i.s.m.
[p. 591]
Maria hulp der kristenen.
O
groote Maagd, zoo ver in 't god'lijk licht gevaren
Tot waar de Cherubijn slechts duiz'lend door kan staren!
O dochter, moeder en vorstin van ons geslacht,
Ja 's Hemels koningin! Met onbepaalde macht
Schenkt gij den gloriepalm aan uw natuurgenooten,
En de aarde ontvangt geen gunst dan door uw hand gevloten...
U roept in 't stille dal de zachte landman aan;
U bad de Christen held eer dat de Halve Maan
Of 't razend Ketterdom voor Christus standaard vlogen;
U smeekt de schepeling, o biddend Alvermogen!
Wanneer aan 't donk're zwerk de holle donder gromt,
De mastboom kromt en kraakt en de afgrond onheil bromt.
U rijst een gouden troon op marmeren pilaren
In 't vorstelijk paleis; U eeren negersscharen
In 't rieten heiligdom met staam'lende gebeên,
Waar de Evangeliezon door Afrijks wouden scheen;
U stemmen 't bevend lied de ballingen van Polen
Gedoemd langs eeuwig ijs- en sneeuwgebergt' te dolen.
De weêuw, wier noodgeklaag op stalen borsten stuit,
Strekt hoopvol om uw steun haar mag're handen uit.
Ja uit het volle koor van koningen en volken
Stijgt werelds lofzang tot uw glorie door de wolken,
Die naar d'onfaalb'ren toon dien Petrus harpe zingt
Aan Edens lied zich paart en om uw troon weerklinkt....
De vroolijke Overvloed met frissche rozenwangen,
De Zege van olijf- en lauwertak omhangen,
De Hoop die 't leven voedt in 't kreunend kerkergraf,
Der waarheid Dageraad gaan uwe schreên vooraf...
Gij ziet den Maagdenstoet door dankbaarheid gedreven
Als held're zonnen om uw hoogen zetel zweven
En 't Mart'laarsheir in hoon en foltersmart gegloeid
Veel reiner dan het goud dat uit den smeltkroes vloeit,
U wijden palm en kroon. - Maar ach, de ontmomde Logen
[p. 592]
Voor uwen hemelglans haar blinde prooi ontvlogen,
De geile Wellust, eer door 't heidendom aanbeên,
Van 't praalgestoelte door uw kuischen voet vertreên
Vereenden heur geweld met 's Afgronds reuzenkrachten
Tot ondergang van wie uw name hulde brachten...
Vervroeg uw zege, o Maagd! Verkeer in blijden zang
Der kerke rouwgerucht! Verplet de helsche slang,
Die zwanger van venijn langs Pius rots zich kronkelde,
Waar 't ongeloof ten spijt een koningsschepter fonkelde.
O wek Mentana's held uit zulk een droeven vreê!
Niet langer roest' zijn slagzwaard roemloos in de scheê,
Maar blikseme in de hand van Christus dapp're ridderen
Tot redding van Gods bruid en doe heur hat'ren sidderen.
S
t
-
Roch
.
O. Ritzen
.