IX.
Wanneer het oog van den bezoeker des Museums te 's Gravenhage, door het zien van Sinesche poppen en oud-Hollandsche kraamkamers, het ‘hemd en de borstrok van Willem III’ (No 707), de ‘beddekwast van Czaar Peter’ (No 653), een gedroogden nieuw-Zeelanderskop en een rinkelenden gouden bal van den Grooten Turk - wanneer het oog, waarvan zoo veel gevergd wordt, niet te verblind, of ook maar niet te vermoeid is om op kleinigheden te kunnen letten, kan het onder No 693 ook genieten van eene groote zeldsaamheid. De eerste helft der vijftiende eeuw is eenmaal getuige geweest van de rampen, de zorgen, de kwellingen, de slagen, waarmeè het leven eene schoone, beminnelyke, diep beklagenswaardige vrouwe vervolgd heeft: er ligt een waas van aandoenlykheid over den naam dier ongelukkige, over Jacoba van Beieren.
En No 693 vertoont als kurioziteit een vlecht van heure blonde hairen! - ‘Haar uit de kist van Jacoba van Beijeren.’
Is dat niet grof, tegenover iedere beschaafde vrouw? Is dat niet beleedigend voor het gevoel van ieder beschaafd man?
Maar neen, erger u niet; leid den vreemden bezoeker voor de droevige reliek, en zeg: ‘Hier ligt deze hairlok, als op de borst der natie!!’
W.J.H.