[p. 101]

Eva Runefelt
Gedichten

Vertaling: Lisette Keustermans



illustratie

Het zijn voornamelijk mannen die in de literaire jury's zetelen in Zweden, maar de poëzieprijzen gaan de laatste jaren bijna uitsluitend naar vrouwelijke dichters. In de jaren '70 al had een van de leidende literaire critici (Gunnar Harding) ontdekt dat de beste poëzie in Zweden door jonge vrouwen werd geschreven. Een decennium later kon de dichter-criticus Karl Vennberg vaststellen dat twee dichteressen met kop en schouders boven al hun mannelijke collega's uitstaken. Die twee waren Katarina Frostenson (zie Brakke Hond nr. 33) en Eva Runefelt.

[p. 102]

De poëzie van Frostenson en Runefelt is heel verschillend. Terwijl Katarina Frostenson een koele poëzie produceert waarin ze ‘de reine taal’ tracht te vinden, verwoordt Eva Runefelt (o 1953) gevoelens en stemmingen in een expressieve taal. In ‘Donkere wind’ beschrijft ze het doezelige gevoel bij het ontwaken 's ochtends en in ‘Dingen’ een vrouw die zo vervreemd is, dat de dingen rondom haar meer levend zijn dan zij zelf.

In haar liefdesgedichten drukt ze gevoelens uit die gaan van zachte verliefdheid tot een mystiek één-voelen met de geliefde en euforie (‘Warm bad in de eerste sneeuw’).

Eva Runefelt gebruikt in haar gedichten veel neologismen en maakt graag syntaktische verbindingen tussen woorden uit verschillende begripsvelden. Zo laat ze in het gedicht ‘Dingen’ de dingen ‘grazen’ en ‘staande slapen’. Haar beeldspraak is compact en bouwt op onverwachte associaties. In het gedicht ‘Augustus’, gebruikt ze het beeld van parende slakken om het liefdesverdriet en de erotische verlatenheid van een vrouw uit te drukken. In de vorm van een oxyneron wordt de lange duur en de traagheid van de paring bij de slakken een metafoor voor de situatie en de gevoelens van de vrouw. In het liefdesgedicht ‘Warm bad in de eerste sneeuw’ suggereert ze een gevoel van welbehagen door te verwijzen naar de kerstsfeer. In Zweden is het immers gebruikelijk om in de winter een sinaasappel, waarin kruidnagels zijn gestoken, op te hangen aan een rood lint. Soms loopt een deel van het sap weg via de kruidnagels. Het lekkere aroma blijft in de kamer hangen.

Niet alle beelden en associaties in de gedichten van Eva Runefelt zijn op te lossen. Een groot deel van haar poëzie blijft gesloten. ‘Ik vind niet dat je alles in een gedicht moet kunnen verklaren of begrijpen. Misschien is het wezen van poëzie wel dat er steeds een deel geheim in blijft’, zegt Eva Runefelt zelf.

 

L.K.

[p. 103]
Donkere wind
 
Iemand, jij, blaast zijn slaap
 
dampend donker op mijn rug
 
Ik duizel het lauwe leger in
 
van droom-waken, woordgevoeligheid
 
- als wanneer een hand, de jouwe,
 
door mijn haar zeilt
 
 
 
Ochtendrust, sluimerend:
 
een grazende koe, enorm
 
en gasvlamblauw, winterhemelsblauw
 
omsluit me met haar lichte lijf
 
 
 
Ik draai me om
 
Praat met mijn tong, geluidloos
 
in jouw mond, voorzichtig
 
Wat ik zeg, wat ik hoor
 
wiegend
 
vormt zich in de twee die half slapen, wij,
 
tot een spiraal van licht
 
die zich ontplooit
 
tot een wezen
 
met opgeheven armen
 
We wankelen een troebele morgen in, schommelend
 
als was de vroege dag een blad
 
dat valt, opstijgt
 
weigert op de grond te komen
[p. 104]
Polders
 
Als zwevende reflexen
 
grazen de gedrongen paarden
 
het groene water van de lichte polders
 
De dieren verdwijnen en herrijzen
 
in het schuins vallend licht, cerebraal licht
 
Gewichtsloos
 
Het is na de verrijzenis, april
 
De rust van grote vlakten
 
van jaren die
 
een nieuw wasdom wortel gaf
 
Grasvogels, lanen van windrozen
 
en het karmozijnen licht
 
nog niet ontvouwen
[p. 105]
Dingen
 
De dingen vallen langzaam staande in slaap
 
In een oog het licht
 
De dingen grazen rustig nu
 
 
 
Ik verschuif een lucifersdoosje
 
twee centimeter naar rechts
 
op de tafel
 
 
 
De warmte van de radiator
 
tegen mijn dijen
 
Buiten bij het raam
 
kastanjebomen en seringen
 
Ze vragen niet om toestemming
[p. 106]
Augustus
 
Augustus
 
De etmalen geel als was
 
geven zachte huid af
 
Aan de bomen bladeren
 
van warme stearine
 
Jij rekt je uit tegen de avond
 
en grijpt mijn wreef en mijn enkel
 
rood, de eendracht
 
brandt, een vuur zonder as
 
draait zijn schouder uit de schoot
 
baant zich een weg
 
zoals slakken die uit het donker stappen
 
en bij elkander binnengaan
[p. 107]
Warm bad in de eerste sneeuw
 
De witte kou
 
marmeringen van seringen
 
en grafiet
 
De holte van de voetzolen
 
brandt doorheen het blauwe
 
winterlicht
 
De lichamen sluiten
 
het groene water in het bad
 
Den, berk en huid
 
laten zich te water in de hitte
 
Uit jou; luchtspiegeling van damp
 
Je lichte knieholte
 
vliegt in mijn rug
 
en in mijn mond bij je hals
 
boog van een gazelle, sneeuw en wintersinaasappelen
 
die leeglopen
 
langs kruidnagels