Faro. Tijdschrift over Cultureel Erfgoed. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Faro. Tijdschrift over Cultureel Erfgoed


bron: Faro. Tijdschrift over Cultureel Erfgoed. Jaargang 1. Marc Jacobs en Bert Schreurs, Brussel 2008.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 18]

talig erfgoed | Rob Belemans
Van de Aspot naar de Schepen Napoleon De Meyerstraat
→ Straatnaamgeving in Vlaanderen tussen immaterieel-erfgoedzorg en politieke identiteitsprofilering

‘Het kind kan maar een naam hebben’, wordt wel eens gezegd - bij wijze van spreken. Maar achter deze dooddoener schuilt toch de waarheid dat het geven van een naam niet noodzakelijk een daad is waar veel nadenkendheid bij te pas moet komen. Naamgeving is een gemakkelijk proces omdat de gevolgen ervan zich bijna uitsluitend situeren bij degene die een naam krijgt en zo goed als niet bij diegene die hem geeft. Vandaar de wat dubbele verhouding die we met onze naam hebben: hij bepaalt tot op zekere hoogte mee de identiteit van zijn drager - is als het ware het uithangbord van die identiteit - maar is tegelijk juist het deel van die identiteit waar de drager zelf weinig tot geen impact op heeft. Je (officiële, echte) naam krijg je, deels op basis van een keuze die je ouders daarbij voor je maken. Hij is als een labeltje waarmee je identiteit vooraf al benoemd wordt, lang voordat je ze zelf gestalte hebt kunnen geven en onveranderlijk ondanks het parcours dat je als subject van je eigen leven doorloopt. Hoe elementair dat gekregen karakter van een naam is, wordt zichtbaar bij de soorten namen die de drager ervan wél zelf kiest: denk aan pseudoniemen, artiestennamen, namen van pausen of van carnavalsprinsen. Meteen is er iets onechts in het geding: dergelijke zelfgegeven namen horen enkel bij de rol die de persoon in kwestie in het openbare leven speelt en niet bij haar of zijn persoonlijke, ‘echte’ identiteit.

What's in a name?

Wanneer we als naamgever optreden, staan we niet echt stil bij de impact die onze keuze heeft op langere termijn. Bepalend zijn vooral de externe parameters die gelden op het moment van de naamgeving, zoals de keuze voor het wel of niet vernoemen naar familie of idolen, het wel of niet volgen van populaire namen, het beperken van de keuzevrijheid tot bepaalde subverzamelingen (typisch Vlaamse, Engelse, Franse, Duitse,... of exotische namen), het rekening houden met sociale of klankgebonden associaties van een naam enzoverder.

Vandaar dat voornamen sterk trendgevoelig zijn sinds ouders ze vrij kiezen en de traditie van het vernoemen naar peter of meter of toch minstens een heilige sterk op haar retour is.1 Er is zelfs een toenemende trend om van de voornaam iets unieks en sterk onderscheidends te maken, misschien niet altijd tot vreugde van de dochter of zoon die met zo'n opvallende naamscreatie door het leven moet. Er zijn inmiddels Belgische kleuters met namen als: Babyface-Ralph, Bienfait, Daddy, Dieu, Bink, IJsbrand, Vu, Jihad (allemaal jongens) en Nympha, Princia -Dorotheé, Oluwadamilola, Shock, Venus-Homaëlle, If, Zonder en Redeemed (meisjes). De voorbije veertig jaar is de voorraad voornamen in Vlaanderen met 71% gestegen.2 Dat betekent meteen ook dat het aantal namen met één of slechts enkele naamsdragers fors toegenomen is. Dr. Gerrit Bloothooft (Universiteit Utrecht) heeft er immers op gewezen dat onze voornamen zich qua frequentie gedragen zoals woorden in een tekst: de wet van Zipf (rangorde maal frequentie is constant) is erop van toepassing.3 Het stijgende aantal voornamen wordt bijgevolg gestuurd door een wetmatigheid die ons als gemeenschap allemaal samen ervoor doet zorgen dat het gemiddelde aantal naamsdragers constant blijft. Allerlei trends en modes die ouders ertoe aanzetten om met de naamgeving van hun nageslacht te experimenteren, worden dan gecounterd enerzijds door het gelijktijdig weer ‘in’ worden van namen die decennia geleden al eens frequent voorkwamen, en anderzijds door het nooit echt populair worden van de meeste nieuwe voornamen.

[p. 19]



illustratie



illustratie



illustratie



illustratie



illustratie

Collage pag. 19: een greep uit de geboortekaartjes die de kraamafdeling van het Ziekenhuis Oost-Limburg te Genk in 2008 tentoonstelt in het kader van In-fusion. © FARO


[p. 20]

De weg is weg: het stratennetwerk Vlaanderen

Ook de omgeving waarin we wonen, maken we overzichtelijk door er namen aan toe te kennen. Alle fysieke elementen in het landschap met enige betekenis, zowel natuurlijke elementen zoals beken, heuvels en bossen als menselijke elementen zoals dorpen, percelen en wegen dragen een naam. De spectaculaire aangroei zowel van de bevolking gedurende de voorbije twee eeuwen als van de bebouwing in Vlaanderen hebben als gevolg dat het aandeel straatnamen exponentieel toegenomen is. Dat wordt op een zeer extreme manier geïllustreerd in een gemeente als Genk, die op honderd jaar tijd door economische omstandigheden een bevolkingsexplosie kende van 2.537 inwoners in het jaar 1900 naar 64.287 op 1 januari 2008. Op het 8.785 ha tellende grondgebied van de huidige gemeente Genk vertaalt zich dat in een exponentiële toename van de straatnamen. Voor het jaar 1600 zijn er drieënvijftig Genker straatnamen geattesteerd, terwijl er anno 2008 in Genk 809 officiële straatnamen voorkomen. Op iets minder spectaculaire schaal heeft elke Vlaamse gemeente de voorbije vijftig jaar zo een forse aangroei van nieuwe straten, wegen en pleinen gekend. Momenteel staat de teller voor de 308 gemeenten van Vlaanderen en Brussel samen op 88.903 straatnamen (stand op 1 januari 2008).4

Een analytische blik op het overzicht van al die straatnamen maakt meteen de groeiende impact van lintbebouwing en verkavelingswijken op het Vlaamse land(schap) duidelijk. Het Germaanse erfwoord ‘weg’ duidt volgens van Dale op ‘een smalle strook grond in een landschap, gebruikt en geschikt gemaakt voor het verkeer, de verbinding van de ene plaats tot de andere’. Het woord ‘straat’ hebben we ontleend aan het Latijn (via strata) ter aanduiding van een ‘verharde weg tussen de rijen huizen in een bebouwde kom’. Een kleine straat (met stijgend verloop) heet een ‘steeg’. Een straat is dus een geplaveide (bestrate) weg waarnaast we wonen, terwijl een weg ons ergens naartoe leidt. Als een weg verbreed, gerecht en verhard wordt om de verkeersverbinding vlotter te maken, kan hij promoveren tot een ‘steenweg’. Ook het woord ‘baan’ verwijst naar dit procédé van wegverhardingen straataanleg: de eerste betekenis van ‘baan’ is immers de onderliggende zand- of puinlaag als grondslag voor een straat of steenweg. ‘Lanen’ en ‘dreven’ zijn eveneens bijzondere soorten wegen, gekenmerkt door hun breedte en hun rechte aanleg en oorspronkelijk ook door de bomenrijen aan weerszijden. Eertijds dienden ze om het vee naar de weiden te drijven, wat etymologisch aan ‘dreef’ (bij ‘drijven’) nog goed te zien is. Tegenwoordig wordt de soortnaam ‘laan’ in het Belgische Nederlands vooral gebruikt voor brede, rechte straten in de bebouwde kom, eventueel nog met een bomenrij en met een brede wandelstrook.

In het straatnamenbestand anno 2008 zijn de 51% samenstellingen met ‘-straat’ veruit in de meerderheid, gevolgd door 12% ‘-lanen’. Slechts 7% van de straatnamen in Vlaanderen zijn nog

illustratie

Sommige straatnamen komen zeer frequent voor in Vlaanderen, andere zijn uniek. Als voorbeelden één van de 134 Kasteelstraten en één van de 87 Beukenlanen tegenover de twee enige weerden van Vlaanderen. © FARO


samenstellingen met ‘-weg’ als tweede element. Vlaanderen is dus zeer duidelijk aan het ‘verstraten’. Afgezien van ‘-dreef’ (3%) en ‘-plein’ (2%) zijn alle andere samenstellende elementen zoals -baan, -pad, -lei, -dijk, -singel, -boulevard, -markt, -plein, enzoverder goed voor telkens maximaal 1% van het straatnamenbestand. 18% van de Vlaamse straatnamen zijn geen samenstellingen met een straat- of wegtype als tweede element. In deze categorie zitten overwegend samenstellingen waarvan het tweede deel naar een landschapselement verwijst (-veld, -weide, -akker, -blok, -brink, -donk, -dries, -heide, -kamp, -bos, -hout, -haag, -gracht, -poel, -vijver, -heuvel, -berg, ...) of straatnamen die geen samenstelling zijn. Ook in die laatste categorie gaat het vaak om plaatsaanduidingen (toponiemen) die al lang geleden ontstonden.

In alle maten en soorten

Bij de niet-samengestelden treffen we uiteraard ook de kortste straatnamen aan. Vlaanderen telt zevenendertig straatnamen met slechts drie letters (Ast, Bel, Bos, Bus, Dal, Dam, Del, Dok, Dul, Eik, Eke, Erf, Esp, Fok, Ham, Hul, Kam, Kil, Kom, Kys, Lac, Lei, Lil, Mot, Pad, Pas, Put, Roe, Rot, Sas, Sum, Ven, Vin, Wad, Wal, Zag, Zep) en 146 met vier letters.5 De langste straatnamen zijn evenmin toevallig allemaal naar personen vernoemd. We beperken ons tot de top 5 van een aanzienlijke reeks: Burgemeester Charles Rotsart de Hertainglaan (Maldegem), Lodewijk Engelbertus van Arenbergplein (Leuven), Burgemeester Vandemeulebroeckestraat (Kortrijk), Volksvertegenwoordiger De Jaegerelaan (Kortrijk), Burgemeester Edward Waghemansbrug (Antwerpen).

De meest voorkomende straatnamen in Vlaanderen zijn - in aflopende volgorde: Kerkstraat (240), Molenstraat (237), Nieuwstraat (205), Schoolstraat (194), Veldstraat (182), Kasteelstraat (134), Dorp(s)straat (124) en Kapelstraat (121). Omgekeerd hebben meer dan de helft van de straten en pleinen in Vlaanderen en Brussel een unieke naam. Hier wordt onze moderne drang naar originaliteit en individualisering in de naamgeving opnieuw erg duidelijk. Zoals ook bij de voornamen het geval is, zijn de bewoners van straten met een tot de verbeelding sprekende naam niet per definitie blij met hun adres. Toen Radio Donna in 2006 Vlaanderen opriep om de meest opvallende straatnaam te signaleren, waren dit de kanshebbers: Pispotdreef (Maldegem), Zakstraat (onder andere Ranst), Scheurdekousweg (Meer), Loopgatstraat (Aarschot), Bruine Broekstraat (Langemark-Poelkapelle), Negenoogstraat (Temse), Darm (Kalmthout), Fok (St-Amands), Befferstraat (Mechelen) en Rode Del (Arendonk). De eerstgenoemde straatnaam won de prijs van de luisteraars. Bovendien bleek uit de verdere berichtgeving dat de vier bewoners van deze straat zelf voor de toevoeging ‘-dreef’ gezorgd hadden, want officieel heet dit straatje gewoon Pispot. Het bestand van alle Vlaamse straatnamen telt nog veel meer bizarre, lachwekkende of tot wenkbrauw-

[p. 21]



illustratie

Ook in lengte kunnen straatnamen sterk verschillen. Hier de op één na langste straatnaam van Vlaanderen naast één van de zevenendertig kortste. © FARO


fronsen aanleiding gevende voorbeelden, zoals: Aarsdamstraat (Kortemark), Aspot (Puurs), Baarzak A en Baarzak B (Oudenaarde), Bekafstraat en Bekaflaan (Aarschot), Bloote, Blotestraat en Bloote Keizerhoek (Diksmuide), Futselstraat (Wingene), Kruipin (Beveren), Kruipuit (Maldegem), Kwakkelstraat (Deinze, Gent, Hasselt, Stekene, Dessel, Turnhout, Vilvoorde, Boechout, Linter, Torhout, Houthulst, Poperinge, Lichtervelde), Nadorst (Oud-Turnhout), Tiep-Tiap (Brakel), Zaadstraat (Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek), Zakske (Oudenaarde, Brugge, Kortrijk).

Duidelijk is ook dat geen enkele overheidsdienst in Vlaanderen de opdracht heeft om straatnamen op hun correctheid qua taalgebruik en spellingsbeeld te beoordelen om aldus lokale besturen voor taalfouten of inconsequenties te behoeden. Oude(re) en actuele (spellings)varianten komen veelvuldig naast elkaar voor, zoals bij: Graaf (Borgloon) en Graef (Voeren), Asserij (Laarne) en Assery (Destelbergen), Eusel (Meise) en Eussel (Hulshout), Aardbeienstraat (Ardooie, Anderlecht, Dilbeek, Roeselare) en Aardbezienstraat (Meerhout, Kortrijk) of Stationsstraat (168 keer) en Statiestraat (38 keer). Ook voor de taalworsteling met het koppelteken bij samenstellingen - van het type Gewijde-Boomstraat (Elsene) en dus niet Gewijdeboomstraat (Brussel) - levert het straatnamenbestand een arsenaal aan voorbeelden.6 Zeker bij moeilijkere constructies, met bijvoorbeeld als eerste element een cijfer, is verscheidenheid troef. Ter illustratie volgende reeks straatnamen die de herinnering aan verdienstelijke strijdkrachten trachten levend te houden:

 

10de-Linie-Regimentstraat (Kortemark);
16de Linie-Regimentsstraat (Izegem);
1e Linie-Regimentstraat (Wielsbeke);
3de en 23ste Linieregimentsplein (Oostende);
13e Liniestraat (Wielsbeke);
19e-Liniestraat (Houthulst);
7de Liniestraat (Haacht);
13de-Liniestraat (Diksmuide);
18de Linie-Weg (Lanaken).

 

De moeilijkheden blijken niet kleiner te zijn als het cijfer voluit geschreven wordt, zoals de Eénentwintig-Julistraat (Hasselt), de Elf Juli Singel (Ingelmunster) en de Elf Julistraat (Oostkamp) laten zien.

Heel wat straten zijn vernoemd naar een heilige. De aanduiding ‘Sint-’ (1.645 straatnamen) blijkt daarbij voor personen bijna exclusiviteit te genieten. ‘Heilig(e)-’wordt slecht tweeëntachtig keer als begin van een straatnaam gebruikt en dan bijna altijd in combinatie met ‘Geest’ of ‘Hart’. Ook bij dit type straatnamen is verwarring troef als het over het (verplichte) koppelteken gaat: in 16,5% van de gevallen wordt het niet geschreven. Ook zijn er nog negen straatnamen die onder invloed van het Franse ‘Sainte’ het element ‘Sint’ vervrouwelijken tot

illustratie

Het vernoemen van straten naar bekende inwoners gaat vaak ten koste van oudere toponiemen die via de volksmond moeten zien te overleven. © FARO


‘Sinte’; een vorm die in het Nederlands evenwel niet bestaat. In Brussel heeft men daar ooit komaf mee gemaakt, maar is dat in drie gevallen ontspoord in een hypercorrecte vorm ‘Sinter-Goedele’.7 Soms krijgt het bij de voorbepaling ‘Sint’ correct toegepaste koppelteken ook een onbedoelde voorbeeldwerking. Zo kent de gemeente Lochristi een Burgemeester-Vermeulenlaan.

De namen van gekken...

Dat brengt ons quasi naadloos bij de categorie straatnamen die het meest verantwoordelijk is voor de unica in het totale bestand: de vernoeming naar verdienstelijke en memorabele personen. Vooral toen na de gemeentelijke fusieoperaties uit de jaren 1970 hinderlijke dubbelnamen in twee of meer deelgemeenten moesten worden weggewerkt, is deze categorie van straatnamen spectaculair in omvang beginnen toenemen. Frequent voorkomende dubbels uit de categorie Kerkstraat, Molenstraat, Nieuwstraat, enzoverder werden immers eerder zelden opgelost door terug te grijpen naar bestaande lokale toponiemen die op de kadasterkaart of in de volksmond voortleefden. Ook bij de toekenning van nieuwe straatnamen, bijvoorbeeld in verkavelingswijken, bestaat helaas lang niet bij elk gemeentebestuur de reflex om een stukje lokaal talig erfgoed als een veldnaam of toponiem in de vorm van een straatnaam te vereeuwigen. De vernoeming van straten naar personen blijkt populairder te zijn dan dit soort erfgoedreflex.

 

Bij de vernoeming naar personen zijn er de klassiekers uit de vaderlandse (kunst)geschiedenis zoals Guido Gezelle (139 straatnamen), Hendrik Conscience (84), Stijn Streuvels (78), maar naar hen wordt de laatste tijd niet meer zo vaak teruggegrepen. De leden van het koningshuis - hier is koningin Astrid absolute kampioene met 118 straatnamen - hebben het eveneens lange tijd goed gedaan in de straatnaamgeving, al moet de regering hiervoor wel toestemming geven. Ook elke Belgische adellijke familie heeft wel in minstens één gemeente een straatnaam die naar haar verwijst, doorgaans omdat één van hun telgen daar burgemeester is geweest. Het voor het nageslacht in herinnering houden van de eigen voorgangers op bestuurlijk vlak is een zorg die bij gemeentebesturen duidelijk wel leeft; ook al omdat sinds 1977 voor het vernoemen naar personen enkel nog vereist is dat ze overleden zijn. Soms wordt zelfs de functie van de nobele voorganger in de naam mee opgenomen. Zo beginnen in Vlaanderen en Brussel 154 straatnamen met ‘Burgemeester’ en veertien met ‘Schepen’, gevolgd door een persoonsnaam. De burgemeesters moeten het soms ook stellen met een afkorting: ‘Burg.’ komt drieënvijftig keer voor en daarnaast het officieel niet-bestaande ‘Burgem.’ (vier keer). Als de politicus in kwestie bij leven wist door te stoten tot de hogere beleidsechelons, neemt de kans op het post mortem krijgen van een straatnaam in de geboorte- en/of woonplaats aanzienlijk toe. Maar gelukkig voor de

[p. 22]

bewoners worden dergelijke functieaanduidingen bij persoonsnamen eerder zelden in de straatnaam zelf opgenomen, maar via een verklarend onderschrift toegevoegd op het straatnaambord. Er zijn slechts zeventien straatnamen die met ‘Minister’ beginnen, negen met ‘Senator’ en twee met ‘Volksvertegenwoordiger’.

De straatnaamgeving wordt dus in toenemende mate gebruikt om het recentere verleden - en vooral de personen die daarin een rol speelden - te vereeuwigen en dit ten koste van het topografisch naamkundig erfgoed in de vorm van veldnamen en oudere straatnamen. Stilaan wordt elk gemeentelijk stratenplan zo in toenemende mate ook een who-was-who van de (gemeentelijke) politiek.

Van begeleide naar autonome gemeentelijke bevoegdheid

De bevoegdheid inzake de naamgeving aan straten en pleinen behoort vanouds tot de gemeentelijke beleidsmaterie. Vóór 1977 gold hierbij enkel de algemene bepaling uit Artikel 117 van de Belgische gemeentewet, die zegt: ‘De gemeenteraad regelt alles wat van gemeentelijk belang is’. Toen aan het einde van de 19e eeuw de naamkunde als wetenschapsdiscipline vaste vormen begon aan te nemen, leidde een gelukkig toeval ertoe dat de Belgische gemeenten de beschikking kregen over een wetenschappelijk adviesorgaan voor al hun naamkundige problemen. De Vlaamse en socialistische voorman Camiel Huysmans was namelijk germanist van opleiding met een bijzondere interesse voor toponiemen. Samen met zijn dorpsgenoot en jeugdvriend Jef Cuvelier (die vanaf 1921 Algemeen Rijksarchivaris was) publiceerde hij in 1897 de Toponymische studie over de oude en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen. Toen Huysmans de eerste Belgische minister van Kunsten en Wetenschappen werd, besloot hij meteen om de studie van de lokale plaatsnamen (en tegelijk ook van de lokale spreektalen) krachtig te ondersteunen, door in de schoot van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten een Commissie voor Toponymie en Dialectologie (KCTD) in te stellen. Dat gebeurde bij Koninklijk Besluit van 7 april 1926 en Cuvelier werd - en bleef gedurende 21 jaar - haar eerste voorzitter.8 Dat de Commissie in haar zelf opgestelde programma (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 27 december 1926) zelf met geen woord repte over straatnamen, is tekenend voor de tijdsgeest. Er werden toen nog geen straatnamen gewijzigd en als af en toe een nieuw aangelegde straat een naam moest krijgen, gaf dat zelden aanleiding tot discussie of twijfel. De Commissie had en heeft dan ook ‘als voornaamste doel de studie van de toponymie en de dialectologie aan te moedigen. Daartoe centraliseert zij alle informaties van wetenschappelijke aard over deze disciplines.’ Tot die ‘informaties’ behoorden ook heel wat historisch-toponymische studies over het lokale namenbestand van een gemeente.

illustratie

Het toevoegen van toeristische straatnaamborden bevordert niet altijd de duidelijkheid. Wie zich op deze plaats in hartje Brussel laat leiden door het wapenschild van de stad, concludeert wellicht dat hij in de Robin Hoedstraat staat, die vroeger Eikstraat heette. Het bestellen van een taxi zal nochtans enkel succesvol verlopen als men de onderste naam (bij voorkeur de Franse versie) gebruikt. © FARO


Maar tot halverwege de 20e eeuw was de Commissie niets meer dan een ontmoetingsplaats van academici met een werking die grotendeels binnenskamers en alleszins academisch georiënteerd bleef.

 

Eerst tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de Commissie voor het eerst met de actuele straatnaamgeving in aanraking. Op 27 juni 1942 verzocht de directeur-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken de Commissie immers om haar medewerking bij zijn pogingen te verhinderen dat (Duitsgezinde) schepencolleges gevestigde namen van straten en pleinen zouden hernoemen. Dat leidde tot de regeling dat gemeentebesturen voortaan het niet-bindende advies moesten inwinnen van de Commissie, vooraleer zij tot het geven of het wijzigen van een straatnaam konden overgaan. Lange tijd stelden de professoren die lid waren van de Vlaamse of de Waalse afdeling van de Commissie, hun naamkundige expertise aldus ter beschikking van lokale overheden bij de keuze, de vorm en de spelling van straatnamen. Zo publiceerde commissielid J. Leenen in 1946 de handleiding Theorie en praktijk van de Straatnaamgeving.

De heroplevende economie en de bevolkingsaangroei van de jaren 1950 en '60 vertaalden zich ook in een sterk expansief stratennetwerk. De KCTD herwerkte Leenens handleiding in 1960 ten behoeve van haar leden. Bovendien zorgden de gemeentelijke fusieoperaties, die vanaf 1977 massaal doorgevoerd werden, ervoor dat ook een immense stroom aan straatnaamwijzigingen op gang kwam. De Commissie vreesde dan ook voor grote inconsequenties bij de aanpassing van straatnamen in de nieuwe fusiegemeenten en drong er bij de centrale overheid op aan dat haar adviezen terzake niet langer negeerbaar zouden zijn op gemeentelijk niveau. Aan die wens werd tegemoet gekomen met het ‘Decreet tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen’, uitgevaardigd op 28 januari 1977 door de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap. In Artikel 1 wordt vooreerst bevestigd dat: ‘Alleen de gemeenteraad bevoegd [is] om de naam van openbare wegen en pleinen vast te stellen of te wijzigen.’ Maar in het tweede artikel van het eerste hoofdstuk legt de Vlaamse wetgever wel de algemene principes vast die gemeentebesturen daarbij - tot op vandaag - in acht hebben te nemen:

‘Art. 2.
§ 1. Bij het vaststellen van de naam van openbare wegen en pleinen of het wijzigen van deze naam wordt bij voorkeur geput uit gegevens van de plaatselijke geschiedenis, het kunst- en cultuurleven, de toponymie en de volkskunde.
[p. 23]


illustratie
Een verbindingsweg tussen twee bewoningskernen heeft in de regel aan elk uiteinde een andere naam, om te verwijzen naar de plaats waar hij naartoe leidt. Als gevolg van de gemeentefusies werd vaak één van beide namen opgeheven, die dan wel in de volksmond in gebruik bleef.
Bemerk in dit voorbeeld ook bij beide namen de typisch Limburgse genitiefvorm op -er in plaats van op -se.
© FARO


§ 2. De naam van een nog levende persoon mag niet worden gebruikt.
In aanmerking komen enkel de namen van uit historisch, wetenschappelijk of algemeen-maatschappelijk oogpunt belangrijke figuren.
Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan figuren die voor de gemeente of voor de onmiddellijke omgeving van betekenis zijn geweest.
(§ 3. [toegevoegd in de wijziging van 1 juli 1987] De naam van een lid van de koninklijke familie, overleden of nog in leven, mag enkel worden gebruikt, indien daartoe vooraf instemming van de Regering werd verkregen.)’

Groot was echter toch de ontgoocheling van de KCTD-leden, toen bleek dat het KB van 10 februari 1978 een nieuw adviesorgaan in de vorm van een Koninklijke Vlaamse Commissie van Advies voor Plaatsnaamgeving installeerde. Die nieuwe adviesinstantie bestaat uit provinciale commissies van telkens zes experts, voorgezeten door de gouverneur. Daarnaast werd één Vlaamse beroepscommissie ingesteld met eveneens zes leden en voorgezeten door de minister van Cultuur. De facto zetelen in de meeste provinciale commissies tot op vandaag ook wel naamkundigen die lid zijn van de KCTD, maar het provinciale beleidsniveau nam de aansturende rol inzake straatnaamgeving toch duidelijk over. Bij staking van stemmen is het bijvoorbeeld de stem van de voorzitter - de gouverneur dus, maar in de praktijk zo goed als steeds de provinciale ambtenaar die hem vervangt - die de doorslag geeft. Er verschenen nieuwe, geactualiseerde handleidingen voor de straatnaamgeving, gebaseerd op praktijkvoorbeelden uit één gemeente of provincie.9

Naast de verplichting om bij hun provinciale commissie advies in te winnen, moeten de gemeentebesturen sinds 1977 bij straatnaamwijziging ook een openbaar onderzoek instellen, waardoor ook de bewoners van de betreffende straat hun bezwaar tegen de beoogde nieuwe naam kenbaar kunnen maken. Vermits alle ingediende bezwaren aan het dossier moeten worden toegevoegd, kon de provinciale commissie meteen ook vernemen of er eventueel lokale gevoeligheden meespeelden. In de praktijk voelden gemeentebesturen zich blijkbaar door deze procedure vaak erg beknot en betutteld. Vermits het Vlaams Parlement grotendeels bevolkt wordt door politici die ook een gemeentelijk mandaat uitoefenen, waren de gevolgen voorspelbaar. De verdere wijzigingen die de Vlaamse wetgever in dit decreet aanbracht, vormen in feite het relaas van de steeds verdergaande uitholling van de bovenlokale adviesbevoegdheid.

 

In 1997 wijzigde het Vlaams Parlement het decreet door te bepalen dat het openbaar onderzoek voortaan niet meer vereist is bij straatnaamwijzigingen die louter bedoeld zijn om taal- en spelfouten te verbeteren. Daarvoor volstaat een eenvoudig advies van de provinciale commissie voor plaatsnaamgeving (dat dus als bindend advies wel nog steeds vereist was).10 Ook over echte straatnaamwijzigingen konden lokale bestuurders nog altijd behoorlijk in de clinch geraken met de experts van de provinciale commissie.11 Op 28 maart 2002 besprak het Vlaams Parlement dan ook opnieuw een voorstel tot decreetswijziging om de procedure te verlichten, dat op 29 november 2002 werd aangenomen. Sindsdien zegt de decreettekst dat ‘de Koninklijke Vlaamse Commissie bestaat uit een centrale commissie. De Vlaamse regering kan ook provinciale commissies oprichten. De Vlaamse regering bepaalt de samenstelling en de werking van de commissies.’ Tegelijk werd bepaald dat elk gemeentebestuur ‘advies [vraagt] aan de gemeentelijke raad voor cultuur en culturele vrijetijdsbesteding. Deze raad deelt schriftelijk binnen 30 dagen zijn advies aan het gemeentebestuur mee. Het gemeentebestuur kan advies vragen aan de Koninklijke Commissie voor Advies voor Plaatsnaamgeving. Deze commissie deelt binnen 30 dagen schriftelijk zijn advies mee aan het gemeentebestuur. Bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn overgezonden advies wordt dit als gunstig beschouwd.’

In de praktijk werden de provinciale adviescommissies niet meteen afgeschaft, maar is nagenoeg geen enkel gemeentebestuur nog vragende partij voor een advies dat ze ‘kan’, maar niet moet inwinnen. Gemeentebesturen kunnen ook nog steeds een beroep doen op de oude KCTD, die echter eveneens slechts bij uitzondering nog een adviesvraag inzake straatnaamgeving ontvangt. Het lokale advies dat aan de gemeentelijke cultuurraad moet worden gevraagd, is in geen enkel geval bindend. Sinds 2002 bepalen de lokale besturen dus autonoom en zonder enige vorm van bovenlokaal advies welke namen zij geven aan de straten en pleinen in hun gemeente. Een aantal Vlaamse steden en gemeenten hebben inmiddels op eigen initiatief een lokale toponymische adviescommissie geïnstalleerd, maar lang niet allemaal. Op sommige plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Hasselt, wordt gewerkt met een regelmatig herhaalde oproep aan de bevolking om voorstellen voor nieuwe straatnamen in te dienen, zodat er een keuzelijst is waar het bestuur uit kan putten. De cruciale vraag luidt dan ook of er op lokaal vlak in elke gemeente voldoende naamkundige en lokaal-historische kennis aanwezig is (én of die dan door het lokale bestuur ook effectief benut wordt), om de straatnaamgeving zinvol te laten verlopen. Wie het Vlaamse straatnamenbestand anno 2008 eens doorkijkt, zal regelmatig in de verleiding komen dit te betwijfelen.

 

Misschien sluimert er dus wel een nood aan kennisbevordering bij lokale cultuurraden met betrekking tot deze adviesbevoegdheid en aan praktijkontwikkeling bij gemeentelijke

[p. 24]

administraties en bestuurders omtrent het delicate evenwicht tussen het aanwenden van de inmiddels absolute autonomie inzake straatnaamgeving enerzijds en een zekere erfgoedreflex anderzijds. Dat evenwicht is delicaat omdat in een dynamische benadering van erfgoed, die ook pleit voor gedragenheid vanuit een gemeenschap, het geen wet van Meden en Perzen kan zijn dat in onbruik geraakte toponiemen prioriteit moeten krijgen op naamgevingsmotieven die het recentere verleden (of zelfs de actualiteit) op lokaal vlak documenteren. Een pleidooi ten gunste van het waar mogelijk voorrang verlenen aan toponymisch materiaal is bijgevolg niet gebaseerd op hun hogere ouderdom, maar wel op het feit dat het hier gaat over een stuk immaterieel talig erfgoed dat uitdrukkelijk aan die locatie gebonden is en ook enkel via een materialisatie op die plaats ‘in leven’ gehouden kan worden. De nagedachtenis aan een verdienstelijke medeburger is veel minder aan één plaats in de stad gebonden en blijft ook gegarandeerd zonder die straatnaam; anders is niet voldaan aan de basisvoorwaarde om die vernoeming te rechtvaardigen. De toepassing van het voorzorgsprincipe houdt hier dus in dat altijd eerst via

illustratie

Het dichtbebouwde Vlaanderen telt ondertussen veel meer straten dan wegen. Andere naamtypes komen nog minder voor. © FARO


kadasterkaarten en bevraging van het lokale levende geheugen nagegaan wordt of er in de lokale toponymie een benoemingsmotief bestaat dat in de straatnaam vereeuwigd kan worden, alvorens tot persoonsverheerlijking of eigen creatieve naamgeving over te gaan. Vermits ons grondgebruik in nog steeds toenemende mate door versnippering en opdeling gekenmerkt wordt, creëren nieuwe verkavelingen en woonprojecten op voordien niet tot de bewoningskern behorende percelen daarnaast aan de lopende band gelegenheden om de naam van verdienstelijke personen via telefoonboeken, adreskaartjes en stratenplannen te vereeuwigen. In gemeenten waar men deze principes niet wenst te volgen, heeft dat slechts één voordeel: als over enkele decennia het lokaal toponymisch erfgoed daar grotendeels verdwenen is, zullen de straatnamen die dan toegekend worden, tenminste vertellen wie uit de vorige generatie beleidsmakers daarvoor verantwoordelijk zijn.



illustratie