terug  begin  verderprepost
[p. 355]

Fritz Francken
Als officier aan het front

Zoodra ik als recruut ontbolsterd was werd ik, dertig jaar geleden, ingelijfd bij de vierde legerafdeeling, toen onder bevel van generaal Michel, den man die er in geslaagd was zijn brigades, in het Naamsche, aan den greep van de Duitschers te onttrekken. Ik werd ingedeeld bij een Antwerpsch regiment van de gewone linietroepen, - het beruchte ‘achtste’ om precies te zijn. Aan het front debuteerde ik te Ramskapelle, in April '15. Vervolgens tirailleerde ik te Diksmuide en te Boezingen. In den Winter van '16-17 belandde ik opnieuw te Ramskapelle. Het was daar eigenlijk nog zoo kwaad niet: vóór ons stonden de velden blank. Ik herinner me dien tijd best: het vroor een steen dik...

Ik had vernomen dat August Van Cauwelaert insgelijks tot de vierde legerafdeeling behoorde. Hij diende bij het 13e infanterie-regiment, als officier. Nooit te voren had ik hem ontmoet, kende hem enkel bij naam. Achter de linies, tusschenbeide soldaten van zijn regiment ontwarend, klampte ik hen aan, vraagde hen naar Van Cauwelaert. De meesten konden geen bescheid geven. Eens toch was er één die antwoordde:

- Van Cauwelaert, een luitenant, zeg je? Ja! een charmante kerel.

Ten slotte had ik er één van zijn eigen compagnie te pakken. Uit diens commentaar bleek dat de manschappen Van Cauwelaert op de handen droegen! Hartelijk ging hij met hen om. Als er gevaar dreigde kon men op hem steunen. Hij was berekend voor zijn taak. In de hachelijkste omstandigheden beheerschte hij de situatie. Hij was geen bulderaar, sprak naar de letter, rustig. Aan alles merkte men overigens dat hij iemand uit den beschaafden kring was, intelligent, goedhartig, bescheiden.

Op een avond dat we tusschen de loopgraven omslingerden, op karwei, kruisten we een bataljon van het dertiende. Ik kreeg eensklaps de rilde gestalte van een voorbijmarcheerend officier in de gaten. Scherper toekijkend onderscheidde ik een mager, knap gelaat met een zwarten kroezeligen baard. Was dat Van Cauwelaert niet? Een soldaat die even uit de rij was getreden en ik hieromtrent interpelleerde, bevestigde dat mijn vermoeden juist was.

Eenige weken later, van piket zijnd, hoorde ik vertellen dat Van Cauwelaert zwaar geblesseerd was. De kogel van een schrapnel had hem de long doorboord. Het was een erge kwetsuur: er bestond immers gevaar voor

[p. 356]

infectie. Men had hem naar het veldlazaret te Hoogstade overgebracht. Hij verkeerde in stervensnood.

Diep getroffen door het nieuws en onder den indruk van de mededeeling schreef ik dien Januaridag van het jaar '17 een lofdicht, hetwelk ik Van Cauwelaert opdroeg. Het was voorzeker goed bedoeld. Iets er van heb ik onthouden: ik verheerlijkte er den dichter in als ‘een ridder zonder smet noch vrees’.

Van Cauwelaert herinnerde in een mooi vers aan het oogenblik waarop hij werd verwond. Ik zelf werd een maand nadien op een blauwe boon getracteerd en lag een poosje in het hospitaal. Na mijn herstel, op zekeren dag te gast bij Mejuffer Belpaire, welke in De Panne de villa ‘Swiss Cottage’ betrok, hoorde ik dat Van Cauwelaert te Cannes vertoefde. De staat van zijn gezondheid was immer bedenkelijk. Het heette dat hij nooit meer de jonge, kloeke man van voorheen zou worden, hij zou zich in de toekomst angstvallig hebben in acht te nemen, het beroep van advocaat, dat ook een bestendige physieke inspanning vergt, moeten verzaken. Kortom, hij dreigde een krakende wagen te blijven. Deze profetie is niet geheel bezijden de waarheid geweest.

Eerst lang na den veldtocht maakte ik kennis met Van Cauwelaert. Tijdens een vergadering van de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen stelde Jozef Muls me aan hem voor. Zelden heb ik een zoo nobel gelaat als het zijne aanschouwd. Men kan allerlei figuren oproepen om er Van Cauwelaert's uiterlijke verschijning mede te vergelijken, - deze van een Spaanschen grande bijvoorbeeld, of van een monnik die in de tropen heeft geresideerd. Wat mij betreft, ik vond een zekere gelijkenis tusschen hem en den genialen Alfred de Musset, zooals ik dezen eens uitgeteekend zag met de etsnaald, in een oude editie van zijn verzamelde gedichten.

Over Van Cauwelaert's werk werd meer dan één oordeel geveld. Voor mij is hij één van de oprechtste en klassiekste poëten van de generatie welke omstreeks 1910 aan het woord is gekomen. Hij heeft insgelijks ontroerende verzen aan sommige aspecten van den eersten wereldoorlog gewijd.

De mensch in hem was even verheven als de kunstenaar. Ik herdenk met fierheid het feit dat ik, onder zijn leiding, aan de laatste nummers van Dietsche Warande en Belfort heb medegewerkt, vóór de Duitschers de publicatie van het tijdschrift opschortten.

Gedurende de jongste bezetting ontmoette ik Van Cauwelaert slechts een paar malen. Telkens sprak hij als zijn vaste overtuiging uit dat de heeren van Berlijn andermaal finaliter het onderspit zouden delven. Over hun handlangers voerde hij schampere taal. Hij misprees hen. Volgens hem was hun aanstellerij niets anders dan wat rhetorische malligheid om te probeeren hun geweten in slaap te wiegen. Hij was een Vlaming die geen uitheemsch attest verlangde om te bewijzen dat hij zijn aard niet verloochende, noch wenschte te falen in zijn taak als Belgisch burger.

prepostterug  begin  verder