terug  begin  verder
[p. 455]

Kreek Daey Ouwens
Hoofd vol vissen

Ze zien het huis, een verveloze woning met veel ramen en deuren, en Bee wist al hoe het eruit zou zien. Ze heeft de mannen gezien in het dorp, mannen in harde katoenen kleren, hun gezicht pas geschoren, verlegen, naakt. De glanzende etalageruiten doen hun uiterlijk nog weerlozer lijken, mensen in de straat gaan op in zichzelf. Als het al tot een gesprek komt blijven de mannen op afstand, totdat ze weten wat ze fatsoenshalve kunnen doen: knikken in de richting van de spreker, glimlachen, terugtrekken. Bee voelt zich bekneld tussen die twee werelden, de heldere straten thuis en de grauwheid van de buurt waar de Polen zijn ondergebracht. Het huis staat vóór hen, naar hen toegekeerd. De stenen zijn scherp. Bee gaat er met haar vingers overheen. De geur van een zolder midden op de dag. Ze veegt haar handen af aan haar jurk. Bleekbruine vlekken op de stof. Nu is ze zelf een deeltje van het huis.

 

De Polen zijn harde werkers. Ze kunnen niet lezen of schrijven. In de cafés van het dorp laten ze foto's zien van hun vrouwen en kinderen. De taal waarin ze spreken klinkt als muziek, een natte vloeibare taal. Langgerekte woorden die ze eindeloos laten duren, dan loslaten in de lucht. Verder drinken tot diep in de nacht, met steeds hardere stemmen die door ieders lijf heen branden.

 

Het komt Bee voor of ze alles al eerder heeft beleefd, en niet alleen in de verhalen van Tonet. Niets is haar vreemd. Het huis in de schaduw met die oude geur, als van veren en zijde opgeborgen in een donkere la. De kale tuin. De braamstruiken waar de spinnewebben blijven hangen aan je gezicht; het staren van de takken, het wuivende staren. Zelfs de hond kent ze. +Een passieve, koperkleurige teef, niet gewend aan zachtheid. Het beest drukt zichzelf tegen de muur, zakt trillend naar beneden in hurkzit, kijkt naar hen op. Lange natte hondetong die op haar huid ligt als lucht.

[p. 456]

Omhoog kijken. Het huis in zijn gezicht kijken.

 

Lichtplekken buiten, en eenzaam. Het glas van de smalle ramen is gebarsten. De suggestie van zilver. Onbestemde vormen daarachter.

De mannen kleden zich aan, zo ruw als ze maar kunnen. Zwaar zwijgend denken. Dan woorden. De zinnen, de antwoorden, bijna gedachteloos naar boven gehaald, een beetje stroef, alsof je iets omhoog haalt uit een hele diepe put. Ze spelen toneel voor elkaar, fantaseren hun wouwen, andere vrouwen, en de toeschouwers zijn ze zelf: ‘We worden gek zonder dat weet je.’

Tonet zit op haar hurken, haar dikke blote enkels over elkaar, een gezicht alsof ze ergens op oefent. Haar hand te zien bewegen over het stugge vel van de hond geeft haar een heel eigen leven waar Bee niet mee van doen heeft.

De andere Tonet fluisterde hij is mijn lief en toen was er niets te zeggen, of ze zouden iets moeten bedenken. Ze lachten op hetzelfde moment en Tonet zei nou moet je zondag meegaan want op zondag is hij thuis. Bee wou het niet geloven.
‘Antonet’, dacht ze. ‘In Polen.’

En verder rond het huis niets dan een groepje kromme dennen, waarvan de takken lijken te zijn versierd met een wasem van geel, verkleurd en breekbaar als een horzelnest. Nu heeft dus Tonet een lief en haar gezicht is een plechtig portret met drassige ogen. Hoe voelt een kus op je mond? Een vlieg? Veel vliegen?

 

‘Ik moet een foto hebben.’

‘Waarom?’

‘Om naar te kijken.’

 

Die ochtend kwam ze naar beneden, helemaal aangekleed, haar gezicht bepoederd tot de ogen. Het leek alsof ze iets kwam melden, een beslissing die in vergadering genomen was en waar Bee op wachtte. Langzaam draaide ze naar zichzelf toe in de spiegel. Haar jurk had allerlei kleuren. Net een boeket. Een lief is iemand die je arm streelt.

 

De narigheid met Tonet is dat je nooit weet of het waar is wat ze zegt. +Altijd verhalen, flarden, onafgemaakte zinnen. Alsof haar hoofd vol kleine vissen zit. Bee is er eigenlijk helemaal op tegen dat ze naar het huis wil, naar een man die gewoon zal zeggen: ‘Waar blijf je nou ...’, maar ze gaat toch mee, zonder precies te

[p. 457]

weten waarom. Ze weet zeker dat Tonet het niet zal uithouden, daar in Polen, maar ook gaat ze mee om iets anders, een besef van iets dat ze nog niet in woorden heeft durven denken, een gevoel dat ze niet met Tonet delen kan. Ze drukt haar mond tegen haar blote arm. Haar eigen smaak en geur.

 

Nu klinkt uit een van de open ramen het geluid van een mondharmonika. De hond heft haar kop. Gaat rechtop zitten. +Zoekt naar de beste houding om zich te krabben, maar het resultaat is een armzalig raspen, ze raakt vooral de grond, en de vermenging van die dunne en toch scherpe geluiden is het treurigste dat Bee ooit gehoord heeft. Haar ogen dicht. Er kon net zo goed een ijzeren plaat boven haar hoofd zijn in plaats van de hemel.

 

De muziek is rauw, nieuw. Maar niet minder nieuw dan dat andere dat ze al kende, dezelfde verlatenheid, dezelfde verhalen. Boven hun hoofd is de lucht, en de hemel strekt zich verder uit dan waar ze kijken kunnen, verder dan het land waar de mannen geboren zijn. En de muziek gaat over dat land. Over bergtoppen. Over messcherp glas. Geuren. Geuren die je tegemoet komen als beelden uit een bioscoop. Nieuwe geluiden daarbinnen. Schoenleer op de houten vloer, stemmen die wegzakken in stiltes. Dan weer woorden, en het is geen praten met betekenis, maar eerder een ritme, afgerond door de ijle klank van de mondharmonika. Dit is hoe mannen doen, en Bee praat alleen met vrouwen. Tonet, haar moeder, haar grootmoeder. Ze ruimen de tafel af, het kleverige tafelblad afwassen met een vochtige doek, dan de vaat en praten over dingen waar Bee niet aan ontsnappen kan. De vrouwen gaan op in hun werk en in hun woorden, hun handen hun gedachten snel als water. Elk woord bevat een flinter trots, en ook iets van verongelijktheid. Dan moet ze gaan slapen, samen met Tonet. Opnieuw woorden, sluimerende verhalen, pas te begrijpen als ze volwassen zijn. Bee trekt haar voeten onder haar dunne nachtjapon en drukt haar gezicht tegen haar schouder. Ze hoort het geluid van Tonets ademen, rusteloos, een reutelend geluid. Dan stilte. Het heden en de toekomst in het donker een vreemde en eenzame weg.

 

+Er is zoveel wat Bee niet begrijpt, en ze begrijpt ook zichzelf niet, het vreemde gevoel in haar buik bij al die geheimen. De weerzin die ze voelt om dat alles te ontrafelen, later, denkt ze, later maar, en ze loopt maar achter Tonet aan, borsten die bewegen als ze loopt, stappen buiten het territorium nu.

 

De mannen, het huis, de vrouwen en hun verhalen, de tegenstandsters, de alleenspraak in haar bed, de verweesdheid van de muziek,

[p. 458]

de glorie van Tonet, Bee kan het op geen stukken na thuisbrengen. Tonet trekt haar schoenen uit. Ze gaat staan. Haar rechtervoet vangt haar hele gewicht op, ze balanceert als een danseres. Minuscule spinnetjes hebben zich genesteld tussen de richels van de stenen. Stuntelend botsen ze tegen elkaar, trekken zich onaangedaan terug. Het huis is als een wieg. Bee veegt het stof van haar handen en gaat naast Tonet staan. De bomen vormen een zeef van zonlicht, het lijkt alsof ze gevangen zijn in een glinsterende danszaal, en even is er een gedeelde glorie, een samenzijn in een toekomst, een gezicht, een gebaar dat ze allebei nooit vergeten.

+Een passieve, koperkleurige teef, niet gewend aan zachtheid.
+Altijd verhalen, flarden, onafgemaakte zinnen. Alsof haar hoofd vol kleine vissen zit.
+maar het resultaat is een armzalig raspen
+het vreemde gevoel in haar buik bij al die geheimen
terug  begin  verder