Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 86


auteur: [tijdschrift] Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap


bron: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 86. Martinus Nijhoff, Den Haag 1971


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 238]

Kroniek

Algemeen

Op 10 januari 1971 overleed te Sint - Pieters - Woluwe dr. arthur - frans cosemans, ere - conservator aan het Algemeen Rijksarchief te Brussel, geboren te Diepenbeek (Limb.) op 24 december 1897. Behalve door zijn archiefeconomisch (samen met j. lavalleye publiceerde hij in 1926 de Inventaire des archives du Comité de la Caisse de Religion) en door zijn bibliografisch werk (o.a., in samenwerking met th. heyse, Contribution à la bibliographie dynastique et nationale (Brussel, 1954 tot 1961, Cahiers belges et congolais), verwierf hij bekendheid door zijn sociaal - economische, demografische en cultuurhistorische publicaties, vooral door ‘Het uitzicht van Brabant op het einde der XVIe eeuw' in: Bijdragen tot de gesch. vnl. v.h. aloude hertogd. Brab., XXVII (1936-1937), De bevolking van Brabant in de XVIIe en XVIIIe Eeuw (Brussel, 1939, Kon. Comm. vr. Gesch.),’ Economie en bevolkingsaangroei. De wet van Cantillon en de bevolking van Brabant in de XVIIe en XVIIIe eeuw' in: Miscellanea J. Gessler (1948), ‘Taaltoestanden historisch gezien. Het onderwijs’ in: Handel. Kon. Zuidned. Maatsch. vr. Taal- en Lett. en Gesch. (1953) en ‘Alcoholisme en drankbestrijding in vroeger eeuwen’, Ibidem (1956). Op het Colloque international de démographie historique, Actes (Parijs, 1965) besprak hij de verschillende bronnen voor de demografische geschiedenis.

l.v.b.

 

Onder de auspiciën van de Vereniging van Archivarissen en Bibliothecarissen van België, het Algemeen Rijksarchief, het Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis en het Centre d'Histoire économique et sociale van de Université Libre de Bruxelles, wordt een colloquium georganiseerd: Economische geschiedenis van België. Behandeling van de bronnen en problematiek, van 17 tot 19 november 1971, te Brussel. (Openingszitting op 17, werkzittingen op 18 en 19).

De organisatoren streven er naar: nieuwe of minder bekende bronnen voor te stellen; de nieuwste wetenschappelijke methodes voor de bewerking van de economische bronnen te behandelen; een status quaestionis naar voren te brengen.

Zes secties zijn voorzien, waarvan de eerste vier betrekking hebben elk op een sector van het economische leven: financiën, nijverheid, handel, landelijk leven. De vijfde is gewijd aan de methodologie en de zesde aan problemen van archiefeconomische aard.

De referaten zijn, zoveel als mogelijk, gegroepeerd rond één of meerdere thema's. Chronologisch reikt de stof van de 12e tot de 20e eeuw. De deelnemers zullen bij voorbaat de resumés ontvangen van alle lezingen.

Personen die wensen het programma te ontvangen kunnen zich wenden tot Mevr. H. Coppejans-Desmedt, 12, Ham, 9000 Gent.

[p. 239]

Het inschrijvingsrecht bedraagt 200, - BF (voor leden van bovengenoemde Vereniging en Centra 100, - BF), te storten op postrekening nr. 47.97.06 van Mevr. Coppejans-Desmedt te Gent.

 

In 1968 kwam de Rijksarchiefdienst in opspraak. De algemeen rijksarchivaris Dr. J.L. van der Gouw verliet teleurgesteld de dienst omdat hij niet langer verantwoordelijk wilde zijn voor de naar zijn mening grote wetenschappelijke achterstand, die het archiefwezen had opgelopen door te weinig financiële steun van de Overheid. Er verscheen een geruchtmakend interview in De Haagsche Courant en er werden vragen gesteld in de Tweede Kamer. Mede als gevolg daarvan werd enige maanden later een commissie van de Archiefraad ingesteld om de minister van CRM te adviseren over de problemen bij de rijksarchiefdienst. De leden waren Prof. Mr. J.Th. de Smidt (voorzitter) en de oud-rijksarchivarissen Prof. Dr. B.H. Slicher van Bath en Dr. W.J. Formsma. Als secretaris fungeerde Mr. F.C. Ketelaar. Op 9 juni diende deze commissie haar eindverslag in, dat thans gedrukt voor ons ligt met de titel Archiefraad Advies nr. 15. De Rijksarchiefdienst. Problemen, oplossingen en prioriteiten ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1971, 100 blz.). Het is een zeer gedegen stuk geworden dat in deze Kroniek onvoldoende aandacht kan krijgen. Het zou wenselijk zijn dat in een aparte aantekening in dit tijdschrift dieper op de materie wordt ingegaan. In ieder geval moet geconstateerd worden, dat de commissie een drastische ombuiging van het tot nog toe gevoerde overheidsbeleid voorstelt. Er is immers een achterstand ontstaan in het inventariseren en het maken van regesten, die geschat wordt op 9500 manjaren. Wil die achterstand vóór 1996 zijn ingelopen, dan moeten tussen 1972 en 1986 305 extra personeelsleden worden aangetrokken. Ook is de huisvesting van de meeste rijksarchieven totaal onvoldoende. Met name het Algemeen Rijksarchief in Den Haag moet zo gauw mogelijk verhuizen uit het kleine, brandgevaarlijke gebouw aan het Bleijenburg. Maar er staan nog veel meer belangrijke zaken op de lijst van 23 projecten, die moeten worden uitgevoerd en waarvoor het verslag een prioriteitenschema heeft opgesteld. Wij zijn uiteraard zeer benieuwd welke concrete gevolgen dit uitermate belangrijke advies zal hebben. Zo heeft de sinds eind 1968 bestaande Archiefraad zijn waarde al bewezen. Van de vele andere activiteiten kan men kennis nemen uit de Archiefraad. Verslag 1969 ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1970, 60 blz.).

h.p.h.j.

 

Het Jaarverslag van de Rijksarchiefdienst over 1969 ('s-Gravenhage: Algemeen Rijksarchief, 1970, 89 blz.) bevat de gebruikelijke overzichten en lijsten. Tot rijksarchivaris in Friesland werd benoemd Mr. J. Rinzema; de bewerking van de oorkondeboeken voor Noord-Brabant en Gelderland werd overgedragen aan de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis. Daardoor verlieten de bewerkers Dr. H.P.H. Camps en Dr. F. Ketner formeel de archiefdienst. Tevens is er een nieuwe afdeling Algemene Zaken ingesteld o.l.v.J.R. van der Ploeg om de rijksarchivarissen wat te ontlasten van het in omvang groeiend administratiewerk.

h.p.h.j.

 

De Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief heeft in boekvorm uitgegeven Inventarissen van de Collecties D. Bos, A.L. en C.J. de Bruyn Kops, J.L. de Bruyn Kops, H.L. Drucker, D. en Th.G. van Eck, S. van Houten, F.E. Posthuma, H.J. Smidt, B.D.H. Tellegen ('s-Gravenhage: ARA, 1970, f 8. -). Elk van de inventarissen, die oorspronkelijk in de jaren 1950-1969 zijn gemaakt, is voorzien van een biografische inleiding, waarbij

[p. 240]

meestal ook is aangegeven hoe het ARA aan de betreffende stukken is gekomen. Verder is een Generale Index toegevoegd, die een onderzoeker, die slechts naar één bepaald persoon of onderwerp naspeuringen doet, in staat stelt zonder tijdverspillend bladeren te zien of het werk iets van zijn gading bevat.

Behalve enkelen, die vermoedelijk slechts om hun familiebetrekkingen met anderen zijn opgenomen, zijn de archieflaters liberale, vrijzinnig-democratische of daaraan verwante politici en economen geweest; de grootst mogelijke meerderheid leefde en werkte in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Alleen Posthuma valt daar wat buiten; zijn archief is in 1949 door Oorlogsdocumentatie aan het ARA overgedragen. Het bevat vrijwel niets over de jaren, die hem zijn goede naam hebben doen verliezen.

Het verschijnen van deze, bij het ARA voor f. 8, - verkrijgbare, bundel bewijst een belangrijke dienst aan diegenen, die zich met de geschiedenis van het Nederlandse liberalisme bezighouden. Wij hopen, dat het ARA meer archiefinventarissen op deze wijze zal uitgeven, hetzij van een groep van archieven, hetzij van afzonderlijke; wij denken bv. aan het al enige jaren geleden geïnventariseerde archief van mr. A.M. Joekes.

g.t.

 

d. van duyn en i.w.l.a. caminada, Inventaris van het archief van de commissarissen over de Bank van Lening te Delft 1676-1923 (Delft: Gemeente-archief, 1970, 23 blz. gestencild) geeft zoals te verwachten een reeks interessante stukken. Haast was het grootste deel daarvan vernietigd. Na de opheffing van de bank in 1923 was dit archief tijdens afwezigheid van de gemeente-archivaris overgebracht naar de gemeentelijke werkinrichting om daar vernietigd te worden. Te elfder ure kon de teruggekeerde gemeente-archivaris bewerkstelligen, dat de begonnen vernietiging werd stopgezet. In ieder geval verkeerde het archief in grote wanorde, hetgeen de taak van de inventarisators zeer verzwaarde. De Bank van Lening te Delft is vrij laat ontstaan; de particuliere tafelhouders, die daarvoor op onderpand leenden, konden toen al bogen op een langdurige voorgeschiedenis. Reeds in 1287 worden immers al Lombarden in Delft vermeld.

h.p.h.j.

 

g. van der feyst stelde samen de Inventaris van het Archief van het ‘Dameshuis’ aan de Papenstraat nr. 20 vanouds genaamd het Oude Mannen- en Vrouwenhuis of ‘Huyse van Sint Christoffel’ te Delft 1538-1949 (Delft: Gemeente-archief, 1970, 65 blz. gestencild). In de geschiedenis van dit aanvankelijk voor verarmde medepoorters bestemde huis zien we langzamerhand een sociale stijging van de ingezetenen, zodat het thans een rusthuis voor gegoeden is geworden met een aanzienlijke inkoopsom. De inventaris is zeer zorgvuldig samengesteld en telt zeven bijlagen, waaronder een lijst van de bewoners sinds 1662, hetgeen voor demografische en sociaal-historische onderzoeken zeer welkom is.

h.p.h.j.

 

De archieven van de tafels van de H. Geest, de middeleeuwse armbesturen, zijn vaak bijzonder rijk. Dat van Den Haag is nu goed toegankelijk gemaakt dank zij a.m.j. de haan, Inventaris van het archief van de Heilige Geest en het Heilige-Geesthofje te 's-Gravenhage 1311-1917 (3 dln gestencild; 's-Gravenhage: Oud-Archief der Gemeente 's-Gravenhage, 1969). Mej. de Haan heeft zoals te doen gebruikelijk in de inleiding de geschiedenis van de instelling geschreven, maar m.i. was daarvan bij dit rijke archief meer te maken geweest. Ik keek bovendien vreemd op bij haar constatering dat parochies geen kerkelijke instel-

[p. 241]

lingen waren. De geschiedenis van het nog bestaande hofje heeft kennelijk meer haar belangstelling gehad en zij wijdt daaraan een paar enthousiaste bladzijden. Het moet mij toch van het hart, dat ook gestencilde werken er wat netter kunnen uitzien dan dit. De tiende bladzijde van de ongepagineerde inleiding is helemaal in de versukkeling geraakt en haast onbegrijpelijk geworden. Had men hieraan geen nieuw stencil kunnen wagen? Het tweede deel bevat een regestenlijst van 792 nummers over de jaren 1311-1579. De indices staan in het derde deel, hierbij zijn alle patronymica (type Adriaenssoen, Albrechtszoen e.d.) geïndiceerd alsof het gewone achternamen waren, wat naar ik meen ongebruikelijk is.

 

h.p.h.j.

 

In de BMGN, LXXXV (1970) 370 werd het verschijnen aangekondigd van een reeks voor archiefinventarissen, uitgaande van het Rijksarchief in Noord-Brabant; van deze ‘Inventarisreeks’ werden ons nu de delen 4, 5, 6 en 7 toegezonden. Zij bevatten resp. l.m.th.l. hustinx, Inventaris van het Archief van het Kwartier Peelland, 1574-1810 (met uitvoerige en waardevolle inleiding van 35 blz. waarin zelfs kaarten zijn opgenomen); j.a. ten cate en e.h. corvezee, Inventarissen van de Archieven der Hypotheekbewaarders te Breda, Eindhoven en 's-Hertogenbosch, 1811-1838; j. vriens, Inventaris van het Archief van de Tienden van Moergestel, 1618-1858. Waarin opgenomen een fragment van het Familiearchief De la Torre, 1608-1684. Ook dit deel heeft een uitvoerige inleiding van 38 blz. met twee kaarten. De heer Vriens is er in geslaagd de meeste oude tiendepercelen te lokaliseren en op de kaart in te tekenen. Ik ontleen aan deze inleiding ook nog, dat het eerste deel van het Oorkondenboek van Noord-Brabant, dat door dr. h. camps wordt uitgegeven, ter perse is. Het zevende en laatste deeltje bevat tenslotte a.l. de graaff, Inventaris van het Oud-Rechterlijk Archief van Waalwijk, 1531-1811. Alle vier deeltjes zijn in 1970 verschenen.

 

h.p.h.j.

 

Bij het aanvaarden van het ambt van bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de West-Europese expansie overzee aan de Universiteit te Leiden sprak mevr. prof. dr. m.a.p. meilink-roelofsz op 6 november 1970 een boeiende rede uit, getiteld: Van geheim tot openbaar. Een historiografische verkenning. Tot ongeveer 1850 ging de geschiedschrijving over de VOC vrijwel uitsluitend uit van Valentijns ruim een eeuw vroeger verschenen encyclopaedisch werk Oud en Nieuw Oost Indien. De VOC immers verzorgde haar archieven wel zeer goed, maar hield ze strikt geheim. Na haar val in 1795 begint na een kort hoopgevend intermezzo de tragedie van de verwaarlozing, die zich - en dan nog op zijn best - op de zolders van een pakhuis van de Nederlandse Handelmaatschappij afspeelde. Slechte rollen waren in handen van o.a. minister Falck, die veel stukken naar de papiermolen liet zenden en van de veel schrijvende hoogleraar in Medemblik, later in Kampen, Lauts, die kisten vol archivalia thuis gestuurd kreeg. De fraaie rol speelt de arme mr. L.Ch.D. van Dijk, die aan zijn strijd voor het archief ten onder ging. De spreekster looft hem, terecht, èn voor zijn zorgen, èn voor zijn nog steeds waardevolle publicaties. Deus ex machina is dan ‘Bakkes’, die in 1856 de overbrenging van de toch nog omvangrijke VOC archieven naar het Algemeen Rijksarchief bewerkt. Het uur was daarmee vol en de herstelperiode, waaraan de spreekster als laatste zulk een groot aandeel had, kon niet meer behandeld worden. Moge het professoraat haar ten vreugde en de wetenschap tot groot nut zijn! Zo de Leidse historische spes patriae in groten getale komt toestromen, zal dat zeker het geval zijn.

w.ph.c.

[p. 242]

De Jaarverslagen 1968 en 1969 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam, 1969 en 1970, resp. 37 en 50 blz. gestencild) bevatten verslagen over het beheer, de bemoeienis met het onderwijs en ander dienstbetoon en een aantal fragmenten uit recensies van verschenen publicaties.

Het Jaarverslag 1970 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Amsterdam, 1971, 90 blz. gestencild) bevat naast de gebruikelijke verslagen ook de tekst van de redevoeringen gehouden bij de viering van het vijfentwintig jarig bestaan van het instituut, resp. door Prof. Dr. Jhr. P.J. van Winter, de voorzitter van het bestuur, door Dr. A.J. Piekaar, directeur-generaal voor de wetenschappen en door Prof. Dr. L. de Jong, directeur van het instituut. Uit de verslagen zelf valt te noteren dat Drs. A.H. Paape benoemd is tot adjunct-directeur en als zodanig een deel van de dagelijkse leiding van Prof. de Jong heeft overgenomen. Verder is een aparte rubriek gewijd aan de onderzoekingen die gedaan moesten worden in verband met de controverses betreffende Weinreb.

h.p.h.j.

 

Uit de Verslagen en aanwinsten 1968-1969 van de Stichting Cultuurgeschiedenis van de Nederlanders Overzee (1970, 60 blz.) blijkt welk belangrijk werk dit lichaam verricht. Het wist door aankoop of signalering aan musea belangrijke stukken uit het verleden voor verdwijnen naar het buitenland te bewaren, maar kon ook onroerende resten in gebieden waarmede vroeger contacten bestonden, van de ondergang redden door de nodige gelden voor restauratie te verwerven; te noemen vallen VOC kastelen in Ghana (vroeger Goudkust), de Kruyskerk te Jaffna (Ceylon) die door het verdwijnen van de ‘Burgherbevolking’ van die plaats de ondergang nabij leek te zijn en de bekende Wolvendaalse kerk te Colombo, die in januari 1969 zwaar van stormschade leed. De Verslagen geven een elftal zeer korte artikelen over geredde voorwerpen, ze kunnen hier niet allen worden opgesomd; alleen het langste, dat van a. van dantzig over ‘Willem Bosmans Nauwkeurige beschrijving van de Goudkust’ (55-59) moge hier worden vermeld. Men kan zich als contribuant van deze nuttige instelling opgeven bij de secretaris, de heer M.J. Weymarshausen, Zonnestein 2, Amstelveen. Uit de in het verslag opgenomen lijst van contribuanten kan men zien, dat men dan in een klein (324), maar zeer goed gezelschap komt.

w.ph.c.

 

De Cisterciënzerinnenabdij Epinlieu nabij Bergen (Henegouwen) werd in 1796 opgeheven. Haar archieven, waarvan in het totaal 645 nummers bewaard zijn op het rijksarchief te Bergen, werden geïnventariseerd door r. wellens, Inventaire des archives de l'abbaye cistercienne d'Epinlieu (Brussel, 1970). Onder de belangwekkendste documenten zijn een aantal cartularia en een kroniek en een mooie reeks rekeningen van 1451 tot 1793. De abdij had belangrijke bezittingen in Henegouwen, Brabant en het huidige Noord-Frankrijk.

r.v.u.

 

Van het Museum Mayer Van den Bergh te Antwerpen verscheen in 1969 van de hand van joz. de coo, Catalogus 2: Beeldhouwkunst, Plaketten, Antiek (Antwerpen: Museum Mayer Van den Bergh, 1969, 385 blz. met 471 platen), waarin onder de afdeling ‘Plaketten en Kleine Reliëfs, 13e-17e eeuw’ ten onrechte ook sigillografische dokumenten opgenomen werden: matrijzen van stempels, zegels en zelfs een zegelafgietsel. Het gaat eerst om negen zegels welke, ten gevolge van een onoordeelkundige verzamelwoede, tijdens de negentiende eeuw en ca. 1900 van hun oorspronkelijke archivalia losgesneden werden; deze namelijk

[p. 243]

van Engelbert van Enghien (eerste derde dertiende eeuw) (nr. 2343), van Jean van Barbenchon uit Henegouwen (laatste derde dertiende eeuw) (2345), van Maria d'Artois, gravin van Namen (1332) (2346), van de stad Antwerpen (1477) (2351), van Pieter van den Werve uit Antwerpen (ca. 1470-90) (2352), van de Faculteit der Medicijnen van de Leuvense universiteit (zestiende eeuw) (2437) en van aartsbisschoppen Antoine Perrenot de Granvelle (ca. 1561-86) (2449), Andreas Cruesen (1657-1666) (2469) en Alfons de Berghes (1669-1689) (2470). De nos. 2437, 2469 en 2470 zijn duidelijk uit lak en niet uit was. De matrijzen betreffen de stempels der zegels van de St.-Michielsabdij te Antwerpen (dertiende eeuw) (2344), van een Van den Kerchove (vijftiende eeuw) (2350) en van Jacob van der Planch (zestiende eeuw) (2436). Het epigrafisch-paleografisch deel van de beschrijving van onderhavige dokumenten laat spijtig genoeg te wensen over.

l.v.b.

 

In zijn monumentaal overzicht van dokumenten m.b.t. de geschiedenis van de oude Nederlanden, bewaard in het Archivo general te Simancas, werden door dr. maurice van durme in 1964 resp. 1966 reeds twee delen gepubliceerd met repertoria uit het zeer rijke en belangrijke fonds Secretaría de Estado. Onverstoorbaar heeft de auteur sedertdien aan de volgende delen gewerkt zodat, reeds enige tijd geleden, deel III kon verschijnen: Les Archives générales de Simancas et l'histoire de la Belgique (IXe-XIXe siècles), tome III, Secretarías Provinciales, Consejo Supremo de Flandes y Borgoña. Secretaría de Estado, Milan-Saboya (Borgoña), Diversos Despachos, Partes, Notre y España (IXe-XVIIIe siècles) (Koninklijke Academie van België. Koninklijke Commissie voor Geschiedenis. Verzameling van onuitgegeven Belgische Kronieken en van onuitgegeven Documenten betreffende de Geschiedenis van België; Brussel: Paleis der Academiën, 1968, 1122 blz.). In dit derde deel worden niet minder dan 734 bundels of boeken (legajos, libros) gerepertorieerd. Hiervan behoren er 196 tot het fonds Secretarías provinciales - op twee na, alle tot de sektie Secretaría del Consejo (supremo) de Flandes y Borgoña ervan -, de andere tot verschillende sekties van het fonds Secretaría de Estado, inzonderheid tot de afdeling Milan-Saboya die meer dan de helft van de nummers voor haar rekening neemt. Het zal niemand verwonderen dat de dokumenten bijna uitsluitend op de Nieuwe Tijd betrekking hebben; wat in de titel naar de tijd vóór de zestiende eeuw verwijst, slaat doorgaans op afschriften, vertalingen, uittreksels, enz. die als bewijsstukken bijgevoegd werden. En wat aan achttiende-eeuwse dokumenten geïnventariseerd is, slaat op de jaren 1701-1705. Globaal genomen kan wèl gezegd worden, dat in dit derde deel de zeventiende eeuw - Spaanse tijd bij uitnemendheid - met het leeuwedeel gaat lopen. Zoals in de vorige twee delen signaleert Dr. Van Durme p. xv-xvi en in voetnoot alle kopieën en nota's die door of voor L.-P. Gachard werden gemaakt en in het Algemeen Rijksarchief te Brussel worden bewaard, en alle tekstuitgaven van de in het repertorium vermelde stukken. Interessant zijn verder de p. xvii-lxiii die twee lijsten bevatten: de eerste geeft per fonds en sektie alle nrs. met ertegenover de uiterste jaartallen van de daarin voorkomende dokumenten; de tweede - die men in de vorige delen nog niet aantreft - geeft een lijst met de jaartallen en daartegenover de legajos of libros die dokumenten uit het opgegeven jaar bevatten. Na het eigenlijke repertorium volgt een bijna even lang (550 blz.!) persoons-, plaatsnaamen zaakregister, dat wegens zijn omvang uitmuntende diensten kan bewijzen en de eindeloze variëteit van de dokumenten illustreert. Wat het repertorium zelf aangaat, moeten we wel signaleren dat de gedetailleerde dokumentennummering van een legajo - de libros worden per folio ontleed - een initiatief van de auteur is en als dusdanig niet verwijst naar een nummering in de bundel (en dus niet per se bruikbaar is voor opzoekingen of be-

[p. 244]

stelling van mikrofilmen). De vroegere woorden van lof voor Dr. Van Durme's werk hoeven hier niet nog eens te worden herhaald. Laten we alleen maar zeggen dat niemand nog naar Simancas kan gaan zonder zijn Van Durmes mee te nemen. Ze zijn lijvig en zwaar, maar men kan ze echt niet meer missen.

r.d.s.

 

Van het bekende Repertorium van boeken en tijdschriftartikelen betreffende de geschiedenis van Nederland door mevrouw drs. j. brok-ten broek, de laatste jaren in samenwerking met mejuffrouw j.a. veltman, verscheen in 1971 bij Brill te Leiden het deel over de jaren 1963-1965. Het is niet nodig hier over het belang van dit repertorium uit te wijden.

 

j.j.w.

 

Het ‘Bulletin d'histoire de Belgique 1968-1969’, Revue du Nord, LII (1970) 531-579, door j. bartier en zijn medewerkers, brengt een summiere bespreking van 191 boeken en tijdschriften.

j.a.v.h.

 

In De Vrije Fries. Jaarboek uitgegeven door het Fries Genootschap van Geschied-, Oudheiden Taalkunde en de Fryske Akademy, L (1970) is de nieuwe kroniek ‘Panorama van Friesland in 1969’ opgenomen (83-99). Deze is verdeeld in negen rubrieken, waaronder historie en kerkgeschiedenis. Het ligt in de bedoeling ook de komende jaren een dergelijke kroniek in dit tijdschrift op te nemen.

Voor een zeer uitgebreide, interfriese bibliografie die grotendeels aan de geschiedenis der Friese landen is gewijd (daarnaast o.a. aan kunst, volkskunde en taal), kan men terecht bij het Friesisches Jahrbuch 1970. Hierin is voor Westerlauwers en Oostfriesland de literatuur verschenen in 1969, voor Noordfriesland die verschenen in het tijdvak 1965-1969 opgenomen (299-350).

o.v.

 

In De Vrije Fries. Jaarboek uitgegeven door het Fries Genootschap van Geschied-, Oudheiden Taalkunde en de Fryske Akademy, L (1970) verstrekt j. visser een overzicht van ‘Regeerders en bestuurders van Friesland’ vanaf het jaar 58 tot 1970 (49-60). Te beginnen bij Verritus en Malorix komt men na een reeks van koningen, bisschoppen, graven en stadhouders uiteindelijk uit bij mr. Rijpstra, de tegenwoordige commissaris van de Koningin.

 

o.v.

 

De ruim 300 blz. tellende lijst van Historische Begrippen die w.j. leber samenstelde (Groningen: Wolters Noordhoff, 1970, 319 blz., f 15. -). dient volgens de auteur om de leerlingen in staat te stellen zelf woorden, die in hun leerboek niet nader verklaard worden, op te zoeken. Zo houdt de leraar meer tijd over voor andere zaken. (Alleen: de moeilijkheid van veel leerboeken, vooral voor de lagere klassen, schuilt niet alleen in de gebruikte historische termen, maar in het taalgebruik in het algemeen.) Tekeningetjes verduidelijken sommige begrippen. Woordafleidingen worden als regel niet gegeven.

c.a.v.d.b.

 

N.a.v. zijn emeritaat werd aan de Luikse hoogleraar paul harsin in een Recueil d'Etudes (Luik: F. Gothier, 1970, lxiv-474 blz.) de herdruk van een aantal van zijn bijdragen aan-

[p. 245]

geboden. Behalve een vijftal die betrekking hebben op de geschiedenis van de economische denkbeelden, zijn zij merendeels, ten getale van 24, gewijd aan het oude prinsbisdom Luik, aan de Zuidnederlandse financiën en aan het nationaal bewustzijn in de oude Nederlanden gedurende de Nieuwe Tijd, evenals aan de beginjaren van de Luikse rechtsfaculteit.

 

j.a.v.h.

 

De Mélanges d'archéologie et d'histoire de l'art offerts au professeur Jacques Lavalleye (Université de Louvain. Recueil de travaux d'histoire et de philologie, 4e reeks, XLV; Leuven, 1970, l + 340 blz., 96 buitentekstplaten + 2 plannen), een huldealbum verschenen ter gelegenheid van het emeritaat van de bekende Leuvense hoogleraar (geb. Sint - Joost - ten - Node, 3 sept. 1900), bevat, naast uitsluitend kunsthistorische bijdragen van zijn medewerkers, oud-leerlingen en vrienden, ook een levensbericht door f. de ruyt en een bibliografie van J. Lavalleyes werken (1920 tot 31 dec. 1969) door p. culot. Laatstgenoemde nota's interesseren ook de historici, vermits professor Lavalleye oorspronkelijk historisch - archiefeconomisch gevormd werd en pas in 1929 voorgoed de kunsthistorische richting ingeslagen heeft.

l.v.b.

 

Op 8 november 1970 werd Antoon Viaene, die zich in de Westvlaamse kringen van historici, volks- en heemkundigen bijzonder verdienstelijk maakte, te Brugge gevierd. Bij die gelegenheid werd een Album Antoon Viaene uitgegeven (Brugge, 1970, 360 blz.), waarvan enige bijdragen verder in de Kroniek afzonderlijk worden besproken.

j.a.v.h.

 

De Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis vierde in 1970 de honderdste verjaring van haar ontstaan. De Handelingen, XXIV (1970), zijn dan ook een speciale eeuwfeestuitgave. Ze omvatten twee delen. In het eerste treft men twee historische overzichten aan: g. degroote, ‘De Zuidnederlandse en de culturele toenadering tussen Noord en Zuid’ (p. xiii-xxv); th. luykx, ‘Vlaanderens culturele ontwikkeling (1870-1970)’ (p. xxvii-xlvi). Daarnaast geeft h. van assche, ‘Analytische bibliografie’, een overzicht van de bijdragen die in de vorige drieentwintig Handelingen zijn verschenen en een lijst van de lezingen die sedert 1948 in de Maatschappij werden gehouden. Deel II bestaat uit de wetenschappelijk verantwoorde catalogus van de tentoonstelling die te Brussel (okt.-dec. 1970) werd georganiseerd: j. deschamps, ‘Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken’ (xx-303 blz., 72 platen). Deze catalogus, waarin eenenzestig handschriften met berijmde teksten en vierenzestig met prozateksten worden beschreven, is dank zij de jarenlange navorsingen van de samensteller tot een degelijk instrument uitgegroeid; al de belangrijkste Middelnederlandse handschriften die bewaard zijn gebleven komen erin voor.

m.d.v.

 

In 1967 hield het tijdschrift Het Boek, dat in 1912 was opgericht, op te verschijnen. Hoewel het in de laatste jaren een moeizaam bestaan leidde, werd de stopzetting door velen betreurd. Om in de ontstane leemte te voorzien werd in België en Nederland een gemeenschappelijke poging ondernomen om tot een nieuw soortgelijk tijdschrift te komen. Deze leidde tot resultaat en zo verscheen onlangs de eerste aflevering van Quaerendo. A Quarterly Journal from the Low Countries devoted to Manuscripts and Printed Books, onder

[p. 246]

redactie van elly cockx-indestege, a.r.a. croiset van uchelen, h. de la fontaine verwey en g.w. ovink (Amsterdam: Theatrum Orbis Terrarum Ltd., I, 1971, f. 60. -, B.F. 830). Het tijdschrift De Gulden Passer zal dientengevolge verder als jaarboek of als een reeks monografieën worden uitgegeven.

Het tijdschrift verschijnt in de Engelse taal; bijdragen in het Frans en Duits worden van een Engelse samenvatting voorzien. Dit betekent dat de schrijvers van artikelen in het Nederlands voortaan op andere periodieken aangewezen zullen zijn, o.a. op het maandblad Open, dat in 1969 als voortzetting van Bibliotheek-leven ontstond door samengaan van bibliothecarissen, literatuuronderzoekers, bedrijfsarchivarissen en documentalisten.

De eerste aflevering van Quaerendo bevat onder meer een in memoriam van Mej. Dr. M.E. Kronenberg door l. brummel en bijdragen van h. de la fontaine verwey, ‘The first “Book of Etiquette” for Children. Erasmus' De civilitate morum puerilium’ en van p.s. morrish, ‘A Collection of Seventeenth-Century Sale Catalogues.’

w.r.h.k.

 

De Nederlandse Kastelenstichting is het vorige jaar in samenwerking met de Koninklijke Nederlandsche Toeristenbond ANWB begonnen met het uitgeven van een reeks gidsen over kastelen in Nederland, die kunnen worden bezichtigd. De redactie van deze serie wordt gevormd door J.G.N. Renaud en A.I.J.M. Schellart.

Elke gids (ca. 20 pagina's) bevat bijzonderheden over de geschiedenis van het huis, zijn bewoners en omgeving. Voor de samenstelling van de tekst is uitgegaan van reeds bestaande literatuur, waar nodig aangevuld met gegevens, die aan hernieuwd bronnenonderzoek en aan opgravingen van de laatste jaren werden ontleend. Voorts is elk boekje voorzien van een afbeelding van het oudst bekende zegel, een plattegrond van het huis, verscheidene foto's en een korte bibliografie. In deze serie zijn reeds zes deeltjes verschenen: a. van oirschot, Het kasteel van Heeze; a. van oirschot, Het kasteel Nemerlaer te Haaren; g. ros-de korte, Het kasteel te Dussen; e.j. van ebbenhorst tengbergen, Het kasteel van Wychen; t.w. siertsema en s. vuyck, Het huis Overcinge te Havelte; a. van oirschot, De Blauwe Camer. Sint Catharinadal (Muiderberg N.H.: Nederlandse Kastelenstichting, f 1,30).

f.h.

 

De Annales de l'Institut Archéologique du Luxembourg. Arlon, XCIX (1968) zijn integraal gewijd aan een algemene geschiedenis van de stad en het land van Durbuy tijdens het oude regiem. g.-j. ninane behandelt er ‘L'ancienne Terre de Durbuy et sa structuration paroissiale’ (5-113), terwijl f. pirotte en j. bernard het hebben over ‘Durbuy. Le château, la ville et la communauté des bourgeois de 1500 à 1795’ (115-363).

l.v.b.

 

In Annales de la Société Belge d'Histoire des Hôpitaux. Annalen van de Belgische Vereniging voor Hospitaalgeschiedenis, VII (1969) 3-19 heeft h. delvaux, ‘De Leprozerij Dalenbroek te Tienen’ aan de vergetelheid ontrukt. Ontstaan in de eerste helft der dertiende eeuw, evolueerde deze initiaal door de stadsmagistraat bestuurde en door religieuzen bediende instelling, op het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw tot een (nog slechts door de stad gecontroleerd) klooster, dat zich steeds minder met leprozenverzorging zou bezig houden. In 1783 werd de weinig belangrijke communauteit door Jozef II opgeheven.

l.v.b.

[p. 247]

De Leidse Hofjes (Leiden: Leidsch Dagblad N.V., s.a., 90 blz.) is een samenvatting van geïllustreerde reportages door r.j. spruit, secretaris van de Stichting Leidse Hofjes, welke in 1968/1969 in het Leidsch Dagblad zijn verschenen. Dit boek geeft een goed, in populaire trant gehouden overzicht over deze hofjes, waarvan het oudste meer dan vijfhonderd jaar geleden is gesticht. Verscheidene van deze liefdadige instellingen bezorgen nog steeds aan bejaarde lieden een onbekommerde levensavond, andere hebben geheel of gedeeltelijk een nieuwe bestemming gekregen; zij danken aan de Stichting Leidse Studentenhuisvesting een moderner, maar eveneens zinvol bestaan. De vele foto's van J. Holvast maken heel duidelijk hoe belangrijk het behoud van zulke hofjes voor een stad is.

 

a.t.s.m.

 

De Rheinische Vierteljahrsblätter, XXXIV (1970) 57-87 publiceert een artikel van f. petri, ‘Stand, Probleme und Aufgaben der Landesgeschichte in Nordwestdeutschland und den westlichen Nachbarländern’, waarin een overzicht gegeven wordt van de instellingen en activiteiten op het gebied van de gewestelijke geschiedenis o.a. in Nederland.

 

f.b.

 

Een belangrijk thema stelt w. jappe alberts aan de orde in ‘Historische Grenzlandbeziehungen am Niederrhein’, Landschaft und Geschichte. Festschrift für Franz Petri zu seinen 65. Geburtstag (1970) 35-43. In een uiteraard beknopt overzicht van de geschiedenis van het gebied van Arnhem tot Maastricht van de Romeinse tijd tot heden betoogt hij dat de betrekkingen tot de thans Duitse Rijnstreek met dit gebied op alle mogelijke gebieden bijzonder intens zijn geweest. Daarnaast werkten echter andere tendenties: al was het Maasgebied economisch zeker sterk georiënteerd op de streek aan Nederrijn, de verbindingen met de Waalse gebieden langs de Maas mogen bepaald niet verwaarloosd worden; al hadden de hertogen van Gelre politieke belangstelling voor Gulik, Kleef en Meurs, hun betrekkingen tot het Sticht Utrecht en het graafschap Holland waren niet minder nauw. Maar als geheel toch een rijk artikel, dat het overdenken zeker waard is.

 

h.p.h.j.

 

De Nederlandse vlag heeft een niet zeer heldere geschiedenis. Nederland bezit overigens geen bij de wet vastgestelde vlag. Op de problematiek daaromtrent wordt ingegaan door p.j. van winter en kl. sierksma, ‘De Nederlandse vlag’, Spiegel Historiael, V (1970) 602-609.

m.d.v.

 

s. top, ‘Banditisme in het Vlaams volkssagenrepertorium. Bijdrage tot herwaardering van de historische sage,’ Wetenschappelijke Tijdingen, XXIX (1970) 321-344, licht, aan de hand van een onderwerp dat in het Vlaamse volkssagenmateriaal relatief goed vertegenwoordigd is, de principiële waarde toe van de ‘echt-historische’ sagen, d.w.z. sagen waarvan de historische kern een inherent deel uitmaakt van de lokale, regionale, of nationale geschiedenis. Daarbij wordt de wisselwerking tussen sage en geschiedenis nader onderzocht.

m.d.v.

[p. 248]

e. van cauwenberghe, ‘Bijdrage tot de financieel-economische evolutie van een vorstelijk domein in Vlaanderen: Deinze-Drongen, XIVe - XVIIe eeuw’, Handel. Soc. d'Emulation te Brugge, CVII (1970) 250-268, met 7 grafieken, stelt de eerste resultaten voor van een door hem met behulp van de computer uitgevoerd onderzoek van de betreffende domeinrekeningen van 1329 tot 1604 met betrekking tot de wijzigingen in de agrarische structuur en van het financiële beleid. Dit eindigde uiteraard met de verpanding van dit domein aan de bekende Maarten della Faille in 1603.

j.a.v.h.

 

p. godding, ‘L'origine et l'autorité des recueils de jurisprudence dans les Pays-Bas Méridionaux (XIIIe-XVIIIe siècles),’ in Rapports belges au VIIIe Congrès international de droit comparé (Pescara, 1970) 1-37. In de middeleeuwen, toen de rechtspraak in zo sterke mate werd beheerst door het gewoonterecht, zijn verzamelingen van vonnissen die als precedenten konden dienen, niettemin zeldzaam. De meeste werkelijke verzamelingen dateren pas uit de vijftiende eeuw en schijnen juridisch geen enkel gezag te hebben gehad. In de zeventiende en achttiende eeuw winnen de bundels echter aan aanzien. Zij zijn vaak het werk van geleerde raadsheren van de hogere rechtsbanken (Christijnen, De Méan, Stockmans e.a.).

r.v.u.

 

In Folklore. Stavelot - Malmedy Saint - Vith, XXXII (1968) 97-128, bundelt g. hansotte allerlei verspreide gegevens tot een overzicht van ‘La Métallurgie dans les bassins de l'Amblève et l'Ourthe stavelotaine et limbourgeoise 1393-1846’.

l.v.b.

 

j.a. boot beschrijft onder de titel ‘Bombazijn en bombazijnzegels in Nederland’, Textielhistorische Bijdragen, XI (Hengelo: Stichting Textielgeschiedenis, 1970) 29-60, een vroeger belangrijke tak van textielnijverheid en de bindende regelingen die vanaf de middeleeuwen tot in de achttiende eeuw door verschillende stadsbesturen werden uitgevaardigd inzake het bombazijn weven. De naam bombazijn heeft echter geen scherp omlijnde betekenis, maar werd voor mengweefsels van verschillende samenstelling gebruikt. Aan de hand van de keuren of zegels weet schrijver in deze bijzonder ingewikkelde materie duidelijkheid te brengen.

e.r.

 

g.f. sandberg verzamelde in zijn juridische dissertatie Overzetveren in Zeeland (Middelburg, 1970, 272 blz., f 26, -) omtrent elk Zeeuws veer waarvan het bestaan aantoonbaar is (schrijver telde er 118) de beschikbare gegevens inzake de uitoefening van het veerrecht en bestudeerde aan de hand daarvan de aard en inhoud van dit recht, dat in Zeeland, voorzover de landsheer het niet in eigen hand hield, een vast gevolg was van het bezit van ambachtsheerlijkheid. De oudste vermeldingen van veren ten noordoosten van de Westerschelde dateren uit de dertiende eeuw. Schrijver heeft Zeeuws-Vlaanderen maar gedeeltelijk in zijn onderzoek betrokken, van het einde van de zestiende eeuw af. Van de veren en het veerrecht in dit gebied krijgt de lezer daardoor slechts een onvolledig beeld. Afgezien van die beperking zal dit boek ieder die materiaal zoekt over dit onderwerp veel speurwerk besparen.

j.k.

[p. 249]

Ter gelegenheid van het Eerste internationaal symposium van de historici van de comptabiliteit, werd door de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel van 3 oktober tot 8 november 1970 een tentoonstelling over het boekhouden in het verleden ingericht. De catalogus, De Comptabiliteit door de eeuwen heen (Brussel, 1970, xxiii + 247 blz., met 6 platen, bestaat ook in het Frans: La comptabilité à travers les âges) is in grote mate van de hand van ernest stevelinck, accountant bij het Nationaal College der Accountants van België (NCAB); hij werd hierin geassisteerd door mevr. elly cockx - indestege, door mej. anne rouzet, door mej. christiane pierard en door albert schouteet, jan lippens en luc danhieux. Professor raymond de roover schreef het ‘Voorbericht’ en de ‘Inleiding’ (blz. ix-xxiii). In afdeling I, ‘De Boekhoudkundige Handleidingen’, komen achtereenvolgens aan bod: ‘De Voorlopers’ van Luca Pacioli (1494, Sum(m)a de arithmetica, geometrica, proportioni & proportionalità, het eerste gedrukte boek over de dubbele comptabiliteit) en degenen na hem die zich tot de methode van het enkel boekhouden beperkt hebben, ‘De Pioniers’ of eerste schrijvers in elk land die over het dubbel boekhouden handelden, ‘De Voortzetters’ van de Italiaanse boekhouding en ‘De Vernieuwers’ van het systeem (vanaf Edward Thomas Jones - 1796, English System of Book-Keeping, by Single or Double Entry). Afdeling II behandelt, kort en anekdotisch, enige ‘Rekenmiddelen en Rekenwijzen’ - d.w.z. rekenpenningen, telramen en handboekjes betreffende de hoofdbewerkingen en muntomzettingen -, terwijl in de derde afdeling losse voorbeelden gegeven worden van ‘Rekeningen, Koopmansboeken en Registerbanden’ uit Mons, Brugge en Antwerpen. Afdelingen IV en V bieden op een uiteraard willekeurige en onvolledige wijze (enige territoriale beperking werd immers niet nagestreefd!) respektievelijk een ‘Iconografie’ en een ‘Literatuurlijst’ over het behandelde onderwerp. Het ‘Glossarium’ en het ‘Register’ zullen beslist diensten bewijzen. De waarde van onderhavige publikatie dient vooral op het encyclopedisch - bibliografisch vlak gezocht.

l.v.b.

Middeleeuwen

In de Triangelreeks verscheen een zeer aantrekkelijk boekje onder de redactie van j.w. boersma, getiteld Terpen, mens en milieu (Haren, 1970, 115 blz., f 8,90). Het is populair van opzet, maar bevat bijdragen van specialisten. Prof. H.T. Waterbolk heeft twee hoofdstukken geschreven, het eerste over het ontstaan van terpen en het fysisch-geografische milieu, dat de bouw daarvan noodzakelijk maakte. Hij verdedigt hier weer zijn bekende stelling, dat de eerste bewoners van het Fries-Groningse kweldergebied afkomstig waren van de hogere gronden in Drente en elders, waarvan zij door zandverstuivingen verdreven waren. In het zesde hoofdstuk schetst Waterbolk de geschiedenis van het terpenonderzoek, waarin duidelijk blijkt in hoe grote mate onze huidige opvattingen afkomstig zijn van Van Giffen en welke rare ideeën deze in het begin van zijn carrière nog te bestrijden had; bijv. de terpen zouden gelijk te stellen zijn met Zwitserse paaldorpen! Dr. W. van Zeist geeft een opsomming van alle planten en gewassen, waarvan sporen in het terpenlandschap zijn aangetroffen en Dr. A.T. Clason doet hetzelfde met de dieren. J.W. Boersma schrijft een heel korte geschiedenis van het terpenlandschap, helaas ontsierd door enkele historisch minder juiste formuleringen. G. Elzinga tenslotte doet een poging het dagelijks leven op en rond de terp te schetsen, waarbij iets te krampachtig steeds de consequenties voor het sociale leven uit de materiële vondsten getrokken worden. Zijn mededelingen over het

[p. 250]

afgraven der terpen en de handel in terpenaarde in de laatste eeuwen zijn daarentegen bijzonder instructief.

h.p.h.j.

 

In ‘De buurschap Mander en omgeving in de historie’, Verslagen en Mededelingen van de Vereen. tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, LXXXV (1970) 1-60 overweegt c.c.w.j. hijszeler de mogelijkheid dat ter plaatse van het tegenwoordige Mander, dat rijk is aan vondsten uit de steentijd, brons- en ijzertijd, een continue bewoning kan worden aangetoond sinds de prehistorie. Hij onderzoekt daartoe hoever de geschiedenis van de boerenerven in Mander terugreikt. In veel gevallen is deze te volgen tot in de veertiende eeuw, in enkele tot in de dertiende of zelfs tiende eeuw; het bestaan van een nederzetting Mander omstreeks 800 staat eveneens vast. Daar echter uit de periode van het begin der jaartelling tot de achtste eeuw (nog) geen enkel gegeven bekend is, kan de continuiteit van de nederzettingsgeschiedenis niet aangetoond worden. Enkele kaarten illustreren de ligging van de bestudeerde erven.

j.k.

 

a. russchen zet de diskussie over een eventuele Angelsaksische invasie in Friesland voort in het artikel ‘Keramiek en Ritueel in de vijfde eeuw’, verschenen in It Beaken. Tydskrift útjown fan de Fryske Akademy, XXXII (1970) 121-132. Hij konstateert een maritieme urnen expansie in Friesland, waarin hij een aanwijzing ziet voor een vreedzame, maritieme invasie van Angelsaksische elementen.

o.v.

 

Waanzin in de middeleeuwen (Nijkerk, 1969, 327 blz.), kort na het overlijden van de auteur, de psychiater h.h. beek, verschenen, is een studie die de grenzen van de geschiedenis der geneeskunde op gelukkige wijze overschrijdt. De schrijver, geboeid door de situatie van de geestelijk gestoorde mens in een maatschappij die tegenover deze vorm van onaangepast-zijn weinig ander verweer had dan de bezwering en de volksgeneeskunst, heeft alle denkbare aspecten van zijn onderwerp onderzocht en zo een belangrijke bijdrage geleverd tot de sociale en culturele geschiedenis der middeleeuwen. Hij bestudeerde de medische literatuur van de vijfde eeuw af om vast te stellen hoe ver de kennis omtrent psychische stoornissen en de therapeutische mogelijkheden reikte en verzamelde een schat aan gegevens over de verschijnselen van geestelijke abnormaliteit (waaronder ook epilepsie, hondsdolheid, alcoholisme) en de houding hiertegenover van familie, vrienden en overheid; zijn veelzijdig materiaal betreft in hoofdzaak Frankrijk, Duitsland en de Nederlanden. Veel aandacht schenkt de schrijver aan wat hij de ‘hagiotherapie’ noemt, de pelgrimage naar een op het genezen van waanzin gespecialiseerde heilige zoals ten onzent St Adalbert van Egmond, O.L.V. van Amersfoort en vooral St. Hermes van Ronse en St. Dimpna van Geel, waar de praktijk tot een goed georganiseerd, ongetwijfeld winstgevend bedrijf uitgroeide en de patienten een vaste negendaagse kuur ondergingen, waarin religieus ritueel met dieet en badtherapie gecombineerd was. Dergelijke centra waren vooral in het dichtbevolkte gebied tussen Rijn en Loire talrijk. Hoewel gegevens over het aantal geestelijk gestoorden ontbreken, maakt deze studie duidelijk dat zij een reëel probleem vormden in de middeleeuwse samenleving, die er onhandig en hardhandig, maar (en daarop legt de auteur sterk de nadruk) met veel geduld, goede intenties en financiële offervaardigheid op reageerde.

j.k.

[p. 251]

Een historicus uit de VII eeuw: Fredegarius (Mededelingen Kon. Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, XXXII, v; Brussel: Paleis der Academiën, 1970, een deel in-8o van 33 blz., 73 BF.) is in zekere zin het vervolg op de samenvattende studie die f.l. ganshof in 1966 over Gregorius van Tours, de historicus uit de VIe eeuw, liet verschijnen. In feite is de anonieme Chronica, sinds de zestiende eeuw pas zonder duidelijke reden op naam gezet van een Fredegarius scholasticus, waarschijnlijk het werk van twee auteurs. Het belangrijkste stuk in de compilatie is het relaas over de jaren 584 tot 642. De grote aandacht voor Bourgondische en Austrasische aangelegenheden is opvallend. Daarnaast gaat de belangstelling ook uit naar Oosten Zuid-Europa. Het ontstaan van het werk, de taal en stijl en de mentaliteit worden systematisch doorgelicht. Een dergelijke synthetische en toch persoonlijke notitie, bovendien voorzien van een kritische en overvloedige bibliografie, zou men zich voor tal van middeleeuwse bronnen wensen.

r.v.u.

 

j. de walque vervolgt in Folklore. Stavelot - Malmedy Saint - Vith, XXXII (1970) 5-95 zijn lijvige bijdrage over, ‘Les limites mérovingiennes de l'abbaye de Stavelot - Malmedy’.

l.v.b.

 

In het Tijdschrift voor Geschiedenis, LXXXIII (1970) 346-351, is een korte polemiek opgenomen van jkvr. dr. j.m. van winter en dr. d.p. blok onder de titel ‘Homines Franci, edelen of koningsvrijen’. Freule van Winter meent dat de bewuste homines Franci uit de Ewad Amorem duidelijk als koningsvrijen moeten worden aangemerkt, de stand van boeren-militairen, die na de onderzoekingen van Dannenbauer, Mayer en anderen als een belangrijke bevolkingscomponent in de vroege en gedeeltelijk zelfs de hoge middeleeuwen beschouwd worden. Zij neemt het Blok kwalijk dat hij dit niet zo gezien heeft in zijn boek over de Franken. Blok wil de mogelijkheid in zijn naschrift niet perse afwijzen, meent toch dat het weergeld van de homines Franci meer wijst op een plaats onder de edelen. Persoonlijk lijkt mij de zaak door gebrek aan gegevens vooralsnog onoplosbaar. Het zou in ieder geval nuttig zijn, als iemand eens een waterdichte definitie gaf, van wat een koningsvrije nu precies is.

h.p.h.j.

 

l. génicot, ‘Empereurs et princes en Basse-Lotharingie. Suggestions et recherches’, in Revue de l'Université de Bruxelles, V (1970) 1-19 vraagt aandacht voor de terminologie waarmee de bronnen het gezag en het territorium der Nederlandse vorsten aanduiden. Hierin zou een aanwijzing kunnen liggen nopens hun juridische en reële verhouding tot keizer en koning. Andere elementen waaraan aandacht moet worden besteed zijn de publieke functies die de vorsten op zich namen en de rechtvaardiging van hun macht. Tevens moet onderzocht worden hoe de onderdanen de vorstelijke macht ondergingen.

r.v.u.

 

j. deckers, ‘Recherches sur l'histoire des brasseries dans la région mosane au moyen âge’, in Le Moyen Age, LXXVI (1970) 445-491 bestrijkt het Midden-Maas-gebied tussen de negende en de veertiende eeuw, ofschoon hier reeds archeologische sporen van bierverbruik in de derde eeuw voorkwamen. In het begin der negende eeuw duikt in de bronnen echter de camba op, sinds de twaalfde eeuw ook braxina genaamd. Blijkens de zorgvuldig samengestelde lijsten en een kaart moet het aantal brouwerijen vrij talrijk zijn geweest.

[p. 252]

De vrij dichte concentratie der brouwerijen in Haspengouw houdt ongetwijfeld verband met de hoge graanproduktie aldaar, maar van enige bieruitvoer is er niettemin geen spoor.

r.v.u.

 

c. renardy, ‘Recherches sur la restitution ou la cession de dîmes aux églises dans le diocèse de Liège du XIe au début du XIV siècle, in Le Moyen Age, LXXVI (1970) 205-261 kwam, binnen het in de titel omschreven terrein, 787 overdrachten van kerkelijke tienden op het spoor. Reeds vóór het pauselijk decreet van 1080 werden talrijke tienden door leken in kerkelijk bezit overgegeven, maar ontegensprekelijk situeert het merendeel der overdrachten zich tussen 1125 en 1200. Deze schenkingen van tienden, waarbij vooral edelen en ridders de toon aangaven, waren meestal geen echte restituties; zij gingen immers in hoofdzaak naar de nieuwere orden. Het betoog wordt door grafieken en een kaart toegelicht.

r.v.u.

 

In de Revue de l'Université de Bruxelles, V (1970) 1-19 analyseert m. bruwier de evolutie van ‘Le domaine des comtes de Hainaut du Xe au XIIIe siècle’. Zij onderscheidt daarbij vier perioden. In de loop van de tiende eeuw hebben de Reniers zich een domein in ruime zin verzameld. Gravin Richildis en haar zoon hebben in hun strijd tegen Robrecht de Fries aanzienlijke delen van hun bezit van de hand moeten doen, maar Boudewijn IV en V (1127-1195) konden het tijdens hun lange regering min of meer herstellen. Overdreven uitgaven brachten met zich dat in 1186 een algemene tallia werd uitgeschreven. Dit en de Vlaamse invloeden wakkerden een ruimer beroep op de financiën der steden en op de uitbouw van een degelijke administratie aan.

r.v.u.

 

Gedurende de ganse twaalfde eeuw werd de Vlaamse kustvlakte ten N.O. van Brugge door vloeden geteisterd. Het dijkensysteem van Uitkerke tot Damme werd in één geheel opgetrokken en dit vóór 1134. Deze precisies maakt n. pannier op uit de interpretatie van enkele kroniekteksten, in ‘De datering van de Duinkerke III-B transgressie’, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe reeks, XXIV (1970) 113-126.

e.s.

 

p. declerck onderzocht het zeer verspreide (ca. 2500 op 506 parochies) instituut van ‘De middeleeuwse kapelanij in het bisdom Doornik’, Album Viaene (Brugge, 1970) 133-142. De oudste bekende klimt op tot ca. 1173; zij kenden een hoogtepunt in de veertiende eeuw. In bijlage worden meegedeeld een beschrijving van de procedure voor het stichten van kapelanijen te Brugge, en de akte van fundatie van een kapelanij te Leke (1364).

j.a.v.h.

 

Aan de hand van het cartularium van Guiman schetst f. vercauteren de bevolkingsgroei van Atrecht in de twaalfde eeuw, voornamelijk door de aantrekkingskracht van de abdij van Sint-Vaast en door de wolbewerking, in ‘Un exemple de peuplement urbain au XIIe siècle, le cas d'Arras’, in Villes de l'Europe méditerranéenne et de l'Europe occidentale du Moyen Age au XIXe siècle. Actes du colloque de Nice (27-28 mars 1969) (Annales de la Faculté des Lettres et Sciences humaines de Nice, IX-X; 1969, 15-27).

e.s.

[p. 253]

dr. j.m. van winter heeft een hoogst originele bijdrage geleverd tot de sociale geschiedenis van Gelre in de middeleeuwen door de gegevens die zij had neergelegd in de vele tabellen uit het tweede deel van haar dissertatie, nu ook in grafieken te veraanschouwelijken: ‘Die geldrische Ritterschaft in Graphiken dargestellt’, Landschaft und Geschichte. Festschrift für Franz Petri zu seimen 65. Geburtstag (1970) 518-527. Zij geeft grafieken van alle ministerialen in de vier Gelderse kwartieren en daarna hetzelfde voor de vrije adel, waarbij zij per regering aangeeft welke geslachten daarvan in Gelderse dienst waren, welke stedelijke burgers telden, welke grafelijke of hertogelijke ambten bekleedden, welke in vreemde dienst waren en zelfs welke deelnamen aan de bekende standenverbonden van 1377, 1418, 1436 en 1442. De grafieken zijn zeer overzichtelijk, hoewel wat klein afgedrukt, en machtig instructief.

h.p.h.j.

 

In zijn ‘Bijdrage tot het bronnenonderzoek van Haet is riocht’, Mededelingen van het rechtshistorisch instituut van de R.U. Groningen, VIII (1971, 18 blz.) maakt p. gerbenzon aannemelijk dat de samensteller van de oudste versie van deze bekende Friese rechtstekst in hoofdzaak gebruik gemaakt heeft van de Summa ‘elegantius in iure divino’ (Summa coloniensis), waarmee de Friese tekst nauwe verwantschap blijkt te vertonen. Dat deze Summa inderdaad in de Friese landen bekend is geweest, bewees schrijver reeds eerder aan de hand van de kroniek van Emo van Wittewierum.

j.k.

 

Het probleem van ‘Het regentschap over Vlaanderen en Henegouwen na het vertrek van Boudewijn IX (VI) op kruisvaart (1202-1211)’, is reeds vrij oud. In het Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, XLVIII (1970) 377-393 brengt b. hendrickx zijn oplossing aan. Maria van Champagne trad tussen 14 april 1202 en begin 1204 als regentes op. Na haar vertrek regeerden de drie edelen die Boudewijn voor zijn vertrek had aangeduid en die reeds de gravin hadden bijgestaan. Toen hun opdracht verlopen was, verruimde de graaf in maart 1205 de regentschapsraad. Met de verdwijning van Boudewijn wordt de situatie onduidelijk, maar in mei of juni wordt Filips van Namen officieel met het gezag bekleed.

r.v.u.

 

Het zal 1950 geweest zijn, toen de betreurde professor j.f. niermeyer de candidaten op zijn college verzocht zijn boek Honderd Noord-Nederlandse oorkonden en akten uit de jaren 1254-1501 aan te schaffen. Het was in 1939 verschenen, maar nog steeds bij de uitgever te krijgen. ‘Het is helaas geen bestseller geworden’ verklaarde Niermeyer met zijn droge zelfspot. Het zou hem plezier gedaan hebben, dat er nu toch een tweede druk van verschenen is (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1970, 129 blz. f17,50), waardoor ook aan de tegenwoordige mediaevisten de gelegenheid geboden wordt met dit voortreffelijke boekje te werken. Behalve een zeer kort Ten Geleide van Prof. van de Kieft is er niets veranderd sinds de eerste druk; om pedagogische redenen zijn de regesten uiterst summier gehouden en alle zakelijke toelichting ontbreekt bij de zeer betrouwbare teksten die alle met de handschriften gecollationeerd zijn. Het boekje biedt een ruime keus van de voornaamste in deze tijd gebruikte oorkonden en aktensoorten. Ook de inhoud daarvan is vaak interessant, te belangrijker omdat meer dan de helft der stukken niet elders gedrukt staat.

h.p.h.j.

[p. 254]

Het tijdschrift Holland heeft ook in 1969 een aflevering gewijd aan een speciaal onderwerp: de stedengeschiedenis. Het uitgangspunt was de vragenlijst die Prof. dr. C. van de Kieft heeft toegezonden aan de stadsarchivarissen in ons land met de bedoeling een overzicht te krijgen van de ontwikkeling der stedelijke autonomie; een onderzoeksproject van de Internationale Commissie voor Stedengeschiedenis. In het Nederlands Archievenblad beschreef van de Kieft dit project en behandelde hij het onderwerp in het algemeen; hier bestudeert hij speciaal de Hollandse steden. Na zijn inleiding volgen meer gedetailleerde opstellen over Dordrecht (Th. Jensma), Haarlem (J.J. Temminck), Leiden (W. Downer), Amsterdam (H.J.v.d. Laan) en Gorinchem (J. Fox). Als bijlage wordt de vragenlijst afgedrukt.

Ook elders vindt men gegevens voor de stedengeschiedenis. In het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, LXVIII (1969) staat een artikel van f.a. brekelmans, ‘De stedelijke ontwikkeling van Breda’, een korte samenvatting van de geschiedenis van deze stad, oorspronkelijk het centrum van een domein waarbij een castellum wordt gesticht door de Heren van Breda ter bescherming van hun tolrecht op de rivier de Mark. De jaargang LXIX (1970) van hetzelfde tijdschrift bevat overzichten van de geschiedenis van Dokkum door H. Halbertsma (33-51), die zich vooral bezig houdt met de abdijkerk en de parochiekerk, en van Harlingen door H.T. Obreen (73-88).

In de Varia Historica Brabantica, III (1969) zijn verschillende artikelen over Brabantse steden opgenomen. p. kuyper schrijft over ‘Het oudste stadsrecht van Den Bosch’ en prof. g. despy over ‘L'implantation du droit de Louvain dans le Brabant Wallon au XIIIe siècle’. Daarnaast vindt men enkele artikelen over het in de steden geldende recht.

f.b.

 

c. vleeschouwers, ‘Een balans van de abdij Nieuwenbos bij Gent (1279-1288) onder abdis Maria II van Klaarhout’, in Handelingen Kon. Commissie voor Geschiedenis, CXXXVI (1970) 1-47, is de uitgave van een perkamenten rekeningrol van deze Cisterciënzerinnenabdij, het enige financiële document dat van dit klooster bewaard bleef van vóór de veertiende eeuw, ofschoon in de tekst uitdrukkelijk verwezen wordt naar de jaarrekeningen en naar driemaandelijkse staten. De rol werd opgesteld ter verantwoording van het beleid der abdis tegenover het generaal kapittel en licht ons in over de economische financiële crisis van de abdij in de jaren 1278-1283, o.m. wegens de heersende veesterften en wegens de overstromingen.

r.v.u.

 

Een tiental kilometer ten Noord-Westen van 's-Hertogenbosch lag vroeger de Premonstratenser abdij Berne. Het klooster zelf bestaat nog wel, maar is thans te Heeswijk gelegen. Vanaf de stichting in 1134 is er een vrij redelijk aantal archiefdocumenten bewaard gebleven en verscheidene onderzoekers hebben deze al benut voor grotere of kleinere publicaties. Een zeer ambitieuze poging om de gehele geschiedenis van het grondbezit in de middeleeuwen na te gaan, is gedaan door h. van dijk in een artikel: ‘Een klooster uit het Brabants-Hollandse rivierengebied: de abdij Berne en haar materiële betekenis in de Middeleeuwen’, A.A.G.-Bijdragen, XV (Wageningen, 1970) 3-38. Zijn conclusies zijn zeer interessant. Hij betoogt met name, dat het vrij bescheiden grondbezit van de abdij (ongeveer 3.000 h.a.) nauwelijks door ontginning tot stand is gekomen, wat men zou verwachten bij een Premonstratenser klooster, maar uitsluitend door schenkingen van gelovigen en door koop. Hij keert zich hierbij vooral tegen j.f. niermeyer die in het artikel: ‘Het klooster Berne en de ontginning van de Oostelijke Meierij omstreeks 1200’ in Ceres

[p. 255]

en Clio (1964) 113-128 juist het omgekeerde betoogd had voor de bezittingen onder Heeswijk. Van Dijks demonstratie maakt een solide indruk; hij is er in geslaagd de abdijbezittingen te identificeren en te lokaliseren uit drie lijsten, nl. van 1200, van 1380 en van 1633. Het is alleen jammer, dat de aanbieding van het resultaat te lijden heeft van een zekere slordigheid en onduidelijkheid; het artikel is verbazend slecht gecorrigeerd, het betoog is soms onduidelijk en bepaalde termen (b.v. falsum) worden te achteloos gebruikt.

h.p.h.j.

 

Volgens j. lempereur ‘Les aspects juridiques de la bienfaisance à Dinant jusqu'au XIVe siècle’, in Annales de la Société Belge d'Histoire des Hôpitaux. Annalen van de Belgische Vereniging voor Hospitaalgeschiedenis, VII (1969) 21-39, heeft de laïcisering van het sedert 1217 bekende hospitaal en van de leprozerij te Dinant zich voltrokken tussen 1297 en 1342 en werd het kapittel aldaar op het einde der veertiende eeuw totaal door de stad uit het bestuur van die liefdadigheidsinstellingen verdrongen.

l.v.b.

 

Met zijn ‘Hierlandsche’ wol en lakens in Brabantse documenten (XIIIde-XVIde Eeuw)’, in Bijdragen tot de Geschiedenis inzonderheid van het Oud Hertogdom Brabant, LIII (1970) 5-16 heeft r. van uytven definitief de halsstarrige legende ontzenuwd dat met ‘hierlandsch’ ‘Ierlands’ zou bedoeld zijn en dat een ‘Yngelsch laken’ steeds een uit Engeland ingevoerd laken zou geweest zijn. Het gaat integendeel steeds - misschien in de Ieperse teksten uitgezonderd - om inlandse grondstoffen en producten, respectievelijk om uit Engelse wol hier te lande of in Engeland zelf geweven lakens. Door deze vaststellingen komt de rol van de inlandse wol in de lakennijverheid en de wolhandel in onze gewesten in een nieuw daglicht te staan.

l.v.b.

 

Het boekje van michel mollat en philippe wolff, Ongles bleus. Jacques et Ciompi. Les révolutions populaires en Europe aux XIVe et XVe siècles (Parijs: Calmann-Lévy, 1970, 331 blz. Verz.: Les grandes vagues révolutionnaires) is voor een ruime lezerskring geschreven, maar de historici van de Lage Landen zullen er ook hun voordeel mee doen: de Vlaamse troebelen worden erin behandeld tegen de algemene-Europese achtergrond van de laat-middeleeuwse opstandigheid.

j.a.v.h.

 

f. petri. ‘Territorienbildung und Territorialstaat des 14. Jahrhunderts im Nordwestraum’, in Vorträge und Forschungen, XIII, 383-483 betreft bij bepaling de Nederlandse rijkslenen, maar de auteur besteedt bovendien bijzonder veel aandacht aan Vlaanderen. Ofschoon hij vooral steunde op de bestaande literatuur, kon hij door het ruim gebruik van de vergelijkende methode niettemin enige vernieuwing brengen. Zo zet hij zich sterk af tegen de vrij gebruikelijke tegenstelling tussen de agrarische en eerder achterlijke Rijnlanden en Westfalen enerzijds en de stedelijke en economisch ontwikkelde Nederlanden. Overal ging de ‘staatsvorming’ gepaard met het doordringen van een geschreven administratie en de aanboring van nieuwe vorstelijke inkomsten als tollen en beden. Deze laatste riepen echter ‘staten’-organisaties in het leven met een sterk stedelijke inslag. In de meest oostelijke gewesten was dit minder het geval, omdat de steden zich daar als rijkssteden ontpopten.

[p. 256]

In de inrichting van centrale bestuursorganen waren de eigenlijke Nederlandse gewesten, duidelijk dank zij de Franse invloed, de meer oostelijke gewesten voor.

r.v.u.

 

j. sabbe behandelt een weinig bekende episode uit de geschiedenis van Vlaanderen: ‘De opstand van Brugge tegen graaf Robrecht van Béthune en zijn zoon Robrecht van Kassel in 1321-1322’, Handel. Soc. d'Emulation te Brugge, CVII (1970) 217-249. De poorterij van de stad verzette zich in haar meerderheid tegen de anti-Franse politiek van de graaf en van diens jongere zoon, die feitelijk het bewind voerde, maar deze telde onder de bevolking ook aanhangers, speciaal onder de wolambachten o.w. de beroemde Pieter de Coninc (terwijl Jan Breidel zich tegen Robrecht van Kassel keerde!). De dood van Robrecht van Béthune (1322) en de opvolging van Lodewijk van Nevers maakten een voorlopig einde aan de woelingen, die echter in de opstand van Kust-Vlaanderen, weerom met Robrecht van Kassel in een leidersrol (1323-1328) een voortzetting vonden.

j.a.v.h.

 

‘Wie was Willem Procurator?’ is de titel van een artikel van j. hof o.s.b. in Holland (1969) 29-41. Na zijn artikel over Heer Jan van Beke in de BGN, XXI (1966/7) tracht de schrijver meer argumenten aan te voeren om Willelmus capellanus te ontmaskeren als Willem van Rollant. (Vgl. Pijnacker Hordijk in zijn Inleiding, xxxiv). Hof maakt hierbij gebruik van een van de wonderverhalen door Willem geschreven (in vertaling ingelast), het Necrologium, de rekeningen, de monnikenlijst uit het Archief van Egmond en gegevens uit het Vaticaanse Archief. Willem dan is geboren in of bij Haarlem als zoon van Theodericus van Rollant en Brechta. Voor haar was dit een tweede huwelijk na getrouwd geweest te zijn met Floris van Scoten, een jongere Brederode. Hierdoor zou dan verklaard zijn de steun van de Brederodes bij zijn priesterstudie en zijn aanstelling tot kapelaan. Na een ziekte treedt hij wellicht in 1323 in, wordt procurator en later abt. De theorie van de afstamming is o.m. afhankelijk van het sterfjaar van Floris van Scoten. Hof verwerpt de mening van Obreen die 1327 aannam. Zekerheid bestaat echter nog niet.

f.b.

 

In de Rheinische Vierteljahrsblätter, XXXIV (1970) 219-252 verscheen het artikel ‘Ein niederrheinischer Fürstenhof um die Mitte des 14. Jahrhunderts’, van de hand van wilhelm jansen. Als bron diende hem de rekening van de hofhouding van Hertog Reinoud II van Gelre over het jaar 1342-1343, geschreven door de klerk Werner van Deventer. Deze wordt ten dele als aanhangsel gepubliceerd. De bedoeling van het artikel, oorspronkelijk een lezing, is een schildering van het hofleven te geven. De schrijver legt de nadruk op de mobiliteit van het hof: bedden, pannen etc. worden meegenomen, ook het archief: ‘febr. 1343: reden her Hillin ende ic tot Ghelre ende verlesen ende legheden die brieve weder, die mitten coffer int water ghevallen waren’. Het doel van dit trekken is de vorming van één terra Gelrensis. Uitvoerig beschrijft Janssen het leven tijdens een reis van de Hertog naar Brabant in sept.-oct. 1342 in verband met een samenkomst met de landsheren van Gulik en Brabant en twee legaten van de Paus. De hier gevoerde onderhandelingen hebben geen weerslag gevonden in oorkonden of kronieken.

f.b.

 

p. avonds, ‘Politieke propaganda in de XIVde eeuw: de leenhulde van Jan II van Brabant aan Thibaut van Bar in Lewis' “Chronicon Leodiense”’, in Handelingen Kon. Commissie

[p. 257]

voor Geschiedenis, CXXXV (1969) 91-132. In de gespannen verhoudingen tussen Brabant en Luik waren de lenen die de Brabantse hertogen van de Luikse stoel hielden, een reden van gedurige twist omdat Jan I en zijn opvolgers niet geneigd waren hiervoor hulde te doen. Volgens de kroniekschrijver Mathias de Lewis zou Jan II in 1309 zelfs een homagium ligium hebben aangegaan en prompt daarop zijn leenheer hebben bevochten. Deze onwaarschijnlijke geschiedenis berust op een interpolatie in de tekst van zijn Luiks voorbeeld Jan van Warnant (+ ca. 1350). Deze werd waarschijnlijk door een geestelijke van de Luikse St.-Lambertus-kathedraal bedreven om een tegenwicht te vormen voor de Brabantse versie der feiten, zoals Lodewijk van Velthem deze weergeeft.

r.v.u.

 

p. avonds, ‘Jan van Hocsem en Leuven’, in Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XXXVIII (1970) 191-194. stelt vast dat de bekende Luikse kroniekschrijver en jurist van de stad Leuven in 1345 en volgende jaren een lijfrente ontving wegens de diensten die hij Leuven te Luik bewees, waarschijnlijk als juridisch adviseur.

r.v.u.

 

De bevolking van Gent in het midden van de veertiende eeuw mag op 60.000 geschat worden, iets meer dan de 56.000, die H. Van Werveke voorgesteld had. Tot deze bevinding komt d.m. nicholas in ‘The Population of Fourteenth-Century Ghent’, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe reeks, XXIV (1970) 97-111, na een nieuw kritisch onderzoek van de gegevens over de militie.

e.s.

 

Een rijke bijdrage tot de geschiedenis van de godsvrucht in de veertiende en vijftiende eeuw levert j. winnepenninckx met ‘Jerusalem in Sint-Baafs te Gent’, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe reeks, XXIV (1970) 3-94. Successievelijk worden de localisatie van de kapelrij Jerusalem, de figuur van de stichters en de bepalingen van de schenkingen onderzocht.

e.s.

 

w.l. braekman, ‘Den mensche te bekennen bi vele tekenen’. Het mnl. prozatraktaatje over fysiognomie en zijn bron’, Scientiarum Historia, XII (1970) iii, 113-142, publiceert een klein prozawerkje over fysiognomie in de ruime zin van het woord, waarvan de bron in de pseudo-Aristotelische Secreta Secretorum te vinden is.

m.d.v.

 

Mej. christine de geest bewijst in ‘Les distributions aux pauvres assurées par la paroisse Sainte - Gudule à Bruxelles au XVe siècle’, Annales de la Société Belge d'Histoire des Hôpitaux. Annalen van de Belgische Vereniging voor Hospitaalgeschiedenis, VII (1969) 41-84, dat de Brusselse caritatieve toestanden voor de armen heel wat voordeliger waren dan de Leuvense. Bij gebrek aan een degelijke studie van de financiële middelen der liefdadige instelling in kwestie, komen vele aspecten onvoldoende uit de verf. Bijvoorbeeld: de politiek van distributie-inkrimping tijdens de crisis van de late vijftiende eeuw, die dan toch hoofdzakelijk financieel gedicteerd was.

l.v.b.

[p. 258]

De uitgebreide zeeroverij in de Noordzee, tijdens de Honderdjarige Oorlog, noodzaakte bij wijze van afweermaatregel het uitzenden van ‘Vlaamse Coureurs ter zee, begin 15e eeuw’: die benaming blijkt de juiste lezing te zijn voor de ‘corvers’ uit Verwijs-Verdam e.a. Volgens een aantal rekeningsexcerpten, door m. coornaert verzameld, Album Viaene (Brugge, 1970) 93-97, werd dit kapersbedrijf vooral te Heist uitgeoefend.

j.a.v.h.

 

w. blockmans handelt op bijzonder concrete en nauwkeurige wijze over ‘De rendabiliteit van de schapenteelt in Brabant tijdens de 15e eeuw’, in Bijdragen tot de Geschiedenis van Brabant, LIII (1970) 113-125, aan de hand van de rekening van het domein te Vossem van een Brussels godshuis. Het leeuwedeel van de opbrengst der schapenhouderij ging naar de pachter, niet naar de eigenaar. Ofschoon de wol, die de hoofdopbrengst van de kudde was, op de Mechelse markt steeds minder opbracht, bleef de schapenteelt bestaan als een bijdrage in de landbemesting.

r.v.u.

 

h.j. domsta, ‘Het goederenbezit der Prinsen van Merode in de 15e eeuw in Brabant’, in Bijdragen tot de Geschiedenis van Brabant, LIII (1970) 126-156, schetst, aan de hand van een in bijlage uitgegeven goederenregister van omstreeks 1455, het domein der gebroeders Arnold en Willem van Merode in Brabant. Een register van de Brabantse leengoederen van Willem van Merode van ca. 1470, eveneens uitgegeven, laat toe de groei van het familiebezit aan te geven.

r.v.u.

 

De moderniteit van de Bourgondische administratie en speciaal van het financieel beheer wordt vaak overdreven. p. cockshaw, ‘Heurs et malheurs de la recette générale de Bourgogne’, in Annales de Bourgogne, XLI (1969) 247-271, reageert hiertegen en onderlijnt bijvoorbeeld de nauwe persoonlijke banden tussen de hertogen en hun ambtenaren en tussen de ambtenaren onderling en het persoonlijk ingrijpen van de vorsten in het financiewezen. In dit verband gaat hij in op de wisselende lotgevallen van het ambt van rentmeestergeneraal van Bourgondië en op de ordonnanties van 21 december 1465 en 19 mei 1468 die deze vervangen door respektievelijk tien en twaalf gewestelijke rentmeesters. In 1473 wordt het ambt heringevoerd. Beide ordonnanties zijn in bijlage uitgegeven.

r.v.u.

 

In het algemeen overzicht van raymond de roover, ‘Le marché monétaire au moyen âge et au début des temps modernes. Problèmes et méthodes’, Revue Historique, CCXLIV (1970) 5-40, komen Brugge en Antwerpen overvloedig ter sprake.

j.a.v.h.

 

j.h. munro, ‘An Economic Aspect of the Collapse of the Anglo-Burgundian Alliance, 1428-1442’, English Hist. Rev., LXXXV (1970) 225-244, wijst op Filips de Goede's muntpolitiek sedert 1425, die zijn Engelse bondgenoot in de grootste verlegenheid bracht. Een stapelordonnantie uit 1429 poogde edel metaal in de Engelse schatkist te trekken. Intussen gaf de hertog ook gehoor aan het geroep om protectie van de lakenproducenten uit zijn staten. Na de breuk van 1435 echter leden de Bourgondische zowel als de Engelse onderdanen zozeer onder het wederzijdse handelsembargo, dat zij druk uitoefenden op

[p. 259]

hun vorsten om tot een verzoening te komen. Dit gebeurde vanaf 1439. De auteur geeft o.m. belangrijke onuitgegeven cijfers over de Bourgondische muntslag van 1419-40.

j.v.a.h.

 

Deel IV, ‘Conclusions: Aperçu sur quelques confréries de forgerons de Flandre et de Brabant’, van Mej. anne libois' studie over ‘La Confrérie de Saint - Eloy de Bruxelles, des origines à 1477’, in Annales de la Société Belge d'Histoire des Hôpitaux. Annalen van de Belgische Vereniging voor Hospitaalgeschiedenis, VII (1969) 85-112, behandelt op een overzichtelijke wijze de organisatie der St.-Elooiconfrerieën te Béthune, Mechelen, Leuven, Gent, Damme, St.-Truiden en Tournai. Vooral in Vlaanderen en in Brabant lagen deze broederschappen aan de basis van de latere economische en politieke groeperingen der smeden.

l.v.b.

 

Naar aanleiding van de 550e verjaring van de geboorte van musicus Johannes Ockeghem (Dendermonde, ca. 1420 - Tours, 6 februari 1497), organiseerde de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde van 14 november tot 6 december 1970 in het stadhuis aldaar, een tentoonstelling gewijd aan Johannes Ockeghem en zijn tijd en publiceerde hij in zijn Buitengewone Uitgaven (nr. XXIV) een rijk geïllustreerde catalogus (285 blz. + 4 kleurplaten buiten tekst). Het leeuwedeel van onderhavige publicatie is een musicologische studie over de figuur J. Ockeghem en de Nederlandse polyfonie der vijftiende en zestiende eeuwen. Daarbij is het echter niet gebleven. Op een passende wijze werd tevens aandacht besteed aan de artistieke, intellectuele en politieke achtergronden, vooral van het vijftiende-eeuwse Land van Dendermonde. De Erasmus - literatuur is door mgr. j. coppens' nota over ‘Erasmus' treurzang over Johannes Ockeghem’ (blz. 77-81) met een nieuwe bijdrage verrijkt. Genealogische en biografische nota's betreffende de (van) Ockeghem-familie en haar beroemde telg en een uitgebreide bibliografie ronden het geheel af. Om dit opzet te verwezenlijken heeft de inrichtende Kring een beroep gedaan, niet alleen op zijn eigen lokale medewerkers (M. Bovyn, J.-M. Dauwe, G. De Clerq, P. De Maesschalck, D. Liévois, L. Pée en E. Verstrepen), maar ook op vreemde historici en kunsthistorici en eminente specialisten: G. De Dijn, A. Dewitte, mej. E. Dhanens, A.-L. Dierick, B. Huys, G. Persoons, M. Smeyers, J. Van Deun en de professoren B. Chevalier en J.-M. Vaccaro (Tours), J. Coppens, J. Robijns en J.-K. Steppe (Leuven).

l.v.b.

Nieuwe geschiedenis

In 1970 verscheen deel IV van de Bibliographie internationale de l'Humanisme et de la Renaissance. Deze publicatie (Genève, 1970, x + 612 blz.), verzorgd door de ‘Fédération internationale des Sociétés et Instituts pour l'étude de la Renaissance’, biedt een lijst van 6038 in 1968 verschenen werken en artikels. Een personen-, plaatsnamen- en zakenregister maken dit werkinstrument gemakkelijk raadpleegbaar.

l.v.b.

 

e.f. hirsch, ‘Erasmus and Portugal’, in Bibliothèque d'Humanisme et de Renaissance, XXXII (1970) 539-557, onthult uiteraard veel over de verspreiding van het humanisme

[p. 260]

door de leerlingen van Erasmus in Portugal en over de invitatie die de humanist door bemiddeling van de bekende Damiaan de Goes ontving om zich te Coimbra te vestigen. Vermeldenswaard lijkt wel dat Erasmus een boek opdroeg aan koning Jan III, wiens specerijmonopolie hij niettemin laakte, maar dat de koninklijke factor te Antwerpen het werk nooit heeft doorgestuurd.

r.v.u.

 

In het Rotterdams jaarboekje, 7e reeks, VIII (1970) vindt men de neerslag van enkele der vele manifestaties in het Erasmus jaar 1969. a.j. van de ven schrijft een kort artikel: ‘David van Bourgondië, bisschop van Utrecht en de priesterwijding van Erasmus’ 196-209. Hij betoogt daarin dat zijn wijding wel degelijk op 25 april 1492 kan voltrokken zijn, maar dat het zeer onwaarschijnlijk is, dat deze geschiedde door de toen door jicht geplaagde bisschop David van Bourgondië zelf, zoals Pieter Cornelisz. Bockenberg omstreeks 1600 vermeldde. Wijdingen waren immers het werk van speciaal daarvoor aangestelde wijbisschoppen en in die dagen bekleedde Peter van Riet dit ambt. Erasmus zelf heeft in zijn brieven slechts meegedeeld dat hij onder het pontificaat van David van Bourgondië de priesterlijke waardigheid verkregen had. Wel bezat de grote humanist een warme waardering voor deze geleerde Bourgondische bisschop, wiens bisschopsring en bontmuts als een soort relikwieën door hem bewaard werden.

Tevens bevat dit jaarboekje de drie redevoeringen, uitgesproken tijdens de openingsbijeenkomst van de Erasmus herdenking in de Groote- of St. Laurenskerk op 12 april 1969. c.w. mönnich sprak daar over ‘Erasmus: tegen- en medestander’, 137-144. Tegenstander zou Erasmus moeten zijn voor de hoogleraar in de theologie op grond van De libero arbitrio, zijn tractaat tegen Luther, dat in de grote conflicten van die dagen een uiterst zwakke indruk maakte. Maar voor het hedendaagse christendom is hij toch meer een medestander ‘door de richting van zijn blik, die zich wendde naar de mens en de aarde meer dan naar God en de hemel’. De katholieke j.c.p.a. van laarhoven in ‘Erasmus, kersteman’, 313-321 wijst op Erasmus' christocentrische theologie, die hij zich in Engeland verworven had en het eerst tot uiting bracht in zijn Enchiridion militis christiani en waarin hij de grote traditie van de Moderne Devotie voortzette. In ons verzuilde volk moest nu ook een buitenkerkelijke iets over de grote Rotterdammer zeggen. Dit deed v.w.d. schenk in ‘Erasmus, de opstandige’, 322-326. In 1499 vertelde Erasmus bij John Colet een verhaal over de schuld van Cain; deze zou graan uit het paradijs gestolen hebben om de aarde bewoonbaar te maken. Volgens Schenk zou Erasmus zich heel zijn leven met deze Cain vereenzelvigen in zijn streven om met humor en spot starre stelsels aan het wankelen te brengen in zijn strijd voor de mens.

h.p.h.j.

 

Naar aanleiding van het verschijnen van The year of Erasmus' birth and other contributions to the chronology of his life (Utrecht, 1969) van a.c.f. koch, die het geboortejaar van de Rotterdammer stelt op 1467 heeft n.v.d. blom in Hermeneus, XLII (1970) i, 99-106, in een artikel ‘Nieuw zicht op Erasmus' geboortejaar’ enkele opmerkingen geformuleerd zowel over de trappen of ladder-jaren als over enige kwesties Deventer betreffend.

f.b.

 

Vermelding verdient in De Vrije Fries. Jaarboek uitgegeven door het Fries Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde en de Fryske Akademy, L (1970) een bijdrage van s. sybrandy (14-22), getiteld ‘Erasmuslektuer yn Fryslân oant 1700’ (Erasmuslektuur in

[p. 261]

Friesland tot 1700). De schrijver deelt hierin mee dat in Friesland voor 1700 drie Nederlandse Erasmusvertalingen uitgegeven zijn (respektievelijk in 1612, 1627 en 1672).

o.v.

 

j.a. van houtte behandelde in het Album Antoon Viaene (Brugge, 1970) 331-339, ‘De Draperie van Leidse Lakens in Brugge, 1503-1516, een vroege poging tot inplanting van nieuwe nijverheden’. De Duitse Hanze had in haar reactie tegen de konkurrentie van de Hollandse koopvaardij en -handel, reeds in 1442 de Hollandse (en vooral de Leidse) lakens aan een stapeldwang in haar Brugs kantoor proberen te onderwerpen. Deze in 1474 compleet mislukte politiek werd in 1499 weer opgenomen, maar mislukte andermaal wegens de tuchtloosheid der Hanzepartners en het Hollandse verzet. De reeds tijdens de vijftiende eeuw vervallende en vooral sedert de opstand tegen Maximiliaan al maar zwaarder getroffen Brugse wereldmarkt trachtte van 1502 af de Hanzestapel toch te onderhouden en er voor te zorgen dat de Oosterlingen in de stapelstad ondanks de Hollandse boycot toch Leidse lakens konden vinden. Derhalve probeerde zij een draperie ‘op de wijze van Leiden’ binnen haar muren in te planten. De poging van 1503-1504 met Jacob fs. Joris uit Leiden bleek niet succesrijk, evenmin als die met Adriaan de Scapere en Co. Een volgende fase, de onderneming door Jan de Wasquehal in 1514-1515, stootte op het verzet der wevers- en voldersgilden; dit laatste werd echter de aanleiding tot de creatie van een ‘ambachtelijke’ reglementering voor de Brugse nieuwe textielnijverheden. Pas in de zeventiende eeuw zou men echter de heropbloei in deze sector beleven.

l.v.b.

 

In het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XXXVIII (1970) 1-65, bestudeert e.i. strubbe niet slechts ‘Joos de Damhouder als criminalist’, waarbij hij diens voornaamste werken ontleedt en de humanistische en andere invloeden op de auteur opspoort, maar hij schetst ook uitvoerig diens loopbaan en brengt op die manier een bijdrage tot de sociale geschiedenis.

r.v.u.

 

p. lefevre, ‘Le'vin de l'étrier ... et de la mort’. Récit des derniers moments de Maximilien de Buren, grand capitaine de Charles-Quint (†1548), par un témoin oculaire’ in Handelingen Kon. Commissie voor Geschiedenis, CXXXV (1969) 71-90, publiceert het verslag dat Jacques Courtois, de biechtvader van de beroemde veldheer, over het einde van deze grote heer heeft nagelaten waardoor het pathetisch verhaal van Brantôme over de dood van Buren tot zijn ware verhoudingen wordt teruggebracht.

r.v.u.

 

In de afgelopen periode werden verschillende artikelen gepubliceerd over door ZWO gesubsidieerd onderzoek in het Archief van de Grote Raad van Mechelen. Het tijdschrift Holland, II (1970) 89-156, heeft er een gehele aflevering aan gewijd. In een inleidend artikel geven Prof. de Smidt en drs Huussen een duidelijk overzicht van de geschiedenis van de Grote Raad, de bevoegdheden, de organisatie en de procesgang. Op twee gedeelten van het archief gaan zij nader in, nl. de sententieregisters, de minuten van de zittingen opgesteld door de griffier, en de series procesbundels die bekend staan onder de naam Beroepen uit Holland en Eerste Aanleg, d.w.z. de dossiers die bij de Grote Raad bewaard bleven, wat in die tijd een bijzonderheid was, waarschijnlijk te verklaren uit de wijze waarop de Grote Raad reviseerde. - In andere artikelen worden enkele geschillen beschreven:

[p. 262]

‘Een Gorcumse erfeniskwestie’, en ‘De rechten van Nieuwpoort in het geding’. Van de hand van p.a. henderikx is ‘Het geschil tussen Amsterdam en Friesland over de heffing van het paalgeld (1551-1561)’. Het paalgeld werd geheven als vergoeding van de bebakening van de scheepvaartroute via Vlie en Marsdiep. Weliswaar had Amsterdam het alleenrecht daartoe sinds 1527 maar de stad heeft van het recht om paalmeesters aan te stellen in de steden die de route gebruiken geen gebruik gemaakt tot 1545. In dat jaar ontstonden moeilijkheden met verschillende steden o.a. Harlingen. Deze wijziging in de economische politiek werd waarschijnlijk veroorzaakt door het einde van de oorlogsperiode (Gelre, Denemarken). Men kon weer vrij gebruik maken van de Zuiderzee waardoor de concurrentiestrijd toenam en als wapen in de strijd werd het paalgeld door Amsterdam gebruikt.

h.a. diederiks behandelt uit dezelfde bronnen in het Maandblad Amstelodamum, LVI (1969) 111-115, ‘Amsterdamse binnenscheepvaartpolitiek in de zestiende eeuw’. Het betreft een geschil uit 1557 tussen een Amsterdamse en Haarlemse schipper over het recht van voorlading en aflegging. Bij ‘gelijk schip en gelijke vrachtprijs moest eerst een Amsterdamse schipper in de gelegenheid worden gesteld een vracht te laden; was dit niet gebeurd dan moest aflegging plaats vinden, hetgeen inhield dat de vreemde schipper de reeds geladen waren ten behoeve van een Amsterdamse collega afstond’. Tijdens het proces werden ook inlichtingen ingewonnen bij andere havensteden die een zelfde politiek bleken te volgen. De Grote Raad gaf Haarlem in 1570 gelijk maar de stad delfde het onderspit door een ordonnantie van de koning van 1571 waarbij het recht van voorlading, zij het beperkt, aan de schippers van Amsterdam werd gegeven.

Dezelfde schrijver publiceert in hetzelfde maandblad, LVII (1970) 139-145, ‘De 16e eeuwse financiële administratie van Amsterdam in opspraak’. Het betreft een proces over het al dan niet betaald zijn van de pachtsom van het paalgeld in 1567-1568. Niet alleen onze bestuurlijke en juridische kennis wordt door deze processtukken verrijkt ook onze aardrijkskundige. Bij de processen werden vaak kaarten gevoegd van de omstreden gebieden. In de reeds genoemde aflevering van het tijdschrift Holland werden enkele specimina opgenomen (Delfland).

f.b.

 

h. soly, die reeds een aantal bijdragen wijdde aan Gilbert van Schoonbeke (zie deze Bijdragen, LXXXV, 105), levert er een nieuwe onder de titel: ‘Economische vernieuwing en sociale weerstand. De betekenis en de aspiraties der Antwerpse middenklasse in de 16de eeuw’, Tijdschr. v. Gesch., LXXXIII (1970) 520-535. Het Antwerpse oproer van 1554 ging niet alleen van het gepeupel uit, maar ook van de middenklasse van ambachtsmeesters die, getroffen door de toenmalige economische crisis en door de uitputtende fiscaliteit, in verzet kwamen tegen de monopolietendensen van grote ondernemers als Schoonbeke, en die de zwaar beproefde volksklasse voor haar wagen spande om haar doelstellingen moreel te rechtvaardigen en te verwezenlijken.

j.a.v.h.

 

h. soly, ‘Huurprijzen en reële opbrengst van arbeiderswoningen te Antwerpen in de eerste helft der 16de eeuw’, in Bijdragen tot de Geschiedenis, LIII (1970) 81-90. De timmerman Aert Aertssche bouwde in 1521-1522 een twintigtal bescheiden woningen in de nieuwe stadswijk bij de Ossenmarkt. De bouwuitgaven en de opbrengst van de verhuurde huizen van 1523 tot 1543 zijn in detail bekend. Een stijging van de huren deed zich

[p. 263]

voor na 1532 wegens de door de militaire verwoestingen geschapen woningnood. Desondanks bracht deze investering jaarlijks slechts ca. vijf procent op.

r.v.u.

 

De titel van h. soly, ‘Fortificaties, belastingen en corruptie te Antwerpen in het midden der 16de eeuw’, in Bijdragen tot de Geschiedenis van Brabant, LIII (1970) 191-210, spreekt eigenlijk voor zichzelf. De nieuwe ruime Antwerpse wallen van 1542-1547 werden gefinancierd uit een speciale fortificatiekas, die gespijsd werd door verbruiksbelastingen, leningen en renteverkopingen. De onrust en de tweestrijd te Antwerpen brachten de Centrale Regering tot een uitvoerig onderzoek in 1549, dat een verregaande corruptie in het stadsbeheer aan het licht bracht. De plutocratische stadsmagistraat bleef niettemin verschoond van ernstige straffen.

r.v.u.

 

In zijn Descrittione heeft de beroemde Lodovico Guicciardini aandacht gewijd aan de economische geografie van de toenmalige Nederlanden. w. brulez heeft die gegevens samengebracht en kartografisch voorgesteld, ‘De economische kaart van de Nederlanden in de 16e eeuw volgens Guicciardini’, Tijdschr. v. Gesch., LXXXIII (1970) 352-357 en losse kaart.

j.a.v.h.

 

Een drietal voordrachten van leden van het Gezelschap van christelijke historici in Nederland zijn gebundeld, in Serta Historica, II (Kampen: J.H. Kok N.V., 1970, 93 blz., f 8,50) alle betrekking hebbend op het thema van de vroege reformatie te onzent. J. Roelink opent met een uitgebalanceerd referaat over het probleem van het verband tussen moderne devotie en reformatie, een uiteenzetting die op grote kennis van zaken berust en uiterst voorzichtig is in aanpak en conclusies. De emeritus-hoogleraar D. Nauta geeft een bespreking van het wisselend beeld van het ontstaan der reformatie in Nederland in de historiografie sinds de zeventiende eeuw, een zeer nuttig overzicht waarin de ervaren auteur echter weinig met eigen opinies naar voren treedt. D. Grosheide behandelt enige figuren uit de kring van het bijbels humanisme als Gnapheus en Sartorius, daarbij sterk geneigd om hun overgang tot de eigenlijke reformatie in de jaren twintig te ontkennen. Dit lijkt een wat bedenkelijke zaak: als men Gnapheus en Hoen niet tot de Nederlandse reformatoren rekent, wat blijft er dan eigenlijk over om van een eerste periode der reformatie hier te lande te spreken? Het krachtig optreden van de overheid tegen hen en hun geestverwanten als Jan de Bakker wijst duidelijk in andere richting.

a.f.m.

 

Hoeveel er ook in onze geschiedschrijving werd gepresteerd m.b.t. de Opstand der Nederlanden, toch werd opmerkelijk zelden rekening gehouden met de Spaanse achtergrond van die gebeurtenissen. Dit was juist de opzet van n.g. parker, ‘Spain, her Enemies and the Revolt of the Netherlands, 1559-1648’, Past and Present, nr.49 (nov. 1970) 72-95. De auteur die binnenkort een boek zal publiceren over het Spaanse leger in de Nederlanden, wijst op de onderlinge samenhang van Spanje's verschillende oorlogsfronten met het oog op de rang die de Nederlanden in de verschillende fasen van de strijd kregen onder de politieke prioriteiten van Spanje, m.n. in het besteden van de Spaanse oorlogsuitgaven.

j.a.v.h.

[p. 264]

j.g. kam publiceert in het Maandblad Amstelodamum, LVI (1969) 137-140, ‘Pieter Corneliszoon Dobben, verzetsman van 1568-1572’. Dobben vluchtte in 1567 naar Emden waar hij in contact bleef met zijn katholieke familie in Amsterdam die hem financiëel steunde. Schrijver concludeert dat de verhouding tussen katholieken en hervormden toch niet zo slecht geweest is.

f.b.

 

‘Het verweerschrift van opperdeken Lucas van de Velde, Brugge, 1582-1584’, met een korte inleiding uitgegeven door j. de smet, Handel. Soc. d'Emulation te Brugge, CVII (1970) 269-277, was bedoeld om na de overgave van de stad aan Parma de rol van die katholieke drapier in de Brugse magistraat tijdens de jaren van de Spaanse herovering te rechtvaardigen.

j.a.v.h.

 

De naam Jean Curtius is een begrip voor de historici van het kapitalisme der zestiende eeuw in onze gewesten. p. harsin publiceert een zevental teksten in La Vie Wallonne, XLIV (1970) 318-337, die niet alleen ‘Jean Curtius à la lumière de quelques inédits’ belichten, maar ook de Antwerpse poederfabrikant Jaak le Roy, die samen met hem een monopolie voor de salpeterleveringen aan het leger bezat.

r.v.u.

 

De heer w. troost heeft de afgelopen jaren de admiraliteitsarchieven in het Algemeen Rijksarchief voor de periode tot en met 1609 systematisch onderzocht en aan de hand van talloze, vaak nieuwe gegevens hieruit publiceert hij sinds kort levensschetsen van zeekapiteins. Hij deed dit reeds in jaargang LXXX (1970) van het Marineblad (zie bijvoorbeeld op bladzijde 239, 516 en 697) en ditmaal verscheen in de Mededelingen van de Ned. Ver. voor Zeegeschiedenis, XXII (1971) 20-28, het artikel ‘Een Amsterdams kapitein uit het einde der 16de eeuw - Joachim Pietersz. Cleynsorghe’. De carrière van Cleynsorghe viel in de jaren 1589-1592. Uit de beschrijving daarvan komt naar voren hoe de admiraliteiten moesten woekeren met uiteenlopende soorten schepen die haar ter beschikking stonden voor zowel het blokkeren van de Vlaamse kust als het konvooieren op vele trajecten. Twee van die reizen maakte Cleynsorghe in 1592 naar Brouage (ten noorden vanBordeaux). Zij waren noodzakelijk wegens de Spaanse successen te zamen met de Ligue te land en ter zee in Frankrijk. Cleynsorghe was één van de veroveraars van een Spaans oorlogsschip, van welke prijs de financiële afwikkeling in Amsterdam uitvoerig beschreven wordt.

j.r.b.

 

In het artikel ‘Enkele grepen uit de geschiedenis van de visserij van Middelharnis in de periode van het bestaan van de visafslag’ in Mededelingen van de Ned. Ver. voor Zeegeschiedenis, XXI (1970) 5-16, bespreekt dr. j. verseput de visserij die vanuit Middelharnis bedreven werd en de visafslag aldaar. In 1598 werd een afslag opgericht en deze bleef tot 1857 bestaan. Alle vissers die het Goerese Gat binnenzeilden, waren verplicht hun vis in Middelharnis van de hand te doen. Ondanks oppositie van vissers en van omliggende plaatsen kwam hierin vrijwel geen wijziging. De aanvoer bestond voornamelijk uit verse vis: kabeljauw en schelvis; in de achttiende eeuw bereikte deze recordhoogten. Dankzij de introductie van de sloep in 1827 en de zomervaart ter zoute wist de visserij zich in de negentiende eeuw nog lange tijd te handhaven, maar met de verkoop in 1921 van het laatste schip verdween spoedig het visserselement geheel uit Middelharnis.

[p. 265]

Verseput gaat verder uitvoerig in op de samenstelling van de bemanningen, hun aandeel in de besommingen, hun werkzaamheden aan boord en de techniek bij het vissen toegepast.

j.r.b.

 

Onze kennis over Justus Lipsius werd onlangs verrijkt door twee bijdragen van mej. francine de nave. Van de Leidse uitgave van Politicorum, uit 1589, gaf Oestreich indertijd een samenvatting. Zij doet dit thans voor de Antwerpse druk, uit 1596, die nogal gevoelig van de eerste verschilt, ‘Justus Lipsius, schrijver “in politicis”’, Res Publica, XI (1969) 590-622. Het resultaat van haar ‘Peilingen naar de oorspronkelijkheid van Justus Lipsius' politiek denken’, Tijdschr. voor Rechtsgesch., XXXVIII (1970) 449-483, valt eerder negatief uit. Zijn succes viel volgens haar eerder toe te schrijven aan de praktische bruikbaarheid van zijn klaar opgebouwd werk voor het universitair onderwijs en voor de opvoeding van vorsten.

j.a.v.h.

 

j. gottigny's studie over ‘Juste Lipse et Jerónimo de la Cruz (Le renouveau du stoïcisme aux XVIe et XVIIe siècles)’, in Bulletin de l'Institut Historique Belge de Rome, XLI (1970) 219-277, behandelt de uitstraling van het werk van Lipsius in Spanje en meer speciaal zijn invloed op de ‘Job evangélico’ van De la Cruz.

l.v.b.

 

Het verband van het boek van h. bott, Gründung und Anfänge der Neustadt Hanau 1596-1620, I (Hanauer Geschichtsblätter, XXII, 1970, 576 blz.) met de geschiedenis der Nederlanden lijkt niet groot, tenzij men weet dat graaf Philip Ludwig II van Hanau-Münzenberg deze Neustadt speciaal voor gereformeerde Nederlanders heeft gesticht. Nu was daar al in de twintiger jaren door Richard Frei over geschreven, maar het is de vraag of deze zaken voldoende bekend zijn geworden, hoewel de AGN wel degelijk de stad Hanau noemt (V, 194) en ook Van Schelven er natuurlijk over spreekt. Het merkwaardige feit deed zich hier namelijk voor, dat men op grond van een verdrag naast de Altstadt Hanau een volledig aparte Neustadt heeft gebouwd op een moment dat de tijd voor nieuwe vestigingen van protestanten uit de Nederlanden eigenlijk voorbij moest zijn. Maar de Waalse en Nederlandse calvinisten die zich in de voorgaande decennia in Frankfort hadden neergelaten, kregen hoe langer hoe meer last van tegenwerking der Lutherse dominees, die de raad wisten te bewerken; mede op voorspraak van Jan de Oude van Nassau schonk de calvinistische graaf van Hanau hun een plaats, waar zij in volle vrijheid hun godsdienst konden beleven en voldoende dicht bij het grote handelscentrum Frankfort konden blijven voor de handhaving van hun economische positie. Dr. Heinrich Bott, Studienrat zu Hanau, heeft de geschiedenis van deze stichting in de jaren 1596-1601 in dit eerste deel met een ouderwetse breedvoerigheid verhaald en met name de diplomatieke zijde daarvan. Hij steunt daarbij op een grote hoeveelheid archiefbronnen, waaruit hij 43 documenten in een bijlage van meer dan 200 blz. afdrukt. De tekst zelf maakt een zeer betrouwbare indruk, waarbij Bott natuurlijk wel, als hij als buitenlander over puur-Nederlandse geschiedenis schrijft, de gebruikelijke steekjes laat vallen. Maar het lijkt mij niet dat specialisten van het Nederlandse calvinisme in de zestiende en zeventiende eeuw dit werk ongelezen kunnen laten.

h.p.h.j.

[p. 266]

Tijdens hun verblijf of hun omzwermingen in de Iberische wereld van de zestiende en de zeventiende eeuw zijn honderden Nederlanders met de Inquisitie in aanraking gekomen. Aan de hand van diverse voorbeelden van eerder onschuldige gevallen, toont e. stols, ‘Op zoek naar Uilenspiegel’, Spiegel Historiael, V (1970) vii-viii, 418-425, aan dat hun procesbundels rijke documentatie opleveren i.v.m. familiale situatie, mobiliteit, religiositeit, begrip en vertolking van de Hervorming, aanpassing aan de Iberische geesteswereld.

m.d.v.

 

j. hoyoux' bijdrage ‘La collégiale Saint - Paul de Liège. Inspection du nonce Albergati au début du XVIe [sic] siècle’, in Bulletin de l'Institut Historique Belge de Rome, XLI (1970) 141-217, is een tekstpublicatie met franse vertaling van bundel 140, fasc. 68/7 van de ‘Archivio della Nunziatura di Colonia’ uit het Vaticaanse Archief. De teksten hebben voor het leeuwedeel betrekking op de economisch - en financieel - institutionele situatie van genoemde collegiale in 1613 of op de historische oorsprong van die toestand.

l.v.b.

 

Tot nu toe is, zowel in Nederland, als elders in de wereld, door historici weinig of geen systematisch onderzoek verricht naar de gezinsstructuur in het verleden. Wel hebben sociologen daarover uitspraken gedaan. Zo heeft E.W. Hofstee betoogd, dat vóór de industriële revolutie algemeen het agrarisch-ambachtelijke voortplantingspatroon heeft geheerst, waarbij de volwassen zoons pas trouwden als ze zich verzekerd wisten van een vaste bestaansmogelijkheid overeenkomstig hun beroep of stand. Was die niet aanwezig, dan bleef men ongetrouwd. Vandaar dat volgens Hofstee op de meeste boerderijen een aantal ongetrouwde broers of zusters inwoonde. Op deze manier bleef de bevolkingsaanwas beperkt. Hierop zou het proletarische voortplantingspatroon met vroege huwelijken van praktisch alle geslachtsrijpe mannen en vrouwen gevolgd zijn hetgeen een grote bevolkingsaanwas veroorzaakte; tenslotte ontstond het moderne patroon met opzettelijke geboortebeperking binnen het huwelijk. a.m. van der woude, ‘De omvang en de samenstelling van de huishouding in Nederland in het verleden’, A.A.G.-Bijdragen, XV (1970) 202-241, confronteert Hofstee's agrarisch-ambachtelijk patroon met de numerieke gegevens, die er voor de zestiende tot achttiende eeuw voor Nederland beschikbaar zijn op grond van zijn eigen onderzoekingen over Holland, van Faber over Friesland, Slicher van Bath in Overijssel, Van Xanten in Noord-Brabant en Roebroeck in het land van Montfoort. Zijn conclusies, in een zeer degelijk artikel met veel tabellen, leren, dat de grote familiehuishouding met inwonende grootouders, ongetrouwde broers en zusters en eventueel knechts en meiden in het Oosten des lands wel is voorgekomen, maar nauwelijks op de Veluwe en in Friesland en zeker niet in Hollands Noorderkwartier in de zeventiende en achttiende eeuw. Daar was de gemiddelde gezinsgrootte bijzonder klein, kleiner dan waar ook ter wereld in die tijd, voor zover bekend. Over de oorzaken daarvan laat de schrijver zich nog nauwelijks uit, wel meent hij dat dit iets met de veeteelt en de dichte nabijheid van steden te maken zal hebben. Een waardevol artikel in de beste tradities van de Wageningse school.

h.p.h.j.

 

In The Mariner's Mirror, LVI (1970) iv, 439-446 vindt men een artikel van de hand van a. de booy, getiteld ‘William Keeling and Hendrick Jansz. Craen. An Encounter at Sea in 1609’. Het is een merkwaardig verhaal over samenwerking tussen de opperkoopman

[p. 267]

Craen met de Gelderland en ‘generaal’ Keeling, de ontdekker van de Cocos (of Keeling-) eilanden met de Hector, zowel ter kust van Natal als in de Tafelbaai en bij St. Helena.

w.ph.c.

 

In het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, LI (1970) 49-92, publiceert g.j. hoenderdaal de volledige teksten van ‘Remonstrantie en Contraremonstrantie’. Het gaat hier echter om drie stukken. Wie immers de heruitgave door h. ij. groenewegen van De Remonstrantie op haren driehonderdsten gedenkdag uit 1910 legt naast de tekst in De Remonstrantie en het Remonstrantisme door j. tideman uit 1851 ziet opvallende verschillen. Groenewegen beschouwde als eigenlijke remonstrantie het ontwerp door Wtenbogaert van 14 januari 1610, door vierenveertig predikanten ondertekend en in handschrift aanwezig in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek. Tideman hield zich aan het stuk dat bij de Staten van Holland in de lente van 1610 is ingeleverd. Van dat laatste bezit de remonstrantse bibliotheek te Rotterdam een copie met kanttekeningen uit dat jaar zelf. Hoenderdaal toont aan dat deze kanttekeningen niet, zoals werd aangenomen, van Wtenbogaert maar van Vorstius zijn. Door het ontwerp van Wtenbogaert af te drukken naast het officiële ingeleverde stuk maakt hij de omwerking duidelijk zichtbaar. Op het punt van de leer is er tussen beide geen verschil, en hier heeft Hoenderdaal al in 1960 bewezen dat Wtenbogaert de vijf artikelen woordelijk over heeft genomen uit de Verclaringhe van Arminius uit 1608. Voor inlevering bij de Staten heeft Wtenbogaert een grote passage toegevoegd over het goed recht van revisie van de belijdenis. Oldenbarnevelt hield het stuk enige tijd in portefeuille en bracht het in juli in de statenvergadering. Aan de kerkelijke vergaderingen werden alleen de punten betreffende de leer maar niet de volledige tekst bekend gemaakt. Pas even voor de conferentie van 10 maart 1611 kregen de tegenstanders die werkelijk onder ogen. Hun antwoord volgde op 11 maart. Ook de tekst van deze Contraremonstrantie is door Hoenderdaal volledig opgenomen. Vier foto's uit genoemde handschriften completeren deze voorbeeldige bronnenpublicatie waarvan de inleiding voorlopig wel het laatste woord over de ontstaansgeschiedenis van de Remonstrantie zal zijn.

o.j.d.j.

 

Het in 1970 verschenen tweede gedeelte van het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde, LII-LIII (1965-1966) bevat de bewerking van twee voor de geschiedenis van ons land belangrijke muntvondsten. h.j. kanters inventariseert de 4778 Romeinse munten uit de periode 253-275, gevonden te Vught in 1962 en belooft een dissertatie over de historische en archeologische achtergronden. h. enno van gelder beschrijft en commentarieert de befaamde goudschat van Serooskerke (gevonden 1966, enkele stukken reeds in 1965), bestaande uit 1150 munten met een waarde in het verbergingsjaar 1622 van f. 6685. - en 15 stuivers. De vondst is bijzonder door haar omvang - na Amersfoort 1894 de waardevolste uit de Nederlandse bodem -, niet door haar samenstelling, ook al waren er onbekende stukken bij. De interessantste conclusie van de bewerker is, dat de continentale imitaties van Engelse goudstukken uit de regeringen van Hendrik VI en Edward IV met stelligheid aan de Noordelijke Nederlanden (o.a. Gorinchem) en aan de - late - periode 1585-1600 kunnen worden toegewezen. Zij circuleerden hier druk. Dergelijke vervalsingen van Spaanse munten worden vermoed, maar kunnen uit het thans beschikbare materiaal nog niet worden aangetoond. Overigens bedroeg het Spaanse aandeel in de waarde der Serooskerkse munten een kwart, evenals het Zuidnederlandse aandeel en dat der Republiek. Het Engelse was bijna 17%. De munten zijn door veiling verspreid, nadat door voor-

[p. 268]

koop op navolgenswaardige wijze een aantal belangrijke stukken in het Koninklijk Penningkabinet was terechtgekomen.

h.h.z.

 

prof. mr. h. de la fontaine verwey handelt in het Jaarboek Amstelodamum, LXI (1969) 103-125, over ‘Michel le Blon, graveur, kunsthandelaar en diplomaat (1587 Frankfurt-1658 Amsterdam)’. Tot nog toe werd aan deze figuur vooral aandacht geschonken door literatuurhistorici en kunsthistorici; door literatuur-historici omdat le Blon nauwe contacten onderhield met Vondel, die veel gedichten aan hem en zijn gezin wijdde en de Leeuwendalers aan hem opdroeg en lid was van de Muiderkring; door kunsthistorici omdat hij als graveur hoog aangeschreven staat en in de kunsthandel een belangrijke rol speelde. Le Blon kocht voor Buckingham de verzameling van Rubens en telde onder zijn klanten ook Koningin Christina van Zweden, wier artistiek adviseur hij was. Bij hem werd de zg. Darmstadter Madonna van Holbein gecopieerd (Dresdener Madonna). Maar ook speelde hij een rol als agent van Zweden o.a. in Engeland waar hij geportretteerd werd door Van Dijck. Hij gaf veel geheime informatie door naar Zweden. Door de Staten-Generaal werd le Blon in 1638 naar Brussel gezonden om te polsen of de Spaanse autoriteiten vrede wilden sluiten.

f.b.

 

De bloei van de zandsteenwinning in Bentheim was, naar dr heinrich voort uiteenzet in ‘Die holländischen Steinhandelsgesellschaften in der Grafschaft Bentheim’, Verslagen en Mededelingen van de Vereen. tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, LXXXV (1970) 164-185, sinds de vijftiende eeuw en vooral in de zeventiende eeuw sterk afhankelijk van de export naar de Nederlanden. In de zeventiende en achttiende eeuw verzekerde de Graaf van Bentheim zich van een geregelde afzet door contracten met Hollandse steenhandelscompagnieën, waarin Amsterdamse en in mindere mate Zwolse kooplieden geïnteresseerd waren, die daarmee het monopolie verwierven van de verkoop in de noordelijke Nederlanden met uitzondering van de streek langs de grens met Bentheim. Over de inhoud van de contracten, de omvang van de leveranties en de kooplieden die de overeenkomsten aangingen, doet de schrijver belangwekkende mededelingen.

j.k.

 

Het dagboek - relaas van de ‘economische studiereis’ die Sir James Hope van Hopetoun (1614-1661), de ten tijde van Cromwell in ongenade gevallen Schotse Gouverneur van de Munt, om privé - redenen in 1646 in de Verenigde Provinciën, in het Prinsbisdom Luik en in de Spaanse Nederlanden ondernam, werd gepubliceerd door p. marshall in Miscellany of the Scottish History Society, IX (1958) 129-197: ‘The diary of Sir James Hope, 24th january - 1st october 1646’. De notas betreffende de periode 24 april - 3 mei 1646 werden door étienne hélin in het frans vertaald en met de hulp van nestor mélon gecommentarieerd en verklaard; het gaat om een ooggetuigenverslag vooral over de technisch - mechanische situaties in de sector der metaalindustrie, hoofdzakelijk in het Luikerland: ‘Le voyage métallurgique de Sir James Hope. Liège-Noirivaux-Chokier-Huy-Namur-Bruxelles (avril-mai 1646)’, in La Vie Wallonne, XLIV (1970) 269-296.

l.v.b.

[p. 269]

In verband met de geschiedenis van de Joden in Nederland zij vermeld: j.j.f.w. van agt, ‘Synagogen, monumenten van het Nederlandse jodendom’, Spiegel Historiael, V (1970) ix, 477-484, waarin de lotgevallen van de gebouwen worden verhaald.

m.d.v.

 

Naast de Studia Rosenthaliana geven ook de regionale en locale historische tijdschriften nog al eens episoden uit de geschiedenis der Joden in ons land. De geschriften van de Vereniging Amstelodamum gaan hierbij natuurlijk voorop. In het Maandblad Amstelodamum, XLVII (1970) 199-212, publiceren h.j. zantkuyl en mej. e.m. koen gegevens over de in 1612 gebouwde synagoge. De eerstgenoemde vnl. bouwtechnisch in ‘Reconstructie van een vroeg 17e eeuwse synagoge’, de laatstgenoemde historisch in ‘Waar en voor wie werd de synagoge van 1612 gebouwd?’. Mej. Koen geeft in het Jaarboek Amstelodamum, LXII (1970) 37-48, een verslag van haar studie over ‘De vleesvoorziening van de Portugese Joden te Amsterdam sinds het begin van de zeventiende eeuw’. Het was voor de Joden moeilijk om vlees te verkrijgen dat op rituele wijze was geslacht, omdat alleen leden van het slagersgilde mochten slachten. De oplossing vond men door de Portugese Joden te laten slachten bij de Hollandse vleeshouwers voor zover het handelingen betrof die in verband staan met de religieuze wetten (bloed, vet en de heupspier mogen niet worden genuttigd). De parnassim hadden een eigen slager; men rekende ook op winst uit de verkoop van vlees om daarmee weer steun aan de armen te kunnen geven. In 1632 werd op het Waterlooplein een speciale Joodse vleeshal ingericht. Na 1815 kwam onder overheidsdruk een samenwerking met de Hoogduitse Joden tot stand.

f.b.

 

Van het enige boek dat Nicolaes Tulp heeft geschreven, de Observationum medicarum libri tres, verscheen de eerste druk in 1641 en de eerste Nederlandse vertaling in 1650. Er bleef echter ook een vertaling van Tulp zelf bewaard, die alleen in handschrift aanwezig is. Daarover a. querido, ‘Nicolaes Tulp en zijn manuscript’, Spiegel Historiael, V (1970) 304-311.

m.d.v.

 

De Staten van Friesland werden grotendeels samengesteld door de bewoners van het platteland. Bezitters van een boerderij, waaraan het stemrecht verbonden was, kozen voor elk van de dertig grietenijen twee vertegenwoordigers of volmachten, die gegroepeerd waren naar de drie oude kwartieren: Oostergo, Westergo en Zevenwouden. De afgevaardigden van de elf steden vormden het vierde kwartier. Stemming vond kwartiersgewijze plaats, zodat het platteland dus ¾ meerderheid in de staten had om gedeputeerde staten en andere functionarissen te kiezen. j.a. faber, ‘De oligarchisering van Friesland in de tweede helft van de zeventiende eeuw’, A.A.G.- Bijdragen, XV (1970) 39-65 heeft nagegaan hoe de klasse der regenten zich desondanks meester heeft kunnen maken van de macht in de Staten, hoofdzakelijk met het doel om de winstgevende ambten die deze te vergeven hadden, voor zich te reserveren. Zij deden dit door systematisch stemdragende boerderijen op te kopen en als het enigszins kon slechts hornlegers daarvan, nl. dat gedeelte waaraan het stemrecht verbonden was. Dit is vooral in de tweede helft van de zeventiende eeuw gebeurd. De heer Faber heeft dat aangetoond aan de hand van de stemkohieren van 1640 en 1698. Het artikel is zeer overtuigend geschreven en op de bekende Wageningse manier uitstekend verduidelijkt door statistieken en kaarten.

h.p.h.j.

[p. 270]

In het no. 6037 van de Bibliothèque de l'Arsenal te Parijs bevindt zich in handschrift het relaas van Simon Arnauld de Pomponne's reis door Vlaanderen naar Den Haag, waar hij de functie van Frans ambassadeur ging waarnemen. Op 9 februari 1669 vertrokken uit de Ile - de - France, trok hij door Picardië, Artezië, Rijsel en Antwerpen; hij bereikte zijn residentie op 24 februari. Dit dokument werd gepubliceerd door e. jacques, ‘Un voyage de M. de Pomponne en Flandre en 1669’, in Mémoires et Publications de la Société des Sciences, des Arts et des Lettres du Hainaut, LXXXIII (1970) 17-38.

l.v.b.

 

Naast een vrij anekdotisch verhaal van de stichting en van de ontwikkelingsgang van de uit refugiehuizen te Leuven gegroeide en in de Alma Mater aldaar geïncorporeerde colleges van Aulne (1629), van Villers (1660) en van St.-Bernardus - aan - de - Schelde (vóór 1698-1701), van de beurzenstichtingen door en de fundaties voor de Cisterciënzerkloostergemeenschappen in de Nederlanden en van de betrekkingen tussen die instellingen en de Leuvense universiteit, biedt a. van iterson in Les Cisterciens et l'université de Louvain (Cercle culturel et historique de Rochefort. Monographie XX, Rochefort, 1970, 48 blz. + 4 platen; overdruk uit Citeaux, commentarii cistercienses, XXI (1970) 135-177), interessante gegevens over de vooral vanaf de zeventiende eeuw succesrijke studentenrecrutering der Leuvense universiteit in het Cisterciënzermilieu (hogergenoemde instellingen en o.a. de abdijen Baudelo te Gent, Cambron (Heneg.), Ter Duinen te Koksijde en later te Brugge, Grandpré te Mozet, Moulins te Warnant, Orval, Saint-Remy te Rochefort, Val-Dieu te Aubel en Val-Saint-Lambert bij Luik).

l.v.b.

 

‘In Quelques particularités du Collège des Récollets au XVIIe siècle’, Wavriensia, XIX (1970) 121-141, bespreekt ch. de pester voor de jaren 1662 en 1676 de samenstelling, de sociale stand, de plaats van herkomst en de latere loopbaan van de studentenbevolking van de sedert 1661 door de Minderbroeders, in opvolging van de Benedictijnen van Neerwaver (1656-1661), beheerde Waverse onderwijsinstelling. Schr. maakte gebruik van hs. 1848 C en 1853 C van de Universiteitsbibliotheek te Luik, die voor de periode 1662-1757 meer inlichtingen bevatten dan door onderhavige nota geboden.

l.v.b.

 

horst lademacher publiceert in de Rheinische Vierteljahrsblätter, XXXIV (1970) 252-266, een artikel getiteld ‘Wilhelm III von Oranien und Anthonie Heinsius’. Hij behandelt de verhouding tussen de stadhouder - koning en zijn raadpensionaris die, voortkomend uit de in Delft bestaande oppositie-kringen, in opdracht van de prins een reis maakte naar Frankrijk en daarna diens naaste medewerker werd. Schrijver concludeert dat de rol van Heinsius steeds belangrijker werd.

f.b.

 

De onvermoeibare l. jadin publiceert in Bulletin de l'Institut Historique Belge de Rome, XLI (1970) 375-592, een franse vertaling van hs. 3165 van de nationale bibliotheek te Madrid: ‘Andrea da Pavia au Congo, à Lisbonne, à Madère. Journal d'un missionnaire capucin, 1685-1702’. Uit de titel van onderhavige bijdrage blijkt haar belang voor de vóórgeschiedenis van de voormalige Belgische kolonie.

l.v.b.

[p. 271]

Quand Beaumont appartenait au Grand Roi. Contribution à l'histoire du Hainaut français et de la presqu'île de Chimay depuis 1684 jusqu'à 1698 (Verz. Pro-Civitate, reeks Geschiedenis, in-8o, XXVIII; Brussel, 1970, 137 blz.) door francis dumont, is niet meer dan een plaatselijke geschiedenis van genoemd stadje tussen het Verdrag van Regensburg en dat van Rijswijk, maar geeft een goede voorstelling van de perikelen van een grensplaats m.b.t. haar rol in de krijgsverrichtingen, terwijl het leven, onder het regime van de contributies en van andere zware belastingen, zo normaal mogelijk blijft voortgaan.

j.a.v.h.

 

r. janssens, ‘Een strijdvaardig kerkvorst’, Spiegel Historiael, V (1970) 367-373, belicht de autoritaire persoonlijkheid van P.E. van der Noot, bisschop van Gent van 1694 tot 1730, anti-jansenist, prelaat van oude adel.

m.d.v.

 

‘In Charbon des Pays-Bas espagnols et sidérurgie du Hainaut français aux confins des XVIIe et XVIIIe siècles’, La Vie Wallonne, XLIV (1970) 514-519, wijst hervé hasquin op het groeiende verbruik van de steenkool door de smederijen, de ijzerkloverijen en de wapenmanufacturen van Frans-Henegouwen. In de smidsen van de streek Tussen - Samber - en - Maas in de Spaanse Nederlanden zou in 1697 het steenkoolverbruik reeds ca. 50% bedragen hebben, en dit ten nadele van de houtskolen.

l.v.b.

 

Het Rotterdams gemeente-archief bezit de papieren van een assurantie-maatschappij, die het tijdvak 1720-1874 bestrijken. c.h. slegte heeft met behulp daarvan een doorwrochte studie geschreven ‘De Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam van 1720, bekeken naar haar productiefactoren over de periode 1720-1874’, Rotterdams Jaarboekje, 7e reeks, VIII (1970) 252-310. De maatschappij is opgericht in 1720, het jaar van de windhandel, en is van de tientallen toen opgerichte compagnieën de enige, die nog bestaat. Het grootste deel van het kapitaal werd gefourneerd door Rotterdamse kooplieden. In de achttiende eeuw legde zij zich voornamelijk toe op zeeverzekering, maar had ook andere vaak speculatieve plannen o.a. in Suriname. Na 1755 was de fut er wat uit; de directeuren gingen, in plaats van als ondernemers, optreden als beheerders en men durfde geen risico's meer te nemen. Dit is zo gebleven tot ver in de negentiende eeuw. Het is een zeer instructief, hoewel wat schematisch opgezet artikel, steunend op een respectabel aantal voetnoten.

h.p.h.j.

 

Nu f.e. baron mulert's uitgave voor de Linschoten-Vereniging van de Reis van Mr. Jacob Roggeveen ter ontdekking van het Zuidland, IV (1911) al tientallen jaren geleden uitverkocht raakte, is het ook voor de Nederlandse historicus van belang dat hij zich een goede Engelse vertaling van 's mans journaal kan aanschaffen van de bekwame hand van andrew sharp, The Journal of Jacob Roggeveen (Oxford: Clarendon Press, 1970, 193 blz., 50 sh.). Men vindt hier niet de andere stukken, door Mulert gepubliceerd, maar toch wel een goede, modernere Introduction en een Epilogue over het verloop van de reis na 18 juli 1722, op welke datum het dagregister plotseling eindigt. De Bibliography geeft allerlei boeken op, die geïnteresseerden in de geschiedenis van de ontdekking van de Pacific zullen doen watertanden.

w.ph.c.

[p. 272]

Naast de algemene ‘gazetten’ kwamen in de achttiende eeuw in verschillende Zuidnederlandse steden advertentiebladen op, waarvan meer dan één telkens weer de grenzen van zijn octrooi overschreed door algemeen nieuws te publiceren. t. luykx laat ons met ‘De aankondigingsbladen in de Oostenrijkse Nederlanden, 1713-1792/94’ kennismaken, Bijdragen tot de Communicatiewetenschap. Liber Amicorum ter nagedachtenis van Prof. Dr. N. de Volder (Leuven, 1970) 119-135.

j.a.v.h.

 

Over de economische geschiedenis van Ieper na zijn bloeitijd is bitter weinig bekend. Een bijdrage van j. pieters over ‘Nijverheid en handel in Ieper in de jaren 1750-1780’, Album Viaene (Brugge, 1970) 277-284, brengt een verrassende opleving (of voortleven?) van de textielnijverheid, m.n. nu ook van de vlas- en katoenindustrie, aan het licht.

j.a.v.h.

 

In Contributions à l'histoire économique et sociale, V (Centre d'histoire, économique et sociale. Université Libre de Bruxelles. Institut de Sociologie, 1968-1969 25-86, beschrijft mevr. evelyne ramlot-stilmant, ‘Une tentative de monopole d'état sous Marie Thérèse. La raffinerie de sel d'Ostende, 1756-1770’. In het kader van de vanaf 1749 in de Oostenrijkse Nederlanden krachtig hernomen en vanaf het gevolmachtigd - ministerschap van Cobenzl geactiveerde mercantilistische politiek en van de pogingen om te ontkomen aan de economische greep der Verenigde Provinciën, werden hier te lande zoutraffinaderijen opgericht: o.a. deze van Oostende. Product van het privé-initiatief van Charles Levasseur uit Doornik en later mede van J. en P. de Loose uit Gent, maar genietend van de protectie der centrale bestuurders, werd de onderneming een financieel slop en bleek zij productief onvoldoende en concurrentieel onmachtig tegenover de Hollandse invoer. De raffinaderij was echter in 1764-1765 gedurende tien maanden nuttig voor de centrale regering, toen deze de hausse van de zoutprijs diende te bestrijden, verwekt o.a. door de zoutinvoerbelemmerende ordonnantie van 6 oktober 1764. Een degelijke financiële studie van de onderneming staaft het betoog.

l.v.b.

 

chr. van den broeke, ‘De opmars van de aardappel’, Spiegel Historiael, V (1970) 352-356, schetst ook voor de Nederlanden, waar de teelt ca. 1770-'80 over alle provincies was verspreid, de betekenis van de intrede van de aardappel in de dagelijkse voeding.

m.d.v.

 

c. bruneel, ‘Le droit pénal et son application à Bruxelles dans la seconde moitié du XVIIIe siècle’, in Cahiers bruxellois, XIV (1969) 157-178, schetst een aantal wijzigingen in het strafrecht onder invloed van de Verlichting zoals de oprichting van tuchthuizen, de verzachting der straffen en vooral de afname van de bestraffing met schandvlekkend karakter. Dit laatste wordt met een statistiek aangetoond. De stad Brussel scheen op het gebied van de gevangenisstraf ruim twintig jaar de regering te zijn voorgegaan. De hechtenis was echter vooral een straf voor de gegoeden, die in staat waren hun eigen onderhoud te betalen, of voor arme jongeren, die tot dwangarbeid konden verplicht worden. Voor deze laatsten was dit slechts een gunst die zij bekwamen als zij verzachtende omstandigheden voor hun misdrijf konden inroepen.

r.v.u.

[p. 273]

In Cahiers Bruxellois, XIV (1970) 57-84, verzorgde mevr. c. lemoine-isabeau een rijk gedokumenteerde bijdrage over ‘Lefebvre d'Archambault et la cartographie bruxelloise au XVIIIe siècle’. Inspecteur der Ponts et Chaussées in Lorreinen, was Pierre L. d' A. in 1765 naar de Oostenrijkse Nederlanden gekomen en was hij in 1767, wellicht als assistent en sedert 1769 als leraar, in de militaire academie te Brussel opgenomen. Sedert 1767 werkte hij aan een plan der stedelijke verdedigingswerken en der vorstelijke goederen aldaar, een opdracht die in 1768 tot het in kaart brengen van de hele stad uitgebreid en eerst in 1772 beëindigd werd. Het resultaat was: het eerste parcellaire plan van Brussel en in de Nederlanden. Het opzet wordt gesitueerd in het milieu der militaire cartografie, dat vanaf 1770-1771 de bekende Ferrariskaart zou gaan realiseren. De Brusselse kaart wordt vervolgens in detail besproken door mej. l. danckaert: ‘Plan détaillé de la ville de Bruxelles par Pierre Lefebvre d'Archambault’, Ibidem, 85-90.

l.v.b.

 

In It Beaken. Tydskrift útjown fan de Fryske Akademy, XXXII (1970) tracht j. osinga in een opstel, getiteld ‘Friesland in de Republiek: een Anti-Orangade’, 24-38, de machteloosheid van stadhouder Willem V in de Friese landskwartieren aan te tonen teneinde de visie die h. algra ontwikkelt in zijn bijdrage aan het recente handboek over De geschiedenis van Friesland (1968) te diskwalificeren. Op dit artikel is in hetzelfde tijdschrift gereageerd door j.j. woltjer, die in ‘Friesland in de Republiek. Een antwoord’, 196-198, Osinga een terugval in de visie van de patriotten verwijt.

o.v.

 

In de jaren tachtig van de achttiende eeuw werd in het Nieuwediep bij Den Helder een aanvang gemaakt met een reeks waterstaatkundige werken, die tot gevolg hadden dat voor de marine een uitstekende haven ontstond en die tevens de gevaarlijke afkalving van de kop van Noord-Holland tot stilstand brachten. Vooral de rol van de Amsterdamse koopvaardijschipper Laurens Brandligt bij het ontwerpen van de plannen hiervoor krijgt van f.j.a. broeze en w.m. jansen in ‘Den Helder en het Nieuwediep (1770-1882)’, Mededelingen van de Ned. Ver. voor Zeegeschiedenis XXII (1971) 5-19 sterk de nadruk. In latere jaren volgde de aanleg van het zogenoemde Nieuwe Werk en van Willemsoord.

j.r.b.

 

yvan vanden berghe die in 1970 met de Pro Civitateprijs-Geschiedenis onderscheiden werd voor zijn doctoraal proefschrift Een analytische studie van het ontstaan en de reacties van de eerste moderne politieke groepen te Brugge (1780-1794). Een proeve van microgeschiedenis in het kader van de studie van de Verlichting (Gent, 1969) schreef twee korte bijdragen over de toenemende greep van de centraliserende laat - achttiende - eeuwse regeringspolitiek op de lokale toestanden te Brugge: ‘De Raad van Besturen en Beden saneerde de Stadsfinanciën: Het voorbeeld Brugge (1766-1794)’, Handel. v.d. Soc. d'Emulation te Brugge, CVII (1970) 88-95 en ‘Het offensief van de steden tegen het corporatis me op het einde van de 18e eeuw. Een voorbeeld: de vruchteloze strijd van de Brugse vleeshouwers’, Driemaand. Tijdschr. v.h. Gemeentekrediet v. België, nr. 92 (april 1970) 90-94; ook in Franse vertaling.

l.v.b.

 

h.f.j.m. van den eerenbeemt, ‘Jeugd en arbeid en de geest der Verlichting’, Spiegel Historiael, V (1970) 202-209, belicht de sociaal-pedagogische denkbeelden die in Neder-

[p. 274]

land, tegen het eind van de achttiende eeuw, o.m. tot het oprichten van werkscholen hebben geleid. Veranderde normatieve inzichten op het pedagogische vlak, samen met nieuwe maatschappelijke behoeften, deden meer aandacht uitgaan naar veralgemeend onderwijs voor de volksklasse.

m.d.v.

 

f. jacques' studie over ‘La population de Charleroi en 1780. Composition nominative des ménages. Classement par état social et emplois’, Mémoires et publications de la Société des Sciences, des Arts et des Lettres du Hainaut, LXXXII (1969) 89-143, is slechts een afdruk van een dossier met ‘bevolkingsgegevens’, gesteld in 1780 als een protest tegen een capitatiebelasting, gecreëerd bij octrooi van 28 april 1777 met het oog op de bekostiging van de restauratie van de kerk der Ville-Haute.

l.v.b.

 

De ‘Schets van de ontwikkeling der katoendrukkerij te Antwerpen (1753-1813)’, die a.k.l. thijs in het licht geeft in de Bijdragen tot de Geschiedenis, LIII (1970) 157-190, is geen schets, maar een rijk gedocumenteerde en oorspronkelijke monografie over de textieldrukkerijen die zich te Antwerpen sinds het midden der achttiende eeuw volledig hebben vernieuwd naar buitenlands voorbeeld. Het waren vaak door regeringsoktrooi begunstigde grootbedrijven met talrijke werkkrachten, grote kapitalen door leningen bij de Antwerpse adel en hogere burgerij opgenomen en met indrukwekkende produktiecijfers. Vooral de Franse concurrentie sinds de laatste jaren der achttiende eeuw zou deze industrie hebben geknakt.

r.v.u.

 

p.j. van winter, De Amerikaanse Zaken van C.M.J. De Wolf (Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren XXXII, no. 2. Brussel, 1970, 39 blz.). Het financiewezen en het kapitalisme in het achttiende-eeuwse Antwerpen zijn ons vooral bekend door de publicaties van Dr. L. Michielsen. Hij schildert de Antwerpse financiewereld van het einde der eeuw af als een dynamische, ondernemende groep met internationale allure. Had men trouwens vroeger al niet beweerd op gezag van Genard en Beetemé dat te Antwerpen in samenwerking met Amsterdam de eerste buitenlandse lening der U.S.A. gelanceerd werd?

Op basis van archivalisch onderzoek en van vergelijkende studies kwam Prof. Jhr. P.J. van Winter tot andere conclusies. Hij brengt deze naar voren naar aanleiding van een interessante case-study, die de Amerikaanse ondernemingen van C.M.J. De Wolf tot voorwerp heeft. Deze ‘kassier’ was de belangrijkste Antwerpse deelnemer aan allerlei Amerikaanse projecten van de jaren 1790. De auteur ontleedt er zijn aandeel in de overname van de binnenlandse liquidated debt, zijn werk voor de uitgifte-in concurrentie met Amsterdam-van een Amerikaanse buitenlandse lening en zijn speculatie op onroerende goederen in de staat New York.

Sinds lang specialist in de geschiedenis van de Amsterdamse ondernemingen in het onafhankelijke Amerika brengt de auteur een helder overzicht van De Wolf's investeringen, ofschoon deze technisch-financieel gezien heel ingewikkeld waren. Hierbij stelt hij de mening voorop dat aan De Wolf de verdienste toekomt de aandacht van de Antwerpenaars op Amerika gevestigd te hebben, maar dat deze kassier steeds de methodes overnam, die te Amsterdam reeds beproefd waren. Hij kreeg slechts een grotere betekenis,

[p. 275]

wanneer hij door de Amerikanen uitgespeeld werd tegen de overdreven eisen van de Hollandse financiers. Maar hij was verder niet de exponent van een dynamische groep van financiers, die in de geldwereld een grote macht zou gehad hebben.

Bij de bespreking van de grondspeculatie stipt hij ook nog aan dat deze niet op enige maatschappelijke behoefte berustte als emigratie, kolonisatie of veilig stellen van kapitalen tijdens de onzekere tijd van de Franse bezetting. Anderzijds lijkt het na zijn onderzoek wel een historische zekerheid te zijn dat op de vooravond van de Industriële Omwenteling het financiële centrum, dat Antwerpen was, over ruime kapitalen beschikte. Maar dat de verrichtingen van De Wolf, van andere Antwerpse kassiers en van kapitaalbezitters elders in het land, die terloops vermeld worden, niet met de echte belangen van België strookten op het cruciale ogenblik van de eerste ontwikkeling van de gemechaniseerde nijverheid is een conclusie, die ook uit zijn studie naar voor komt. Zelfs de Vervierse familie Simonis interesseert zich aanvankelijk aan Amerikaanse ondernemingen en bewijst daarmee de ruime aanwezigheid van kapitalen.

Zo roept deze zeer suggestieve case-study een aantal belangwekkende uitzichten en problemen op, die voor de kennis van het verleden van het Zuiden zeker een ruimere uitdieping verdienen. De aantekeningen op het einde van de tekst geven bovendien een mooie status quaestionis van de besproken financiële activiteit.

p.l.

 

In Bulletin de l'Institut Historique Belge de Rome, XLI (1970) 593-752, publiceren p.j. van kessel en d. bodart een catalogus van ‘La collection d'opuscules relatifs aux dernières années du Régime autrichien et à la Révolution brabançonne, rassemblé par le nonce Antonio Felicie Zondadari’, bewaard in de Vaticaanse Bibliotheek. Het gaat om 993 stukken (brochures, pamfletten, libellen, iconografisch materiaal), daterend uit de jaren 1784 - vooral vanaf 1787 - tot 1790, betreffende de revolutietijden in de Oostenrijkse Nederlanden en in het prinsbisdom Luik.

l.v.b.

Nieuwste geschiedenis

h. gaus en j. dhondt, ‘Opgave van dokumenten betreffende de nieuwste geschiedenis van België uitgegeven vanaf 1945’, Archief en Bibliotheekwezen in België, XLI (1970) 486-540, maakt geen aanspraak op volledigheid, maar wil alle belangrijke tekstuitgaven signaleren en een kijk geven op alle soorten van documenten die betreffende de tijd sedert 1789 werden gepubliceerd. De lijst, opgemaakt door H. Gaus, inspireerde J. Dhondt tot inleidende beschouwingen. Hij karakteriseert de genoemde soorten en stelt, met het oog op het bevorderen van de beoefening der nieuwste geschiedenis, de vraag naar de zin van verdere bronnenpublicaties: in een tijd van gemakkelijke reproduktiemogelijkheden blijven ze in diverse sectoren vereist om de inhoud van bepaalde reeksen handschriftelijke documenten aan de historici bekend te maken.

m.d.v.

 

Sedert 1968 beschikt men over een persrepertorium voor de stad Antwerpen, van de hand van H. de Borger. Dit heeft nu een aanvulling gekregen voor een groot gedeelte van de provincie: a. thijs, met medewerking van g. bulthé en a.m. simon-van der meersch, Repertorium van de pers in de provincie Antwerpen (behoudens de stad Antwerpen en de

[p. 276]

kantons Mechelen en Puurs) 1833-1914 (Interuniversitair Centrum voor hedendaagse geschiedenis, Bijdragen, LVIII; Leuven en Parijs: Nauwelaerts, 1970, 363 blz., 600 BF.). Het omvat drie in omvang ongelijke delen: een lijst van de ‘kranten’, uitgewerkt volgens het in de reeks gebruikelijk geworden schema, één van de kiesbladen en één van de ‘tijdschriften’. Ik gebruik de aanhalingstekens omdat in de lijst van de zgn. kranten, naast talrijke halfmaandelijkse periodieken en publikaties met een onregelmatige periodiciteit, meer dan vijftig maandschriften voorkomen. Men ziet niet in waarom die niet bij de ‘tijdschriften’ werden ondergebracht. De auteur maakt het gebeurlijke verschil niet duidelijk en uit een vergelijking blijkt het in genen dele. Om slechts één frappant voorbeeld te geven: Avicultura. Maandschrift tot bevordering van den hoenderkweek staat bij de kranten (p. 211), L'Aviculture pratique, revue bi-mensuelle des aviculteurs bij de tijdschriften (p. 302).

De ‘kranten’ werden per gemeente gegroepeerd en telkens alfabetisch gerangschikt. Het gebeurt vaak dat een blad voor meer dan één gemeente is bestemd. Het werd dan, met verwijzing naar de overige, ondergebracht bij die lokaliteit waarmee het ‘het meest rechtstreeks in verband kan worden gebracht’. Op grond waarvan? De auteur zegt dat niet. Bij het doorlopen van het repertorium beleeft men dan ook allerlei verrassingen. Waarom is Het geluk des Huisgezins' (p. 109-110), beheerd en geredigeerd te Brussel, een Brasschaatse ‘krant’? Waarom Le Bien Social (p. 112-113), met de redactie en beheer eveneens te Brussel, één uit Brecht? Waarom De Haechtenaer (p. 148), te Haacht uitgegeven, beheerd en (tijdelijk) gedrukt, één uit Heist-op-den-Berg? Omdat die bladen respectievelijk in Brasschaat, Brecht en (tijdelijk) Heist-op-den-Berg werden gedrukt. Het lijkt een vrij vreemd criterium. Was er geen beter te vinden, dan zou men het nog accepteren, maar nu kan men niet eens van een vast systeem spreken. De Demokraat, geranschikt onder Boom (p. 57-58), werd te Aalst gedrukt; de Revue hebdomadaire de l'Amérique latine (p. 133) gedrukt te Antwerpen, staat onder Edegem; De Poldernaar (p. 139-140), uitgegeven te Lier en te Antwerpen en gedrukt te Berlaar, komt voor onder Ekeren. Men kan die voorbeelden met andere aanvullen, zodat betreffende de waarde van het voorliggende repertorium reserves moeten worden gemaakt.

m.d.v.

 

De Luxemburgse archieven uit de Franse tijd zijn verdeeld gebleven tussen het groothertogdom aan de ene kant en de Belgische provincie aan de andere. Wat deze laatste betreft beschikt men thans over een gedrukte inventaris: m. bourguignon, Inventaire des archives de l'administration du département des forêts (Brussel, Ministère de l'Education nationale, Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les provinces, Archives de l'Etat à Arlon, 1969, 419 blz.). In tegenstelling met wat voor de Franse tijd veelal gebruikelijk is, werden de bedoelde archieven geklasseerd per gemeente. De inleiding geeft daarvan de verklaring, maar bevat geen aanwijzingen betreffende het belang van het geheel, vergeleken met wat te Luxemburg is gebleven.

m.d.v.

 

Pas was het Franse bestuur in 1794 in België ingericht, of het kreeg de opdracht een economische telling te houden. Het resultaat daarvan in het ‘arrondissement’ Namen werd door hervé hasquin ontleed, ‘L'industrie de l'arrondissement de Namur lors de la crise de l'an III,’ Annales hist. de la Révol. franc., XLII (1970) 599-612. Hoe onvolledig zij ook bleef, zij weerspiegelt de ontreddering die de oorlog had teweeggebracht.

j.a.v.h.

[p. 277]

De gerechtelijke dossiers van ‘Le premier tribunal criminel de Mons (14 messidor an 2-22 fructidor an 2; 2 juillet 1794-8 septembre 1794)’ zijn niet bewaard gebleven. mevr. marie-rose (desmed-) thielemans, Etudes régionales. Annales du cercle archéologique et folklorique de La Louvière et du Centre, VII (1969)81-134, heeft aan de hand van verspreide gegevens in het Rijksarchief te Mons, in de Archives Nationales te Parijs en in het Algemeen Rijksarchief te Brussel en van plaatselijke kronieken, de lotgevallen van die departementale rechtbank geschetst in drie taferelen, drie politiek geladen criminele processen waarvan het verloop geïnspireerd was door de methoden van de Parijse Terreur: de zaak Delneufcour, een afrekening uit de periode der Brabantse Revolutie, de zaak Anderlues of de psychose der francs-tireurs en de zaak Richard of de beteugeling van de contrarevolutie. Het geheel wordt gesitueerd in het politieke tijdsgebeuren.

l.v.b.

 

s. schama, ‘Schools and Politics in the Netherlands, 1796-1814’, The Historical Journal (1970) iv, 589-610, licht toe wat men al wel wist, nl. dat de degelijke organisatie van het Nederlandse lager onderwijs, door G. Cuvier en F. Noël in 1811 geprezen, niet aan directe Franse invloed mag worden toegeschreven, maar als een autochtoon verschijnsel moet worden beschouwd, uiteraard in het raam van de Aufklärung. Het staatsingrijpen werd uitgelokt door de pedagogische beweging die tijdens het laatste kwart van de achttiende eeuw op gang was gekomen. Terecht beklemtoont schrijver dat het ijveren voor de grondvesting van een systeem van nationale opvoeding in verband moet worden gebracht met het meer algemene hervormingsstreven, zoals dat in de Patriottenbeweging en de Bataafse revolutie naar voren kwam.

m.d.v.

 

In Textielhistorische Bijdragen, nr. 11 (uitgegeven door de Stichting Textielgeschiedenis, Hengelo (O.) 1970) 17-28, schetst h. coppejans desmedt ‘De betekenis van Gent voor de expansie van de katoennijverheid in de Nederlanden (1799-1834)’. Zij laat zien welke gevolgen het heeft gehad voor de Gentse textielnijverheid, dat deze binnen een tijdsbestek van twintig jaar tot twee maal toe door het ontstaan van nieuwe grenzen van haar afzetgebied werd afgesneden. Tijdens de periode van het Keizerrijk had de Gentse industrie zich geheel op de Franse markt ingesteld. De grenzen van het Europa der Restauratie deden die markt verloren gaan. De economische politiek van Willem I stimuleerde de modernisering van de produktiemethodes in de Gentse katoenindustrie, die in het nieuwe koninkrijk en in de Nederlandse kolonies in de Oost een nieuwe markt vond. De Belgische Omwenteling betekende opnieuw het verlies van het afzetgebied. De voortzetting van de economische politiek van de Nederlandse regering, nu ten bate van het verkleinde vaderland, betekende o.a. dat enkele Gentse katoenfabrikanten alle faciliteiten kregen om in Twente, waar de katoenweverij als huisnijverheid bestond, fabrieken van katoenen stoffen te vestigen.

e.r.

 

De rapporten van de Franse prefekten over de toestand van hun departement aan het begin van de negentiende eeuw vormen een bron waarvan de betekenis reeds lang bekend is. j. mertens en w. vanderpijpen vonden de aantekeningen terug die B.J. Holvoet, de latere gouverneur van West-Vlaanderen onder Willem I, over de landbouw opstelde, en die een belangrijke grondslag vormden voor het opstellen van Viry's Mémoire statistique du département de la Lys, en geven die ‘Schets van de Westvlaamse landbouw eind 18e -

[p. 278]

begin 19e eeuw’ met een degelijke inleiding uit, Handel. Soc. d'Emulation te Brugge, CVII (1970) 277-301.

j.a.v.h.

 

h.f.j.m. van den eerenbeemt behandelt in Varia historica Brabantica, III (1969) 389-403, ‘Ideeën tot reorganisatie der armenzorg te Tilburg rond 1800’. Ingrijpende wijzigingen werden echter niet aangebracht. Het probleem in Tilburg was o.a. de afhankelijkheid der textielindustrie van opdrachten voor het leger. Rond Tilburg werd de werkloosheid van de arbeiders die vooral uit de omliggende dorpen kwamen, opgevangen in de landbouw.

f.b.

 

Het Maandblad Amstelodamum, LVI (1969) bevat van de hand van h.a. diederiks een artikel over ‘Hendrik de Heus, een Amsterdamse ondernemer in het begin van de negentiende eeuw’. De Heus is een voorbeeld van die ondernemers die rond 1800 dank zij militaire opdrachten hun bedrijf wisten op te bouwen. Hij installeerde als eerste in Amsterdam een stoommachine die hij uit Engeland had laten komen, en importeerde walsen uit Luik. Ook na de Franse tijd zette hij het bedrijf voort. Hij trad onder meer als tussenpersoon op voor het leveren van koperen munten aan de Aziatische Raad die het aan hem overliet voorschriften op te stellen omtrent de beeldenaar en het snijden van stempels. Dit muntbedrijf was tenslotte de reden van De Heus' besluit om zijn zaak naar Utrecht over te plaatsen.

f.b.

 

De reeks studies over de centrale scholen in de Belgische departementen wordt op gelukkige wijze aangevuld door h. fassbender, ‘L'enseignement à l'Ecole centrale du département de la Dyle’, Cahiers bruxellois, XIV (1969) 179-272. Zoals de titel aanwijst, handelt de bijdrage niet over de organisatie van de instelling, maar wel over het aldaar gegeven onderwijs. Per leervak worden de leraren, de inhoud van de lessen en de leerlingen besproken. Het bekwaam personeel en het uitstekend onderwijsniveau ten spijt, kende de school slechts een matig succes.

m.d.v.

 

Bij de rapporten van de commissarissen van het Directoire Exécutif in het departement van de Nedermaas, waarover men sedert 1956 in druk beschikt, sluit aan: m. colson, De rapporten van de kantonkommissarissen (1797-1800), I (Maaseik, Hasselt, 1969, vi-188 blz. Werken uitg. onder de auspiciën van de Bestendige Deputatie van de provincie Limburg). Aan de uitgave werd veel zorg besteed: uitvoerige inleiding en bibliografie, uitgebreid notenapparaat waarin het verband wordt gelegd met de plaatselijke en meer algemene geschiedenis.

m.d.v.

 

In welke tijd moet het begin van de industriële omwenteling in België worden gesitueerd? r. devleeshouwer, ‘Le Consulat et l'Empire: période de “take-off” pour l'économie belge?’, Annales historiques de la révolution française, XLII (1970) 437-449, schetst de stand van het probleem. Het komt ook ter sprake in het artikel van l. bergeron, ‘Problèmes économiques de la France napoléonienne’, Ibidem, XLII (1970) 63-99.

m.d.v.

[p. 279]

Aan de hand van medische en prefectorale rapporten uit de reeks F8 van de Archives nationales te Parijs, publiceert r. darquenne, ‘La “dysenterie” en Belgique à la fin de l'Empire’, Revue du Nord, LII (1970) 367-373, een aantal gegevens betreffende de epidemie die zich ontwikkelde na de Engelse aanval op Zeeland in 1809.

m.d.v.

 

I. Kant geraakte in de Noordelijke Nederlanden vroeg bekend. Wat belangstelling wekte, was echter niet de vraag naar de filosofische waarde van zijn denkbeelden, maar wel of ze aan het christelijke geloof al dan niet steun konden geven. h.a.m. snelders, ‘De ontvangst van Kant bij enige Nederlandse natuurwetenschapsbeoefenaars omstreeks 1800’, Scientiarum Historia, XII (1970) 23-38, toont aan dat hij ook weinig invloed had op de beoefening van de natuurwetenschappen. In globo hebben zijn aanhangers tot de vooruitgang daarvan weinig bijgedragen.

m.d.v.

 

Wie geïnteresseerd is in het welvaren van de Nederlandsche Bank en in de Nederlandse economische geschiedenis tussen 1814 en 1914 doch de tijd mist om het standaardwerk van A.M. de Jong te lezen (Geschiedenis van de Nederlandsche Bank, 1967), dat verschenen is in vijf dikke delen, moet niet verzuimen de zeer uitvoerige beschouwing op te slaan die joh. de vries aan dit werk wijdt in Maandschrift Economie, XXXIV (1970) 281-317. Daarin krijgt men in kort bestek een indruk van de voorgeschiedenis van de bank, van de oprichting en de functies en van het beleid ook met betrekking tot de verhouding met de andere banken in Nederland. Van veel waarde acht schr. ook de brede beschouwingen met betrekking tot de economische ontwikkeling tussen 1864 en 1914. Helaas ontbreken zulke beschouwingen voor de periode 1814-1864. Deze is behandeld in deel I, een herdruk van een desbetreffende publikatie van 1930 waarin de daarna verschenen studies niet zijn verwerkt.

j.a.de j.

 

De vulgariserende publikatie van e. de bock, Ondergang en herstel of het begin van de ‘Vlaamse Beweging’ (Antwerpen: De Sikkel, 1970, 292 blz., 360 BF), is een uitgebreide heruitgave van de cultuurhistorische Verkenningen in de eerste helft van de negentiende eeuw van dezelfde auteur. Hij geeft vooreerst een verhaal van gebeurtenissen en stromingen en behandelt vervolgens apart de tijdschriften en de schrijvers en dichters. Het geheel slaat terug op de tijd tussen 1815 en ca. 1850. Ik moge aanstippen dat de studie over J.F. Willems en de Vlaams-Duitse betrekkingen mij in de bibliografie ten onrechte wordt toegeschreven.

m.d.v.

 

De in een vorige kroniek aangekondigde bijdrage over Snellaerts jeugd- en studietijd is inmiddels verschenen: a. deprez, ‘De jonge Snellaert (1809-1838)’, Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1970) 1-155. Het stuk bestaat hoofdzakelijk uit de publikatie van brieven, met een bindtekst. Uit bevolkingsregisters en militaire archieven kon het jeugdbeeld nader worden gepreciseerd.

De volwassen Snellaert werd tot heden vrijwel uitsluitend in zijn relatie tot de taalstrijd en de letterkunde bestudeerd. De bijdrage van l. elaut, ‘F.A. Snellaert, de geneesheer’, Ibidem (1969) 187-219, vult dan ook een leemte. Zij situeert Snellaerts activiteit in het medische leven te Gent, meer bepaald in de Société de Médecine. Hij blijkt een uitstekend

[p. 280]

clinicus te zijn geweest, die zich ook inliet met de invloed van de sociale omstandigheden op de ontwikkeling van de ziekten. Daarbij toonde hij belangstelling voor de geschiedenis van de geneeskunde in de Nederlanden.

m.d.v.

 

‘La filature publique de Liège (1800-1819)’, die julien-maurice lambert behandelt, Rev. d'Hist. Econ. et Soc., XLVIII (1970), 525-555, was een werkplaats, op initiatief van de Franse prefekt geopend om de bedelarij te bestrijden. Zij werd geen succes, en vanaf 1810 werd de onderneming verhuurd aan particuliere fabrikanten, maar ook dezen konden het werk van de paupers niet behoorlijk laten renderen.

j.a.v.h.

 

mej. patrizia ugolini wijdt enkele bladzijden van haar artikel over ‘La politica estera del Card. Tommaso Bernetti, segretario di stato di Leone XII, 1828-1829’, Archivio della Soc. Romana di Storia Patria, XCII (1969) 213-320, aan het koninkrijk der Nederlanden, waarbij zij vnl. steunt op Vaticaanse archiefbronnen m.b.t. de onderhandelingen van De Celles met Capaccini e.a. betreffende de uitvoering van het concordaat en speciaal de bezetting van de bisschoppelijke zetels.

j.a.v.h.

 

a. filimon, ‘Quelques données concernant les relations entre la Roumanie et la Belgique au 19e siècle’, Revue belge d'histoire contemporaine, II (1970) 21-26, vermeldt de belangrijkste verschijnselen uit de diplomatieke en commerciële betrekkingen tussen beide landen.

m.d.v.

 

De stoomtechniek is bij de Nederlandse scheepvaart slechts aarzelend toegepast. De vreemde moeilijkheden bij de bouw van een stoomschip voor het departement van koloniën ondervonden, schetst d. van der vlis in ‘Het stoomschip “Pylades”, 1826-1835’, Mededelingen van de Ned. Ver. voor Zeegeschiedenis, XXI (1970) 17-22. Nauwelijks buitengaats zonk het schip op zijn eerste reis. De auteur suggereert dat kwade opzet hierbij niet uitgesloten geacht moet worden.

j.r.b.

 

a. braekman-devolder, ‘De oprichting van het koninkrijk België weerspiegeld in “Den Vaderlander”,’ Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, XXIV (1970) 129-152, geeft, aan de hand van talrijke citaten, een overzicht van de posities van het Gentse blad tussen juli 1830 en einde 1831.

m.d.v.

 

Naar aanleiding van de grondwetsherziening wijdt Spiegel Historiael, V (1970) een speciaal nummer aan België sedert 1830. Het wordt ingeleid door R.C. van Caenegem. H. van der Wee en M. de Vroede schetsen respectievelijk de economische groei en de evolutie van de sociale kwestie. R. Senelle maakt de constitutionele balans op. R. Aubert belicht de geschiedenis van de R.-K. Kerk, J.A. van Houtte die van de wetenschap. De taalproblemen, meer bepaald de ontwikkeling van Vlaanderen, Wallonië en Brussel, worden respectievelijk door H. van Werveke, L. Génicot en Th. Luykx behandeld. Tenslotte situeert E.H. Kossmann de plaats van België in Europa.

m.d.v.

[p. 281]

h.-j. couvreur's lijst van de ‘Premiers chefs de l'armée belge, titulaires de la Légion d'Honneur’, Revue belge d'histoire militaire. Belgisch tijdschrift voor militaire geschiedenis, XVIII (1970) 496-508, biedt enige nuttige biografische gegevens betreffende de luitenant-generaals, de generaal-majoors en de kolonels van het Belgisch leger in 1830-1831, ridders in het Franse Erelegioen.

l.v.b.

 

g. braive en i. mondovits, ‘Le corps diplomatique et consulaire belge en Italie (1830-1914). Répertoire bio-bibliographique’, Risorgimento, XII (1969) 25-50 en 101-171, XIII (1970) 37-104 en 129-186, is een uitvoerige bijdrage, niet tot de diplomatieke geschiedenis, maar tot de kennis van de structuur van het Belgische diplomatieke en consulaire personeel, die in de inleiding wordt toegelicht. Het werkinstrument bevat twee delen: het eerste betreft de in Italië geaccrediteerde Belgische diplomaten, het tweede de meestal Italiaanse leden van de consulaire diensten. Ieder deel geeft vooreerst een naamlijst per post - voor dl. 1 in de vorm van synoptische tabellen - en vervolgens een biobibliografisch repertorium. Het zij opgemerkt dat de volledige carrière wordt geschetst van de diplomaten die (ook) in Italië werkzaam zijn geweest. De gegevens werden vooral geput uit de archieven van Buitenlandse Zaken.

m.d.v.

 

De derde aflevering van Res Publica, XII (1970) is geheel gewijd aan de gemeenteraads-verkiezingen in België. Een historische terugblik treft men aan in het artikel van b.de bakker en m. claeys-van haegendoren, ‘De invloed van de gemeenteraadsverkiezingen op de nationale politieke machtskonstellatie’, 457-475.

m.d.v.

 

Tijdens het eerste decennium van de Belgische onafhankelijkheid bleef de katholieke pers kwantitatief op de liberale ten achter. Een verklaring van dat verschijnsel zoekt a. cordewiener, ‘Attitudes des catholiques et de l'épiscopat devant les problèmes posés par l'organisation de leur presse à Bruxelles (1831-1843)’, Revue belge d'histoire contemporaine, II (1970) 27-43. Hij gaat uit van een concreet voorbeeld: de moeizame stichting van een leidinggevend katholiek orgaan te Brussel, het Journal de Bruxelles (verschenen op 1 januari 1841), en besluit dat de houding van aartsbisschop (kardinaal) Sterckx van het grootste gewicht is geweest. De katholieke opinie verwachtte leiding vanwege het episcopaat, maar in perszaken was Sterckx daartoe niet bereid. Sommige bisschoppen waren dat wel, maar hebben zich tot financiële steun aan kranten beperkt.

Aansluitend bij het boven vermelde artikel en uitgaande van dezelfde problematiek, behandelt e. witte, ‘Het project tot omkoping van de Brusselse krant, “L'Emancipation”, door het Belgische episcopaat in 1838’, Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, II (1970) 45-54. Hieruit blijkt dat ook Sterckx akkoord ging met het plan om, door middel van steekpenningen aan drie redacteurs, de Emancipation in een katholiek-unionistische koers te brengen. De poging, die moet worden gezien tegen de achtergrond van de liberale campagne n.a.v. de veroordeling van de vrijmetselarij, heeft vermoedelijk wel succes gehad. Schrijfster vindt er een argument in om de opvatting van H. Haag, dat het unionisme niet meer dan een taktiek is geweest, bij te treden.

Een zelfde problematiek als in de twee bovenvermelde artikelen vindt men terug bij r. van eenoo, ‘De initiatieven op persgebied van de Westvlaamse bisschoppen (1834-1852)’, Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, II (1970) 55-99. De bisschoppen van

[p. 282]

Brugge, Mgr. Boussen en Mgr. Malou, hebben zich voor de katholieke pers, ook buiten hun bisdom, sterk geïnteresseerd. Te Brugge zelf ging die belangstelling verder dan alleen maar het verlenen van financiële steun. Sedert eind 1840 konden de twee Brugse katholieke bladen, Le Nouvelliste des Flandres en de Standaerd van Vlaenderen, officieel als de organen van het bisdom gelden. Tijdens het daarop volgende decennium werden allerlei middelen in het werk gesteld om beide bladen te verbeteren en onder vaste controle te brengen. In dat verband viel, in 1848, de vervanging van de Nouvelliste door La Patrie te situeren. Uiteindelijk, in december 1851, liep de ontwikkeling uit op de aankoop van La Patrie en Standaerd door het bisdom. De transacties die tijdens die evolutie plaats hadden, kan men volgen in de stukken die in bijlage worden gepubliceerd. Een ander aspect van het bisschoppelijke optreden lag in het verbod, aan de gelovigen gegeven, tot lectuur van niet-klerikale politieke kranten. Ter verklaring wordt gewezen op het streven tot handhaving van de traditionele maatschappij, waarin godsdienstige en agrarische belangen primeerden.

m.d.v.

 

b. lauwers behandelt in Revue belge d'histoire militaire. Belgisch tijdschrift voor militaire geschiedenis, XVIII (1970) 535-560, ‘De Zaak Skrzynecki. Een Episode der diplomatieke betrekkingen tussen Oostenrijk en België (1839)’. De Belgische houding op de Londense Conferentie had in 1838 een troepenconcentratie van Nederlanders en Pruisen aan onze grenzen voor gevolg. België had een divisiegeneraal nodig om aan een eventuele aanval het hoofd te bieden. De onder de invloed van Leopold I door de Belgische minister van oorlog, zonder het medeweten van de andere leden der regering, in januari 1839 naar ons land geroepen Poolse vrijheidsheld, generaal Skrzynecki, die te Praag onder politietoezicht verbleef, zou er de oorzaak van worden dat kanselier Metternich de diplomatieke betrekkingen Oostenrijk-België verbrak. Ofschoon de generaal reeds daags na zijn benoeming door Leopold op non-activiteit werd gesteld, bleef Metternich het incident als een persoonlijke grief beschouwen. Terwijl De Theux, de Belgische minister van buitenlandse zaken, met koppigheid de Belgische waardigheid verdedigde, stelde zich het probleem van de ratificatie van het op 19 april 1839 ondertekende Verdrag der XXIV Artikelen. Het ontslag van de Poolse generaal werd de voorwaarde voor de ratificatie door Oostenrijk. De bemoeiingen van de Belgische gezant te Wenen, O'Sullivan de Grass, brachten alles in orde. In de Oostenrijkse pers werd Skrzynecki's eliminatie bekend gemaakt. Op 8 juni volgde de bekrachtiging van het verdrag.

l.v.b.

 

j.c. vleggeert schrijft in het Maandblad Amstelodamum, XLVII (1970) 106-109, over ‘Filantropie en kinderarbeid. Tulefabrikant W.H. Warnsinck Bzn.’ Deze ondernemer was een van de oprichters van het Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen. Hij vatte het plan op om in zijn in 1835 gestichte fabriek kinderen te laten werken, niet alleen om daardoor goedkoper te kunnen produceren maar ook om de heersende armoede te bestrijden. Verzoeken aan armbesturen en een verzoek aan de koning (1838) die hem naar de gemeente verwees, haalden weinig uit. Vleggeert wijst erop dat hier een wijziging van de opvattingen over kinderarbeid doorbrak.

f.b.

 

j. hannes, ‘De Limburgse steden Hasselt, Maaseik, St. Truiden en Tongeren (1842-1844). Uitgave van kadastrale statistieken’, Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, I (1969) 185-206, publiceert stukken uit het archief van de Provinciale Bewaring van het Kadaster, te Hasselt. Analoge documenten werden tot heden in andere fondsen van het

[p. 283]

Vlaamse land niet teruggevonden. Het gaat om een inventaris van de, al of niet belastbare, bebouwde en onbebouwde eigendommen in de vier genoemde steden. Dergelijke samenvattingen werden later door het kadaster niet meer gemaakt. De uitgever toont, in de inleiding, de bruikbaarheid aan van de bron.

m.d.v.

 

mevr. f. windels-rosart zet in Revue belge d'histoire militaire. Belgisch tijdschrift voor militaire geschiedenis, XVIII (1970) 509-534 haar studie over de beginperiode van het Belgische Ministerie van Oorlog verder (cf. BMGN, LXXXV (1970) 387). Een tweede aflevering handelt over ‘Le personnel civil et militaire du Ministère de la Guerre (1830-1850). Enquête sociologique’. Het burgerlijk element, vrij sterk aanwezig vóór 1843, begon vanaf dat jaar sterk beperkt te worden, ondanks het feit dat het afvaardigen van militairen in het Parlement een hevige kritiek ondervond. Een officier die een bevordering beoogde, diende zich opnieuw bij een actieve eenheid te voegen; niettemin verkozen velen hun loopbaan op het Ministerie te volbrengen. De invloed van de Vrijmetselarij schijnt er niet onbelangrijk geweest.

l.v.b.

 

e. witte, ‘Electorale agenten aan de vooravond van de partijformaties. Aantekeningen bij brieven en nota's van senator F. Béthune’, Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, I (1969) 216-253, publiceert twintig stukken uit de jaren 1845 en 1847, bewaard in het fonds van Felix Béthune (senator voor Kortrijk van 1845 tot 1871), plus één document betreffende de politieke activiteit van de loges (1836). Ze werpen een aardig licht op de electorale geplogenheden in België, in de tijd dat politieke partijen nog niet waren georganiseerd. Een kandidaat die tot de klerikale opinie behoorde, kon rekenen op de steun van de kerkelijke hiërarchie - van bisschop over deken en pastoor tot onderpastoor - en, onder een katholieke regering, ook op die van de burgelijke overheden: van het kabinet via de provinciegouverneurs en de arrondissementscommissarissen tot de burgemeesters en lagere ambtenaren. Ook de administratie van de belastingen, de rechterlijke macht en andere instanties werden ingeschakeld om de kiezers te beïnvloeden. Liberale kandidaten misten een dergelijk apparaat. De leden van de vrijmetselaarsloges traden voor hen op. Verder spreekt het vanzelf dat de kandidaten ook persoonlijk de propaganda organiseerden, waarbij ze het de kiezers materieel naar de zin trachtten te maken, wat uit de gepubliceerde stukkken in detail naar voren komt. Deze benadering van het verschijnsel der electorale agenten spoort aan tot verder onderzoek, waarbij o.m. de vraag rijst in hoever ‘het systeem’ in de steden op een andere manier werkte dan op het platteland.

m.d.v.

 

De zending waarmee Henri de Brouckère tegen het eind van 1849 te Rome werd belast hield in de eerste plaats verband met de nakende wet op het middelbaar onderwijs: de liberale regering streefde de onafhankelijkheid na van de burgerlijke macht. Verder moest de buitengewone gezant en gevolmachtigd minister bij de Pauselijke Stoel optreden i.v.m. de inmenging van de clerus in politieke aangelegenheden en met de relaties tussen het episcopaat en de lagere geestelijkheid. Zijn zending is in alle opzichten mislukt. a. pinitronati, ‘Lettere di H. de Brouckère da Roma’, Risorgimento, XII (1969) 59-100 en XIII (1970) 3-35, publiceert in dat verband 59 missives aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, uit 1849-'50. De stukken worden ofwel textueel weergegeven, wat meestal het geval is, ofwel samengevat.

m.v.d.

[p. 284]

l. roosens, ‘Bijdrage tot het invoeren van de kalotypie in België,’ Scientiarum Historia, XII (1970) 73-78, trekt de aandacht op drie Belgische pioniers van de fotografie omstreeks het midden van de negentiende eeuw.

m.d.v.

 

In De Economist nr. 117 (1969) 71-85, vergelijkt i.j. brugmans, in zijn artikel ‘Nederlands overgang van onderontwikkeld gebied tot industrieland’, de toestand in Nederland kort na 1850 met de economie van het hedendaagse type ontwikkelingsland. Hij somt een hele reeks kenmerken op waarvan ik enkele noem: Nederland was een agrarisch-commerciële natie, geen zuivere landbouwstaat - alhoewel de landbouw een belangrijke export-sector was. Ook bestond er, ondanks de grote belangstelling van de kapitalisten voor buitenlandse beleggingen, geen tekort aan kapitaal. Van overbevolking was volgens schr. (met wie ik in dit opzicht van mening verschil) geen sprake. Daarmee vergeleken is het met de huidige ontwikkelingseconomieën veel ongunstiger gesteld. Schr. besluit zijn artikel, dat meer bedoelt lering te trekken uit het verleden dan nieuwe historische inzichten te bieden, toch niet in mineur. Kapitaalimport en overheidsmaatregelen tot beteugeling van de bevolkingsgroei kunnen immers soelaas bieden voor kapitaalgebrek en overbevolking. Toch voorziet schr. geen snelle verandering, want er is ook een wezenlijke mentaliteitsverandering nodig. En zo'n geestelijke aanpassing kost tijd.

j.a. de j.

 

De vraag wanneer en hoe Nederland is opgenomen in het proces van de economische groei, is reeds geruime tijd in discussie onder de beoefenaren van de economische geschiedenis. Pen en Bouman, Brugmans, Wieringa, Van Tijn hebben zich reeds omstreeks 1960 op dit punt laten horen, terwijl recentelijk Baudet, De Jonge en Van Stuijvenberg bijdragen aan de gedachtenwisseling hebben geleverd. In Maandschrift Economie XXXIII (1969) 118-128, is onder de titel ‘Economische groei en industrialisatie in Nederland 1850-1914’ een korte studie verschenen van de hand van joh. de vries, waarin een overzicht van de discussie wordt gegeven en voorts enkele conclusies met betrekking tot ‘economic growth’ in de negentiende eeuw worden getrokken. Het is een nuttig artikel, want de verschillende opvattingen waren tot dusver nog niet met elkaar vergeleken. Vermeldenswaard is voorts dat met betrekking tot het complex van oorzaken van het economische groeiproces in Nederland, volgens De Vr., de economische omstandigheden lijken te prevaleren boven de psychische factoren; naarmate de omstandigheden, aldus schr., werd de energie der Nederlandse ondernemers gewekt of verder gestimuleerd.

j.a. de j.

 

In de Annales de la Société Belge d'Histoire des Hôpitaux. Annalen van de Belgische Vereniging voor Hospitaalgeschiedenis, VII (1969) 113-127, geeft k. veraghtert een vlugge schets van ‘De Overheid en de Geelse Gezinsverpleging, 1660-1860’. In hoofdzaak gaat het om de ‘voorgeschiedenis’ en de inhoud van het Bijzonder Reglement voor Geel (1851), dat een uitzondering vormde op de Belgische nationale krankzinnigenwet van 1850.

l.v.b.

 

j. bartier, ‘Léon Fontaine, Joseph Paz et l'Association fédérale universelle de la démocratie’, Risorgimento, XII (1969) 3-23, bespreekt diverse democratische activiteiten uit de jaren 1860 waarbij Belgisch-Italiaanse relaties zich lieten gelden en belicht de figuur van de socialistische voorloper L. Fontaine.

m.d.v.

[p. 285]

s. marks, ‘The Luxemburg Question at the Paris Peace Conference and after’, Belgisch Tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, II (1970) 1-20, onderzoekt de redenen waarom de Luxemburgse kwestie in 1919 niet samen met die van de Belgisch-Duitse grenscorrecties, het Saargebied en het Rijnland werd opgelost. Het blijkt dat de Britse politiek, die onder gebrek aan coördinatie leed, Frankrijk de kans heeft gegeven uit de aangelegenheid munt te slaan. Bij gebrek aan Britse steun heeft België de economische unie met Luxemburg pas kunnen realiseren nadat het in 1920 het bekende militaire akkoord met Frankrijk had afgesloten.

m.d.v.

 

De hevige partijenstrijd in het negentiende-eeuwse België uitte zich o.m. ook op het gebied van de openbare leeszalen. Daar sedert 1833 een katholieke bibliotheek in bedrijf was, ontstond ‘De bibliotheek van de “Amis du Progrès” in Brugge, 1866-1888’ als liberaal tegenwicht. Haar lotgevallen werden beschreven, en haar reglement overgedrukt door j. van damme, Album Viaene (Brugge, 1970) 321-329. Sedert in 1875 de gemeenteraad een katholieke meerderheid vertoonde, viel de onmisbare steun van de stadsoverheid weg, en anderzijds was het heilig vuur van de beginjaren bij de radicale initiatiefnemers intussen gedoofd.

j.a.v.h.

 

j. frieswijk beschrijft de wederwaardigheden van ‘De Fryske seksjes fan de “Internationale”’ (De Friese sekties van de - Eerste - ‘Internationale’) in It Beaken. Tydskrift útjown fan de Fryske Akademy, XXXII (1970) 169-195.

o.v.

 

h. wouters, Documenten betreffende de geschiedenis der arbeidersbeweging ten tijde van de 1e Internationale (1866-1880) I (Interuniversitair Centrum voor hedendaagse geschiedenis, Bijdragen, LX; Leuven en Parijs: Nauwelaerts, 1970, VIII-650 blz., 1220 BF.) is de voortzetting van de reeks die reeds voorligt in de Bijdragen XXVII en XL. Het onderhavige deel bevat 807 stukken, lopend van 10 januari 1866 tot 29 december 1873. Ze werden geput uit diverse fondsen van het Algemeen Rijksarchief, het Stadsarchief en het Archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken, te Brussel. Ze worden overgedrukt in chronologische volgorde.

m.d.v.

 

Al de brieven en kaartjes van Guido Gezelle die berusten in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, te Antwerpen, werden voortreffelijk uitgegeven door r.f. lissens, Gezelle-Briefwisseling, I (Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1970, 116 blz.). De editie is het gezamenlijk nummer één van twee reeksen: Teksten en Studiën uitgegeven door het Centrum voor Gezellestudie bij de Universitaire Faculteiten St.-Ignatius te Antwerpen, en Studia Flandrica, Uitgaven van het Centrum voor de studie van het Vlaamse cultuurleven vanaf het begin van de achttiende eeuw. De gehele collectie, 49 stukken, behoort tot Gezelle's Kortrijkse jaren. Ze bevat o.m. een vrij groot aantal gegevens die van nut zullen zijn voor een nog te schrijven Gezellebiografie.

m.d.v.

 

Een weinig bekend aspect van de Vlaamse emigratie wordt aan de hand van adresboeken e.d. belicht in het opstel van l. van acker, ‘Westvlamingen op kunstambacht in Parijs in

[p. 286]

de vorige eeuw’, Album Viaene (Brugge, 1970) 311-319: zij blijken een vrij talrijke groep werkkrachten voor de meubelmakerij te hebben geleverd.

j.a.v.h.

 

Na het verschijnen van zijn The Contest for North Sumatra (Kuala Lumpur, 1969) publiceerde anthony reid in Journal of the Malaysian Branch. Royal Asiatic Society, XLII, ii (dec. 1969, tenrechte dec. 1970) 74-114 een zeer interessant artikel ‘Indonesian Diplomacy. A documentary Study of Atjehnese Foreign Policy in the Reign of Sultan Mahmud, 1870-1874’. Hij geeft met voldoende commentaar een vierentwintig brieven, deels in vrij stuntelig Engels, deels in Maleis (en dan met Engelse vertaling) en een ontwerp contract, uitgaande van de Atjehse vorst of van zijn groten en gericht aan hoge autoriteiten in Turkije (waarvan met het liefst hulp zou hebben en waaraan men zich ondergeschikt noemde), de Verenigde Staten (de meeste) en de Straits Settlements. Men krijgt een roerend (zij het uiteraard eenzijdig) beeld van de hulpeloosheid van de Atjehers in dit opzicht, als ze met Nederland in conflict komen. De stukken strekken zich uit van (wellicht) medio 1868 tot april 1874.

w.ph.c.

 

j.c. vleggeert behandelt in het Maandblad Amstelodamum, XLVII (1970) 15-20, de schuitenvoerdersknechtenvereniging ‘Eendracht maakt macht’, opgericht in 1869, als een van de eerste Amsterdamse havenarbeidersverenigingen. Zij sloot zich niet bij de Eerste Internationale aan, maar trad wel tot het ANWV toe. De schrijver gaat na wat er in de literatuur over deze vereniging te vinden is. Zij blijkt oorspronkelijk vooral een fonds te zijn dat aan zijn leden uitkeringen deed; als doelstelling in de sociale strijd wordt de afschaffing van de zondagsarbeid genoemd. Succes bleef uit, het aantal leden daalde. Rond 1900 nam de overtuiging onder de arbeiders toe dat men alleen door organisatie kan slagen. Het fonds werd een vakvereniging, die ook in 1903 actief was maar na de verloren spoorwegstaking verzwakte.

f.b.

 

In ‘Omzien als métier. Enige aspecten van de geschiedenis van de Nederlandse zeesleepvaart’, Mededelingen van de Ned. Ver. voor Zeegeschiedenis, XXI (1970) 23-27) geeft j.h. bolland als het ware een kort overzicht van belangrijke onderdelen uit zijn proefschrift Slepende Rijk (Leiden, 1968). De Nederlandse zeesleepvaart begon in het laatste kwart van de negentiende eeuw aan haar hoge vlucht, die zij met name dankte aan de groeiende aantallen buitenlandse opdrachten aan Nederlandse aannemers van bagger- en havenwerken. Over vaak grote trajecten moest hiervoor het materieel vervoerd worden. Bolland stipt in dit artikel voornamelijk de ontwikkeling bij de drie grote zeesleepvaartrederijen aan: L. Smit en Co.'s Internationale Sleepdienst, Bureau Wijsmuller en Doeksen.

j.r.b.

 

De vrouwenemancipatie in België werd tot heden nog weinig bestudeerd. Aandacht voor de vroege geschiedenis daarvan, meer bepaald met betrekking tot het feminisme aan katholieke zijde, vraagt p. gerin, ‘Louise van den Plas et les débuts du ‘Féminisme chrétien de Belgique’, Revue belge d'histoire contemporaine, I (1969) 254-275. Louise van den Plas (1877-1968) stichtte te Brussel in 1902 de vereniging ‘Féminisme chrétien de Belgique’, die haar orgaan vond in een maandschrift dat dezelfde naam droeg (1905-1940). Die drukkingsgroep avant la lettre wilde de katholieke milieu's voor de feministische desidera-

[p. 287]

ta sensibiliseren en tot verandering van de wetgeving bijdragen. Aanvankelijk werden vooral juridische hervormingen nagestreefd, maar vrij spoedig kreeg ook het vrouwenkiesrecht aandacht toebedeeld. Schrijver situeert en analyseert de actie uit de periode vóór de Eerste Wereldoorlog.

m.d.v.

 

De hedendaagse politieke geschiedenis van het stadje Lier is de hoofdvedette van 't Land van Ryen, XIX (1969). j. van orshaegen, ‘Bijdrage tot de politieke geschiedenis van de stad Lier (1894-1921)’ schetst de struktuur en de lotgevallen van de lokale groeperingen van de drie grote nationale partijen. Het is tekenend voor het stadje dat een der drijvende groepen bij de liberalen de oudleerlingenbond der rijksnormaalschool was en dat de eerste kiem van de Belgische Werkliedenpartij aldaar in feite ontstond als een syndicaat voor instrumentenmakers. Met ‘Het korstondig leven van “Het Liersche Volk”’ heeft m. cordemans het weekblad van de democratisch voelende Katholieke Associatie, dat in 1913-1914 verscheen, nader onder de loupe genomen.

r.v.u.

 

l.h.a. drabbe is een terecht vergeten romanschrijver uit het begin van deze eeuw. Hij heeft een aantal pessimistische boeken geschreven, die ook toen al weinig belangstelling trokken en één bestseller Het dappere Hollandse leger (1e druk 1900). Het bevatte een achttal schetsen over het militaire kazerneleven van die dagen. Het succes lijkt me te danken aan de vele vloeken en vieze woorden, die zonder schroom daar in staan afgedrukt. Wim Zaal heeft gemeend er een herdruk van te moeten bezorgen (Amsterdam, 1970, 87 blz.). Voor historici heeft het boekje echter geringe waarde. Dat er in ieder leger gevloekt en gevuilbekt wordt, mag bekend verondersteld worden, ook zonder dat men de moeite neemt deze schetsen te lezen in hun vermoeiende stijl à la Ary Prins of Herman Robbers.

h.p.h.j.

 

Ten vervolge op het hier LXXXV, 242 aangekondigde prentenboekje Nederlands-Indië in oude ansichten liet dr.h.j. de graaf nog een tweede boekje van dezelfde aard verschijnen, dat ondanks de titel Batavia in oude ansichten (Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 1970, 160 blz.) ook enige plaatjes van andere delen van de archipel geeft. Meestal zijn het voorstellingen uit de twintiger jaren, maar dan toch vaak van veel oudere gebouwen. Uit de aard van de zaak krijgt men er geen indruk van hoe lelijk en sfeerloos vele delen van de stad Batavia wel waren; het is het beste wat men hier te zien krijgt, zowel uit de Europese als uit de Aziatische wereld.

w.ph.c.

 

In Zo was Zwolle rond 1900 deelt de gemeente-archivaris f.c. berkenvelder (Zwolle: Waanders, 1970) aan de hand van foto's en prentbriefkaarten uit de periode 1865-1940 een groot aantal bijzonderheden mee over de afgebeelde objecten.

f.b.

 

m.a. walckiers, Sources inédites relatives aux débuts de la J.O.C. 1919-1925 (Interuniversitair Centrum voor hedendaagse geschiedenis, Bijdragen, LXI; Leuven en Parijs: Nauwelaerts, 1970 xxxix-213 blz., 460 BF) is een belangrijke bijdrage tot de wetenschappelijke studie van de Jeunesse Ouvrière Chrétienne, internationale organisatie van Belgische origine. Betreffende de periode van de prille start tot de erkenning door de bisschop-

[p. 288]

pen in 1925, werden alle beschikbare bronnen opgespoord, waarbij de uitgever inzage kreeg van de persoonlijke papieren van diverse leidende figuren en zelfs toegang tot het nog steeds gesloten fonds-Mercier. De inleiding geeft een goed overzicht van de geschiedenis van de beweging in haar aanvangsfase. Daarop worden 58 stukken gepubliceerd: 31 brieven, in chronologische volgorde; 27 nota's en rapporten, logisch gegroepeerd. In de bijlagen vindt men o.m. een lijst van de plaatselijke groeperingen in april 1925, een overzicht van de archief- en de gedrukte bronnen en een inventaris van het fonds-Tonnet.

m.d.v.

 

Van ego-documenten gesproken! Wat is het toch prettig, dat er mensen zijn, die er toe komen hun herinneringen op schrift te stellen, goed uitgewerkt, over gebeurtenissen, die anders totaal vergeten zouden raken. Wie behalve a.g. vromans weet nog iets van ‘De Scheepsmacht in de wateren van Bengkalis in het jaar 1924’, waar opgetreden moest worden tegen smokkelarij van allerlei aard, zelfs van bijna-slaven, die de Chinezen trachtten te importeren, clandestien uiteraard? Uit de archieven valt hierover wellicht niets meer te reconstrueren, maar een enkele medewerker bij de strijd tegen deze vorm van misdaad in Ned. Indië kon hierover door eigen kennis, aangevuld door wat er nog op schrift staat, schrijven in Bijdr. tot de Gesch. van het Zeewezen, V (nov. 1969) 54-98.

w.ph.c.

 

Aflevering drie van Delta. Review of Arts, Life and Thought in the Netherlands, XIII (1970) is geheel gewijd aan de Nederlandse geschiedenis van 1920-1970. In deze aflevering zijn bijdragen opgenomen van: daniël de lange, ‘History as Autobiography: 1920-1970’; johan de vries: ‘Spiral and Miracle: the Dutch Economy since 1920’; j.j. buskes: ‘From Isolation to Participation: the Dutch Protestant Churches’; daniël de lange, ‘The Road to the Promised Land: the Catholics in the Netherlands, 1920-1970’; frits de jong: ‘The Dutch Left, 1920-1970: Renewal Frustrated and Retarded’.

c.b.w.

 

Op 17 november 1970 promoveerde jan schipper te Leiden op een proefschrift Koloniale opinies over Kongo. Een onderzoek naar enkele opvattingen van de koloniale samenleving in Belgisch Kongo over Kongo, zijn ontwikkeling en inwoners (1940-1960). Steunend op dagbladen en tijdschriften, aangevuld met interviews, heeft hij de opinie van de Belgen in Afrika nagegaan over vijf belangstellingspunten. Over de Force Publique, waarin men tot 5 juli 1960 een groot vertrouwen had; over de dekolonisatie buiten de grenzen, waarvan men niet besefte dat ze naar Kongo zou overslaan; over de politieke en de sociale ontwikkeling in Kongo zelf, waarbij die pers een enigszins remmende invloed uitoefende op de politiek van Brussel en Leopoldstad; en over het verleden van Kongo (zie hiervoor zijn artikel in Tijdschrift voor Geschiedenis, LXXXIII 1970, 378-392). De auteur oppert de veronderstelling dat de gebeurtenissen van na de onafhankelijkheid in de Oost-Provincie en in Kivoe, beïnvloed werden door de extreem-konservatieve houding die de blanken daar in de onderzochte periode hadden aangenomen tegenover de zwarte ontvoogding.

l.w.

 

Een overzicht van de verdere werkzaamheden van het Navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog - zie BMGN, LXXXV (1970) 368 - geeft nr. 2 van de Mededelingen, mei 1970. In de kroniek treft men o.m. een statistiek aan van de terechtstellingen tijdens de bezetting, opgemaakt door J. Vanwelkenhuyzen en F. Selle-

[p. 289]

slagh. Het Centrum publiceert nu ook Bijdragen tot de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, evenals een Franstalige tegenhanger, Cahiers d'histoire de la seconde guerre mondiale. Nr. 1 van de Bijdragen (aug. 1970) bevat drie artikelen rondom hetzelfde thema: m. van den wijngaert, ‘De secretarissengeneraal tegenover de verplichte tewerkstelling (1940-1944)’ (p. 7-23); e. de bens, ‘Propaganda rond de verplichte tewerkstelling’ (p. 25-31); j. culot, ‘Het gebruik van Belgische arbeidskrachten en het probleem van de werkweigeraars’ (p. 33-68), dit laatste een vertaling van het oorspronkelijke stuk, dat men aantreft in de Cahiers, 1. Tenslotte bespreekt a. de jonghe, ‘De vestiging van een burgerlijk bestuur in België en Noord-Frankrijk’ (p. 69-132), waarbij het verslag wordt gepubliceerd van de slotbespreking in het Führerhauptquartier op 12 juli 1944.

m.d.v.

 

De Revue d'histoire de la deuxième guerre mondiale, XX (1970) is geheel gewijd aan de Westeuropese pers tijdens de Duitse bezetting. Over België en Nederland handelen e. de bens, ‘La presse au temps de l'occupation de la Belgique (1940-1944)’ (p. 1-28) en van der leeuw, ‘La presse néerlandaise sous l'occupation allemande’ (p. 29-44). In de eerste bijdrage wordt naar de bronnen verwezen, in de tweede niet.

m.d.v.

 

w.a. fletcher, ‘The German Administration in Luxemburg 1940-1942: Toward a “De Facto” Annexation’, The Historical Journal, XIII (1970) 533-544, beschrijft de diverse aspecten van de etappes in het Duitse optreden die, in augustus 1942, tot de feitelijke aanhechting van het groothertogdom hebben geleid.

m.d.v.

 

k. van isacker, Het dossier Irma Laplasse (Mens en Tijd, Verhandelingen o.r.v.K. van Isacker; Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1971, 108 blz.) is niet een herwerkte uitgave van De zaak Irma Laplasse, in 1970 door dezelfde auteur gepubliceerd. Na het verschijnen van die eerste studie, die een poging tot reconstructie inhield, kreeg Van Isacker inzage van het gerechtelijk dossier betreffende Irma Laplasse-Zwertvaegher. Deze volksvrouw uit Oostduinkerke werd op 30 mei 1945 geëxecuteerd op beschuldiging van verraad en verklikking, misdrijf dat te Oostduinkerke op 8 september 1944 de dood van zeven verzetslieden tot gevolg had. In de voorliggende publikatie vindt men het verhaal van de gebeurtenissen en een kritisch onderzoek van het dossier. Op scherpzinnige en m.i. overtuigende wijze toont schrijver aan dat de beschuldiging pas na de aanhouding werd opgebouwd, aan de hand van bedenkelijke getuigenissen; dat een steekhoudend bewijs van de schuld niet werd geleverd; dat met getuigenissen die ernstige twijfel aan de schuld wettigden geen rekening werd gehouden; dat kapitale getuigen niet werden gehoord. Van Isacker pleit dan ook voor een herziening van de zaak.

m.d.v.

 

In Acta Politica, V, 292-33 en 371-416 publiceerden h. daalder en s. hubée-boonzaaijer onder de titel ‘Sociale herkomst en politieke recrutering van Nederlandse Kamerleden in 1968’ de eerste resultaten van een groots opgezet onderzoek naar de plaats en het functioneren van het Nederlands Parlement. Dit onderzoek van de Afdeling Politieke Wetenschap van de Leidse Universiteit bestaat uit drie projecten: a. de aanleg van een archief over alle Nederlandse ministers en staatsecretarissen, die sinds 1848 deel hebben uitgemaakt van enigerlei Nederlandse regering; b. het verzamelen en op ponskaarten over-

[p. 290]

brengen van gegevens betreffende alle parlementsleden sinds 1848; c. het mondeling enquêteren van alle leden van de Staten-Generaal, die op 1 februari 1968 in een van de beide Kamers zitting hadden en van de oud-Kamerleden uit de zittingsperiode 1963-1967. In bovengenoemde artikelen is een aantal interessante gegevens, die uit laatstgenoemde enquête te voorschijn zijn gekomen, gepubliceerd. De auteurs geven in de noten een nuttig overzicht van wat in het buitenland aan soortgelijk onderzoek is verricht.

c.b.w.

 

L. de Jong, Jacques Presser, 24 februari 1899-30 april 1970 (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, XXXIII, ix; 1970, 17 blz., f 3. -). Tijdens zijn eerste lesuur aan het Vossiusgymnasium (op 9 september 1926) leerde Presser een discipel kennen zoals hij er in zijn drieënveertigjarige docentenloopbaan niet licht een meer zou krijgen: Louis de Jong, de schrijver van deze herdenkingsrede, uitgesproken ter vergadering van 9 november 1970. Deze is in 1953 bij zijn oudleermeester gepromoveerd (De Duitse vijfde colonne in de tweede wereldoorlog) en was toen reeds vele jaren directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie onder de auspiciën waarvan Presser de arbeid aan zijn magnum opus Ondergang ook al aangevat had. Kan het anders dat dit gedenkwoord alle kentekenenen van authenticiteit bezit die alleen uit zulk een veeljarige bekendheid met de figuur van de herdachte kon voortkomen? In alle soberheid gepaard aan acribie releveert schr. een reeks van facetten van de levensgang en de persoon, waarbij ondanks de kritische reserve die hij in acht neemt, toch termen als ‘fabelachtig geheugen’, ‘fascinerende schat aan kennis’, ‘nauwelijks te evenaren levendigheid’, ‘formidabele werkkracht’, ‘angstvallige punctualiteit’, die iedere oudleerling zal kunnen beamen, niet ontbreken. De Jong wil in deze uiteraard beknopte Nachruf niet in eenzijdige verheerlijking vervallen en verhult dan ook niet de innerlijke tegenstrijdigheden van de mens of de zwakke zijden van zijn wetenschappelijke productie, ook en juist van Ondergang. Daar hij gebruik kon maken van een ongepubliceerde en onvoltooide autobiografie kon hij ook dieper doordringen tot de wortels van Pressers wezen zoals dat zich gevormd moet hebben tijdens zijn eenzame jeugd in het gezin en op school. Natuurlijk krijgt de periode van de tweede wereldoorlog als meest centrale ervaring in Pressers leven ruime aandacht. Deze tijdsspanne beleefden leermeester en leerling overigens op geheel verschillende wijze, Presser in het bezette gebied en De Jong te Londen aan geallieerde zijde. Met precisie worden ook mededelingen gedaan over de politieke oriëntatie van P. die door de decennia heen een meer linkse inslag vertoonde dan de schrijver van deze herdenking zelf ooit bezeten heeft. Israël heeft hij bij alle preoccupatie met het Jodendom in later jaren nooit willen bezoeken, zo wordt hier bevestigd. ‘Het Zionisme wees hij af’ (blz. 5).

Aan het slot van zijn beschouwingen over de singuliere existentie van Presser spreekt De Jong uit dat wij met hem ‘de menselijkste onzer historici’ verloren hebben. Het is de zoon van de Amsterdamse Jodenhoek en Transvaalbuurt niet gegeven geweest op 5 mei 1970 bij de herdenking van de nationale bevrijding naast koningin Juliana te Rotterdam zijn rede tot het Nederlandse volk uit te spreken, maar niettemin hebben zijn woorden bij die gelegenheid toch in ruimste kring hun weg gevonden.

a.f.m.