|
|
|
| |
| | | |
Excubiae.
door Jan Hammenecker.
Dit is een wake voor Uw oogen....
O! De Uw!... Ik hoop, dat ik zal mogen
er veel in lezen, dezen keer.
Uw oogen, Jesu, vóór Uw sterven!...
Daar drijven ze alle twee
'lijk straks - naar onder-gaande scherven
in welke diepste smartenzee!
Heb ik, Heer God, heb ik gesmeten
Heb ik mijn gooikracht willen meten
keilend over de baren ermee!
Was ik 'n knaap, een achtelooze,
die zoo maar keilt en fluit... -
Was ik, o zonde, zulke booze
met oogen-werpende dwaze guit? -
Was ik - ik wist het niet! - zoo schuldig,
ik, die nochtans uw oogen huldig
als de eenige fakkels van mijn dag!
Uw oogen schooner dan der duive,
die lief ter zonne lonkt;
Uw oogen mild gelijk 'n druive,
waar sap en gulden vreugd in vonkt.
Het waren zulke zuivre zonnen
Uw oogen, o! zoo puur geronnen
uit d'onbevlekte Maged fijn.
| | | |
Zij waren diep van 't diepe staren
zij blikten vèr van 't vele varen
naar 's Vaders welbeminde woon.
Zij waren warm van 's Heiligen Geestes
U staâg doorlaaienden gloed.
o, De oogen van wiens ziel ter feest is
bij Min', den Geest, het hoogste Goed!
Zij waren oogen, 'k hou van oogen:
daarin devoot te staren mogen
is mijn begeer altijd geweest;
Of dat ze naar me zouden kijken
hij zag er al Uw liefde in prijken,
maar... was niet arm, en dus... hij ging....
Hij ging - ik huiver! - ging waarhenen?...
zoolang uw oogen mij beschenen,
Zou 'k lachen... weenen - blijven staan!
|
|
|