Emancipatie, 1863-1963. Biografieën


auteur: Emancipatie, 1863-1963. Biografieën


bron: Emancipatie 1863 - 1963. Biografieën. Surinaamse Historische Kring, Paramaribo 1964  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 150]

Harry Johan van Ommeren
1879-1923

door H.N. Rijk van Ommeren



illustratie

De omvang van de hier aangeboden levensbeschrijving is bepaald door het feit dat zij een hoofdstuk vormt van een gedenkschrift, waarvan het aantal bladzijden van te voren vaststond. Dit bracht een beperking met zich mee.

Een keuze was noodzakelijk en resulteerde in de twee sectoren van het maatschappelijk leven, woarin hij het meest op de voorgond trad, de journalistiek en de Koloniale Staten.

Onvermeld zijn gebleven de activiteiten, welke Van Ommeren heeft ontwikkeld in de kiesvereniging ‘Eendracht maakt Macht’,

[p. 151]

de Vereniging tot Bevordeing van het Onderwijs in Suriname, het Toneelgenootschap ‘Thalia’ en in het zieken- en begrafenisfonds ‘De Uitkomst’, en ook de vele onderwerpen, behandeld in zijn artikelen in de ‘Suriname’ en in zijn redevoeringen in de Koloniale Staten.

Gaarne dank ik allen die mij inlichtingen verstrekten bij de samenstelling van deze levensbeshrijving.

Opgang.

Harry Johan van Ommeren werd op 8 Oktober 1876 te Paramaribo geboren als derde van de vijf kinderen uit het huwelijk van Benjamin van Ommeren en Johanna Christina Barlin. Toen hij twee maanden oud was, droeg zijn moeder hem ten doop in de Evangelische Lutherse Kerk. Zij was genoodzaakt de voeding van de kleine aan een min over te laten. In hoeverre dit gemis aan eerste moederlijke verzorging van invloed was op zijn gezondheid is een vraag, zeker is dat hij geheel zijn leven te kampen had met suikerziekte, verzwakte ogen en gebrekkig gehoor.

Dank zij zijn wilskracht en helder verstand overwint hij reeds vroeg de tegenslag van slechte gezondheid. Hij is ruim zeven jaar als hij voor het eerst naar school gaat, de school van Th. E. Juda. In 1887 gaat hij als een der eerste leerlingen naar de nieuwe opgerichte Openbare Mulo-School, de Gebombineerde School, later genaamd Hendrikschool. Van Eyck vermeldt, dat hij vanaf de eerste schooljaren steeds boven zijn medescholieren uitblonk. Ondanks talrijke verzuimen verliet hij, zestien jaar oud, de school met een welverdiend diploma.

Na de school nam hij de landmetersstudie ter hand onder leiding van Dr. H.D. Benjamins, J.A. Polak en Julius Muller. Nadat hij in 1896 met goed gevolg het vereiste examen had afgelegd, werd hij tot het beroep van landmeter toegelaten.

Maar, het beroep bevredigde hem niet. Een jaar na zijn huwelijk met H.J. Goedman in 1903 ging hij in de journalistiek, als redacteur van het blad ‘Suriname’.

In 1911 scheidde hij van zijn vrouw en vijf kinderen, en huwde J.M. Wijnschenk, die hem eveneens vijf kinderen schonk.

Van Ommeren heeft de belangstelling voor en de banden met zijn eerste beroep niet verbroken, wat wel blijkt uit zijn secre-

[p. 152]

tarisschap van de vereniging van landmeters en zijn leraarschap aan de cursus voor adpirant-landmeters in latere jaren.

De vraag dringt zich op, of Van Ommeren's gezondheid een rol heeft gespeeld bij het neerleggen van het beroep van landmeter. Hij heeft in de uitoefening daarvan vele streken van het land doorkruist, wat gezien zijn zwakke constitutie met de toen beschikbare hulpmiddelen zeer zeker een opvallende prestatie is geweest. Van Eyck vermeldt, zonder bijzonderheden, dat zijn eerste meting in het binnenland hem bijna het leven kostte.

 

Hoewel Van Omeren na het algemeen vormend onderwijs van de Gecombineerde School een beroep koos dat tot de exacte wetenschappen behoort en hij een goede aanleg gehad heeft voor deze zijde van het menselijk denken, was zijn aanleg voor de schone letteren waarschijnlijk groter en heeft hij zich altijd intensief bezig gehouden met de literatuur, ook in vreemde talen. Alvorens de berichten, welke hierover tot de schrijver van dit artikel zijn gekomen of waarvan hij kennis heeft genomen uit gedrukte bronnen uit Van Ommeren's leven of kort na zijn overlijden, te vermelden is het wenselijk te trachten de, noem het intellectuele sfeer in Suriname rond de eeuwwisseling tot de twintiger jaren van onze tijd, te benaderen.

De indruk bestaat dat de bovenste laag van wat beschouwd kon worden als de middenstand van de Surinaamse samenleving geestelijk intensief leefde, en zich de moeite getroostte kennis te nemen van nieuwe ideeën en opvattingen op vele gebieden van de Westeuropese maatschappij, welke, zij het met een vertraging van langere duur, in een of andere vorm, gedrukt, tot Suriname doordrongen. Er moet een ware leeshonger hebben geheerst, welke in ieder geval tot een te bewonderen kennis heeft geleid. En de geestelijke waarden van het leven hebben in die Surinaamse samenleving van toen een dankbare voedigsbodem gevonden. Bij een nadere kennismaking verbaast men zich over de grote eruditie, waarvan leidende figuren uit die tijd blijk gaven, terwijl in het algemeen de vorming, welke zij van de school meekregen, niet meer was dan wat nu met mulo-niveau wordt aangeduid.

Bovenaan heeft ongetwijfeld de belangstelling voor de belletrie gestaan. Een man als Van Ommeren was volkomen op de

[p. 153]

hoogte van klassieke en moderne schrijvers. Hij had een voorliefde voor de Franse litteratuur en Lou Lichtveld, die zelf later een groot schrijver werd, vertelde indertijd dat Van Ommeren zijn (Lichtveld's) belangstelling voor Franse schrijvers wekte en hem Franse boekwerken leende, die hij (Van Ommeren) zorgvuldig bewaarde in een blikken trommel.

Niet alleen belangstelling had hij voor de Franse litteratuur. Hij sprak vloeiend en goed Frans. Nu was Frans in die tijd in West-Europa de taal waarvan leidende kringen in alle sectoren van het maatschappelijk leven zich bedienden. Of dit in Suriname ook het geval was is nergens uit gebleken, of het zou een aanwijzing moeten zijn dat Van Ommeren's vader bij het verlaten van de school een Frans boekwerk cadeau kreeg. Was dit geschenk een uiting van een bestaande opvatting dat jongelui zoveel mogelijk Frans moesten lezen, of was Benjamin van Ommeren zelf geinteresseerd in het Frans? Deze levensbeschrijving is geen vie romancée en het is de lezer overgelaten hier over te speculeren.

Van Ommeren's belangstelling voor alles wat Frans was maakte hem tot een francophiel. Hij schrijft hierover in zijn reisbrief nadat hij heeft uiteengezet waarom hij naar Europa en Nederland in het byzonder gaat: Dus.........Holland in hoofdzaak. Maar het hart trok ook naar het buitenland; voornamelijk naar Frankrijk, ‘Chacun a deux patries, la sienne propre et puis la France’. Hij reist met Franse boten naar Europa, en beschrijft in zijn reisbrief de verlofsregeling voor Franse ambtenaren, waarbij hij vaststelt dat die van de Hollandse ambtenaren benepen, klein en hatelijk is. Ook valt hem op de absolute afwezigheid van kleuronderscheid op de Franse stoomschepen en hij jubelt dat het democratische Frankrijk de democratie werkelijk juist opvat.

Deze voorliefde voor Frankrijk doet hem in Wereldoorlog I met overtuiging de zijde van de geallieerden kiezen. Als hij in 1920 uit Nederland naar Duitsland wil reizen, heeft het dan ook heel veel voeten in de aarde vóór hij een visum krijgt. In een van zijn reisbrieven getuigt hij, hoe hij aan de hand van door

[p. 154]

hem geschreven artikelen moet aantonen, dat hij ‘hoewel progeallieerd, niet Deutschfeindlich is geweest’.+

Hoewel Van Ommeren Luthers is opgevoed, werd hij later atheist, of religieus socialist. Wanneer is niet vastgesteld kunnen worden, evenmin of hij wel zijn belijdenis zou hebben gedaan. Zijn kinderen heeft hij niet laten dopen, maar als ze kunnen lezen en schrijven begint hij zelf hen uit de bijbel voor te lezen en doet dit wekelijks.

Al mogen dan de uiterlijke vormen, belijdenis en kerkbezoek voor hem, en voor zijn nageslacht doop, ontbreken, Van Ommeren kan zonder aarzeling gequalificeerd worden als een goed mens, wiens geweten hem altijd deed handelen en leven conform de voorschriften van Bijbel en Evangelie.

Het ‘heb Uw naasten lief gelijk Uzelve’ loopt dan ook als een rode draad door zijn leven. Hij aarzelt niet geestelijke en materiële hulp te verlenen waar dit nodig is. Zijn personeel getuigt ervan in een artikel in de Suriname van 2 november 1923 en ook anderen noemen deze ‘christelijke’ uiting van zijn persoon, als hij na zijn overlijden wordt herdacht. Thans nog zijn er in Paramaribo mensen, die uit eigen ervaring of uit mededelingen van allernaasten hierover berichten.

Maar niet alleen voor zijn medemensen afzonderlijk was hij een hulpe. Ook collectief een gemeenschap vormend, waarin als kenmerk voor de koloniale samenleving uit die tijd een schrijnend verschil in welvaart bestaat tussen de massa en de bovenste laag, werpt hij, bewogen door hun lot, zich op als een kampioen voor verbetering van hun bestaan. Dat hij zich hierdoor vijanden heeft verworven, staat wel vast. Maar zelfs zij getuigen van zijn onbaatzuchtig uitgangspunt. Deze drang brengt hem ook in de gelederen van de saciaal-democratie. Zijn lidmaatschap van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (S.D.A.P.) was geen ijdele vlag. Hij had schriftelijk kontakt met vooraanstaande S.D.A.P'ers in het Moederland en beijverde zich hun principes, aan de maatschappij waarin hij leefde, ingang te doen vinden. R.D. Simons schrijft hierover:

[p. 155]

‘Hij meende dat in de sociaal-demokratie de beste waarborg voor hulp aan de ekonomies of intellectueel zwakkeren gelegen was. Want dat voor de ekonomiese leerstellingen van die partij onze kolonie maatschappelijk nog niet voldoende ontwikkeld was, heeft hij bij konkrete gevallen wel willen toegeven. Maar als het dan dieper ging over het principe zelf, bleef hij bij de konsekwenties en ik zie nog zijn spottend lachje, ik hoor nog z'n plagend: ach jullie zijn vlees noch vis’.

Zijn inspanning en moeite om zijn medemens in enig opzicht te kunnen helpen, uit zich op vele gebieden van het maatschappelijk leven.

Tenslotte zij in dit verband vermeld dat de hoge ethische opvatting van Van Ommeren hem, op een nu niet meer te achterhalen tijdstip, tot de Vrijmetselarij deed toetreden, waarvan hij in 1906 gezel en in 1919 meester werd.

 

Kennis van en belangstelling voor de litteratuur heeft vele critische lezers er toe gebracht een boek te recenseren, en hiermede de eerste stap in de journalistiek te doen. Ook bij Van Ommeren is dit het geval geweest. P.A. May bericht: ‘Reeds als jongeling waren tal van artikelen van zijn hand verschenen in het periodiek “Kennis Adelt” en in De nieuwe Surinaamsche Courant! Toen reeds gaf Van Ommeren blijk van grote zeggingskracht en fijne taalkennis, die zich in de latere jaren bijzonder ontwikkelde, dank zij zijn omgang met Dr. Gaullume Vanier, die de beweging van '80 in Nederland had medegemaakt en, zelf niet van litterataire aanleg ontbloot, vele vrienden had onder die jonge litteratoren en die de tijdgeest op dit gebied in Suriname zijn intrede deed maken. In 1904, toen de heer David Morpurgo, redacteur en eigenaar van het nieuwsblad “Suriname” om gezondheidsredenen de redactie in andere handen wenste over te dragen, werd Van Ommeren daartoe aangezocht, van wie de roep uitging dat hij een goed stilist was en de dingen durfde zeggen zoals ze door hem werden ingezien, zonder aanzien des persoons’.

Hoe Van Ommeren zelf over deze aanbieding van de redactie denkt, zet hij uitvoering uiteen in een artikel ‘Eenige besprekingen’ dat als bijlage 1 aan deze levensbeschrijving is toegevoegd en waarin een analyse van de toestand van Suriname wordt gegeven. Hij wijst op een aantal omstandigheden

[p. 156]

en verhoudingen, welke heden ten dage, bijna 60 jaar later, nog niet zijn veranderd en nog steeds als desiderata of critiek door politieke groeperingen worden geponeerd.

Als ruim twee jaar later, eind 1906, de zaak van de Erven Morpurgo, gesloten dreigde te worden en het Koloniaal Nienwsen Advertentieblad ‘Suriname’ geen drukker meer zou hebben, wordt Van Ommeren de eigenaar. Er schijnt iets aan de hand geweest te zijn dat niet kon worden achterhaald. Het blad verschijnt enkele keren niet en de nieuwe eigenaar-redacteur bericht hierover in een artikel dat als bijlage 2 is opgenomen. Bij het lezen van deze artikelen, geschreven door een nauwelijks dertigjarig man, die nog niet tot volle wasdom is gekomen, baart het geen verwondering dat Van Ommeren in zijn tijd gerekend is geworden tot de allereersten in die kleine geeenschap. Hij is, om een bekend testimonium te gebruiken, zijn tijd vooruit en heeft zich als zodanig kunnen handhaven: het lichaam ging achteruit, maar de geest evolueerde. Dit blijkt o.a. ook uit zijn taalbeheersing, welke hem jaren later dringt in de richting van een vereenvoudigde spelling. Als hij echter op de vingers wordt getikt dat hij deze spelling niet consequent toepast, mist men toch in het antwoord zijn principe om, zoals hij elders getuigt ‘de lijn door te trekken’.

De opvatting van zijn taak als journalist bezorgt hem in 1909 reeds een proces. De aanklager was een commies-landmeter, die o.a. beschreven werd als een man van minder dan middelmatige capaciteit. Men ontkomt niet aan de indruk dat de critiek in wezen de hoogste chef van deze ambtenaar, de Administrateur van Financiën, betrof. Deze administrateur is dezelfde, waarmede Van Ommeren enkele maanden later, als hij tot Statenlid is gekozen, in botsing komt. Hij werd door de Kantonrechter tot een boete van ƒ. 5.- veroordeeld op 28 april 1909. Zijn commentaar op dit vonnis heeft voor de tweede maal een aanklacht van dezelfde commies-landmeter ten gevolge, waarvan hij echter op 2 juni d.a.v. werd vrijgesproken. De geschiedschrijver, die de bestudering en analyse van de courantenboeken ter hand zal nemen, wacht een interessante taak. De auteur van deze levensbeschrijving is, na bestudering van deze kolommen van de ‘Suriname’ van 1904 tot Van Ommeren's overlijden èn na kennisneming van vele onderwerpen, welke deze (hoofd)redacteur aansneed, maar waarover in an-

[p. 157]

dere bronnen een ander gezichtspunt naar voren komt, van mening, dat R.D. Simons de spijker op de kop sloeg, toen hij in zijn reeds eerder geciteerd artikel er van gewaagde dat Van Ommeren veel heeft gedaan, maar misschien nog meer heeft voorkomen, waarbij het blad ‘Suriname’ vaak een nuttige rem is geweest en vaak ook heeft verkondigd wat in de massa omging.

Het Statenlid

Als de heer A. van 't Hoogerhuys wegens drukke werkzaamheden bedankt als lid der Koloniale Staten, wordt bij de verkiezing op 17 juni 1909 Van Ommeren in deze vacature gekozen en doet, 32 jaar oud, ook zijn intrede in het college, waarin hij tot zijn dood bijna ononderbroken zitting had.

In Paramaribo kwamen 291 kiezers op en in de distrikten gezamenlijk 50, totaal derhalve 343. Er waren 9 blanco en 11 onjuist ingevulde stembiljetten. Van Ommeren verkreeg er 187 en de tegencandidaat Mr. P. Carst 136 stemmen. Als deze Mr. Carst vele jaren later repatreert, krijgt hij een waarderend afscreidsartikel van Van Ommeren.

Over zijn eigen verkiezing schrijft hij in de Suriname van 22 juni.

De uitspraak der stembus

‘De stembus heeft gesproken. Met een meerderheid van 51 stemmen boven den tegen ons gestelden candidaat schonken onze medeburgers ons het hoogste blijk van vertrouwen, dat zij konden geven, door ons de behartiging hunner belangen in 's Landsvergaderzaal toe te vetrouwen. Dankbaar ontvangen wij dit votum, dat door zijn bijzondere zuiverheid voor ons zeer groote betekenis bezit. Immers achter de kiezers spreekt een belangrijk deel der bevolking. De kiezers toch staan niet op zichzelve, maar maeten beschouwd worden als de organen van hunne omgeving. Zij die op ons hunne stem uitbrachten, komen voornamelijk voort uit de brede rijen van den midden- en den kleinen stand. Het voor ons gunstige totaal hunner stembiljetten vertegenwoordigt aldus een uitspraak dier klassen. Aan onze benoeming tot lid der Koloniale Staten mogen wij dus de betekenis hechten van een erkenning en waardering van ons streven en strijden in het belang dezer

[p. 158]

klassen, die bij de geringe getalsterkte van de z.g. betere klasse alhier, bijna de geheele bevolking uitmaken.

Wie met aandacht en kennis van zaken de verkiezing gevolgd heeft, zal ervaren hebben, dat de op den tegencandidaat uitgebrachte stemmen, globaal genomen, die waren van de betere klassen en van personen wier hartstochten hen tegen ons stelden.

Zijn wij dankbaar voor deze belangrijke uitspraak van de stembus, wij konden niet anders verwachten. Lang reeds was het bewijs geleverd dat wij het vertrouwen bezaten om wat, blijkens de uiteenzetting hierboven, de “bevolking” kan genoemd worden. Sinds wij de leiding van dit blad in handen kregen, heeft de “bevolking” bij verkiezingen steeds de candidaten, die wij aanbevalen, aanvaard en hen, trots hevige oppositie van andere zijde, de zege bezorgd. In één adem zij hieraan toegevoegd dat bij onze aanbevelingen wij steeds in uitdrukking brachten, hetgeen wij als het onbepaald verlangen der “bevolking”wisten’.

 

Aan welke voorwaarden een lid der Koloniale Staten moest voldoen volgens Van Ommeren, is te vinden in een artikel dat hij in 1918 schreef n.a.v. de candidaatstelling van de heer H.J. de Vries, nu wijlen, en waarin hij zegt:

‘Bij het zoeken van een candidaat voor de Koloniale Staten dienen de volgende eischen gesteld te worden:

bekwaamheid en karakter, zelfstandigheid en onafhankelijkheid, democratische gezindheid, kennis van land en volk en hun nooden en beloften.

Aan deze eischen voldoet de heer de Vries nu ten volle’.

De omstandigheid waaronder Van Ommeren's zittingsduur onderbroken werd, hangt samen met het systeem waaronder de Staten werden samengesteld. In een brief aan de Koloniale Staten gedateerd 6 November 1916 berichtten hij en P.A. May aan het college, dat ze op dezelfde datum hun ontslag-aanvrage aan de Gouverneur hadden toegezonden. Wat de reden hiertoe was vermeldden deze beiden als volgt in de brief: ‘Zij meenen, dat door de jongste keuze de Koloniale Staten zijn aangevuld op een wijze welke noch voor het prestige der Staten noch voor dat der Kolonie bevorderlijk kan zijn. Zij houden zich ervan overtuigd, dat niet alleen meer smaad

[p. 159]

dan al - en tot nu toe onverdiend - ondervonden werd, het deel der Staten zal zijn tengevolge van deze keuze, maar ook dat onder deze omstandigheden het aan Uw college onmogelijk zal zijn met de succes voor de belangen der Kolonie op te komen’.

In zijn publicatie ‘Misvattingen omtrent de Staatkundige ontwikkeling van Suriname’ schrijft A.J.A. Quintus Bosz, dat hoewel binnen drie jaar na de afkondiging van de Grondwetsherziening van 1848 een wet moest worden in gediend voor de reglementen op het beleid der regering in de koloniën, dit eerst in 1865 het Staatsblad bereikte. Quintus Bosz gaat verder: ‘Met dit Regeringsreglement werd Suriname opnieuw een beperkte autonomie verleend. Als vertegenwoodigend lichaam werden de Koloniale Staten ingesteld, bestaande uit 4 benoemde en tenminste 9 rechtsstreeks gekozen leden. Deze Staten kregen het recht van initiatief en amendement. De uitvoerende macht bleef volledig bij de Gouverneur, bijgestaan door een adviserende Raad van Bestuur’.

Quintus Bosz haalt de woorden van Minister Franssen van de Putte in de Memorie van Toelichting op het ontwerp aan: ‘Autonomie ware een ijdele klank zonder zeggenschap over eigen financiën’.

 

Bij de algemene beschouwingen bij de begroting 1917 wijdt Van Ommeren een diepgaande beschouwing aan ‘de schenking - een halve eeuw geleden - van autonomie’. Hij argumenteert dat de Koloniale Staten de kolonie geen finantiële onafhankelijkheid hebben gebracht, doch dat de schuld niet berust bij hen, maar bij een minder royale wijze van toepassing van de autonomie door de moederlandse regering. Hij voert aan dat zowel in de kolonie als in het moederland een daadwerkelijke contrôle op het finantieël beleid in Suriname ontbreekt, met het gevolg dat 's landsgelden op roekeloze wijze werden zoek gemaakt.

Hij vergelijkt de situatie van Suriname met die van Brits Guyana dat vroeger ook een Hollandse bezitting was en spreekt als volgt:

‘En na honderd jaren, welk een verschil tusschen beide koloniën die in 1816 in vrijwel gelijke omstandigheden (Suriname zelfs in betere) verkeerden.

De Engelsche Kolonie is welvarend; houdt benijdenswaardige

[p. 160]

overschotten op haar budget over; zij kan zich de weelde veroorloven van hare bevolking de gemakken en voorrechten eener moderne maatschappij aan te bieden en hare steden en dorpen, zo goed als het binnenland tot aantrekkelijke oorden voor de vreemdeling te maken - terwijl in Suriname het in één woord een armoedige, verwaarloosde boel is. Maar de Engelsche regering pakte aan, deed alles op tijd, terwijl de Nederlandse treuzelde - alles laat, ja te laat probeerde. En het geldt hier zaken waarvoor het initiatief van de regering moest uitgaan.

Engeland schafte de slavernij af op een tijdstip van economische hoog-conjunctuur, zoodat de Britsche Koloniën in de gelegenheid waren zich te worstelen door de moeilijke tijden, veroorzaakt door de arbeidsverhoudingen. Bovendien, deze stap was behoorlijk voorbereid, er waren intijds maatregelen beraamd om een mogelijke catastrophe te voorkomen.

Nederland wachtte met opheffing der slavernij en ging noodgedwongen daartoe over op een tijdstip dat niet ongunstiger gekozen kon zijn, het tijdstip waarin de suikercultuur, de kurk waar toenmaals de kolonie op dreef, een crisis doormaakte welke de kolonie door de schok der op eens gewijzigde arbeidsverhoudingen het hoofd niet vermocht te bieden en dientengevolge zich haar suikerindustrie zag ontvallen.

Buitendien was voor niets gezorgd, niets te voren voorzien of geregeld.

Terwijl Engeland al dadelijk de noodzaak van aanvoer van wrekkrachten had ingezien en daartoe was overgegaan, draalde de Nederlandsche Regering met de zaken in die banen te leiden, tot de nood weer drong om daartoe eindelijk over te gaan, doch op een ogenblik dat de eb in het economische leven der kolonie niet meer te keren was.

Engeland voedde de zusterkolonie vroeg tot zelfbestuur op. Nederland wachtte daarmede weer tot het water aan de lippen kwam’.

Hij stelt vast dat aan de ene kant de Staten-Generaal in Nederland van slapheid spreken en dit uitsluitend bij de bevolking van Suriname zoeken, terwijl aan de andere kant in Suriname men juist slapheid aan het bestuur der kolonie en de Nederlandsche regering wijt. Zijn eigen mening hierover vat hij in één woord samen n.l. traagheid.

[p. 161]

De autonomie besprekend zegt hij: ‘Van de autonomie der kolonie is een schijnvertoning gemaakt en van de Koloniale Staten een zondebok, die beladen met de zonden van anderen, waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn, de woestijn wordt ingejaagd. Hoe weinig ernst 't was met de geschonken autonomie, bleek wel uit het feit dat het juiste beproefde middel om een volk tot zelfregering op te voeden, het te leeren het eigen lot te bestellen, achterwege gelaten werd. Dit middel zou de instelling van plaatselijke besturen zijn. Ook hier zag de Engelsche Regering de juiste weg die op te gaan was en al vroeg werden aan de steden gemeentelijke autonomie geschonken, terwijl het platteland werd georganiseerd in villages, welk systeem, hoewel niet zonder inspanning, thans uitstekend werkt en het volk van Britsch Guyana inderdaad meester maakt in eigen huishouding. In Suriname ontbreekt nog steeds een dergelijke organisatie. Van jaar op jaar wordt zij in het uitzicht gesteld - en daarbij blijft het. En toch - de moederlandsche Regering erkent het belang van dergelijke organisaties, ziet in het voorbeeld van Demerara de beteekenisdaarvan voor de volksopvoeding’.

In een artikel in de ‘Suriname’ van 9 mei 1916, waarin hij herdenkt, dat de Koloniale Staten een halve eeuw bestaan, geeft Van Ommeren zijn mening over de Staten te kennen als hij schrijft:

‘Maar de Koloniale Staten hebben in de verlopen halve eeuw groote waarde gehad als veiligheidsklep voor het geen woelde in het hart en hoofd der bevolking - als bolwerk tegen de autocratische neigingen van ambtenaren, die losgelaten op de kolonie in posities waarvan ze nooit gedroomd hadden, zich de waan van koninkjes - of minstens van Ministertjes te zijn, naar het hoofd voelden stijgen.

Menig ontwerp is in de pen gebleven, omdat men de kans er niet toe zag de daarin neergelegde verlangens te verwezenlijken - maar ook menig ontwerp dat de pen ontvloeide werd teruggewezen, of moest op menig punt fundamentele wijziging ondergaan.

Als de Koloniale Staten er niet waren geweest zou de bevolking menigmaal verrast zijn geworden met de een of andere publicatie, het een en ander Koninklijk of Gouvernementsbesluit, welke verkregen rechten bekortten.

[p. 162]

Dit is geen loos vermoeden - wij kennen feiten, die daarvan de bewijzen waren.

Er zijn sinds eenige tijd twee stroomingen ten aanzien van de Koloniale Staten. De eene die hen wenscht op te heffen, de andere die hen meer doeltreffend, meer werkelijk zelfstandig wenscht te maken.

Het wil ons voorkomen dat de eerste strooming geen kans op doorbreken heeft - terwijl de tweede zeer zeker het scheepje der koloniale autonomie met zich zal voeren.

Bij het einde van de eerste halve-eeuws periode van het zelfbestuur der kolonie, spreken wij de hoop uit dat de Regeerders in het Moederland niet wederom in onverschillige traagheid het getij zullen laten verloopen, maar met krachtige hand het roer grijpen en de Moederlandsche Regeering, Bestuur en Vertegenwoordiging in de veilige haven der juiste verhoudigen zal binnenloodsen.

Het zij zoo’.

 

De cause célèbre uit het Statenlidmaatschap van Van Ommeren was wel de obstructie, welke hij op vrijdag, 28 april 1922, voerde. Het was de eerste maal dat zulks in Suriname plaats vond. Behandeld werd een verordening, regelende de uitgifte van concessies aan de heer Kann. De verordening had gestaan op de agenda van de vergadering v.d. woensdag vóórafgaande aan die vrijdag. Het was op die vergadering te laat geworden om haar in bespreking te nemen. Van Ommeren stelde voor de behandeling te verdagen tot een ander te bepalen dag na de begrotingsbehandeling, welke op dinsdag 2 mei zou aanvangen. Hij meende, dat door het ontwerp grote landcomplexen, in handen van een enkeling zonden worden gesteld - Kann's aanvraag beoogde houtkap en landbouw (fruitteetl) - waardoor landmonopolies werden geschapen, welke nimmer in het belang van een gezonde ontwikkeling van het land konden zijn. Het ontwerp was voor de kolonie bijzonder belangrijk en de Staten moest de tijd gegund worden tot een diepgaande overweging, waarbij het er niet toedeed of de heer Kann enkele weken langer moest wachten.

Uit de krantenberichten uit die tijd valt op te maken dat de Staten bewerkt waren om de verordening erdoor te jagen, en de behandeling werd gesteld op 28 april.

[p. 163]

Van Ommeren heeft nog gepoogd door een persoonlijk beroep op de Gouverneur hem er toe te bewegen dat de behandeling uitgesteld werd - dit was geen novum - echter zonder succes. Van Ommeren schijnt toen echter besloten te hebben de debatten te rekken totdat de daaropvolgende dinsdag de begrotingsbehandeling zou aanvangen; dit waren dus vrijdag, zaterdag, en maandag. En na deze behandeling zouden de Staten i.v.m. de verkiezing van vijf leden wegens periodieke aftreding waarschijnlijk een nieuwe samenstelling hebben. Dit voornemen heeft hij slechts de eerste avond kunnen trachten te realiseren. Van Ommeren stond alleen tegenover een gesloten front van eerst negen later acht aanwezige Statenleden. Hij voerde van ongeveer half acht tot na middernacht het woord, doch moest het uit vermoeidheid opgeven. Door de leden gesteund wees de voorzitter elk verzoek tot schorsing van de hand. Ooggetuigen van deze gedenkwaardige zitting berichten, dat Van Ommeren op het eind niet meer kon staan en met zwakke stem, half geleund tegen zijn stoel, sprak. Nadat Van Ommeren door physieke noodzaak gedwongen was de vergadering te verlaten, werd de verordening goedgekeurd.

Laatste hulde

In het hoofdartikel in de Suriname van 31 augustus 1923, getiteld ‘De Koloniale Staten en Kann's nieuwe voorstellen’, waarin Van Ommeren het schriftelijk antwoord van de Koloniale Staten op de brief van de Gouverneur van 22 augustus van dat jaar bespreekt, vermeldt hij in een noot dat hij wegens ziekte niet aan de besprekingen heeft kunnen deelnemen. Op de openbare zitting van 12 September is hij echter weer aanwezig en wel voor de laatste maal.

Uitgaande van de door Van Ommeren vermelde ziekte in het artikel lijkt het gezien zijn aanwezigheid in de Staten, dat er een verbetering in zijn toestand was opgetreden. Dat deze verbetering niet zodanig was dat hij zijn werkzaamheden wederom volledig heeft kunnen verrichten, wint aan waarschijnijkheid door het ontbreken van redactionele artikelen van zijn hand.

De kwaal, suikerziekte, laat zich steeds heftiger gelden en zijn toestand wordt al maar slechter en zorgvoller. Tenslotte wordt

[p. 164]

hij in het Militair Hospitaal, thans Lands Hohpitaal, opgenomen. Ook dit brengt geen verbetering en als het einde al wordt onderkend door de medici, brengt men hem wederom naar huis, waar hij in de vooravond van 31 oktober 1923 overlijdt, nadat hij in een coma was geraakt. Hij is dan enkele weken eerder 47 jaar oud geworden en had gehoopt de leeftijd van 60 jaar te zullen bereiken. In een gesprek bij het overlijden van zijn moeder op 77-jarige leeftijd enige maanden eerder, had hii dit een gezegende leeftijd genoemd en gezegd dankbaar te zullen zijn, indien het hem gegeven zou zijn 60 jaar te worden C.M. de Vries bericht dat zijn laatste uren, uren waren waarin de medische wetenschap nog de laatste tot haar beschikking staande middelen aanwendde om Van Ommeren op te wekken en aan de dood te onttrekken door injecties van allerlei aard.

De overledene werd in de middag van 1 november ter aarde besteld in de nieuwe Oranjetuin, z.g. Stenen Kerkhof.

Ooggetuigen van de begrafenis en kratenberichten uit die dagen benadrukken, dat een ongekend groot aantal personen van hun belangstelling voor deze uitvaart blijk gaf, waarbij ondanks deze grote menigte, de stilte die heerste een duidelijke aanwijzing was van wat in de mensen omging.

In ‘The Paramaribo Times’ van 3 november 1923, wordt een artikel, ‘Death of the hon'ble H.J. van Ommeren’ aan hem gewijd, waarin over de begrafenis wordt gerapporteerd in de hieronder overgenomen bewoordingen:

The Funeral

 

Seldom has there been witnessed in Paramaribo so large a procession as that which followed the mortal remains of the deceased legislator and journalist to the last resting place in the ‘Oranjetuin’ Cemetry on Thursday afternoon at 5 o'clock. His Excellency the Governor was represented by his A.D.C. and among the large assemblage that paid their last respects to the departed son of the soil were members of the Legislature, members of the judiciary, Heads of departments and representatives of every branch of business in the country. All among the route streets were lined with a sympathetic crowd of spectators whose decorous behaviour showed that the public fully realized the great loss which the colony has sustained. The large number of beautiful wreaths, sent by persons in every

[p. 165]

walk of life, was a notable feature of the well deserve tribute which a grateful community paid to a departed citizen who had laboured inceasingly to promote the welfare of his native land. The coffin was taken out the hearse by employees of his establishment and borne by them to the graveside where funeral orations were delivered by the President of the House of Assembly (His Honour Judge de Vries) and by Messrs. F.E. Bruyning, R.D. Simons and Rev. Poort.

Flags were half-masted at the Assembly building and several places of business during the day.

 

Na het overlijden van Van Ommeren hebben zowel zijn vrienden, politieke medestanders en bekenden, alsook figuren, die niet tot deze categorieën gerekend kunnen worden, of zelfs zijn tegenstanders waren, in talrijke geschriften de overledene herdacht. Bij het nalezen hiervan èn bij het samenvatten van al wat door, mondelinge overlevering bekend is gebleven, treden naast de slechte gezondheid Van Ommeren's voortreffelijke geestesgaven, grote wilskracht, eruditie en sociale bewogenheid naar voren.

‘De West’ van 2 november 1923 schrijft - hier is de tegenstander èn uit de Koloniale Staten èn uit de polemiek aan het woord - o.a. dat Van Ommeren sedert tal van jaren in verschillende functies een rol van betekenis vervulde in het openbaar leven, dat hij reeds tal van jaren in de Koloniale Staten een der op de voorgrond tredende leden was, dat hij in tal van hoedanigheden grote belangstelling voor de publieke zaak toonde, dat hij liefdadig was aangelegd en een humaan chef voor zijn ondergeschikten.

‘De Surinamer’ (redacteur A. Verheggen C.ssR.) van 3 november 1923 herinnert aan de felle palemieken, welke het met de overledene voerde, vermeldt dat de ziekte, werke reeds jaren zijn krachten ondermijnde, haar slopingswerk had voltooid, noemt Van Ommeren een der instelligentste en energiekste mannen, die Suriname heeft voortgebracht en memoreert zijn groot verstand dat hij door stage en onvermoeide studie steeds tot grotere en bredere ontwikkeling trachtte te brengen, zijn grote energie en zijn enorme werkkracht, welke hij steeds in dienst heeft gesteld van zijn geliefd geboorteland. Het blad

[p. 166]

stelt ook vast, dat wat Van Ommeren als werkgever is geweest, steeds in ere zal blijven bij zijn personeel.

Van Ommeren's vriend R.D.S. (Simons) plaatst in zijn eerder genoemd artikel het lichaam tegenover de geest en schrijft: ‘Mens sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam - Van Ommeren is op dit adagium een uitzondering geweest. Gezond was zijn geest, glashelder zijn verstand, maar 't lichaam was ziek nn zwak’.

Literatuur

VAN EYCK: Uit het leven van wijlen Harry van Ommeren.
R.D. SIMONS: H.J. van Ommeren
R.D. SIMONS: H.J. van Ommeren, Suriname, Nieuws- en Advertentieblad 6 November 1923.
‘De Uitspraak der Stembus’, Suriname 22 Juni 1909.
C.M. de VRIES: Zijn verscheiden. Suriname-Koloniaal Nieuwsen Advertentieblad 8 november 1923
P.A. MAY Levensbeschrijving van Van Ommeren. De Vraagbaak 1925.
Verslag Handelingen van de Koloniale Staten van Suriname. 1909 en 1916.
[p. 167]

Bijlage 1

Paramaribo, 15 September 1904

Eenige besprekingen*

 

Toen de Redactie van dit blad ons werd aangeboden, aarzelden wij langen tijd om op dit voorstel in te gaan.

't Leek ons gen sinecure alleen aan het hoofd te staan van een Persorgaan in dezen tijd, waarin het politiek, sociaal en geestelijk bewustzijn onzer samenleving zich sterk ontwikkelt en meer dan ooit leiding noodig heeft, zal het niet in verkeerde beddingen vloeien.

Zal die last niet te zwaar zijn voor onze schouders? vroegen wij ons af.

Dat wij menschelijkerwijs ook dachten aan de boterham, wie die het ons euvel duiden zal, waar wij allen weten dat uit een holle maag geen kracht of inspiratie komen kan.

Moesten wij, ons publiek kennende, vooral met het oog op het laatste, den moed laten zakken, andere gewichtigere vragen voorkwamen een voorbarige beslissing.

Kunnen er in onzen wijngaard handen gemist worden? Zijn er niet reeds genoeg krachten en zijn niet alle posten goed bezet? Wij keken rondom ons heen, wikten en wogen, en het ontwoord viel ontkennend uit.

Inderdaad is er werk voor nog veel handen. Noode kan een arbeider gemist worden.

Deze overwegingen nu hebben ons voor onze lezers gebracht.

 

* * *

 

Wat wij wenschen, willen of zullen?

Men veroorlove ons, niet onmiddellijk te antwoorden, maar eenige besprekingen te houden.

Een tiental jaren geleden nog was er welvaart in de kolonie. De landbouw bloeide, in de goudindustrie vonden velen, vooral de ‘kleine luijden’, een goed bestaan en de balata-industrie begon zich krachtig te ontplooien.

Dat er daardoor veel vertier was in handel en nijverheid spreekt van zelf.

[p. 168]

En nu, welk een tegenstelling!

Neer ligt de landbouw, onmachtig tot voortbrengen en groote offers vragende; de goudindustrie, waaruit de kleine exploitanten verdreven zijn, terwijl de grooten steeds schaarscher worden, is niet meer een rijke bron van inkomsten.

De balataindustrie, na een hooge vlucht genomen te hebben, staat nu verlamd onder de dreiging van een verwacht wordende slag.

Waar nu de eigen voedingbronnen van het land niet vloeien, en de kolonie er geene is van kapitaal, moet er algemeen malaise heerschen.

In handel en nering is het dan ook benauwend stil, terwijl de behoefte aan gereed geld er maar al te vaak zwendel doet geboren worden.

En de breede rij der burgerij, die zoogenaamde vrije beroepen uitoefent, ziet elken dag den volgende met angst tegemoet. Moeizaam sleept de kolonie een kwijnend bestaan voort.

't Is waar dat deze toestand voor een deel te wijten is aan oorzaken, waartegenover men in de kolonie machteloos stond, maar even zeer waar is 't, dat bij een tijdig ingrijpen in het eene geval en een onthouden van ingrijpen in het andere geval, de toekomst niet zoo donker zou staan.

Men oordeele slechts.

De krullotenziekte, die de cacao, het hoofdproduct van onzen landbouw, teistert, openbaarde zich het eerst op de grondjes der kleine landbouw in Saramacca.

Ofschoon het gewicht en de belangrijkheid van den kleinen landbouw reeds toen algemeen erkend was, bekommerde het Bestuur zich niet veel over het ziekteverschijnsel. Ook nog niet, toen de ziekte zich vertoonde op de plantages in dat district. Het was noodig, dat ook de andere districten besmet werden en de geheele cacaocultuur der kolonie lijdende was, alvorens het Bestuur meende handelend te moeten optreden. Toch is nog niet het juiste gedaan. Terwijl er wetenschappelijk onderzocht wordt, gaan de meeste plantages te niet uit gebrek aan kapitaal tot instandhouding of tot het omzetten der cultivatie. Vóór het tijdvak der Mij. Suriname was er een groote schare arbeiders der goudvelden die lange werktijden maakten om een dubbeltje te kunnen opsparen, waarmee zij eenmaal voor

[p. 169]

eigen rekening eene kleine exploitatie zouden kunnen aanvatten.

De meesten dezer lieden ging het goed en onze samenleving had er baat bij.

Toen kwam echter de Mij. Suriname.

Aan haar werd door het Gouvernement in ondoordachte concessies, om een spoorverbinding met het binnenland, waarvan men de noodzakelijkheid moest erkennen, doch geen geld voor wenschte uit te geven, te kunnen verkrijgen, de beschikking gegeven over het oostelijk deel der kolonie Suriname.

De kleine goudindustrieelen, die wegens de lagere exploitatiekosten bij voorkeur aan de rechteroever der Suriname hun geluk beproefden, zagen hunne aanvragen om terreinen langen tijd aangehouden en meestal afgewezen. Maar ook in het geval dat de concessie werd toegestaan, was hun reeds nadeel gedaan.

Immers in het lange wachten op de beschikking, zonder eenig voldoend middel van bestaan in de stad, werd het opgespaard kapitaaltje geheel verteerd en kon de exploitatie van het terrein niet ondernomen worden uit gebrek aan middelen. Het spreekt vanzelf dat de lust om weer te proberen de lui verging.

Nog erger werd het toen een groot deel van het Saramaccadistrict werd vastgelegd aan de Dutch Guyana Concessions Limited.

De toestand is nu zoo, dat de weinige bij wie de energie niet gedood is, bij uitzondering van het Koloniaal Gouvernement terreinen aanvragen en langs den duurderen weg van onderverhuur van bestaande concessies, goudland trachten te verkrijgen.

De balataindustrie beloofde schitterende resultaten voor de kolonie. Elk jaar nam zij grootere vlucht, waarbij Fiscus, exploitanten, arbeiders, landmeters, kooplieden, kortom een breede kring van onze samenleving baat vond.

Het mocht echter niet zoo blijven.

Daling der marktprijzen deed voor de industrie minder gunstige tijden aanbreken.

Doch dit alleen was niet genoeg.

Het Bestuur oordeelde dat er te veel land-onderzoek werd gevraagd, hetgeen natuurlijk veel werk veroorzaakte en geen

[p. 170]

centen opbracht; oordeelde dat er te groote wiinsten gemaakt worden, waarvan het een deel voor zichzelf kon bedingen.

Fluks werd dus een verordening ontworpen, die een eind moest maken aan de vele aanvragen en beslag leggen op een deel der winsten.

- De Geschiedenis van de hen met de gouden eieren. -

't Is waar, er werd excessief veel landonderzoek aangevraagd, maar 't noodzakelijk gevolg daarvan was dat er ook veel exploitatie land werd genomen en de Industrie zich steeds uitbreidde tot heil van de kolonie.

't Is waar, er worden bij goede marktprijzen ruime winsten gemaakt, maar daartegenover staan ook enorme risico's.

De ontworpen verordening werd met eenige wijziging door de Koloniale Staten, die niet voldoende en niet juist waren ingelicht, gevoteerd en hangt als een dreigend zwaard boven het hoofd der industrie, die daaronder geparalyseerd is.

Bleef het echter bij de dreiging alleen. Maar neen! er schijnt haast te zijn bij het slagerswerk.

In afwachting van de Koninklijke bekrachtiging der verordening heeft het Bestuur de meeste bepalingen daarvan als administratieve maatregel bij Gouvernements Resolutie ingevoerd. En teekenend voor de achting, die het Bestuur der kolonie de Vertegenwoordiging der bevolking toedraagt, zijn in deze administratieve maatregelen bepalingen opgenomen, waartegen de Koloniale Staten zich verzet hadden, en die dan ook uit de verordening waren gelicht.

De gevolgen dezer maatregelen doen zich nu reeds gevoelen. Op den 1- en September werd de gelegenheid opengesteld tot aanvraag van onderzoek-terreinen.

Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt enkel door 2 balatafirma's, waarvan de eene slechts twee perceeltjes aanvroeg terwijl de andere, die meer gevraagd had, met de verkregen terreinen opgescheept zit, daar de aan haar verbonden collectors weigeren ze over te nemen.

Natuurlijk zal de exploitatie het volgende jaar sterk worden ingekrompen, daar er geene behoorlijke exploratie te voren plaats vindt, terwijl nu reeds in onze maatschappij het geld gemist wordt dat er in vloeide door de exploitatie.

Wanneer nu de terrein-complexen, die sinds jaren geëxploi-

[p. 171]

teerd worden, niets meer opleveren - hetgeen zeer spoedig het geval zal zijn - dan verloopt de balataindustrie ook geheel. Exploitatie van nieuwe, meer in het binnenland gelegen terreinen, waaraan in alle opzichten voordeel voor de kolonie verbonden is, is te kostbaar gemaakt.

Suriname is een achterlijk land, maar met eene wetgeving die te knellend voor haar is.

Dit is hieraan toe te schrijven dat de Koloniale Wetgevers zich blind staren op de wetgeving van Europa, zonder te bedenken hoe de ingewikkelde economische verhoudingen daar zoo geheel anders zijn dan de onze.

Welk een heerlijk land is Suriname anders!

Een land waarvan een wijze Regeering een modelstaat zoude kunnen maken.

Terwijl in het oude Europa de produktiemiddelen in handen van eenige weinigen zijn verzameld, zoodat de sociaal-democratie, die hen het eigendom wil maken van de gemeenschap. slechts, waardoor elkeen, die arbeiden wil, de vruchten daarvan ruimschoots kan genieten, een evangelie is geworden, is hier in de kolonie de grond, dat gewichtigste aller produktiemiddelen, de oorsprong der andere, voor ieder bereikbaar, zelfs voor den armste.

Een eigenlijke fabrieksnijverheid met den aankleve van allerlei misstanden bestaat hier niet.

En toch ......

 

* * *

 

Is er dan geen lichtpunt te verkennen, vraagt men, en denkt daarbij aan de spooraanleg.

Helaas, daar ook niet.

Reeds is een der hoopvolle verwachtingen, die men koesterde van die werken, de bodem igeslagen.

Het groote euvel waaraan de kolonie mank gaat, is het gebrek aan bevolking.

't Is onze vaste overtuiging dat, zoolang de bevolking der kolonie niet verdriebuddeld is, er geen sprake kan zijn van grooten bloei.

Toen het spoorplan ter hand genomen werd, verwachtte men algemeen dat het noodig zou zijn de werkkrachten daarvoor van elders aan te voeren, waardoor een beduidende bevolkingsvermeerdering zou plaats vinden.

[p. 172]

Inderdaad werd bij den aanvang der werkzaamheden een klein aantal Curaçaonaars aangevoerd.

Bij dien eersten aanvoer bleef het echter tot heden nog.

In den jammervollen toestand, waarin zij verkeeren, onmachtig het gewone aantal arbeiders te houden, was het voor de plantages een uitkomst, de bezwarende contracten en vaste ploegen vrije arbeiders langs dien weg te loozen.

Terecht heeft het Bestuur, de dreiging van eene algeheele ruine inzende, hierin de hand geboden.

De spooraanleg is dan ook alleszins reliefwork geworden.

Doch er is meer.

Het groote belang van de tram ligt in de verbinding met de Lawa, niet in de doorsnijding der andere exploitatiestreken.

Wanneer nu de werken geëindigd zullen zijn en het intusschen ingesteld bodemonderzoek in de Lawastreek gunstige resultaten zal hebben opgeleverd - waaraan wij niet twijfelen - dan zal het Bestuur waarschijnlijk zelf exploiteeren. De rush naar een land, die bij ontdekking van rijke goudstreken ontstaat en waaruit een vaste bevolkingskern gevormd wordt; blijft dan achterwege.

Maar ook indien het Gouvernement niet zelf de exploitatie ter hand neemt, zal een groote trek naar onze kolonie toch belemmerd worden door de ongelukkige vreemdelingen-wet.

 

* * *

 

In breede trekken hebben wij de economische geschiedenis der laatste jaren onzer geboorte geschetst.

In den opzet schuilt de critiek, terwijl wij meenen dat de critiek op hare beurt genoeg en duidelijk spreekt voor ons wenschen en willen.

Den nadruk willen wij echter hierop leggen, dat wij ons door geene partijformules binden, maar ons steeds zullen scharen aan de zijde waar de waarheid en het recht is, terwijl Suriname's welzijn ons - een getrouwe wachter - steeds op post zal vinden op zijn uiterste bolwerken.

 

* * *

 

Gaat de kolonie gebukt onder den last van materiëele toestand, er is nog meer en ander leed dat zwaar drukt, en de toekomst eens zoo donker maakt.

[p. 173]

De kinderen van het land voelden - en wij durven het zeggen, voelen zich nog Nederlanders in merg en bloed.

En inderdaad zijn er dan ook weinigen onder hen wien een droppel ‘Nederlandsch bloed door de aderen vloeit’, zij het ook niet ‘van vreemde smetten vrij’.

Niet lang geleden werd dan ook elk in het Moederland geborene Nederlander, die hier voet aan wal zette, als een broeder ontvangen.

In doorsnee waren het eerlijke, trouwe kerels, onbedorven echte Nederlanders, die begrepen en het niet onder stoelen en banken staken, dat zij hier kwamen, omdat zij het er beter zouden hebben dan in hun Vaderland.

Voor de inwoners van het land, waar zij het goede genoten, hadden zij achting, erkenden zonder vooroordeel als huns gelijken, die gelijke beschaving bezaten, onverschillig van welk ras, kleur of godsdienst ook, en was hun omgang met de hier geborenen innig.

Dikwijls schroomden zij zelf niet zich te laten opnemen in de groote Surinaamsche familie.

Gelukkig zijn dezulken nu nog geene zeldzame uitzonderingen. Maar over het algemeen genomen, hoe geheel anders dan vroeger is nu de toestand?

De Europeesche Nederlander, die in de laatste jaren eene bediening of ambt hier komt vervullen, doet al het mogelijke om de inwoners van het land tegen zich in te nemen.

Waarschijnlijk beneveld doar visioenen van Indië, waar zij staan tegenover een volk van verwonnelingen, slaafsch, van geheel andere ras en beschaving dan zij, slaan zij hun laatdunkendheid den Surinamers in het gezicht.

Van den neger, die gromt dat ‘dem bakra tjari doro ai’ tot den hooggeplaatste in de kolonie van welke kleur of ras ook, voelt elke inboorling hoe schouder aan schouder wordt gelegd om hem op zij te schuiven.

En het gist in de zielen waar veel bitterheid is. Men is dan te gauw geneigd te vergeten dat de ware, onbedorven in het Moederland geboren Nederlander geheel anders is, dat de besmetting hier plaats vindt, en men gaat Nederland beschouwen als een starre verdrukker, dien men gaarne de macht uit de handen zag geven.

Inderdaad, bedroevend was het op te merken, dat toen korte-

[p. 174]

lings het denkbeeld geopperd werd, dat Nederland eenige zijner koloniën zou verkopen w.o. Suriname, velen hier blijde de hoop koesterden dat dit denkbeeld mocht verwezenlijkt worden. Bedroevend, zeiden wij, daar wij het ene ramp zouden vinden. Trots hare geringe financiële draagkracht, waardoor zij niet tot groote offers voor hare koloniën kan overgaan, lijkt ons van alle koloniseerende Mogendheden Nederland de uitnemendste, terwijl wij ons gelukkig en trotsch gevoelen te behooren tot het spreekwoordelijk land der zedelijke vrijheid.

Daarom wenschen wij de taak van Verzoener te aanvaarden. Wij willen ons tot taak stellen de innige verhoudingen van voor weinige jaren tusschen broeders van één stam te herstellen.

Wij zullen steeds trachten den een de deugden van den ander te leeren appreciëeren of zijne gebreken verklaren en vergeven, hetgeen hetzelfde is.

Daarbij zullen wij geen oogenblik schromen de vriend te zijn die de feilen toont.

 

DEN LEZER HEIL!

[p. 175]

Bijlage II

Paramaribo, 10 Januari 1907

 

Bij een halte.**

Lezers, wij zijn er weer. Twee Dinsdagen en één Vrijdag zijn voorbijgegaan, zonder dat wij als gewoonlijk van deze plaats het woord tot U richtten. Wij hopen niet noodig te hebben, U te spreken van het gemis dat wij ondervonden. Want wij vleien ons ook aan Uwe zijde een dergelijke gevoel te mogen veronderstellen. Immers een blad, dat op vaste tijden Uw aandacht komt vragen, Uw gemoed beroeren, voorzoover de publieke zaak U niet onverschillig is, gelijkt veel op een trouwen vriend, wiens geregelde bezoeken steeds belangstelling wekken. En, nietwaar?, als die vriend een enkel maal vergeefs op zich laat wachten, als de blikken in het avond-uur waarin hij placht aanwezig te zijn, onophoudelijk van de deur naar zijn gewone plaats, vragend en zoekend hebben gedwaald, de ooren gespitst of het geluid van zijn welbekende stappen niet de stilte verbreekt, als de avond dan verstrijkt zonder dat hij verschenen is, is het ons niet te moede of dien dag ons leven niet vol geleefd is, of een ons toekomend geluk ons onthouden werd?

In zeker opzicht is dit beeld natuurlijk te sterk gekleurd.

Een aantal onder U, Lezers - wij bedoelen niet enkel de abonne's maar gij allen, die geregeld kennis neemt van ons blad, dus ook hen die op hunner buurlieden couranten klaploopen als op dezer sigaren - zal misschien meesmuilen over den vriend, welke Suriname zich verbeeldt te zijn.

Doch dezen hebben ongelijk. Niet aan ons, maar aan hen ligt de schuld als zij geen vriend in ons vonden. Wij weten het wel, voor velen zullen onze artikelen als bittere medicijn gesmaakt hebben; doch moet daarom in den geneesheer die ze toediende, een vijand gezien worden? Die dit wel meenden, doch het drankje slikten, zijn evenwel niet het ergst aan toe. Er zijn er, helaas, die bewust van de kwaal, deze liever dan de medicijn verkiezen. Erger nog, er zijn er, die verwend door zoete drankjes van gevlei, in de bittere pillen der waarheid vergif zien.

[p. 176]

Voor dezulken kunnen wij slechts medelijden gevoelen; voor het overige laten zij ons volmaakt onverschillig.

Maar wij dwalen af. Niet daarover wilden wij het hebben; onze wensch was, wat te zeggen over ons wederverschijnen.

Waarom wij een korte poos zijn weggebleven. is U bekend, Lezers. Op een briefje op Oudejaarsavond meldden wij het U. De oude zaak, de oudste der kolonie, van de Erven J. Morpurgo, waaraan ‘Suriname’ van haar geboorte af gekoppeld was, zou op 31 December van het pas verleden jaar gesloten worden.

Suriname zou kleed en huis verliezen. En inderdaad verloor zij het een en het ander. Zelfs is zij met groote haast uitgelaten, vóór zij gereed was te delogeeren. Zij vond echter gelukkig spoedig een ander onderkomen en een nieuw gewaad - wel is waar niet zonder eerst een poosje in de kou gestaan te hebben.

En nu is zij er weer in het nieuwe jaar. Wel is haar huizinge nog eng en eenvoudig, maar daar is zij eenige heerscheresse. Geen grillige huisbaas die haar vervolgen kan met het spook van onvoorbereide opzegging, of haar achteruitstellen ten behoeve van een bevoorrecht medebewoner, - een lot dat in de afgeloopen twee jaar vaak haar deel was. Eenvoudig, haast op de grens van het poovere, is haar kleed, maar niet eng, niet benauwend eng meer, sluit het haar om de leden, niet stiefmoederlijk meer de stof toegemeten.

En dan, zij zal in de plooien daarvan blijven toonen ...... aan verwonderde oogen, Waarheid als blanke ster.*

Maar wij hopen dat het eigen huis spoedig zal uitgebreid worden en dat de eenvoud van het gewaad minder onvrijwillig zal zijn. Dan, Lezers, vleien wij ons, zal Suriname kunnen voldoen aan alle dagelijksche behoeften van den geest in onze kolonie.

Lezers, wij hebben de verzoeking niet kunnen weerstaan, bij de ingrijpende verandering die wij ondergaan - louter van stoffelijken aard wel, maar beheerscht niet veelal het stoffelijke al het andere? - zonder van onze moeilijkheden, onze

[p. 177]

wenschen en plannen te spreken. Wij zijn daarbij indachtig aan het ‘begrijpen is vergeven’. Want wij behoeven voor eenigen tijd Uwe toegevendheid.

Wij zeiden meer dan eenmaal in dit artikel: ‘wij zijn er weer’. Maar toch zijn wij er nog niet. Paradoxaal, niet waar, Lezers? En niettemin is het eenvoudig. Om bij het reeds gebruikte beeld te blijven: het nieuwbetrokken huis is ons nog vreemd, het kleed nog ongewoon. Of, zonder beeldspraak, wij zijn nog niet thuis in ons materieel, nog niet behoorlijk geïnstalleerd.

Daarom moge het kleed waarin Suriname nu weer hare opwachting komt maken, in den eersten tijd U minder bekoren, vriendelijk verzoeken wij U: let daar niet op, geeft alleen acht op haar ziel welke U, althans zeer velen van U, steeds schoon heeft geleken in haar waarheidskracht, in haar waarheidsdurf. En hiermede eindigen wij dit onderhoud van intiemen aard.

Er is werk, zeer veel werk voor den boeg. Sterk in het bewustzijn van Uwen steun, gaan wij ons daaraan zetten.