|
|
|
| |
| | | |
Bij een Gedicht van E.A. Robinson
Voor E. du Perron
| |
I
De vraag: waaraan herkennen wij een kunstwerk van beteekenis, in
welk opzicht onderscheidt het zich principiëel van middelmatige producten, en
in hoeverre mogen wij het daarbij gebruikte criterium vertrouwen, kan
waarschijnlijk niet gesteld worden buiten het subjectieve om. En toch dringt
ons alles tot een objectieve beantwoording ervan: wij leggen er ons nu eenmaal
niet bij neer, dat een zoo evident, ja apodictisch gevoel van bewondering als
opgewekt door onze kunstwerken, onze
gedichten, geen boven-persoonlijke en dus voor anderen geldige beteekenis
hebben zou; in laatste instantie gelooven we, dat uitnemende poëzie ‘bestaat’,
geheel op zich zelf, ‘auta kat' auto’, evenals de platonische Idee, - en
derhalve ook aantoonbaar moet zijn, bindend aantoonbaar voor iedereen, die over
de vereischte cultuur en gevoeligheid beschikt, onverschillig hoe de
psychologische motieven onzer bewondering mogen luiden en de toevallige
argumenten onzer overredingskunst.
Waarom gelooven we dit? Want men behoeft het onderzoek naar de zoo
juist opgeworpen vraag niet zeer ver voort te zetten om al spoedig tot het
ontmoedigend besef te komen, dat dit geloof inderdaad maar geloof is, en het
objectieve criterium een zelfverwekte dwanggedachte, die we wel graag ook aan
anderen zouden opdringen. Maar dit besef houdt niet langer stand dan de enkele
minuten die wij, dit probleem bespiegelend, achter onze schrijftafel
doorbrengen. Herlezen wij het gedicht, dat onze bewondering
had, dan verdwijnt het probleem met een merkwaardige
snelheid, en treedt pas weer aan den dag, - maar dan om, zooals in den aanvang,
geheel bevestigend te worden beantwoord, - zoodra onze bewondering gedeeld wordt door een ander of door twee, | | | | drie
anderen. Op dat oogenblik ontbreekt er niets meer aan onze ‘objectieve’
zekerheid; het gedicht heeft zijn plaats in de rangorde der ‘eeuwige’ ideeën
hernomen, - om deze onmiddellijk weer te verliezen, indien die anderen
kritischen twijfel zouden uiten!
Het komt mij voor, dat deze dubbelzinnige ervaringen, - behalve dat
zij een merkwaardig aspect toonen van de platonische philosofie en haar
oorsprong uit het gemeenschappelijk enthousiasme van enkele, elkaar geestelijk
zeer nastaande vrienden, - een duidelijke aanwijzing geven van de
omstandigheden, waaronder ‘platonische’ zekerheid alleen mogelijk is. Deze
zekerheid vindt men, inderdaad, slechts bij de gratie van de overspringende
vonk, in de spontane bevestiging van gelijkgezinden, - maar niet bij eenzame
overpeinzingen, die deze bevestiging kritisch verklarend zouden willen
vastleggen, en nog minder bij het nastreven van een grootere gemeenschappelijke
zekerheid dan door den intiemen omgang mogelijk wordt gemaakt. Wat dit laatste
betreft: men zou wel eens van meening kunnen zijn, dat objectieve zekerheid bij
het beoordeelen van kunst nog het dichtst te benaderen is door een
‘inter-subjectieve’, de normatieve door een empirische; men kon b.v. wel eens
heil verwachten van de statistisch bewerkte beoordeelingen van een zoo groot
mogelijk aantal kritici, kenners, dichters, met het doel de waarde van dit eene
gedicht eens en voor al vast te leggen! Men zou bedrogen uitkomen, want er is
niemand ter wereld, die zich door dit kleurloos gemiddelde van zijn stellige
overtuiging berooven liet, indien tenminste die overtuiging van te voren reeds
was gelouterd in het ‘vuur’ eener gemeenschappelijke geestdrift. Zelfs mag men,
voor het tegenovergestelde geval, aannemen, dat een bevestiging ons maar half
welkom zijn zou, zoozeer boezemt de neutrale massa wantrouwen in, ook al is zij
samengesteld uit individuen, die men ieder voor zich volmondig welkom zou
heeten bij het aanblazen van de vlam. Een onvoorwaardelijk oordeel inzake
kunst, een oordeel, waarvoor men ‘door het vuur’ zou willen gaan, is dus
tegelijk minder objectief en minder | | | | subjectief dan men gewoonlijk
meent. Iemand, die op stelligen toon ‘het is’ uitspreekt, geeft daarmee, buiten
en behalve de vertaling van een zeer hevig ‘ik vind’, ook nog het verlangen
weer naar een ‘wij vinden’, maar van dit laatste is niet de quantitatieve
uitbreiding voor hem van belang, doch alleen de intensiteit: als ondersteuning
van een zelfverworven zekerheid, die zoowel belaagd wordt door de doofpot der
subjectief-kritische reflectie als door de neutraliseerende draadgeleiding
eener collectieve en onpersoonlijke objectiviteit.
Ter illustratie van deze theoretische uiteenzetting zou het de
moeite loonen, eens de intieme geschiedenis op te schrijven van de verhouding,
waarin wij tot de vijf of tien gedichten hebben gestaan, die voor ons een
uitzonderlijke waarde vertegenwoordigen, de geschiedenis van de schommelingen
in deze waardeering, van iederen twijfel, iedere nieuwe zekerheid. Consequent
doorgevoerd, moeten deze notities een ‘journal intime’ kunnen vervangen. Niets
mag ontbreken, alles wat ook maar ver verwijderd ons oordeel heeft kunnen
beïnvloeden wordt scrupuleus opgeteekend: omstandigheden en personen, hun
bewondering en twijfel, geestdrift en kritiek, alle ups en downs; de
voorgeschiedenis; de entourage op het moment der ontdekking, belichting,
stemming, vermoeidheid, knellende schoenen. Men kan dit ook overdrijven, en dan
wordt het een dissertatie. Maar toch blijft het merkwaardig, hoe reeds een
bescheiden introspectie ons het belang toont van schijnbare nietigheden. Het
maakt bijvoorbeeld een enorm verschil uit, of men ‘zijn’ gedicht voor het eerst
leest in de intimiteit van een studeervertrek of in een openbare bibliotheek
tijdens het vluchtig doorbladeren van een of ander verzamelwerk. Wie in zoo'n
met papier en leer gevoerde zaal iets ‘ontdekt’, staat aanvankelijk bloot aan
een paniek. Laat ons veronderstellen, dat hij op een houten trapje geklommen is
en nu, in de lucht lezend, de bliksemstralen uit de wereld der eeuwige ideeën
tracht op te vangen; hij is op alles voorbereid. En toch blijkt hij geen goede
geleider | | | | te zijn, want dat ééne moment, waarop het gedicht voor
het eerst aan hem voorbijflitst, laat hem ongeloovig; onmiddellijk sluit hij
het zware boek, de bliksem slaat in het linoleum. Hij denkt: op zijn minst moet
het onwaarschijnlijk heeten, dat uit die millioenen letters om mij heen juist
die naar voren gesprongen zijn, welke mij persoonlijk iets hebben te zeggen;
herinnert het niet aan de vorming van de Ilias uit toevallige
lettercombinaties, dat geliefkoosde argument van polemische spiritualisten?...
Even daarna, aan de lange tafel gezeten, herlezend, zich verwonderend, beseft
hij, zich niet te hebben vergist, maar nu maakt zijn ongeloof plaats voor een
angstig wantrouwen. Weer denkt hij: dit schijnt een groote ontmoeting, - maar
zal ik, achteraf, niet ontgoocheld worden, zoodra dit gedicht geheel mijn
eigendom is? - Verder bladerend, merkt hij tot zijn schrik, enkele regels niet
meer te kunnen vergeten. Het gedicht vervolgt hem, midden tusschen tijden
landgenooten van zijn schepper... En dit is maar een bloemlezing, zoo peinst
hij nog steeds, moeten er in de volledige werken van dezen dichter niet nog
grootere vondsten staan? (Want hij lijdt nog aan het bijgeloof, dat de
anthologiestukken nooit de beste zijn: die vindt men in het boek zelf; ook
tijdschriften bevatten alleen middelmatige proeven: is een dichter niet even listig als bescheiden?...) - Opkijkend, staart
hij in het intelligent doorploegde gezicht van de bibliothecaresse, die op
Mengelberg lijkt. En, hetzij omdat deze zaal hem geen waardige entourage
toelijkt voor verdere ontdekkingen, of omdat hij door Rilke verslaafd is
geraakt aan het ‘Hinausschieben der Lust’, hij verlaat de bibliotheek, schuw en
wat verward, en wanneer hij, onder de raamschildering van Peter van Reen(?)
door, de krakende trap afdaalt, blijft hem van dit verloren uur alleen het
voornemen bij, alles zoo spoedig mogelijk in de verzamelde gedichten van Edwin
Arlington Robinson na te slaan.
De verdere lotgevallen van zoo'n ontdekking worden dan vrij
eentonig. Men schrijft het gedicht over, hoewel men het in de bibliotheek al
uit het hoofd geleerd bleek | | | | te hebben. Met een paar fouten, - die
men óók niet meer kwijt raakt. Indachtig aan een habitueel slecht geheugen,
houdt men zich voor, dat deze mnemische prestatie indirect meer bewijst dan
welke deskundige vrijgeleide ook: wat in een grove zeef achterblijft is eo ipso
van belang! Handboeken of monografieën? Weg er mee! Spijtig, en toch ook wat
gevleid, stelt men vast, dat het overige werk van dien Robinson nergens het
vermoeden wettigt, dat hij in staat zou zijn tot wat men op dat oogenblik, met
de brutale eenzijdigheid van den ontdekker, als het hoogtepunt is gaan
beschouwen van de geheele Engelsch-Amerikaansche poëzie. Men is daar erg zeker
van, - omdat men onbewust toch nog twijfel koestert? Met geweld wordt de
gedachte teruggedrongen aan mogelijke subjectieve bepaaldheden dezer keuze;
neen, neen, het làg niet aan die juffrouw, al was het misschien wel erg
moeilijk om onder haar imperatief spiedenden dirigentenblik géén bijzondere
dingen te ontdekken in het notenschrift der poëzie... Dan hakt men den knoop
door en reciteert het vers aan den kritischen vriend, die nooit bewondering
huichelt. Het slaat in; de vonk springt over: ‘ja, dat
is...!’ Ter contrôle leest men een paar andere verzen voor van den zelfden
dichter: een beleefd dédaigneus lachje bewijst, dat men zich ook in het
negatieve niet vergist heeft. Alles klopt dus. Maar dan gebeurt er iets
onverwachts. Uit de zekerheid van het nu zoozeer platonisch bekrachtigde ‘het
is’ wordt men opgeschrikt door het oordeel van een vriend van dien eersten
vriend, aan wien het vers werd opgestuurd. Dezen tweeden beoordeelaar kent men
niet, maar hij is een autoriteit. ‘Inderdaad, een bijzonder
opmerkelijk gedicht, waarvan echter de klank op den langen duur zou kunnen
blijken...’ Ontdekkersijdelheid is niet minder kwetsbaar dan het geloof in
de objectiviteit van het subjectieve, - en de twijfel manifesteert zich eerst
recht. Is de eerste vriend mogelijk huichelachtiger en minder kritisch dan hij
altijd leek? Dat hij dien bedenkelijken ‘klank’ met één handgebaar wegwerpt,
houdt er ons tenminste niet van af de nasporingen voort te zetten, en nu niet
bij vrien- | | | | den of vrienden van vrienden, doch in de
allerobjectiefst en allerofficiëelst gedrukte bladzijden, die ooit in Londen of
New-York het licht zagen. In drie, vier andere bloemlezingen snuffelend, vindt
men van onzen Robinson slechts middelmatige verzen, - nergens dat ééne. Men
verlaagt zich tot de handboeken en monografieën en inleidingen: Drinkwater,
Untermeyer, Manly en Rickert, Conrad Aiken (hoe leert men deze namen haten, die
ons zoo objectief in den steek lieten!) deelen ons weliswaar mee, dat Robinson
een beroemd Amerikaansch poëet is, zij noemen wel allerlei andere gedichten van
hem, - maar dit ééne niet, en ten overvloede wijst een van hen er met nadruk
op, dat Robinson's werk zoo betrouwbaar is, zoo gelijkmatig,
en dat hij vooral geen ‘one-poem-poet’ genoemd mag worden!...
1)
Hierna heeft men alleen nog de keuze, deze gedrukte commentaren ‘in
het vuur te gooien’ (waarin ze om meer dan éen reden thuishooren!), of voorgoed
te breken met | | | | de poëzie. En met een zucht van verlichting keert
men terug tot zijn eigen ‘subjectief’ oordeel, dat nog zoo ‘objectief’ zijn
kon, toen men over een medestander beschikte. Natuurlijk neemt men zich voor,
het gedicht nooit meer aan iemand anders voor te leggen: het kon eens minder
goed afloopen dit keer... Maar de herinnering aan de overspringende vonk
volstaat, de herinnering aan de gedeelde ontroering, die meer bewijskracht
bezit dan welk statistisch of documentair onderzoek naar ontroeringen ook. De
waarde van het gedicht, de absolute idee ervan, ontspringt hier inderdaad, -
zooals bij Plato, - aan een ‘anamnesis’, maar dan niet aan de ‘anamnesis’ van
een mythisch voorbestaan, doch van een bijzonder levensmoment, dat nog vaak
zijn twijfelbannende rol zal moeten spelen in ons poëtisch dagboek.
| |
II
Luke havergal
Go to the western gate, Luke Havergal,
There where the vines cling crimson on the
wall,
And in the twilight wait for what will come.
The leaves will whisper there of her, and
some,
Like flying words, will strike you as they
fall;
But go, and if you listen she will call.
Go to the western gate, Luke Havergal -
| | | |
No, there is not a dawn in eastern skies
To rift the fiery night that's in your eyes;
But there, where western glooms are gathering,
The dark will end the dark, if anything:
God slays Himself with every leaf that flies,
And hell is more than half of paradise.
No, there is not a dawn in eastern skies -
Out of a grave I come to tell you this,
Out of a grave I come to quench the kiss
That flames upon your forehead with a glow
That blinds you to the way that you must go.
Yes, there is yet one way to where she is,
Bitter, but one that faith may never miss.
Out of a grave I come to tell you this -
There is the western gate, Luke Havergal,
There are the crimson leaves upon the wall.
Go, for the winds are tearing them away, -
Nor think to riddle the dead words they say,
Nor any more to feel them as they fall;
But go, and if you trust her she will call.
There is the western gate, Luke Havergal -
| |
III
In zijn inleiding tot Robinson's Collected Poems
deelt John Drinkwater dichterfiguren in, al naar gelang zij de ‘magic of
precision’ of de ‘magic of suggestion’ beoefenen; als voorbeeld van de eerste
categorie wordt o.a. Robinson genoemd. Men moet voor dergelijke indeelingen
(veelal constructies ad hoc) nooit te streng zijn, maar dit voorbeeld althans
lijkt me toch al zeer ongelukkig! Wat ons zelfs nog in Robinson's middelmatig
werk treft is juist een opvallend vermogen tot suggestie door
middel van de ver- | | | | zwijging of omhulling, een ontbreken van
precisie dus (wat niet hetzelfde hoeft te zijn als een gebrek
aan precisie!) Het geciteerde vers Fleming Helphenstine
bewijst dit reeds voldoende, en wat Luke Havergal aangaat: er
bestaan weinig gedichten, die hun ‘magic’ in zoo ruime mate ontleenen aan de
evocatie van iets dat nergens explicite naar voren gebracht wordt, aan het
verbergen van de hoofdzaken, aan het in het ongewisse laten van den lezer, van
wiens begaafdheid tot alzijdig associëeren, tot het vasthouden van een
vingerwijzing, een aangestipte gedachte, het afhangen zal, of dit gedicht
inderdaad gehouden wordt voor wat het is: een der kostelijkste synthesen van
poëzie en mystische philosophie die wij bezitten.
Als uit een nevel maakt het zich los, komt heel dicht bij ons, sluipt
om ons heen, zonder dat wij ooit in staat zijn de kern ervan te grijpen. Dit
sluipen, dit rondwaren, als van een phantoom dat geen rust vindt, wordt,
behalve door zeggingswijze en accent, vooral ondersteund door zekere formeele
kenmerken
1). Doch deze dringen zich
nergens op, blijven slechts onbewust in ons werkzaam, waar wij ons immers,
reeds bij den eersten vluchtigen blik, gevangen geven aan dat directe
bezwerende bannen in den zonderlingen eigennaam, dringend herhaald en nog eens
herhaald, van hem die den weg naar de ‘Western gate’ afleggen moet; aan die
enkele regels, gebeeldhouwd als kernspreuken; aan den onverwachten inzet van de
tweede strophe, waar ‘eastern skies’ vastgeknoopt is aan een voor- | | | | afgaand détail, waarop we wellicht juist het minst acht hadden
geslagen; aan die inderdaad ‘magische’ necromantie in de daarop volgende: een
bijna primitief-zakelijke bevestiging van het wonderlijkste in anderhalve
regel, die, na elkaar, eerst het voornemen en dan de daad schijnt weer te
geven, en met geen woord te veel; aan die slotstrophe, plechtige herhaling van
't begin, maar op beslissende plaatsen gewijzigd en daardoor tot iets volkomen
nieuws geworden. En hoe spoedig wij ook, met behulp van een traditioneel
kerkhof en een beroofd minnaar een ‘verklaring’ gevonden hebben, wij blijven
kinderlijk nieuwsgierig naar ‘Luke Havergal’, die meer moet zijn dan ‘zoo maar’
een naam in een gedicht. Wie is hij, welken weg legt hij af? Vanwaar die
herhaalde aanroep uit het rijk der dooden? Waarom ‘but go’,
terwijl op de twee plaatsen, waar dit voorkomt, toch geen sprake is van een
tegenstrijdigheid met den inhoud van den voorafgaanden regel? Waartoe die
afwisselend positieve en negatieve wendingen, welke het vers als het ware om
een onzichtbare as schommelen doen; met welk doel die mysterieuze dialectiek
van aansporing en afwijzing zoo lang en hardnekkig voortgezet, waar toch de
situatie reeds in de eerste strophe genoegzaam duidelijk en afgerond
scheen?
Hier aarzelt men verder te gaan met zijn commentaar. Men voelt, reeds
te veel woorden verspild te hebben. Moet iedereen, die voor dit vers in
aanmerking komt, niet zijn eigen verklaring zoeken? Is er een formule denkbaar
die deze ‘magic’ niet onherstelbaar verminkt en vervaagt, zonder ons veel meer
te zeggen dan wat reeds zoo scherp uitgedrukt staat in het gedicht zelf? Het is
de angst voor de goedkoope paraphrase, die ons hier besluipt! De angst voor de
afgesleten termen uit het arsenaal der vakkritiek, voor de ‘nuance’, en het
‘wonder’ en de ‘plastiek’ en de ‘toon’ (vooral de ‘toon’) en de ‘zuiverheid’
(vooral de ‘zuiverheid’!) en wat al zoo meer als
stolsels-in-de-dicht-ader op recensentenpapier geklodderd mag zijn ten behoeve
van poëzie die het aankijken niet waard was...
Maar laat ons niet al te onredelijk puriteinsch worden! | | | |
De behoefte om te getuigen blijft toch, en er bestaat geen
enkel motief waarom men daarbij een rationalistische of zelfs conventioneele
terminologie ontloopen zou. Mits men er zich maar rekenschap van geeft, dat het
gebruik van welke terminologie ook een verzwakking beteekent zoowel van onze
persoonlijke verhouding tot het kunstwerk als van den ‘zin’, die zich eerst in
die verhouding openbaart. Door ieder overbodig woord - en welk woord is dat
niet? -, door iedere paraphrase, al is zij nog zoo onmiddellijk, nog zoo weinig
theoretisch - maar zelfs die, welke zich aan de meest directe gegevens zou
houden, zondigt daar al tegen: ‘Alles Faktische ist schon Theorie!’ - wordt het
onvermijdelijk uitgeleverd aan een veralgemeenende begripsvorming en daardoor
aan een maatstaf ter vergelijking, welke in lijnrechte
tegenspraak is met het onvergelijkelijk karakter van het gedicht en van onze
bewondering ervoor.
Er bestaat evenwel de mogelijkheid van een compromis. Veralgemeenen en
vergelijken is nu eenmaal niet te ontloopen, zoolang men woorden gebruikt, die
een elkeen gebruiken mag voor ieder ander kunstwerk dan waarvoor we deze
woorden bestemden. Waarom dan niet de consequentie aanvaarden en zélf gaan
vergelijken? Waarom niet, tot meerdere luister van Luke
Havergal, een reeks verzen uit het ‘dagboek’ te hulp geroepen, die uit
dien hoofde inderdaad commensurabel zijn? Het komt me voor,
dat deze handelwijze zich geheel zou aansluiten bij alles wat boven gezegd is
over het zoo delicate evenwicht tusschen ‘subjectief’ en ‘objectief’! Maar dat
niet alleen. Wanneer wij de hand zouden leggen op verzen, waarvoor wij een niet
geringere bewondering koesteren dan voor Robinson's gedicht en die bovendien
naar het onderwerp er een zekere verwantschap mee vertoonen, dan hadden wij ook
de meeste kans om, al vergelijkende, een karakteristiek van dit laatste te
treffen, die zoo weinig mogelijk afhankelijk is van onze
bewondering en zoo veel mogelijk den nadruk legt op wat het
aan eigens en bijzonders onderscheidt van wat het met die andere gemeen
heeft. | | | |
De moderne poëzie nu is niet karig in dit opzicht Er zijn genoeg
gedichten te vinden, waarin zooals in Luke Havergal een
geliefde doode in het middelpunt staat en haar voortleven in de herinnering of
in werkelijkheid. De meeste ervan maken eveneens op opvallende wijze van het
suggestief middel der verzwijging gebruik, al mag dit gedeeltelijk op rekening
worden gesteld van een algemeene neiging tot cryptiek. Tegenover The Portrait, dat ik als eerste voorbeeld geef, kan men althans
gemakkelijk andere verzen van Rossetti plaatsen, waarin dit middel in veel
ruimer mate werd toegepast en met meer succes: The Woodspurge
b.v. (dat een ontstellend modernen indruk maakt in onzen tijd van het directe,
zakelijke woord!)- en dan dat hoogtepunt uit The House of Life:
The Moonstar, waarin de terughouding zelfs tot een opzettelijke vervanging
wordt. - Aan Rossetti gaat natuurlijk Poe vooraf met Annabel
Lee, in zijn ongecompliceerder lyriek bijna een schoolvoorbeeld van dit
genre. We stappen dan weer over Rossetti heen om een der ontroerendste
sonnetten van Mallarmé te gedenken: Pour votre chère morte, son
ami, met de slotregels:
Pour revivre il suffit qu' à tes lèvres
j'emprunte
Le souffle de mon nom murmuré tout un soir.
Van Rilke noem ik Der Tod der Geliebten en het
wonderlijk omsluierde In einem fremden Garten, beide uit
Neue Gedichte; van Stefan George Das Pochen
(uit Lieder von Traum und Tod) en van
Leopold U missen en u niet ontgaan,
hoewel deze beide laatste, door een vager teekening, door de opname van vreemde
elementen ook, zich reeds meer van ons onderwerp verwijderen. Verder mag de
Orpheusmythe niet vergeten worden, die vaak genoeg bezongen is, b.v. door
Verwey in De legenden van de eene weg
(uit
De weg van het licht), die prachtige
reeks van uiterst geconcentreerde terzinen. En tenslotte zijn dan onze
tijdgenooten vertegenwoordigd door
Slauerhoff met Nôfrit, dat, merkwaardige
samenloop, bijna woordelijk dezelfde wending bevat als de op één na laatste
regel van | | | |
Luke Havergal (‘en zult als ik vertrouw bewegen’.) Trouwens, ook in de andere verzen komt
men allerlei analoge passages tegen, op zich zelf weinig verwonderlijk, daar
zij logisch uit het hoofdmotief kunnen worden afgeleid en uit de sfeer
daaromheen. Van de fluisterende bladeren bijvoorbeeld, die in de laatste
strophe zoo'n storende rol komen spelen, geeft Mallarmé's sonnet een
opmerkelijke repliek, terwijl de derde strophe onmiskenbaar samenhangt met den
psychologischen achtergrond der Orpheusmythe. Het vertrouwen, uitgedrukt in
Annabel Lee en Nôfrit, de elegische
grondtoon bij
Leopold, Rossetti's en George's suggestie van een
geheimzinnige aanwezigheid door middel van natuurvoorwerpen, de intens
gespannen verwachting in het tweede gedicht van Rilke: het zijn evenveel
ingrediënten, waaruit ook in Luke Havergal de stemming is
samengesteld. Hierbij kan men nog voegen: het op den voorgrond treden van de
simpele zintuigelijke waarneming in In einem fremden Garten,
waardoor de stemming zich bijna tot tastbaar wordens toe verdicht, maar ook: de
terughouding in Der Tod der Geliebten, waar van de zintuigen
nauwelijks nog het tastgevoel doorgelaten wordt tot aan den rand van het
doodenrijk. - Dit zijn dan enkele punten van aanraking, die zich bij een
vergelijking onmiddellijk aanmelden, zonder dat men zich aan al te
ongebreidelde speculaties hoeft over te geven.
Beproeft men nu echter, deze verzen op dusdanige wijze te
synthetiseeren, dat er een soort embryo, of althans een herkenbare variant op
Robinson's gedicht uit ontstaat, dan komt men bedrogen uit. Men merkt, dat er
een rest achterblijft, die niet tot uitdrukking kwam in de andere verzen. Wat
dezen ontbreekt zou ik vooral willen zoeken in datgene wat als onuitgesproken
ideeën-structuur de tweede strophe van Luke Havergal draagt,
de mystisch-philosofische perspectieven, door deze strophe geopend. Het is
natuurlijk niet het eenige verschil, maar het is het gemakkelijkst aan te
wijzen, - en zoo komen we vanzelf tot een tweede reeks voorbeelden: van verzen,
waarin een verwante wijsgeerige idee wordt belichaamd. Men vindt ze
| | | | een enkelen keer bij
Verwey, bij Valéry,
1) in Das Stundenbuch van Rilke. Doch deze verzen missen nu op hun
beurt de onmiddellijkheid en intensiteit, de persoonlijke tragiek van
Luke Havergal. Verwey's overwegend abstracte gedichten staan
even ver ten achter bij zijn overwegend Plastische als Das
Stundenbuch bij de Neue Gedichte, en om ongeveer
dezelfde redenen. Philosofische (subs. mystische, religieuze) poëzie is op zich
zelf geen verwerpelijk genre, zooals wel eens gedacht wordt; alleen moet men
rekening houden met een beduidend geringere kans op ontroering dan door
andersoortige poëzie, want slechts bij uitzondering zal de dichter over een zoo
machtig integreerend vermogen beschikken, dat hij een tegelijk concreten en
ideeëlen inhoud vermag om te vormen tot verzen, die evenzeer en, wat meer zegt,
met dezelfde middelen, het gevoel bevredigen als het bespiegelende denken.
Luke Havergal is er een van, en deze omstandigheid is het wel
voornamelijk, die aan mijn ‘subjectieve’ waardeering voor dit gedicht,
dat het snijpunt vertegenwoordigt van de liefdes- en doodslyriek
met de philosophie, toch nog zooveel ‘objectieve’ kracht schijnt bij te
zetten. Soms zelfs ga ik zoover te gelooven, dat men uit dit snijpunt, uit deze
vooropgestelde combinatie, het gedicht in groote lijnen vrij zou kunnen
construeeren zonder het te kennen, - want zoo goed als die combinatie, juist
als ‘snijpunt’, enkelvoudig blijft, zoo moet ook de levenssituatie, die eraan
ten grondslag ligt, ongemeen en zeldzaam zijn, en daarom bepaalbaar en aan het
licht te brengen.
Maar laat ons deze Poëske deducties, waardoor alleen maar te vinden is
wat men van te voren zelf verstopt had, niet verkiezen boven de ‘inductieve
methode’ der onderlinge vergelijking! Graag zou men nog andere verschilpunten
ontdekken, en nu niet bij wijze van ‘surplus’ aan den kant van één van de beide
leden der vergelijking, - | | | | zooals de abstracte inhoud der tweede
strophe van Luke Havergal dit was, waarvan ieder aequivalent
aan de andere zijde ontbrak, - doch als symmetrisch contrast,
dat hen tot op zekere hoogte gelijkwaardig laat. Het spreekt vanzelf, dat
daarbij, meer dan tot dusverre, de concrete situatie in het oog gevat moet
worden, de houding van de hoofdfiguur en zijn verhouding tot de andere
elementen. In elk gedicht immers blijft deze concrete situatie steeds aanwezig,
onverschillig of zij verder al of niet in abstracten zin uitgebouwd wordt.
We vinden dan, dat in alle bovengenoemde verzen, van Poe, Rossetti,
Rilke,
Slauerhoff, de hoofdfiguur het natuurlijke uitgangspunt is
der mysterieuze gebeurtenissen of stemmingen; de evocatie der geliefde
geschiedt krachtens zíjn liefde, zíjn verhevigde smartelijke herinnering; hij
is het centrum waarvan alles uitgaat en waar alles toe terugkeert. In
Der Tod der Geliebten handhaaft de beroofde minnaar zijn
overtuiging alleen nog maar tegenover den twijfel der anderen:
Da wurden ihm die Toten so bekannt,
Als wäre er durch sie mit einem jeden
Ganz nah verwandt. Er liess die Andern reden,
-
Und glaubte nicht, und nannte jenes Land
Das Gutgelegene, das Immersüsse...
Doch in Annabel Lee wordt reeds meer van hem
gevergd: het bezit van de afgestorvene moet worden betwist aan een vijandige
macht, die onder den vorm van geesten en demonen de vereeniging met de geliefde
beletten wil. Met een soort gelijken vijand wordt ook in Nôfrit afgerekend: onwrikbare waarheden omtrent dood en verleden
zijn reeds in de eerste regels omvergestooten in een uitdagend ‘quia absurdum’;
en ook hier is het de minnaar zélf die zich actief te weer stelt tegen een
storend element, dat overigens zoomin als bij Poe of Rilke een vasteren vorm
aanneemt dan dien van een aanvullende weerstand, van een duisteren achtergrond,
waartegen het vertrouwen des te lichtender | | | | afsteekt. En kan het
‘gevaar’, door Nôfrit ontvloden, als een ernstiger hinderpaal worden beschouwd
dan de bloemen, die bij Mallarmé den grafsteen belasten met nauwelijks meer dan
de zwaarte eener savante stijlfiguur?
In Luke Havergal daarentegen is de belemmering acuut
en overheerschend geworden. Geen vage hemelsche machten meer, geen allegorische
figuranten, geen natuurlijke regeling van leven en sterven, doch een
menschelijke stem krijgt hier vat op den minnaar. Wij hooren
hem zelf niet meer spreken, noch wordt er van hem verteld, zooals zoo even nog:
hij wordt toegesproken, hij speelt een passieve rol. De ernst
van die stem is niet te ontloopen. Het is de stem van een mentor: waarschuwend,
prijzend, kapittelend, beperkend, de dringende stem van een daimonion, van het
geweten misschien. En duiden de herhaalde aansporingen (‘But
go...’) niet op een innerlijk tegenstreven bij den minnaar, op twijfel of
angst, waar in die andere gedichten veelal geluksgevoel, geestdrift, extase
verklankt waren, hoe elegisch gedempt ook? Er is dus een nieuw conflict in werking getreden, niet zoozeer tusschen liefde en
dood, of tusschen wensch en uiterlijke onmogelijkheid van bevrediging, als
tusschen twee tendenzen in Luke Havergal zèlf, tusschen de
‘angels in heaven above’ en de ‘demons down under the sea’ in een menschenziel,
of, zoo men wil, tusschen het redelijke bewustzijn en den lijdelijken weerstand
van het onbewuste.
In deze ontwikkeling naar binnen toe neemt de Orpheus-mythe een
bemiddelende positie in. Ook hier een conflict met het onbewuste of
instinctieve, waarvan de geëxterioriseerde tegenspeler (de beschikking der
goden, of het fatum) alleen maar te star en te veraf is om geheel in de plaats
te kunnen treden van de dialectiek eener vermanende stem. Ondanks dit formeele
verschil zijn er treffende overeenkomsten in den inhoud. Hier als in
Luke Havergal kan de hereeniging alleen plaats grijpen onder
bepaalde voorwaarden (voorwaarden, die op merkwaardige wijze
met den gezichtszin samenhangen: het verbod om om te kijken in de mythe, het
dooven van den ‘vlammend verblindenden | | | | kus’ in het gedicht), en
in beide gevallen lijdt het geen twijfel, dat de minnaar, aan eigen aandrift en
eigen inertie overgelaten, nooit den juisten weg vinden zou. Doch wat in de
mythe een onbegrijpelijke, van buiten af opgelegde dwangmaatregel schijnt,
waartegen dan ook prompt gezondigd wordt, dat wordt in Robinson's gedicht tot
het wezen zélf van het weerzien, tot een immanente noodzakelijkheid, die niet
is weg te denken, om het even of zij uitgesproken wordt of verzwegen,
uitgevaardigd of weer ingetrokken.
Uit dit alles blijkt wel voldoende, dat de ontmoeting waarvan hier
sprake is, nog op een geheel andere wijze tegen de ‘natuur’ indruischt dan door
de hachelijkheden eener banale spookbezwering. Het probleem is hier volkomen
psychologisch geworden, en de vraag: wat moet de mensch doen om de dooden
‘terug te zien’, heeft alleen nog maar betrekking op de mogelijkheid van een
geestelijk bezit. De beantwoording van deze vraag laat dan in
het gedicht aan duidelijkheid weinig meer te wenschen over. Alleen dàn zal
Luke Havergal met de geliefde kunnen communiëeren, wanneer
hij zich onvoorwaardelijk afgesloten heeft niet alleen van de buitenwereld
waarin zij eens leefde, doch ook van de al te tastbare schaduwbeelden, die zijn
eigen ziel nog van haar bewaart, wanneer hij dus ieder fetischisme-outre-tombe
heeft overwonnen. Door dezen eisch wordt ook zijn hulpelooze aarzeling, die zoo
veel toespraak behoeft, pas begrijpelijk. Het is de aarzeling van iemand die
voor een offer staat. The dark will end the dark if anything:
na het verlies van de werkelijkheid nog het verlies van het beeld dier
werkelijkheid, na den lichamelijken dood de dood in den geest, na het gemis van
het Al de overgave aan het Niets, - en hoewel dit laatste weinig anders kan
zijn dan het door de tijden heen zoo verschillend geformuleerde psychische
vacuum, waarin elke mystische wedergeboorte haar oorsprong vindt, toch is het
maar al te begrijpelijk dat de menschelijke ziel, zich vastklampend aan het
‘half of paradise’ van een onherroepelijk verloren verleden, de uiterste
armoede en naakt- | | | | heid schuwt van een bewustzijn, waar alle
objecten uit verbannen zijn. Deze onwil, onbewust, maar daardoor des te
onweerstaanbaarder, want berustend zoowel op instinctieve binding als op
gewoontetraagheid, rechtvaardigt ook hier het optreden van een initiator. Want
als er iets door het gedicht Luke Havergal in het licht wordt
gesteld, dan is het minder de moeilijkheid om dien weg te volgen dan om hem te herkennen en te onderscheiden van zooveel wat zich als zelfverteederende
pseudo-mystiek aandient. Vandaar ook het opvallend aantal negatieve wendingen,
aanwijzingen bevattend omtrent de dingen die een vereenzelviging met het
mysterie in den weg staan. Achter de gedaante van dit vers staat het hard en
ascetisch schema van een mystiek leerdicht, opgebouwd met een bijna
scholastische consequentie. In het begin leeft de gestorvene nog in de
fluisterende bladeren, in de derde strophe in de zinnelijke herinnering, doch
meer en meer worden deze banden meedoogenloos afgesneden, - waarbij, met de
volledigheid van een Ignatiaansche ‘compositio loci’, de zintuigelijke gebieden
afzonderlijk genoemd en afgewezen worden: eerst het gehoor, dan het gezicht,
dan het tastgevoel, - en er rest tenslotte een communicatiemogelijkheid van
louter ideeëlen aard, moeilijk genoeg te bepalen, en zeer zeker nog lang niet
uitgeput door woorden als ‘geloof’ en ‘vertrouwen’, al resumeert de
indrukwekkende wijziging van listen in trust wel ongeveer den gedachtengang die, achter het gedicht om,
gevolgd is. Dit ‘weerzien-zonder-zien’, - als zoodanig niet minder zwaar te
bewerkstelligen dan het ‘doen alsof men niet doet’ der Oostersche philosofen, -
kan in abstracto omschreven worden met behulp van velerlei wijsgeerige
formules, maar bezit toch wellicht de meeste verwantschap met de liefdeshouding
die Rilke in Malte Laurids Brigge heeft aangeduid: het op
oneindigen afstand plaatsen van het geliefde object en een daarmee gepaard
gaande objectivatie van de liefde-zélf tot ‘gericht’ verlangen, dat in beginsel
niet meer te bevredigen, zelfs niet te beantwoorden is. Want bevrediging (en
dan nog een kortstondige) is al- | | | | leen denkbaar in en door een
voorstelbare, bezitbare, genietbare realiteit, die hier geheel onteigend wordt
ten behoeve van het ‘zuivere zelf’, dat enkel nog over mogelijkheden beschikt,
niet meer over werkelijkheden, die ons toch weer ontroofd zouden worden.
S. Vestdijk
|
1)Bij wijze van wraakneming wil ik hier over
Edwin Arlington Robinson en zijn beroemde poëzie volstaan met enkele losse
kantteekeningen. Geboren 1869. Geen moderne experimentator, niet beïnvloed door
Whitman. Eenige oppervlakkige overeenkomst met Rossetti (?) - maar veel minder
allegorisch-bloemrijk dan de laatste, kaler, gladder, en vooral: veel
concreter, vaak op het huiselijke en platte af. Als persoonlijke noot het
gebruik van eigennamen in niet-epische verzen. ‘Groote’ epiek ( Merlin, Lancelot, en de rest) onleesbaar. Grieksche motieven,
enkele patriottische liederen ook, voltooien het beeld van den fatsoenlijken dichter, de protectie van Teddy Roosevelt niet
onwaardig. Van de kortere verzen, meerendeels psychologische schetsen van een
eigenaardige omzichtigheid en soberheid, geef ik hier Fleming
Helphenstine, dat nog juist goed genoeg is om, als ‘link’ tusschen
onbeduidendheid en genialiteit, de gedachte te helpen onderdrukken, dat zijn
‘one-poem’ door een ander geschreven zou zijn.
At first I thought there was a superfine
Persuasion in his face; but the free
glow
That filled it when he stopped and cried
‘Hollo!’
Shone joyously, and so I let it shine.
He said his name was Fleming
Helphenstine,
But be that as it may; - I only know
He talked of this and that and So and
So,
And laughed and chaffed like any friend of
mine.
But soon, with a queer, quick frown he looked at
me.
And I looked hard at him; and there we
gazed
In a strained way that made us cringe and
wince:
Then, with a wordless clogged apology
That sounded half confused and half
amazed,
He dodged, - and I have never seen him
since.
Tegenwoordig interesseer ik me nog alleen voor het
portret van dezen Edwin Arlington Robinson, die me verder zoo
weinig te zeggen kan hebben. Het is de kop van een scepticus, een stoïcijn
bijna, fijn, regelmatig en wat vervelend; een veelbelovend jong archivaris. Het
bijzondere erin zou men kunnen weergeven door de woorden zuiverheid en leegheid; maar het is de leegheid
van een ‘tabula rasa’, een leegheid, die openstaat en zich plotseling vol kan
zuigen. Summa summarum wel het gezicht van iemand, die éénmaal in zijn leven
door hoogere machten bezocht werd, om dan tot aan zijn dood in contemplatieve
berusting voort te leven, zonder ook maar te vermoeden wat er toen met hem was
geschied. Het is, met andere woorden, het gezicht van een dichter, wiens werk
een onontkoombaar argument levert tegen elken persoonlijkheidscultus, niet
omdat dit werk ‘onpersoonlijk’ zijn zou, maar omdat het op één beslissend
moment doorbroken werd door iets, dat de persoonlijkheid ver boven zich zelf
deed uitstijgen.
1)Een eenigszins uitvoerige behandeling van de
vormqualiteiten (structuur, klank) van Luke Havergal moet
hier achterwege blijven. Daarom slechts enkele opmerkingen. Wat den klank
betreft, deze is nergens opvallend weelderig of beteekenisvol; enjambementen
ontbreken; sommige regels klinken zelfs ‘leelijk’. Het schijnt mij echter toe,
dat deze lichtelijk ascetische klank zich nauwkeurig aanpast bij het onderwerp.
Luistert men aandachtig toe, dan openbaren zich trouwens hier en daar
klankschoonheden, die men eerst niet vermoed had. De prosodische opbouw volgt
het cyclische principe: door herhaling van eerste strophe, eerste regel van
iedere strophe, en laatste twee maatvoeten van iedere laatste regel. Wie van
het ontraadselen van symbolische betrekkingen houdt zal hier een dieper verband
met den inhoud in kunnen vinden. Doch ook geheel op zich zelf beschouwd is de
compositie volkomen verantwoord. Men kan de proef nemen, door b.v. de herhaling
van Luke Havergal, In eastern skies, etc. weg te laten: het
gedicht klinkt onmiddellijk eentonig, schools.
1)Op verschillende plaatsen in La
jeune Parque, b.v. daar waar de afdaling in een somber droomgebied
aangeduid is door de vier cursief gedrukte regels. (... Le noir
n'est pas si noir... doet ook woordelijk wel sterk denken aan The dark will end the dark if anything!)
|
|