|
|
|
| |
| | | |
Schilder- etskunst, enz.(1)
De christelijke Typologie in beeld, in woord en in handeling,
door J.G.R. Acquoy.
VOLGENS Nieuw-Testamentisch spraakgebruik is eene type een beeld uit het Oude Testament, waaraan een overeenkomstig beeld in het Nieuwe als tegenbeeld of antitype beantwoordt. Zoo wordt bijv. in Rom. V: 14 Adam, de eerste mensch, de type genoemd van den waren Adam, Christus. Evenzoo heet in Hebr. IX: 24 de hemel, waar Christus is binnengegaan, de antitype van den tempel, waar de hoogepriester binnenging. Soms worden deze heenwijzingen naar latere zaken ook voorbeelden, afbeeldingen en schaduwen genoemd. Soms ook komen zij eenvoudig als vergelijkingen voor. Zoo bijv. in Matth. XII: 40, waar de driedaagsche rust van Jezus in den schoot der aarde wordt vergeleken met het driedaagsch verblijf van Jona in den buik van den
| | | | visch, en Joh. III: 14, waar zijne verhooging aan het kruis wordt vergeleken met de verhooging van de slang in de woestijn.
Het vroom vernuft der oude Christenen vond er een heilig behagen in, dergelijke overeenstemmingen tusschen het Oude en het Nieuwe Testament op te sporen, en het voorafgaande als voorbeduiding van het later gevolgde te beschouwen(1). Zulke onmiskenbare overeenstemmingen konden volgens hen niet toevallig zijn. God had eeuwen te voren doen afbeelden, wat eenmaal in zooveel hoogeren zin met en door Christus geschieden zou. Zoo wordt bijv. in den brief van Barnabas, die tegen het einde der 1ste eeuw zal zijn geschreven, de bok, die op den Grooten Verzoendag naar de woestijn werd gezonden, eene type van den lijdenden Christus genoemd(2). Zoo beschouwt Cyprianus in het midden der 3de eeuw Abel, Abraham, Izaak, Jakob, Jozef, Mozes en David als voorafgaande beelddragers van Christus(3). Zoo acht Ambrosius in het laatst der 4de eeuw Izaak, die niet volgens den gewonen gang der natuur was geboren, eene type van den bovennatuurlijk geborenen Heiland(4). Ook in de middeleeuwen
ging dit zoo voort. Thomas van Aquino leerde, dat de gansche staat onder de Wet
| | | | slechts diende, om het mysterie van Christus af te beelden(1); in de verschillende offers des Ouden Verbonds, het kalf, het lam, den ram, den bok, zag hij Christus geofferd(2). En, om ook een paar Nederlandsche namen te noemen, Johannes Ruysbroec schrijft in zijn ‘Boec van den gheesteleken tabernacule’: ‘ghi sult weten dat bi den prophete Moysesse soe was Christus gefigureert’(3); en als Johannes Brugman in zijn ‘Sermoen van drierhande tafelen’ over het manna spreekt, dan voegt hij er bij: ‘Dit was een figuer van den heiligen Sacrament’(4)
Doch reeds genoeg, om aan te duiden wat men onder typologie verstaat. Het spreekt vanzelf, dat zij tot verschillende typologische tafereelen aanleiding geeft, en deze kunnen dan natuurlijk op drieërlei wijze voor de oogen worden geplaatst. Men kan ze afbeelden, beschrijven of ten tooneele voeren. M.a.w., er zijn drie soorten van typologische tafereelen denkbaar: in beeld, in woord en in handeling. Bij elk dezer drie soorten ga ik achtereenvolgens de aandacht bepalen.
Vooreerst dan typologische tafereelen in beeld.
Toen in de eerste helft der 18de eeuw door Schelhorn de aandacht op de straks nader te noemen
| | | | ‘Biblia pauperum’ meer bijzonder werd gevestigd(1), meende men vrij algemeen, dat deze merkwaardige voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst vóór het drukken met beweegbare letters, de oudste voorbeelden van dergelijke typologische voorstellingen waren. Maar toen in de tweede helft dier eeuw Von Heineke(2) den grondslag legde voor onze tegenwoordige kennis van dit hoogst belangrijk onderwerp, voegde hij er het bericht bij, dat hij in den kruisgang van de Domkerk te Bremen een paar overeenkomstige tafereelen in bas-relief had gezien(3). In den eersten boog toch, ter zijde van den grooten toren, vond hij de aankondiging van 's Heilands geboorte aan Maria, en daar benevens aan de ééne zijde Eva met de slang ter verzinnelijking van de paradijs-belofte, en aan den anderen kant Gideon met het ongerepte wollen vlies, eene zeer geliefde en algemeen gebruikte Oud-Testamentische type ter aanduiding van de onbevlekte ontvangenis van Jezus door Maria. Het beeldhouwwerk van den tweeden tot den zevenden boog bestond niet meer, maar in den achtsten zag Von Heineke den doop van Jezus als hoofdtafereel tusschen de redding van de kinderen Israëls door middel van het water der Roode Zee, en de twee verspieders van Kanaän, die een tros druiven aan een draagstok met zich voeren: wederom de twee gewone typen ter afbeelding van de redding der ziel door het water des doops, en van de zaligheid, die den gedoopte in het hemelsch
| | | | Kanaän wacht. Hiermede was dus bewezen, dat minstens twee der typologische tafereelen van de ‘Biblia pauperum’ reeds bekend waren, toen de genoemde kruisgang werd gebouwd, d.i. in de 11de of in de 13de eeuw(1). Von Heineke ging een stap verder. Afgaande op eene oude inscriptie in een exemplaar van de ‘Biblia pauperum’ in de Koninklijke Bibliotheek te Hanover(2), was hij geenszins afkeerig van de meening, dat de H. Ansgarius, de Apostel van het Noorden, die in 865 als bisschop van Bremen stierf, de typologische voorstellingen in de Domkerk aldaar zou hebben aan de hand gegeven(3). Het onjuiste van deze meening is vooral door Lessing overtuigend aangetoond(4), al heeft zij niet lang geleden opnieuw een paar voorstanders gevonden(5). Ik voor mij geloof niet, dat Ansgarius aan de bedoelde typologische voorstellingen te Bremen eenig deel heeft gehad;
daarentegen weet ik, dat hij zulke voorstellingen kan hebben gekend, dewijl zij reeds tweehonderd jaren vóór hem bekend waren.
Er bestaat namelijk een weinig gelezen, maar belangrijk werkje van Beda, waarin hij de levens van
| | | | de abten der beroemde Angelsaksische kloosters Weremouth en Jarrow beschrijft. In dit werkje komt eene plaats voor, die men in betrekking tot ons onderwerp nog nooit heeft opgemerkt. Beda verhaalt daar van zekeren abt Benedictus, die herhaalde malen naar Rome reisde, en die bij zijne terugkomst van zijn vijfden tocht derwaarts - het zal onder paus Agatho of niet lang na diens regeering, dus omstreeks het jaar 682 zijn geweest - onder vele andere zaken ook schilderijen medebracht, waarop de overeenstemming van het Oude en het Nieuwe Testament (ik gebruik hier de woorden van Beda zelven) zeer venuftig was voorgesteld, bijv. Izaäk, het hout dragende, waarop hij zou worden geofferd, en daarnaast als tegenhanger Christus, eveneens het kruis dragende, waaraan hij lijden zou; desgelijks de slang in de woestijn, door Mozes opgericht, en daarnevens de Zoon des menschen, aan het kruis verhoogd(1). Ongelukkig noemt Beda slechts deze twee typologische tafereelen. Hoe gaarne zouden wij ook de overige kennen! Dat er toch meerdere waren, blijkt uit het door hem gebruikte woord ‘bijvoorbeeld’. En dat hun aantal niet gering kan zijn geweest, schijnt te mogen opgemaakt worden uit hetgeen de schrijver er bijvoegt, dat abt Benedictus ze had medegebracht, om er het klooster en de kerk mede te versieren. Dat doet men met een paar schilderijen niet. Waarschijnlijk dus was het eene gansche reeks. Doch hoe dit zij, uit de aangehaalde plaats blijkt, dat dergelijke typologische voorstellingen reeds omstreeks 682 te Rome bekend waren en van- | | | | daar naar Engeland zijn overgebracht. Voorts hebben wij hier een voorbeeld van typologisch schilderwerk, terwijl wij daar straks in de Domkerk te Bremen met typologisch beeldhouwwerk hebben kennis
gemaakt.
Dit verwonderde ons niet. Er bestaat nauwelijks eene beeldende kunst, die niet is aangewend ter veraanschouwelijking van typologische beeldenreeksen uit het Oude en het nieuwe Verbond(1). Om slechts enkele voorbeelden te noemen, - als muurschilderingen komen zij voor in den kruisgang van het klooster Emaus te Praag, een bouwwerk uit de 14de eeuw(2). Als zolderschilderingen uit de eerste helft der 16de eeuw vindt men ze in de kerk der Hervormde Gemeente te Naarden(3). Als glasschilderingen bestonden zij van 1491 of 1517 tot 1692 in het beroemde klooster te Hirschau(4). In geëmailleerd koper kan men ze zien op eene altaarversiering te Klosterneuburg bij Weenen, die het jaartal 1181 draagt(5). Zelfs in ivoor-, drijf- en stikwerk zijn ons typologische tafereelen bewaard gebleven(6), en men behoeft er niet aan te twijfelen, of er
bestaat, bij al hetgeen er van
| | | | dien aard in de laatste vijftig jaren bekend is geworden, nog heel wat, waarvan men tot nu toe niet weet. Het oog moet er voor geopend, de aandacht er op gevestigd worden, en wat onachtzaam is voorbijgegaan, zal te zijnen tijde wel worden opgemerkt(1).
Intusschen heb ik de meest algemeen bekende en tevens de merkwaardigste voortbrengselen op dit gebied nog slechts even vermeld. Ik bedoel de ‘Biblia pauperum’, zoo in handschrift als in druk. Staat mij toe, hierover een weinig uitvoeriger te spreken. Het onderwerp toch, dat voor een groot deel zoo echt Nederlandsch is, is juist door Nederlanders zeer schaars behandeld(2).
Wie zijn die ‘pauperes’, waarvan de gebruike- | | | | lijke benaming gewag maakt? Zeer bekwame mannen hebben er armen in de gewone beteekenis van het woord in gezien(1). Maar dat kan toch niet wezen. Armen schaffen zich zulke perkamenten handschriften met sierlijke verluchtingen, of zulke verzamelingen van veertig houtsneeprenten met Latijnschen tekst, gelijk de oudste gedrukte ‘Biblia pauperum’ waren, niet aan. Het woord ‘pauperes’ in titels van boeken had gedurende de middeleeuwen eene eigenaardige beteekenis. Zoo bezitten onze Universiteitsbibliotheken te Leiden en te Utrecht handschriften van een later ook als incunabel gedrukt werk, getiteld ‘Thesaurus pauperum’(2), dat korte voorschriften tegen allerlei ziekten en kwalen bevat. De welbekende Menco verhaalt in zijne Kroniek van het klooster te Wittewierum, dat zijn voorganger, Abt Emo, met diens broeder Addo te Oxford vele boeken had afgeschreven, waaronder ook een ‘Liber pauperum’(3). Hij noemt dit boek in éénen adem met allerlei rechtsgeleerde werken, zoodat er nauwelijks twijfel kan bestaan, of het was eveneens van rechtskundigen aard(4). In de latere middeleeuwen bestond er een ‘Dictionarius pauperum’, die ons nader omschreven wordt als zeer
| | | | dienstig voor alle predikanten, namelijk eene soort van klapper op allerlei stoffen, die bij het preeken te pas konden komen(1). Wie blijken dus thans de ‘pauperes’ op titels van boeken te zijn? Geene onbemiddelden, geene ongeletterden, maar lieden, die eene korte handleiding voor eene of andere wetenschappelijke zaak verlangden. De ‘Thesaurus pauperum’ was een vade-mecum voor geneeskundigen, het ‘Liber pauperum’ voor rechtsgeleerden, de ‘Dictionarius pauperum’ voor predikanten(2).
Wel beschouwd zou al het gezegde over de beteekenis van het woord ‘pauperes’ niet noodig wezen, als de handschriften en houtsneeprenten, die nu eenmaal ‘Biblia pauperum’ heeten, niet door eene toevallige omstandigheid aan dezen verkeerden naam waren gekomen. Hij stond op een handschriftelijk exemplaar in de Bibliotheek te Wolfenbuttel(3), maar bijgevoegd door eene latere hand. De bibliothecaris Lauterbach bracht het handschrift onder dien naam in den Catalogus(4). Hierdoor werd hij meer algemeen bekend. Later paste men hem ook op de gedrukte exemplaren toe, en dientengevolge spreekt men nog altijd van ‘Biblia pauperum’.
| | | |
Welke was dan de oorspronkelijke naam? Het boek had er geen(1). Het kon dien niet hebben, omdat het geen vaststaanden tekst had. Ieder richtte het in op zijne eigene wijze, naar eigen inzicht, met zoovele antitypen uit het Nieuwe Testament, als hem goeddacht, en met zoodanige typen uit het Oude Testament, als hij zich verkoos. In de meeste gevallen viel de keuze op dezelfde hoofdtafereelen en dezelfde voorbeduidingen, Dit lag in den aard der zaak en in de kracht der traditie. Maar hoe men ook handelde, altijd bleef het eene reeks van typologische tafereelen uit het leven van Jezus en hetgeen geacht werd daar verder bij te behooren. Naar dit eigenlijke wezen van het boek werd het dan ook, als men dit noodig keurde, omschreven. Toen ik weinige jaren geleden het geluk had, in een Utrechtschen codex(2) eene ‘Biblia pauperum’, ofschoon zonder miniatuurteekeningen, te ontdekken, vond ik er naar gewoonte geen titel boven, maar in de inhoudsopgave (op folio 195verso van het handschrift) werd dit gedeelte aangeduid met de woorden ‘figurarum veteris testamenti et noui concordancia’. Evenzoo bestaat er, of bestond er althans in de vorige eeuw, in de Bibliotheek van S. Benedictus te Cambridge een boek onder den titel ‘Figurae veteris et novi testamenti per icones’(3): Zoo ook verscheen er omstreeks 1503 eene Fransche uitgave van de ‘Biblia
| | | | pauperum’, die door den drukker genoemd werd ‘Les Figures du Vieil Testament et du Nouvel’(1), De omschrijvende naam, door Meerman aan deze soort van boeken gegeven, ‘Figurae typicae veteris atque antitypicae novi Testamenti’(2), was dus zoo kwaad niet gekozen. Hij drukte in ieder geval den waren inhoud van deze soort van handschriften en drukwerken nauwkeurig uit.
Wat nu de nog bestaande handschriften der ‘Biblia pauperum’ betreft, - ik bedoel die met afbeeldingen, niet die, welke slechts den tekst zonder afbeeldingen bevatten, - de kenners tellen er vijf(3). Voor de waarheid der zaak en voor de eer van ons land verblijdt het mij. het bestaan van nog een zesde te kunnen vaststellen. HS. 13 in folio van het Museum Meermanno-Westreenianum te 's Gravenhage, dat bekend stond als ‘Historia sacra met 274 miniatu- | | | | ren’, is mij gebleken, niets anders dan eene ‘Biblia pauperum’, en wel eene zeer fraaie met uitvoerige verluchtingen in het grauw te zijn. Zeer oud is dit perkamenten handschrift niet. Hooger dan de 15de eeuw klimt het waarschijnlijk niet op. Daarenboven doet de geheele inrichting er van zóózeer aan die van de
gedrukte ‘Biblia paupernm’ denken, dat ik geneigd ben aan te nemen, dat de kunstenaar, die het vervaardigde, hoe vrij en zelfstaandig in zijne teekening, die inrichting eenvoudig heeft nagevolgd. Is dit werkelijk zoo, dan zou het handschrift eerst omstreeks het midden der 15de eeuw kunnen zijn vervaardigd.
Dit over het zesde, tot dusverre nog niet als zoodanig bekende handschrift. En wat voorts de houtsneedrukken aangaat, deze zijn nog zeer onderscheiden. Sommige hebben den tekst in het Latijn, andere in het Duitsch, één in het Italiaansch(1). Die met Latijnschen tekst zijn de oudste, en Von Heineke heeft er vijf verschillende uitgaven in ontdekt(2). Vier daarvan worden algemeen toegeschreven aan een onbekenden Nederlandschen drukker(3), die ze
| | | | moet hebben vervaardigd, toen het drukken met beweegbare typen nog niet bekend was, d.i. vóór omstreeks het jaar 1450. Want prent en tekst, alles is blijkbaar in een groot blok hout gesneden, en dit maakt deze voorloopers van de eigenlijk gezegde boekdrukkunst zoo hoogst merkwaardig. De weinige nog bekende exemplaren hebben dan ook, als zij enkele malen op verkoopingen voorkwamen. steeds klimmende prijzen opgebracht, en deskundigen zijn van oordeel, dat, indien er hier of daar nog een onder den hamer mocht komen, het allicht vijftig of zestig duizend francs opbrengen zou(2).
Zal ik nu nog trachten, u te beschrijven hoe zulke handschriftelijke en gedrukte ‘Biblia pauperum’ zijn ingericht? Ik wil het gaarne doen, maar vrees dat het weinig zal baten; want eensdeels zijn zulke beschrijvingen altijd zeer zwakke hulpmiddelen voor de verbeelding, en anderdeels ging men bij het groepeeren van de voorstellingen zóó vrij te werk, dat elk ander exemplaar weer anders is ingericht. Zoo is het althans in de mij bekende handschriftelijke ‘Biblia pauperum’. De gedrukte gelijken veel meer op elkander. Hier staat het hoofdtafereel altijd in het midden, met eene Oud-Testamentische type links en eene andere rechts, terwijl zoowel boven als beneden het hoofdtafereel, twee profeten, elk met eene voorspelling, zijn aangebracht. Men leest dus op iedere prent vier profetieën, en aanschouwt er ééne antitype
| | | | uit het Nieuwe Verbond tusschen twee typen uit het Oude, wier beteekenis er boven beschreven staat met de plaats uit den bijbel er bij. Maar nogmaals zaken als deze zijn door beschrijvingen moeilijk te kennen(1). Wij kunnen dan thans overgaan tot de typologie in woord. Wegens veel minder rijkdom van stof zal ik hierbij veel korter stilstaan.
(Vervolgt.)

|
(1)Zie Handelingen van de maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Leiden, E.J. Brill, 1889. Zie De Amsterdammer (Weekblad), 1892, n o 791. Art. van E.W. Moes, bl. 4.
(1)Zie bijv. Augustinus, De civitate Dei, lib. XVI, cap II, § 3. Treffend is Origenes' vergelijking van de type als den leemen vorm, die heeft uitgediend, wanneer de antitype als het gegoten beeld is gereed gekomen ( In Leviticum, Homilia X, cap. 1). Niet minder treffend is Augustinus' vergelijking van de typen met de beeltenissen van den Keizer, die weggenomen worden, wanneer de Keizer in eigen persoon verschijnt ( Sermo LXXIV, cap. 5).
(2)Barnabas, Epistula, cap, vii, § 6-11.
(3)Cyprianus, De bono patientiae, cap. x.
(4)Ambrosius, De Cain et Abel, lib. I, cap. ii, § 7; verg. ook De Isaac et anima, cap. i, § 1.
(1)Thomas Aquinas, Summa theologica. Prima Secundae, Quaestio CII, art. iv, responsio (verg. Quaestio CI, art. it; CII, art. 11).
(2)l.l., Quaestio CII, art. 111, ad 2.
(3)Ruysbroec, Van de gheesteleken tabernacule, cap. 1 (uitgave van David, Gent [1858], dl. I, blz. 5). Verg. cap. 11 (t.a. p. blz. 7): ‘want alle de werke Moyses ende sine offerande bedieden altoes, j. ander’.
(4)Bij Moll, Johannes Brugman, Amst. 1854, dl. I, blz. 224.
(1)[Schelhorn], Amoenitates literariae, Francof. 1725, tom. IV, p. 293-300.
(2)Idée générale d'une collection complette d'estampes. Leips. 1771, p. 292-333.
(1)‘Der Dom [zu Bremen] rührt in seinem Kern von einem Mitte des xi. Jahrh. begonnenen Bau her, der aber im xiii. Jahrhundert mehrfach umgebaut wurde’ (Baedeker, Mittel- und Nord-Deutschland westlich bis zum Rheîn, 22 ste Aufl., Leipz. 1880, S. 287).
(2)Zie deze inscriptie in haar geheel bij Eduard Bodemann, Xylographische und typographische Incunabeln der königlichen öffentlichen Bibliothek zu Hannover, Hannov. 1866, S. 6.
(3)Von Heineke, l.c., p. 320 vlg.
(4)Lessing, Ehemalige Fenstergemälde im Kloster Hirschau (in zijn werk Zur Geschichte und Litteratur, Braunschw. 1773, Erster Beytrag, S. 317-344), S. 338-344.
(5)Namelijk Laib en Schwarz in hun uitnemend werk Biblia Pauperum, Zür. 1867, S. 19 f.
(1)Beda, Vita beatorum abbatum Wiremuthensium et Girvensium (in Giles, The complete works of Venerable Bede, Lond. 1843, vol. IV, p. 358-401), p. 374, 376.
(1)Zie hierover vooral Laib en Schwarz, t.a.p., p. 21-24.
(2)Beschreven door Springer in het Organ für christliche Kunst, 1854, N o 9 en 10 (zie Laib en Schwarz, p. 21).
(3)Deze tafereelen, op steen gebracht door den Heer J.A. de Rijk, en beschreven door D r. L.F. Janssen, zouden in 1858 zijn uitgegeven, doch het werk vond te weinig steun (zie De Tijdstroom, 1 ste jaarg., [Tiel, 1858], dl. 1. blz. 299 v., en De Dietsche Warande, dl. VII, [Amst. 1866], blz. 433, noot 1.
(4)Zie Lessing, a.a.O., S. 333 en 324.
(5)Zie het prachtwerk van Camesina, Das Niello-Antipendium zu Klosterneuburg in Oesterreich, Wien, 1844 (in slechts 50 exemplaren tegen 200 florijnen gedrukt; één dier exemplaren is aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage).
(6)Zie Laib en Schwarz, a.a.O., S. 22 f., 23 f.
(1)Voor eene enkele antitype uit het N. Testament, met daarbij behoorende twee typen uit het Oude, leent zich niets beter dan een altaarstuk met twee openslaande deuren of zoogenaamde triptiek. Zoo bestaat er, om een enkel voorbeeld te noemen, in het Stedelijk Museum te Leiden een van Cornelis Engelbertsz. (1468-1533), welks middenstuk de kruisiging van Christus voorstelt, terwijl de zijstukken Abraham's offerande en de oprichting van de slang door Mozes te aanschouwen geven. - Een voorbeeld van eene saamgestelde typologische triptiek (het laatste avondmaal als hoofdtafereel, met vier typen uit het O. Testament op de twee vleugeldeuren) leverde weleer in de kerk te Leuven een meesterstuk van Dirc Bouts, thans bij gedeelte te Leuven, Berlijn en Munchen verspreid. Zie het geheel in plaat gebracht en beschreven door C.E. Taurel, De Christelijke Kunst in Holland en Vlaanderen, Amst. 1881, dl. I, blz 114-117.
(2)Buiten onze schrijvers over de oudste voortbrengselen der boekdrukkunst (bovenal Holtrop, Monuments typographiques des Pays-Bas au quinzíème siècle, La Haye, 1868) hebben, zoover ik weet, slechts drie Nederlanders iets over de ‘Biblia pauperum’ in het licht gegeven: [D. Groebe], Beschrijving van een nieuwlings ontdekt exemplaar van de Biblia pauperum en de Ars moriendi, Amst. 1839; J.A. Alberdingk Thijm, De harmoniën van het Oude en Nieuwe Testament in de beeldende kunst (in De Dietsche Warande, dl. VII, [Amst. 1866], bl. 431-445; dl. VIII, [Amst. 1869], blz. 55-67); bovenal O.A. Spitzen, Biblia pauperum (in Het Gildenboek, dl. III, [Utr. 1881], blz. 1-44).
(1)Zoo bijv. onder de ouderen Von Heineke, l.c. p. 292, noot a.
(2)Bibliothecae Universitatis Leidensis Codex N o 127 AA; Bibliothecae Universitatis Rheno-Trajectinae Codex ‘Eccl. 182’ en ‘Eccl. 344 a’; Hain, Repertorium Bibliographicum, N o. 15494. De schrijver heette Petrus Hispanus.
(3)Feith en Acker Stratingh, Kronijken van Emo en Menko ( Werken van het Historisch Genootschap, Nieuwe Serie, N o. 4, Utr. 1866), blz. 150; zie ook blz. 167.
(4)Tot die zelfde soort van werken behoorde een geschrift van Adamus,
uitgegeven te Parijs in 1493 en ten titel voerende: Summula pauperum, quam nominant plures jurisperitorum versus Decretales (zie Hain, l.l., N o. 82).
(1)Zie Hain, l.l., N o. 6153.
(2)Met opzet heb ik het aan Bonaventura toegeschreven werk Biblia pauperum ( Sancti Bonaventurae opera, Mog. 1609, tom. VII, p. 434-528), dat echter niet van hem afkomstig is (zie Fidelis a Fanna, Ratia novae collectionis operum omnium... S Bonaventurae, Taurini, 1874, p. 36), in deze rede niet genoemd, dewijl de gelijkluidende titel tot begripsverwarring zou hebben kunnen aanleiding geven. Geen werk bevestigt de stelling echter meer dan dit. Men vindt er in 134 capita even zoovele onderwerpen uit het godsdienstig-zedelijk leven, ten gerieve der predikanten door eene menigte voorbeelden uit het O. en het N. Testament zeer kort toegelicht, met de plaatsen uit den bijbel er bij.
(3)Thans in de Nationale Bibliotheek te Parijs.
(4)Zie Lessing, a.a.O., S. 337.
(1)Dit is reeds naar waarheid gezegd door Petrus Scriverius in zijn Lavre-crans voor Lavrens Coster, Haarl. 1628, blz. 97.
(2)Thans Codex ‘Eccl. 170’ (zie [Tiele], Catalogue codicum manu scriptorum Bibliothecae Universitatis Rheno-Trajectinae, Traj. ad Rhen. 1887, p. 124).
(3)Von Heineke, l.c., p. 322, met verwijzing naar ‘Cat. MStorum Angliae & Hiberniae n o. 1375’.
(1)Zie Berjeau, Biblia Pauperum reproduced in facsimile, Lond, 1859, p. 13.
(2)Meerman, Origines typographicae, Hag. Com. 1765, tom. I. p. 224.
(3)Namelijk 1. in de Bibliotheek van het Lyceum te Constanz, dat tusschen 1300 en 1350 schijnt vervaardigd te wezen (in facsimile uitgegeven en van eene belangrijke inleiding voorzien door Laib en Schwarz, Zur. 1867); 2. in het Stift S. Floriaan in het aartshertogdom Oostenrijk, naar raming behoorende tot den tijd tusschen 1350 en 1400 (in slechts vijftig exemplaren gereproduceerd door Camesina en Heider, Wien, 1863); 3. in de Nationale Bibliotheek te Parijs (Dutuit, Manuel de l'amateur d'estampes. Introduction génêrale, Par. 1884, p. 100), weleer behoord hebbende aan de Bibliotheek te Wolfenbuttel (Von Heineke, l. c, p. 329-333) en toegeschreven aan de 14 de eeuw (Dutuit, l.c.); 4. in de Hof- en Staatsbibliotheek te Munchen, geschat op de 15 de eeuw (Laib en Schwarz, a a.O., S. 5, alwaar tevens eene proeve van eene der teekeningen op verkleinde schaal); 5. in 1866 in bezit van den antiquarischen boekhandelaar T.O. Weigel te Leipzig (Laib en Schwarz, a.a.O., S. 6) en door dezen verkocht voor 2,325 francs (Dutuit, l.c., p. 100).
(1)Zie over de houtsneedrukken der ‘Biblia pauperum’ met Latijnschen tekst bovenal Von Heineke, l. c-, p. 292-323, en Dutuit, l.c., p. 73-82; over die met Duitschen tekst den eersten, p. 323-329, en Dutuit, l.c., p. 92-95; over dien met Italiaanschen tekst Dutuit, l.c., p. 95 suiv. - Uitgaven door middel van beweegbare typen, zoowel in Duitschland als in Frankrijk, kan men leeren kennen bij Dutuit, l.c., p. 97-99.
(2)Zie over deze vijf verschillende uitgaven Von Heineke, l.c., p. 305-316. Sotheby in zijne Principia typographica telt er zeven of acht (zie Dutuit, l.c., p. 85-88). Berjeau daarentegen ijverde, ofschoon stellig ten onrechte, voor de meening, dat er eigenlijk slechts van ééne sprake mag zijn (zie zijn boven aangehaald werk, p. 14-17). Later liet hij deze meening varen (zie Dutuit, l.c., p. 89-91).
(3)‘Un seul est définitivement acquis....: c'est l'origine néerlandaise de cette oeuvre’ (Dutuit, l. c, p. 72).
(2)‘Aujourd'hui les exemplaires de chaque édition provenant soit de la Hollande, soit de l'Allemagne, avec inscriptions latines ou allemandes, s'élèveraient facilement au prix de 50 à 60.000 fr.’ (De Beauchamps et Rouveyre, Guide du Libraire-Antiquaire et du Bibliophile, 9 e Livr., [Par. 1884], p. 138).
(1)Mocht iemand vragen, waarom het Speculum humunae salvationis niet in mijne beschouwingen is opgenomen, dan zij hem geantwoord, dat in dit werk niet de afbeeldingen de hoofdzaak zijn maar de tekst, en dat die afbeeldingen, ofschoon met zeer vele voorstellingen in de Biblia pauperum verwant, meer als geschiedkundige parallellen dan als voorbeduidende typen bedoeld zijn.
|
|