijk op met de uitbreiding van de fabrieksarbeid. Al in 1835 wordt er vanuit onderwijskringen in Twente voor gewaarschuwd dat de uitbreidende textielindustrie steeds meer kinderen zal proberen te krijgen ‘om de voordeelen die zij aan ondernemers opleveren’. Velen waren bang dat de industrie dezelfde wantoestanden als in het buitenland zou opleveren. Over Oldenzaalse katoen- | | | | weverijen wordt bezorgd opgemerkt dat zich daar tonelen afspelen die ‘ons onwillekeurig aan de losbandigheid der buitenlandsche fabriekssteden doen denken.’ Het gaat blijkbaar niet zozeer om de bescherming van de kinderen, maar om de bescherming van de maatschappij. Een commissie uit Almelo drukt ‘fijngevoelig’ uit dat een regeling nodig is voor ‘rust en veiligheid der fabrieksplaatsen en voor de bestaande maatschappelijke orde.’ Op grond van deze en andere adviezen wordt dan ook al in 1840 een Regeringsnota opgesteld waarin arbeid in fabrieken van kinderen onder de tien jaar ongewenst wordt verklaard. Dit ontwerp was geïnspireerd op een Pruisische wet van 1839; Engeland was overigens al in 1833, als eerste, overgegaan tot een wettelijke beperking van de kinderarbeid.
In Nederland zou het echter tot 1874 duren voor er een wet op de kinderarbeid door het parlement zou worden aangenomen. Het liberalisme, dat vanaf 1848 de heersende staatsideologie was, hield er niet van de vrijheid van de ondernemers aan te tasten. Herhaaldelijk werden er onderzoeken ingesteld naar de omvang en de uitbreiding van kinderarbeid, maar maatregelen werden niet genomen. Bij de meeste initiatieven was het morele verontwaardiging en niét de zorg om de kinderen die de onderzoekers tot actie dreef. Een verontruste minister van Binnenlandse Zaken schreef in 1841 dat door de fabrieksarbeid de jonge kinderen ‘in het wilde opgroeijen, hunne uren in baldadigheid doorbrengen, en later, zoo zij al niet tot uitspattingen en misdaden vervallen, toch hunne onbeschaafdheid en zedeloosheid op kinderen en kindskinderen overplanten.’
Angst voor verstoring van de openbare orde, bleef lange tijd de drijfveer die diverse instanties ertoe bracht om te vragen naar wettelijke maatregelen. Maar daar kwam na 1850 nog een andere overweging bij: de opkomende industrie kreeg in toenemende mate behoefte aan goed-opgeleide en goedgevoede arbeidskrachten. Die waren er in Nederland op dat moment niet en ze zouden er ook niet komen als de kinderen al vanaf hun achtste of negende jaar in de fabrieken afgebeuld werden. De vraag naar gekwalificeerde arbeidskrachten steeg geleidelijk. En, zoals professor A. Querido schreef in zijn overzicht van honderd jaar volksgezondheid: ‘De arbeider moest beter worden gevoed en onderwezen, om zijn rol in het produktieproces te kunnen vervullen. Zijn gezondheid moest worden beschermd, want deze had economische betekenis gekregen.’ In dit licht is het niet verwonderlijk dat binnen de pressiegroep die in 1863 ijvert voor een onderzoek naar de kinderarbeid, zich een groot aantal Leidse ondernemers bevindt.
In 1863 wordt, na vragen uit de Tweede Kamer, door de regering een staatscommissie ingesteld ‘belast met het onderzoek naar den toestand der kinderen in fabrieken arbeidende’, zoals het plechtstatig heette. Er zou onderzocht worden hoe het met de kinderarbeid in Nederland gesteld
| | | | was en wat de invloed van die arbeid was op de lichamelijke, zedelijke en geestelijke ontwikkeling van die kinderen. In deze Staatscommissie van 1863 namen artsen èn industriëlen zitting; zij werd geleid door A. de Vries Robbé, ingenieur van het stoomwezen. Overigens was de voorzitter de enige van de commissieleden die overtuigd was van de noodzaak van wettelijke maatregelen. Misschien dat door de interne tegenstellingen binnen de commissie het werk extra vertraagd werd. Pas zeven jaar later verschenen de verslagen van het onderzoek en de conclusies van de commissie. Hoewel men vaststelde dat kinderen in Nederland door de fabrieksarbeid lichamelijk en geestelijk ernstig aangetast werden, adviseerde de meerderheid van de commissie tégen wettelijke maatregelen. Het zou toch niets helpen, want de industrie kon nu eenmaal niet buiten de kinderarbeid. En als de kinderen niet meer in de fabrieken mochten werken, zouden vrouwen de opengevallen plaatsen innemen, wat volgens de commissie nòg erger zou zijn. Alleen de Vries Robbé pleitte in een minderheidsnota voor wettelijke maatregelen en voor de invoering van leerplicht om ook ontduiking onmogelijk te maken.
De regering legde het eindrapport naast zich neer en bleek niet van plan om zelf enig initiatief te nemen. In de Tweede Kamer stond S. Van Houten helemaal alleen toen hij in 1871 pleitte voor een verbod van kinderarbeid in het algemeen - dus niet beperkt tot de fabrieken. De liberale afgevaardigde W. Idzerda bestreed zijn partijgenoot Van Houten met een typerend argument: ‘De fabrikanten zullen spoedig en met eenig regt zeggen: nu gij de kinderen verbiedt in de fabrieken te werken, kunnen wij niet concurreren met het buitenland; wij vragen daarom bescherming van onze nijverheid door verhooging van de tarieven van invoerregten. De werklieden zullen aandringen op loonsverhooging en vrouwenarbeid zal in de plaats treden van kinderarbeid.’
Intussen was echter de publieke opinie gemobiliseerd. Van verschillende zijden werd geageerd voor wettelijke maatregelen; vanuit onderwijskringen werd aangedrongen op de invoering van een leerplicht. De regering werd gekritiseerd vanwege haar sociaal-negativisme, omdat Thorbecke verklaard had dat men maar beter eerst kon afwachten wat de fabrikanten zèlf aan het kwaad zouden doen. Van Houten antwoordde daarop dat wat hem betrof de industrieën die niet zonder kinderarbeid zouden kunnen voortbestaan, beter konden verdwijnen. Een geïrriteerde Thorbecke voegde hem daarop toe dat hij dan zèlf maar een initiatiefwet moest indienen.
Dat gebeurde in 1873 inderdaad, nadat minister Geertsema opnieuw Van Houten nul op rekest had gegeven bij diens aandringen op overheidsingrijpen. Het initiatiefvoorstel beperkte in principe alle arbeid van kinderen beneden de 12 jaar en maakte de invoering van de leerplicht door de gemeenten mogelijk. Kritiek kwam van alle kanten. Sommigen vonden dat
| | | | de leerplicht er niet in thuis hoorde. De Maastrichtse kapelaan J.H. Wijnen deelde die opvatting, maar betoogde in een geruchtmakende brochure dat Van Houtens voorstel niet vèr genoeg ging: hij pleitte niet voor beperking, maar voor volledig verbieden van alle arbeid beneden de twaalf jaar. De bekende voorvechter van sociale wetgeving, dokter Samuel Coronel, beoordeelde het wetsontwerp als onvoldoende omdat het niet voorzag in een arbeidsinspectie. Door de georganiseerde arbeidersbeweging werd het voorstel-Van Houten gesteund. Het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond organiseerde een handtekeningenactie en een demonstratieve vergadering in Den Haag ter ondersteuning van het wetsvoorstel, hoewel ook zij eigenlijk veel verder wilde gaan met de bescherming van kinderen.
In de Kamer werd intussen het wetsvoorstel eindeloos geamendeerd en veranderd. Tenslotte herkende Van Houten nog maar weinig van zijn oorspronkelijke voorstel: de leerplicht werd door de confessionelen weggezuiverd; huishoudelijke arbeid en veldarbeid (landarbeid) werden van de wettelijke beperkingen uitgezonderd onder druk van de conservatieve agrarische vertegenwoordigers. Tenslotte verscheen in september 1874 het ‘Kinderwetje van Van Houten’ zoals het meestal aangeduid wordt, in de volgende vorm in het Staatsblad:
| Artikel 1: | ‘Het is verboden kinderen beneden twaalf jaren in dienst te nemen of in dienst te hebben.’ |
| Artikel 2: | ‘Het verbod van artikel 1 is niet van toepassing op huiselijke en persoonlijke diensten en op veldarbeid.’ |
Andere artikelen bevatten de strafmaatregelen en de overgangsregeling: het wetje zou pas in september 1876 volledig van kracht worden. Het belangrijkste tekort was natuurlijk de afwezigheid van leerplicht. Maar bovendien had in de Eerste Kamer de Twentse industriëel C.T. Stork op een andere ernstige tekortkoming gewezen, die weldra het wetje zou ontkrachten. Een verbod op kinderarbeid in fabrieken alléén zou, zo stelde hij, niets uithalen, omdat huis- en landarbeid nog voldoende uitwijkmogelijkheden boden. Overigens was hij niet voor een algeméén verbod; hij was tegen èlk verbod. Hij stemde dan ook tegen; net als Abraham Kuyper, die wel voor bescherming van de kinderen was, maar door tegenstemmen zijn afkeer uitte van ‘de socialistische, in merg en been revolutionnaire beginselen van de voorsteller.’
De onvolkomenheden van de wet en het ontbreken van iedere inspectie op de naleving leidden al snel tot nieuwe kritiek. Vooral Coronel bleek onvermoeibaar in het signaleren van steeds weer nieuw-ontdekte wantoestanden die door de wet met rust gelaten werden. De regeringen, die in die periode elkaar snel opvolgden, lieten af en toe onderzoekingen doen, maar kwamen niet met nieuwe voorstellen. Alleen in de Wet op het Lager Onderwijs van 1878 werd aan de gemeenten de bevoegdheid gegeven om
| | | | arbeid van kinderen beneden twaalf jaar te verbieden om zo het onderwijs veilig te stellen. Ongeveer 150 gemeenten maakten van deze mogelijkheid gebruik; helaas waren dat bijna uitsluitend zeer kleine gemeenten. Ook hier was van inspectie en controle nauwelijks sprake.
In 1882 kwam de Minister van Justitie Modderman met een voorstel dat grotendeels tegemoet kwam aan de kritiek van de progressieven. Hij wilde alle arbeid onder de twaalf jaar verbieden en die tussen 12 en 16 jaar aan beperkingen onderwerpen. Een Arbeidsinspectie zou op de naleving van deze wet moeten toezien. In de Kamer ontmoette dit wetsvoorstel bijzonder heftige kritiek. Modderman was zijn tijd duidelijk ver vooruit. Zijn opvolger, Du Tour van Bellinchave, trok het wetsvoorstel in 1883 ijlings in.
In de kamer was de rol van S. Van Houten intussen overgenomen door H. Goeman Borgesius, die steeds weer opnieuw pleitte voor verdergaande maatregelen. Buiten de Kamer waren het de arbeidersorganisaties die ageerden voor een nieuwe wet. Minister Du Tour diende weliswaar een nieuw ontwerp in, maar de heftige kritiek van de kamermeerderheid zorgde ervoor dat ook dit voorstel werd ingetrokken. In augustus 1886 stelde Goeman Borgesius daarom de Kamer voor om eerst een parlementair onderzoek in te stellen. Twee maanden later werd een commissie gevormd die tot opdracht kreeg een onderzoek in te stellen naar de ‘werking en uitbreiding der Wet van 19 September 1874’ (het zgn. ‘kinderwetje-Van Houten’) en ‘naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen’. De hele enquête van 1887 is dus een direct gevolg van de discussie rond de kinderarbeid geweest. De publikatie van de verhoren en van het eindverslag van de commissie leidde tenslotte tot de Arbeidswet van 1889, die zou worden ingediend door de r.-k. minister van Justitie G. Ruys van Beerenbroek, een van de leden van de parlementaire enquêtecommissie van 1887. Dat wetsvoorstel van Ruys was echter zeer gematigd. Het kwam er op neer dat alleen arbeid van kinderen beneden de twaalf jaar verboden werd in fabrieken en werkplaatsen. Landbouw, veeteelt, venen, huisarbeid en thuiswerk vielen opnieuw buiten de wetgeving. Daar stond tegenover dat de werktijd van kinderen tussen 12 en 16 jaar beperkt werd tot elf uur per dag. Alles bij elkaar was het dus maar een uiterst magere verbetering die na vijftien jaar strijd over de kinderarbeid werd ingevoerd. Tevergeefs probeerden enkele vooruitstrevende kamerleden amendementen aangenomen te krijgen die iets meer tegemoet zouden komen
aan de wensen die op dit terrein buiten de Kamer leefden, B.H. Heldt wenste in ieder geval de arbeid voor kinderen onder de veertien jaar te beperken tot negen uur per dag, maar zijn voorstel werd weggestemd. Ook een poging om de nachtarbeid beneden de leeftijd van zestien jaar te verbieden, verdween in de parlementaire prullebak. Slechts één amendement haalde het: voor
| | | | kinderen van 12 en 13 werd nachtarbeid afgeschaft. Maar zelfs tegen dit voorstel stemden maar liefst 26 leden van de Tweede Kamer! F. Domela Nieuwenhuis fulmineerde als enig socialistisch kamerlid heftig tegen de wet. Maar al zijn tegenvoorstellen werden afgewezen. Hij bepleitte zelfs een totaal verbod op kinderarbeid beneden de 15 jaar, maar dat leverde hem voornamelijk hoongelach op. Buiten de Kamer ageerde de Sociaal-Demokratische Bond bijzonder fel tegen de Arbeidswet, onder andere door protestbijeenkomsten, zoals die van 11 maart 1889 in het Haagse gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Hoewel de SDB alle ministers en kamerleden had uitgenodigd waren slechts vijf leden van de Tweede Kamer aanwezig. Behalve Domela Nieuwenhuis waren dat Goeman Borgesius, Kerdijk, Heldt en een zekere Gildemeester. Deze vergadering had een emotioneel verloop; een ondervoed fabrieksmeisje uit Twente werd op het podium gebracht ‘als een levend protest tegen den langzamen kindermoord in het zoogenaamde Twentsche paradijs.’ W.H. Vliegen, toen een van de meest actieve propagandisten van de SDB, hield een rede waarin hij vaststelde dat de parlementaire enquête niets had onthuld dat niet al lang tevoren in ‘Recht voor Allen’ uitvoerig door arbeiders zèlf was meegedeeld. De Arbeidswet van Ruys noemde hij ‘een buiteling der kapitalisten ten gevolge van een schop hun door de socialisten toegediend’. In zijn slotwoorden riep hij uit dat het 't volk koud liet of dit wetsvoorstel werd aangenomen of niet: ‘Wordt het aangenomen dan hebben we niets - en wordt het verworpen dan hebben we precies evenveel!’ Hij werd door de vierduizend aanwezige arbeiders stormachtig toegejuicht.
In de Tweede Kamer werd het wetsvoorstel van Ruys aangenomen met 84 stemmen voor en één tegen (die van Domela Nieuwenhuis). In de Eerste Kamer werd het met algemene stemmen aangenomen. Een halve eeuw agitatie tegen de kinderarbeid werd afgesloten door een kreupele wet. |
|
|