|
|
|
| |
| | | |
De vrijheid van godsdienst en de Geuzen in de XVIe eeuw.
SLECHTS in 't begin der tweede helft van de XVIe eeuw was het dat de ‘Hervorming’ in de Nederlanden voor goed het hoofd opstak. Wel bestond zij, en reeds lang, voor dit tijdstip in onze gewesten; doch door de strenge maatregelen van Keizer Karel, die haar in de naburige landen, in Duitschland, Zwitserland en Engeland, zoo driest aan den gang had gezien, in bedwang gehouden, had zij zich nimmer in 't openbaar durven vertoonen en waren hare handlangers genoodzaakt geweest, ‘God’, gelijk zij het noemden ‘naar hun geweten in 't geheim te dienen’. Nauwelijks echter had koning Philips II, die niet minder dan zijn vader, Keizer Karel, tegen haar was ingenomen, den Nederlandschen bodem verlaten om zich naar Spanje te begeven, waar de belangen van dit koninkdom hem riepen, en achtte zij zich, door den steun welken zij bij den min tevreden en oproerigen adel, dien de koning bij zijn vertrek in den lande had gelaten, vond, tot minder omzichtigheid gedwongen, of de aap kwam uit de mouw. Van denzelfden oogenblik vroeg zij niet alleen, zooals zij dit tot nog toe gedaan had, het recht voor hare partijgenooten om, even zoowel als de Katholieken, God in volle vrijheid, naar de inspraak hunner harten en de voorschriften van het
| | | | ‘rein Evangelie’, te mogen eeren en aanbidden; maar dat hen dit recht alleen, bij uitsluiting van al wie niet dacht zooals zij, werde geschonken, in ander woorden, gelijk Dr Koch, een Protestantsche geschiedschrijver, zegt: zij eischten ‘de uitsluitende heerschappij hunner leer door geheel het land en de uitroeiing van het Katholicisme’(1).
Laten wij, ten behoeve van hen die deze geschiedkundige waarheid, hoe klaar zij ook in eene onafzienbare reeks van feiten en daadzaken van allen rang en aard doorstrale, voortdurend blijven betwisten, zelfs gansch het tegenovergestelde staande houden, ja, de Hervorming als de morgendzon van den heerlijk schitterenden vrijheidsdag welken wij op het oogenblik bezitten, begroeten, laten wij dit nogmaals door eenige klare, stellige, ontegensprekelijke, afdoende bewijzen in het licht stellen.
En wel vooreerst, werpen wij een vluchtigen blik op den ‘Beeldstorm’, die, in Augustus en September 1566, voor de eerste maal in de Nederlanden losbrak.
Door wie, hoe en waar kwam deze tot stand? Is het waar dat, zooals de meeste geschiedschrijvers van Protestantsche zijde, over deze eerste heldendaden hunner geloofsbroeders in de XVIe eeuw beschaamd, beweren, deze ‘gelijk een wind, die men niet weet van waar hij komt, ontstond’?... Is het geschiedenis dat hij het werk was slechts ‘van eenige weinigen uit het laagste gemeen, men weet niet door wie opgestookt’!...(2) Helaas! hoe geerne ook wij dit, tot de eer van het menschdom, zelfs der Hervorming die toch nog altijd een godsdienst is, toegaven, de geschiedenis des ‘Beeldstorms’ verplicht ons te antwoorden: neen!...
| | | |
Ongetwijfeld, een onstuimig, wild, alle eer-, plichten godsdienstvergeten grauw, gelijk in alle omwenteling, in allen opstand, voerde hem uit, brak de beelden, sloeg de altaren aan stukken, verscheurde de schilderijen, roofde de kelken, de gouden en zilveren vaten en de andere schatten der kerken, kloosters en kapellen; doch wie hitste hen door preeken en schriften op!... Ga naar de steden en de bijzonderste plaatsen waar de ‘Beeldstorm’ woedde; ondervraag er de archieven en de kronijken van den tijd en zeg hoeveel plaatsen men ontmoet waar men niet dezen of genen predikant, dit of dat opperhoofd der Hervorming, even gelijk in Duitschland, Frankrijk en Zwitserland, aan het hoofd van dezen vindt!... Wij aarzelen het niet te zeggen: zij zullen klein, bitter klein zijn in getal, zeldzame, allerzeldzaamste uitzonderingen wezen.
Ten bewijze, ziehier ettelijke voorbeelden die wij onder duizend andere welke de geschiedenis dier ramp-, smart- en schandvolle dagen oplevert, uitkiezen.
De eerste plaats waar er in de Nederlanden gebeeldstormd werd, was Steenvoorde, een dorpje nabij Cassel in Vlaanderen, thans aan Frankrijk toebehoorend. Wie was het die het volk tot de afwerping der ‘goden’ (de beelden der Heiligen) en de plundering der kerke aldaar opruide? - Een predikant, Sebastiaan Matte van Yper!(1)
Den 11e, 12e en 13e Augustus werd de verwoesting der kerken en kloosters alom in de dorpen rond Sint-Omaar, Cassel, Yper en Kortrijk voltrokken.(2) Wie voerde er de bende boeren, lichtkooien, ‘den droesem, gelijk Strada zegt, welke alleen bij groote beroerten uit de diepte opbruischt’ en evengemelde wanordelijkheden tot het leven riep, aan?... Dezelfde Sebastiaan Matte, die den beeldstorm den 10e te
| | | | Steenvoorde voorzat, een predikant van Richebourg, met name Juliaan, en eenige andere bedienaars van het ‘Zuiver Woord Gods’ wier namen de geschiedenis gelukkiglijk niet heeft bewaard!(1)
Door deze eerste proeven, die het hun gegeven was straffeloos te volvoeren, verstout en nergens den minsten tegenstand ontmoetende, veroorloofden zich de beeldstormers zich den 15e naar Yper te begeven. Terwijl Antoon Algoet, een oud-dominikanermonik, toen ten tijde leeraar der ‘nieuwe Religie’, met het magistraat der stad aan de poort van Boesingen onderhandelde en aan dit verklaarde dat het zijn plicht was de ‘afgoden’, als strijdig met het woord Gods, uit de tempels te doen verdwijnen, drong Sebastiaan Matte, reeds boven vermeld, met een aantal gewapende volgelingen der ‘Nieuwe Leer’ langs een anderen kant binnen, en zich aanstonds in de kerken werpende, vernietigde, verbrijzelde of roofde en plunderde hij alles wat onder zijn bereik viel: autaren, beelden, schilderijen, kelken, kerkgewaden, boeken, in een woord, al wat van ver of dichtbij met den ‘ouden’ godsdienst in verband stond.(2)
Yper was de eerste groote stad, waar het helsch vernielingswerk, door de geschiedenis den schandnaam van ‘Beeldstorm’ op het voorhoofd gedrukt, plaats vond;
| | | | Antwerpen, de vermaarde Scheldestad, heel de wereld door om haren handel en haren rijkdom bekend, de tweede. - ‘Nergens, zegt Dr. J.W.F. Nuyens, vertoonde zich de woede dezer onverlaten, de verslagenheid der katholieken en de zwakheid dergenen die voor de orde moesten zorgen, in hooger mate; nergens werd ruwer vernield, nergens werden grooter schatten en kunststukken vermorzeld en verplet... Onbeschrijfelijk was de wandalenwoede der beeldstormers. De rijkdommen door hen vernield, vertrapt, verscheurd, vertreden, zijn niet te waardeeren. Nog meer dan door de vernieling dier kunstwerken, moest de geloovige katholiek tot in het diepste zijner ziel verontwaardigd worden door de profanatiën die er werden gepleegd. De beeldstormers wreven hunne schoenen met de H. Olie; de tabernakels werden opengebroken en de H. Hostiën met voeten getreden. Het werk der vernieling ging zoo spoedig zijn gang, dat Strada het bij het werk van helsche geesten, eerder dan van menschen vergelijkt. In den tijd van iets meer dan vier uren hadden ruim honderd onverlaten, onder het aanschouwen van een aantal andere, psalmen zingende en de paapsche afgoderij vervloekende, het prachtigste en het rijkste gebouw der rijke Nederlanden, de schoonste kerk der Christenheid in een tooneel van verwoesting veranderd.
‘Van Onze-Lieve-Vrouwe ging het naar de andere kerken en kloosters. Eer de dag weder aangebroken was, bestond er in gansch de stad noch kerk, noch kapel, noch gasthuis, noch klooster, zegt J. Van Wesenbeeke, dat niet geheel en al vernield was. Den 21e ging het op dergelijke wijze aan het werk in de omstreken der stad waar de klooster- en dorpskerken de razernij dier horden moesten ondervinden.’(1) - En wie stond aan 't hoofd dier wilde, barbaarsche, onmenschelijke heilig-, godsdienst-, recht-, kunst- en
| | | | eigendomschennis? Wie raadde ze aan, gebood ze! Een der bijzonderste hervormers der Nederlanden, de Zwollenaar, Herman Modet!(1) ‘Op den 20 Augusty’, zegt de naamlooze schrijver van het Chronyckje van Antwerpen, die zelfs door onze tegenstrevers als volstrekt onpartijdig wordt geroemd, ‘sdysdaechs nae die vesperen... is doctor Hermanus, als de principaelste Calvinisten predicant... op den preckstoel gegaen om te precken; soo hebbense altsaemen, die inder kercken waeren, met luyder stemmen psalmen gesongen, ende Hermanus voorts in syn sermoon gaende heeft zeer veel gepreekt van de affgoderye, expresselyck gebiedende dat men alle die beelden, figueren, chieraet van der kercken, omverre smyten soude, dwelck terstont aen onser L.V. choor begonst wirt: ende en lieten nyet aff voor dat syt al bedorven en gestolen hebben, dat in der kercken was’(2).
| | | |
Den 22e grepen dezelfde gruwelen en schandtooneelen te Gent plaats. Ziehier hoe een ooggetuige, Filips de Kempenaere, ze in 't kort beschrijft:
‘De onzinnige gemeente binnen (St-Jans kerke) rakende heeft terstond alle de beelden omverre gesmeten, ende alzoo hunnen hoop geweldig aenwies, liepen zy naer het klooster der Augustynen, van daer naer de Carmelieten ende soo voorts naer de Predikheeren, alwaer zy alle de beelden, schilderyen, gestoelten en outaren, ja zelfs de gedenkschriften der overledenen vernielden. Vrouwen en kinderen waren zeer heftig in dit goddelooswerk; zy scheurden de kerkgewaden en sieraden, namen de kelken en gewyde vaten weg: het scheen dat al de duivels der helle met dit gespuis medewrochten, want het in korten tyd eene ongeloovelyke schade dede aen zoovele kerken en kloosters, zoo binnen als buiten deze stad; als eene overstelpende of doorgebroken zee, beroofde het, behalven de voornoemde kloosters, nog de kapelle van St Gilles, St Pharaildiskerk en St Michiels binnen de stad, en buiten de Brugsche poort, het klooster der Carthuizers; deze menichte, van daer wederkomende, snelde naer het begynhof, naer het Ryke-gasthuis, loopende alles uit en in, wegnemende al wat zy krygen konden, en roovende den schat van gemeld gasthuis. Opvolgentlyk werd het klooster der Byloke, dat van den Groenenbriel, St Baefskerk en de abdy van St Pieters, alwaer zy de schoone bibliotheke bedierven, geplonderd. Nog woedden deze brave gezellen niet min in het klooster der Minnebroeders, alwaer zy erger als heidenen en joden alles vernielden’(1).
Vraagt men nu wie de oorzaak van al die heilloosheden, die plundertochten en heiligschenderijen waren, zoo luidt het antwoordt: een aantal lijd- en gedoog- | | | | zame ministers van het ‘zuiver woord Gods’, die sinds ettelijken tijd niets anders gedaan hadden dan hunne toehoorders tegen den afgodendienst der Katholieken op te ruien, en, dagen aan dagen, zich reeds vermaakten aan 't breken, 't vernietigen en 't rooven van alles wat dezer laatste heilig en duurbaar was: Herman de Struycker, wier heldendaden wij reeds te Antwerpen bewonderd hebben, Pieter Datheen, Jan Micheus, Jacob Carpentier, Balthasar Pieter en andere(1).
Te Doornik brak de beeldstorm los den 23e, dags na dat hij in de Arteveldestad gewoed had. De heerlijke kathedraal, welke deze aloude bisschopstad bezit, werd met de zelfde woede, als overal elders met alle kerk gebeurde, vernield. ‘Alles, zegt een geschiedschrijver, werd er vertrapt en vertreden; dezelfde heiligschennis als in andere steden werd er op alles wat den Katholieken heilig was, gepleegd. De woede der beeldstormers bepaalde zich bij het ziellooze hout en steen, noch bij de heiligste Mysteriën der Kerk. Zij opende de graven om het stoffelijk overschot van den Senechal van Henegouw die bijzonder bij hen gehaat was, uit te werpen. Een bakker kapte het lijk een arm af, nam dien mede naar huis en wierp hem in de Schelde.’(2)
En de belhamels-aanvoerders! Het waren drij Kalviensche predikanten, twee Fransche, Ambroos Wille en Karel Melle of Nyelle en een Bourgondier, wier naam ons onbekend is!(3)
| | | |
Te Valencijn, waar den 24e de tijding aankwam, dat het grootsche (!) werk der Hervorming, de beeldstorm, twee dagen te voren; te Antwerpen en elders voltrokken was, ging men niet min geweldig te werk. Nog denzelfden dag viel men aan 't plunderen, 't breken, 't vernielen en 't rooven van alles wat men in de kerken en kloosters kon meester worden. Onmogelijk, schrijft Renom de France, is het zich een gedacht te vormen, met welke razernij zij (de Nieuwgezinden) dit hun ellendig boevenwerk volvoerden. ‘Op minder dan drij dagen, vernietigden zij te Valencijn, te Marchiennes en omstreken alles wat tot den katholieken godsdienst behoorde, en brachten zij voor verschillende millioenen schade aan dezen toe.’(1) Nogthans, de aanvoerders dezer gewelddaden, zoozeer in strijd met alles wat de christen godsdienst - godsdienst van vrede, eendracht en liefde! - voorschrijft, waren!?... Een aantal predikanten: Gui de Bray, Pellegrin de la Grange, Charles Cornelis, Pieter Datheen, enz.(2)
Ziedaar voor wat eenige der bijzonderste steden van Zuid-Nederland betreft. Eene menigte andere steden en dorpen, zoo in het Noorden(3) als in het Zuiden -
| | | | in Vlaanderen alleen werden, in den tijd van zes dagen (10-15 Augusti), niet minder dan 400 kerken en kloosters gebeeldstormd, geplunderd of verbrand(1) - waar dezelfde feiten, in dezelfde omstandigheden, om het zelfde doel en door dezelfde soort van personen gepleegd werden, zouden wij nog kunnen aanhalen; doch wij vermeenen het niet noodig, die welke wij onze lezers onder het oog gelegd hebben, reeds genoegzaam betuigende welk de geest was die aan dit haatvol monster-vernielingswerk voorzat. Klaar als de zon, gelijk 2 en 2 is 4, komt er uit voor dat de beeldstorm, waarvan hier spraak is en welken nog heden tal van Protestantsche schrijvers met vreugde begroeten(2), zijnen oorsprong ontleent aan de Hervorming(3); dat hij in den naam dezer en op het toedoen der opper- | | | | hoofden der Hervorming werd voltrokken(1); en dat, zoo niet overal, ten minste op het overgroot getal der plaatsen waar hij tot stand kwam, de leeraars en bedienaars der Hervorming er aan het hoofd van stonden; dus ook, wat hier noodzakelijk uit voortvloeit, dat hij het werk is der Hervorming, en, - wat wij moesten betoogen - een onmiskenbaar, onwrikbaar bewijs der verregaande, alles wat haar in den weg stond verbrijzelende onverdraagzaamheid derzelve!
Doch, veronderstellen wij nog - iets wat geschiedkundig volstrekt valsch is (wij hebben het bewezen) - dat de beeldstormingen van 1566, noch die welke naderhand, dan hier dan daar, overal waar de Hervorming meester werd, plaats grepen, tegen deze pleiten: ontbreekt het ons daarom aan feiten die het stellig bewijs leveren, dat ‘verdraagzaamheid in godsdienstzaken’ eene deugd is die bij de Hervormden der XVIe eeuw, alles behalve thuis behoorde!
(Wordt vervolgd.)
Grobbendonk.
P.J. Goetschalckx.
|
(1)D r Koch, Onderzoek naar de oorzaken der Nederlandsche Omwenteling in de XVIe eeuw, bl. 92.
(2)C.G. Montyn (predikant te Utrecht), Geschiedenis der Hervorming in de Nederlanden, boekd. II, bl. 261. - Emm. Van Meteren, Historien der Nederlanden en haer naburen oorlogen, in fol. bl. 40, col. 1.
(1)Wynckius, Geusianismus Flandriae Occidentalis, 1841, bl. 13.
(2)Kervyn de Lettenhove, Les Huguenots et les Gueux, boekd. I, bl. 362.
(1)Strada, De Bello Belgico, in-24, Rome, 1619, boekd. II, bl. 209; - V. Vloten, Nederlands opstand tegen Spanje, bl. 171; - Dr. J.W.F. Nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten, boekd. I, deel II, bl. 101.
(2)Cort verhael van 't ghene binnen de stadt Ypre en daeromtrent ghepasseert is de religie aengaende, tzydert Junij 1566 tot omtrent half Aug. 1567. - Kervyn de Lettenhove, Les Huguenots et les Gueux, boekd. I, bl. 363. - B. de Jonghe, Gendsche Geschiedenissen, boekd. I, bl. 18; - Gachard, Correspondance de Marguerite d'Autriche, brief van den 22 Augusti 1566, stuk XLI. - Niet alleen de kerken en de kloosters maar ook de huizen der priesters en het paleis des Bisschops dien de ketters met een bijzonderen haat vervolgden, werden geplunderd. Het rijk en kostbaar bibliotheek dezes laatsten verbrandden zij. Mgr. Namèche, Le règne de Philippe II et la lutte religieuse dans les Pays-Bas au XVIe siècle, boekd. II,
bl. 146.
(1)D r J.W.F. Nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw, II e deel, boekd. I, bl. 104 en 107.
(1)Wat voor een kerel die D r Herman, afgevallen pater en hoofdpredikant der ‘nieuwe Leer’ te Antwerpen en omstreken, was! In 't Verslag van 't Magistraet van Gent, bl. 44, wordt vermeld, dat de Hoogbaljuw en schepenen, naar hem vernomen hebbende, gehoord hadden: ‘dat minister Hermanus befaemt was van schelmerye ende ghebannen te wesen, uit diversche steden ende landen, omdat hij zeer seditieulx gheweest hadde, oock dat hij drije zo meer huysvrauwen allen ghetrauwet hadde.’ - De markgraaf van Antwerpen door hen aanzocht hun te willen berichten of zulks waar was, antwoordde dat in Antwerpen de faam ging, dat hij om zijne daden uit Bremen was gebannen en dat zijne vrouw eigentlijk de vrouw was van een man, die, naar men zegde, in Italie leefde. D r J.W. Nuyens, op. et vol. citt. bl. 106.
(2)Chronyckje van Antwerpen sedert het jaer 1500 tot 1575, (uitg.
1843) bl. 87. - Vgl. Strada, De Bello belgico, boekd. II, bl. 210; - Kervyn de Lettenhove, Les Huguenots et les Gueux, boekd. I, bl. 367-369; - J.C. Diercksens, Antverpia Christo nascens et crescens (1773), boekd. IV, bl. 308 en vg.; - Gachard, Correspondance de Guillaume le Taciturne, boekd. II, bl. liii en Correspondanee de Philippe II, boek. I, bl. XXXV waar gezegd wordt dat Herman Mode bijgestaan was door nog twee ander predikanten; - P. Génard, Antwerpsch Archievenblad, boekd. X, bl. 131-138; - Mertens en Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, boekd. IV, bl. 327-331 en vg.; - Papenbroch, Annales Antverpienses, boekd. III, bl. 67; - De Gerlache, OEuvres complètes, boekd. I, bl. 152-155. - De schade, door de beeldstormers in de Scheldestad aan kerken en kloosters veroorzaakt, wordt op de schrikkelijke som voor dien tijd van 400,000 goud-dukaten berekend. Dit zou in onze munt heden meer dan 40,000,000 franken beloopen. Bentivoglio, Histoire des guerres de Flandre (Parys, 1770), boekd. I, bl. 140.
(1)Phil. de Kempenaere, Vlaemsche kronyk of dagregister van al hetgene gedenkweerdig voorgevallen is binnen de stad Gent van 15 July 1566 tot 15 Juny 1585, bl. 12; - Kervyn de Lettenhove, Histoire de Flandre, boekd. IV, bl. 214.
(1)B. De Jonghe, Gendsche geschiedenissen, boekd. I, bl. 9 en vlg.
(2)D r J.W.F. Nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten, boekd. I, II e deel, bl. 111.
(3)D r H. de Cavrinnes, Esquisses historiques des troubles des Pays-Bas, I e deel, bl. 104, - N. Burgundius, Historia Belgica (1583), bl. 223; - Mémoires de Pasquier de la Barré, boekd. I, bl. 149; - Analectes Belgiques, bl. 436; - Bulletin de la commission royale d'histoire, I e reeks, boekd. XI, bl. 418; - Cousin, Histoire de Tournai, hoofdst. LV; - Th. Juste, Les Pays-Bas sous Philippe II, boekd. I.
(1)Renom de France, Des causes de la désunion, boekd. I, hoofdst. 23; - D'Outreman, Abrégé de l'histoire de Valenciennes, bl. 100; - J. Leboucq. Histoires des troubles avenues à Valenciennes à cause des hérésies, 1562-1579, bl. 13; - Pontus Payen, Mémoires, bl. 187.
(2)Pontus Payen, Mémoires, bl. 271; - Van Vloten, Nederlands opstand tegen Spanje, bl. 126. - Het waren dezelfde die Valencijn eenige weken later volledig in opstand brachten tegen den koning en Noircarmes dwongen deze stad gewapender hand in te nemen. - Strada, De Bello Belgico, boekd. I, bl. 254; -
Bentivoglio, Histoire des guerres de Flandre, boekd. I, bl. 172.
(3)Een enkel feit, voor wat de Noorderlijke Nederlanden betreft, halen wij, in 't voorbijgaan, als voorbeeld aan. Wij schrijven 't over uit de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar, een der bijzonderste Noord-Neerlandsch Protestantsche geschiedschrijvers uit de laatste eeuw.
Na gezegd te hebben dat ‘de beeldstorming begonnen is in de landstreek, waar de openbare preek eerst ondernomen was,’ schrijft Wagenaar, boekd. VI, bl. 182:
‘Te Middelburg, hief zy (de plondering van kerken en kloosters) aan, op den tweeentwintigsten van Oogstmaand. Verscheiden' leden der Regeringe, met naame, de schepens Andries Jakob Oertszoon, Simon Janszoon van Rome, Vincent Laurenszoon en Hugo Joostzoon waren hier der Hervorminge toegedaan: 't welk het graauw der Onroomschen, aangezet en voorgegaan door eenigen uit den kerkenraad, stouter maakte. Men viel dan in de Abtdy der Lieve-Vrouwe, die deerlyk geplonderd werdt... De Sint Peeterskerke werdt op gelyke onbezuisde wyze van beelden beroofd. Te Vlissingen, te Veere, en gansch Walcheren door, geschiedde dit insgelyks.’
(1)Strada, De Bello belgico, boekd. I, bl. 217; - Jan David, Vaderlandsche Historie boekd. X, bl. 296.
(2)Onder andere, C.J. Montyn, predikant te Utrecht, in zijne Geschiedenis der Hervorming in de Nederlanden, boekd. II, bl. 260. - Dit werk ware misschien wel ruim zoo goed de hervorming der Geschiedenis, als de geschiedenis der Hervorming genoemd.
(3)Ziehier wat Calvien zelf over het beeldstormen schrijft in zijnen uitleg op den 1 en brief van den H. Joannes: ‘De apostel, zegt hij, veroordeelt niet slechts de afgoderij, maar wil dat men zich van de beelden onthoude. Hiermede geeft hij (de H. Joannes) te kennen dat men den dienst Gods niet zuiver en ongeschonden kan bewaren wanneer de menschen beginnen de beelden te begeren. Het is een verderf voor de godsvrucht, wanneer er God eene lichamelijke gedaante wordt toegedicht, of wanneer er voor den eeredienst standbeelden of schilderijen worden vervaardigd. Bedenken wij dat zoo wij zorgvuldig in de geestelijke vereering van God willen
blijven, wij alles ver van ons moeten verwijderen, wat ons tot eene lage en vleeschelijke bijgeloovigheid kan voeren.’ - Men leze den latijnschen texte bij D r Matth. Koch, Onderzoek naar de oorzaken der Nederlandsche omwenteling, bl. 141.
(1)Klaar geeft dit mede de heer F. Van Vloten aan in eene nota die hij op bladz. 49 zijner vertaling van Ad. Borgnet's
Pays-Bas sous Philippe II stelt. ‘Waren de edelen, vraagt hij, medeplichtig aan de beeldstorming?’ en hij antwoordt: ‘Wij wagen het niet te beslissen, maar de edelen die de beelden uit de kerken wegnamen, rekene men dit niet te hoog aan, als eene eigene voorzorg om de buitensporigheden des gemeens te verhoeden. Zij handelden uit eene soort van machtsvolkomenheid, met geen ander doel (?!...) dan het gemeene volk, dat zoo al niet door de edelen dan toch door de hervormde consistorien er toe aangezet werd, de kerken voor de oefening der oude godsdienst onbruikbaar te maken en DE NIEUWE MET GEWELD DAARIN TE DRINGEN. Wanneer de hervormde predikanten zich later zuiverden van hunne medeplichtigheid aan die buitensporigheden, beperkte zich hunne verontschuldiging tot de verklaring: dat zij onschuldig waren aan de geweldenarijen door sommige deugnieten onder voorwendsel van het afbreken der beelden, gepleegd. Men zal toestemmen dat deze formuul tamelijk dubbelzinnig is.’ - Zie de Gids (Hollandsch Protestantsch tijdschrift) 1842, II e deel, bl. 647.
|
|