terug  begin  verder
[p. 121]

Dirk Vekemans
Gedichten

Poscimur (Hor. C.I.32)
 
Bezocht. Ter staving spaart
 
mijn hand het wit op dit
 
vergelende blad:
 
 
 
het kruit & maakt zijn klank
 
tot wet bij het kraken
 
van een vingerbot.
 
 
 
Een golem tokkelt nu
 
zijn lust om steels een knop
 
tot moes te knijpen:
 
 
 
klink & kerf dan mij, o lier,
 
de zwartst versteende bloei
 
van rozen op het hoofd & klik
 
dit zonneleven alsnog
 
ondertonig vast.
[p. 122]
Vidus (Hor. C.1.9)
 
Kijk nu: onafwendbaar
 
stuikt dit licht de top af,
 
verheldert van de schreeuw
 
een sluier schijn gevat
 
in het nog doorzichtige ijs.
 
 
 
Zie nu: het kraakt zich uit
 
in het zwichtende bos.
 
& voor het klatert, breekt,
 
plakt de beek al haar tong
 
aan je roestend verweer.
 
 
 
Vlug nu,
 
toe maar,
 
Thaliarchus:
 
 
 
neem haar waar die lillend
 
voor je ligt, drink je
 
aders open, stook
 
vuriger de goden
 
het goud uit.
 
 
 
Hou je vingers in de gaten
 
van je stralende masker,
 
braak haaks op het ijle,
 
jij, jongeling, een streep
 
 
 
hitsig hikkende hitte.
[p. 123]
Phoebe (Hor. C.S.)
 
Zonneklaar is deze eeuw het al
 
niet meer te krijgen dan toen
 
de maan hierin nog leider was.
 
 
 
Je gebaar, gewiekste kramer, lijkt
 
slechts belangeloos voor hen
 
die 's nachts de markt bepraten.
 
 
 
Openbaar gist het geraamde tal
 
lijken tot hun aangezicht
 
dit heden niet meer binnenkan.
 
 
 
Sluit haar maar binnenskamers, ransel
 
van geen kansel je ratels.
 
bid maar niemand aan je kralen.
terug  begin  verder