|
|
|
| |
| | | | | |
Maatstaf
41ste jaargang, nrs. 10/11/12, oktober, november, december 1993
Een driedubbelnummer in plaats van het beloofde dubbeldikke nummer over ‘De vitaliteit van de Vlaamse literatuur’. Is de Vlaamse literatuur vitaler of gewoon breedsprakiger dan de samenstellers vermoed hadden? Langdradig is dit nummer in geen geval; de verzameling van essayerende bijdragen en creatieve teksten is uitgebreid, en dat volstaat maar net om de bekendste Vlaamse auteurs aan bod te laten komen. Blijvende waarden zoals Ivo Michiels en Christine D'haen, en ook jonger talent: Peter Ghyssaert, Pol Hoste en anderen. Hugo Claus is een opvallende afwezige, maar het blijft een ‘kernachtig tableau de la troupe’, om het met Martin Ros te zeggen. Leuk is dat een groot aantal van de dichters ook aan bod komt met zijn/haar bijdrage tot Watou '93 in de mooie portfolio.
Tussen de op zich losstaande essays ontwikkelen zich interessante parallellen. Zo tonen Hugo Bousset en Bart Vervaeck aan dat het onterecht is oppervlakkig gelijkende teksten over dezelfde kam te scheren. Bousset heeft het over de nuances van de autobiografie, Vervaeck over het gebruik van het dialect. Twee andere, redelijk ironische stukken hebben niet toevallig de soms cynische socio-politieke context in Vlaanderen als onderwerp. Dirk de Geest heeft het over de katholieke literatuur, en Marc Reynebeau over zuilen en ontzuilen. De Geest is het scherpst over ‘de verkondiging van een katholieke ideologie en poëtica in (...) De Standaard’, gecombineerd met ‘het stuitende poëticale onbegrip (...) waarmee het werk van bijvoorbeeld Hugo Claus, Christine D'haen en de jongere generatie wordt bejegend, zeker in vergelijking met de vergoelijkende benadering van literair onbelangrijke maar ideologisch gestroomlijnde geschriften.’ Reynebeau rapporteert hoe er ondertussen een beweging is ontstaan van het verzuilde weg, die bij de bevoegde instanties nog niet is doorgedrongen, maar wel al duidelijk merkbaar is bij een aantal auteurs en tijdschriften. Kwaliteit en ideologische autonomie zijn inderdaad de enige zinnige alternatieven voor verzuiling.
Hoe zit het ondertussen met de andere Vlaamse clichés? Wat is er bijvoorbeeld typisch Vlaams aan de teksten in dit Vlaanderennummer? Maatstaf is daar eenvoudigweg niet naar op zoek. Waarom ook: de hier gepresenteerde literatuur en essayistiek is nu eenmaal niet langer Vlaams in de zin dat ze nergens anders kan worden geapprecieerd. En hoe zit het met dat ‘Hollandse’ superioriteitsgevoel? Niets dan vrolijke ironie blijft over: ‘Nergens ritselt en tintelt het zo van schrijflust als in Vlaanderen,’ verklaart Martin Ros in zijn ‘Ten geleide: Waarom daarom’.
| |
Rossinant
Nr. 4, oktober 1993
Rossinant is ‘een tijdschrift voor woorden beeldkunsten’, en dat staat gelukkig niet voor praatjes bij plaatjes. Het blad
| | | |
is niet vies van een paar leuke lay-out-gadgets, met in deze aflevering onder andere grote geperforeerde gaatjes in de luchtige bijdrage ‘ardenner ham’. Boeiender vind ik het doorzichtige inlegvel met interpretaties van de vertaler, dat hoort bij de gedichten van Wallace Stevens. Nooit meer voetnoten!
Een mooie tekst in deze aflevering is ‘Het tafeltjesnummer’ van Paul C. Bogaers, een prozastuk met foto's. De tekst is gezet in een lekker ouderwets lettertype, in oude spelling. Alles bij mekaar geeft dat een prachtige sfeer, ook door de zakelijk-constaterende verteltoon: ‘Chineezen verspelen hun geld, hun kleeren, hun vrouwen, dan beginnen zij deelen van hun eigen lichaam af te snijden en in te zetten - de vingers, de ooren...’ In de gastcolumn vertelt Nieuwe Revu-fotograaf aan welke inspiratiebron hij zich laaft: een plezierige tekst met knappe foto's geïllustreerd.
| |
De Zingende Zaag
Nr. 20, oktober 1993
Lay-outgadgets van een zwaarder kaliber zijn doorgaans te vinden in De Zingende Zaag. Bij deze aflevering moet de lezer het mes in het nummer zetten, of de schaar hanteren: een aantal katernen zijn namelijk niet gesneden. Het is een treurige taak, want sommige katernen ‘werken’ ook in niet-opengesneden vorm: vaak snij je dus het ene gedicht doormidden om een ander te kunnen lezen.
Thematisch gaat het in DZZ deze keer om de ziel, de vlinder: inspiratie. Het is allemaal meteen terug te vinden in het openingsgedicht van Ida Gerhardt, ‘Psyche’. Het ‘aetherblauw’ en de vlinder die was ‘ontweken naar het blauw’ worden prachtig weergegeven door de blauwe drukinkt. Heel mooi verzorgd allemaal, maar met de teksten zelf heb ik deze keer wat moeite. Neem nu het interview met de zanger van De Raggende Manne: de zoveelste popliedjes-schrijver die gevraagd wordt of hij al dan niet poëzie schrijft, zou er beter eerst wat lezen. Bij de gedichten over inspiratie zijn er wel wat uitschieters, maar ik vind ze wat té ‘besteld’, geforceerd. Een aantal blijven - inspiratie-loos toch - te dicht bij hun onderwerp. Zo subtiel als in het openingsgedicht wordt het niet meer. Maar wat doe je ook anders met zo'n thema?
| |
De XXIe eeuw
2de jaargang, nr. 3/4, zomer 1993
DWB en De XXIe eeuw tappen opvallend veel uit hetzelfde vaatje: deze aflevering bevat bijdragen van Tonnus Oosterhoff, Arte Jongstra, Erik Spinoy, Sybren Polet, Huub Beurskens en Stefan Hertmans. Verder zijn er knappe stukken van Joost Niemöller, mooie gedichten van Ron Elshout - alhoewel zijn ‘Zelfportret met appel’ misschien iets te sterk aanleunt bij Peter Verhelst en Dirk van Bastelaere.
In ‘Variaties op geen thema’ krijgt ‘de laatste literatuur uit de DDR’ uitgebreid aandacht. Ik vind die aandacht niet terecht in het geval van Bernd ‘Jayne-Ann’ Igel, een transseksueel auteur, met helaas de nadruk op transseksueel. De opname van Igel geeft essayist Tom Naaijkens weliswaar aanleiding tot interessante overpeinzingen over een vreemd, maar niet uitgewerkt verband - een staat gaat over in een andere, en een van zijn onderdanen wordt de persoon die hij/zij in gedachten reeds is. Jayne-Anns gedichten en prozastukken zijn inderdaad bevreem- | | | | dend en ongewoon, maar het niveau is puberaal.
| |
Vooys
11de jaargang, nr. 3/4, juli 1993
Deze aflevering van Vooys is een in aanzet interessant themanummer over ‘intermedialiteit’, specifiek toegespitst op het vervagen van de grenzen tussen de verschillende media. Het nummer, dat vooral bestaat uit vrij korte essayistische bijdragen, kan de verwachtingen echter niet waarmaken.
Een voor de hand liggend dubbeltalent als Armando is natuurlijk aanwezig, maar juist dit voorspelbare stoort. Annemarie van den Berg heeft haar huiswerk over Armando niet slecht gemaakt, maar komt niet veel verder dan een paar vrij neutrale, vaststellende opmerkingen. Dat te beknopte en beschrijvende is iets wat wel meer bijdragen aan dit tijdschrift kenmerkt: essays in de ware zin van het woord zijn het dan ook nauwelijks.
Soms is de invalshoek wel origineel, zoals in de bijdrage die de televisiekritiek van Gerrit Komrij bespreekt met een aantal welgekozen en nog steeds actuele citaten. Geen ‘dubbeltalent’ dus, maar een vertegenwoordiger van de literatuur die een ander medium voor het grootste deel met de grond gelijk maakt, onder andere omdat hij er uitsluitend ‘hoge’ of ‘literaire’ criteria bij hanteert. Dit laatste klinkt uit de pen van Helleke van den Braber echter vooral als een verwijt. Dat vind ik flauw: is het geen ‘intermedialiteit’ om ook esthetische categorieën over te planten van het ene medium op het andere?
Ik vind Vooys een wat omhooggevallen studententijdschrift (een groot aantal van de medewerkers studeren nog), met welgekozen onderwerpen maar minder goed in de uitwerking. Al te veel bijdragen eindigen op het moment dat ze écht interessant of vernieuwend dreigen te worden. Net geslaagd, maar zeker niet cum laude.
| |
Atlas
Nr. 6, 1993
Dit tijdschrift, dat ik doorgaans met plezier lees, bevalt me deze keer niet zo. Het is een wat ongewone aflevering, waarin de literatuur plaats heeft moeten ruimen voor journalistiek. Ook de grenzen tussen deze genres mogen dan wel vervagen, één verschil blijft aanwijsbaar: deze reportages (of noem ze realistisch proza, of verhalende essays) pakken de lezer soms door de feiten, de gebeurtenissen, maar zelden of nooit door de taal of de manier van vertellen. Opvallend is het nooit eerder in het Nederlands gepubliceerde verhaal van Georges Simenon, ‘Tahiti, of de gangsters in de Liefdesarchipel’. Simenon als sekstoerist, blijkbaar zonder de beladenheid die dat woord tegenwoordig heeft: in een paradijselijke sfeer staan inlandse schonen hem gewillig ten dienste. Vermeldenswaard, vooral als curiositeit, niet als schitterende tekst. Interessanter is het artikel ‘Auschwitz’ van Ian Buruma, die werkt aan een boek over de manier waarop Japan en Duitsland met hun verleden omgaan. In deze bijdrage gaat hij vooral in op de samenhang tussen identificatie, kitsch en fictie. Een probleem dat hier centraal staat, is het feit dat het zo moeilijk lijkt om de gruwelen van WO II in fictie voor te stellen. Buruma haalt een paar films aan waarin dat toch op een vrij rechtstreekse manier gebeurde, waarbij het opvalt dat net een Ameri- | | | | kaanse soap, Holocaust, de hevigste gevoelens van identificatie veroorzaakte in Duitsland.
| |
Begane Grond
7de jg., nummer 3/4, najaar/winter 1993
Begane Grond, het tijdschrift van de Culturele Organisatie van de Universiteit van Amsterdam, is dit keer voor het grootste deel gewijd aan literatuur en geweld, een ‘dubbelnummer over wreedheid, pijn, leed en wraakzucht’. Met het zonet vermelde artikel in Atlas in gedachten is het interessant nog eens het getuigenis van een slachtoffer te lezen. In een interview met G.L. Durlacher is meteen iets te merken over de weerstand die betrokkenen voelen tegen fictie over het nazisme: feiten willen ze, geen verbeelding. ‘Je mag van dit soort materiaal geen fictie maken, dat vind ik principieel fout’. Ian Buruma stelt daar in Atlas wat provocerend tegenover dat ‘verbeelding de enige manier (is) om je met het verleden te identificeren.’ In de andere bijdragen wordt op een luchtiger manier met geweld omgegaan, vooral in de bijdrage over wreedaardige nonsens-gedichten van Drs. P. Tot een inventaris van geweld in de literatuur komt men niet. Teveel bijdragen gaan trouwens helemaal niet over literatuur: er is nog een kort stukje over horror in films waarin ik vernam dat snuff-movies niet echt bestaan, en een vrij geslaagde keuze van tien ‘gewelddadige foto's’. Om niet alleen de slachtoffers aan bod te laten komen, mag een moordenaar ook zijn verhaal doen in ‘House in Mokum’. Knap onderwerp, vrij zwakke uitwerking: zelfde diagnose als bij Vooys.
| |
Varia
Geloof niet alles wat in deze rubriek staat: De Gids (156ste jg. nr. 9, september 1993) is zich zeker niet uitsluitend literair aan het profileren, zoals de vorige aflevering liet vermoeden. Het septembernummer - het eerste van twee Duitslandnummers - bestaat enkel uit essays over maatschappelijke problemen. Het is wel interessant in een tijd waarin de Nederlandstalige literatuur extra veel aandacht kreeg in Frankfurt, te bekijken hoe Nederlanders en Vlamingen tegenover de Duitsers staan. Het oktobernummer (nr. 10) houdt zich dan weer bezig met de meer culturele, cultuurhistorische en literaire aspecten van Duitsland. Met een leuk verhaal van Bodo Kirchhoff over varkens en inspiratie (het moeten niet altijd vlinders zijn): zo'n proza in de lay-out van De Zingende Zaag en ik was een voldaan man. Ook in de Vlaamse Gids (77ste jg., nr. 5, september-oktober 1993) een essay over ‘Angst voor Duitsland’. Auteurs Jan de Piere en Dirk Rochtus sommen de redenen op die de angst kunnen rechtvaardigen - de vroegere expansiedrang, het nationalisme, het verenigingsproces, de economische macht en het racisme - en besluiten dat er in Duitsland zelf een voldoende grote tegenstroom bestaat om het land niet in zijn oude fouten te doen hervallen. Een andere bijdrage aan DVG is een wat laat, maar niet oninteressant artikel over de AKO-prijs 1993. Zo suggereert Roger van den Borre bijvoorbeeld dat de jury niet alleen een auteur en een boek, maar ook een wereldbeeld heeft bekroond.
Jan Bosteels
|
|
|