|
|
|
| |
| | | |
Gesteld en toegegeven als markering van hypothese en concessie
J.A.M. Komen en A.M. Duinhoven
In Dutch, the perfect participles gesteld (‘posited, assumed’) and toegegeven (‘conceded, granted’) show similar syntactic particularities. These participles, when used as conjunctions, can be followed both by a subordinate clause (dat + SOV) and a main clause (SVO). However, toegegeven is normally used with SVO and gesteld with SOV. While gesteld and toegegeven in modern Dutch can be complemented only by a sentence (Participle + S), in older stages of the language the participles were also used in so-called absolute constructions (Participle + NC). In this paper we will try to explain these phenomena, assuming that the synchronic and diachronic oppositions are the result of change. It will be argued, that the syntactic development has been influenced by the semantics of hypothetical and concessive relations, expressed by these participles.*
| |
1. Inleiding
Om de precieze relaties tussen zinsdelen en zinnen tot uitdrukking te brengen worden er in het Nederlands steeds meer verbindingswoorden gebruikt. Sinds het Middelnederlands zijn de categorieën van voorzetsels en voegwoorden sterk uitgebreid. Voorzetselgroepen, bijwoorden en deelwoorden zijn tot prepositie en conjunctie geworden. Zo kunnen met behulp van oorspronkelijke participia als gedurende, gezien, niettegenstaande temporele, causale en concessieve betekenisverhoudingen worden aangeduid.
In dit artikel willen wij de deelwoorden gesteld en toegegeven bezien, die zijn gaan dienen om hypothetisch-conditionele en concessieve betrekkingen te expliciteren. De twee deelwoorden vertegenwoordigen een ruimere groep. Min of meer synoniem met gesteld zijn ondersteld, verondersteld, voorondersteld, aangenomen, genomen en de (verouderde) leenwoorden gepresupponeerd en posito; vooropgesteld en vooropgezet zijn slechts tot op zekere hoogte vergelijkbaar. Naast toegegeven werd ook gebruik gemaakt van toegestaan. De genoemde verbindingswoorden zijn om verschillende redenen intrigerend.
Gesteld en toegegeven zijn naar de vorm nog onmiskenbaar participia. Ze hebben met elkaar hun ontwikkeling van deelwoord tot verbindingswoord gemeen. Deze overgang is op zichzelf al opmerkelijk en verdient een nadere beschouwing. Daarnaast is het merkwaardig, dat de genoemde woorden in het hedendaags Nederlands slechts zinnen met elkaar verbinden, terwijl andere deelwoorden niet alleen tot voegwoord maar ook tot voorzetsel geworden zijn. Het is bovendien opmerkelijk, dat gesteld en toegegeven behalve bijzinnen (1-2), ook hoofdzinnen inleiden (3-4):
| (1) |
Gesteld dat hij het examen aflegt, dan zal hij slagen |
| (2) |
Toegegeven dat hij ijverig is, toch zal hij niet slagen |
| (3) |
Gesteld, hij legt het examen af; dan zal hij slagen |
| (4) |
Toegegeven, hij is ijverig; toch zal hij niet slagen |
| | | |
Waardoor wordt het volgordeverschil teweeg gebracht en welke betekenisverschillen hangen met de hoofdzin- respectievelijk bijzinvolgorde (SVO dan wel SOV) samen?
Vergelijking met oudere fasen van het Nederlands en een verwante taal als het Duits leert, dat de diversiteit in het gebruik van deze veronderstellende en toegevende deelwoorden nog groter is geweest dan tegenwoordig. Zo konden gesteld en togegeven ook met een naamwoord worden verbonden tot een zogenaamde absolute constructie. Paragraaf 2 geeft een overzicht van alle gebruiksmogelijkheden.
Verscheidene participia hebben zich vanuit deze absolute constructie ontwikkeld tot preposities en conjuncties. In de paragrafen 3-5 wordt beschreven, hoe en waardoor deze taalveranderingen zich zullen hebben voltrokken. Het is opmerkelijk, dat gesteld en toegegeven uitsluitend zinnen inleiden, en zich niet tot voorzetsel of ‘achterzetsel’ hebben ontwikkeld. In § 6 zal de verklaring worden gezocht in het feit, dat de verbindingswoorden in overdrachtelijke zin worden gebruikt en een waarheidsoordeel inhouden.
Naast onderlinge overeenkomsten, vertonen gesteld en toegegeven ook verschillen. Gesteld leidt meestal een dat-zin in, terwijl met toegegeven bij voorkeur een hoofdzin wordt verbonden. In § 7 zal op de problemen van bij-, onder- en nevenschikking nader worden ingegaan. {Gesteld + hoofdzin} lijkt alleen mogelijk, wanneer deze hypothetische zin aan de hoofdmededeling voorafgaat: ?hij zal slagen, gesteld, hij legt het examen af. {Toegegeven + SVO} kan wel op de hoofdzin volgen: hij zal slagen; toegegeven, het zal moeite kosten. In § 8 zullen we betogen, dat de verschillen te maken hebben met de aard van het hypothetisch-conditionele en het concessieve zinsverband. Het feit tenslotte, dat op toegegeven meestal een hoofdzin volgt en op gesteld een dat-zin, wordt in § 9 met de directe en de indirecte rede in verband gebracht.
De variatie in heden en verleden is het resultaat van verandering. De verschillende gebruiksmogelijkheden van de participia gesteld en toegegeven zijn geleidelijk ontstaan. Het voegwoordelijke karakter van de deelwoorden, de diverse volgordepatronen, de overeenkomsten tussen de deelwoorden en de onderlinge verschillen moeten dan ook vanuit de historische ontwikkeling kunnen worden verklaard. In deze bijdrage willen wij daarom trachten de functie van de verbindingswoorden te beschrijven vanuit diachroon perspectief. Cruciaal zal daarbij de hypothese blijken te zijn (Duinhoven 1985, 1988:157-171), dat het participium, tegenwoordig als werkwoord en als naamwoord in gebruik, aanvankelijk een adverbiale samenstelling was. De beschrijving en verklaring van de functies van gesteld en toegegeven zal voor deze hypothese een testcase vormen.
| |
2. Overzicht gebruiksmogelijkheden
Hieronder volgt een overzicht van de wijzen waarop gesteld en toegegeven vroeger en nu werden en worden gebruikt. We kunnen het Nederlands als een continuum beschouwen; we maken daarom in principe van alle beschikbare
| | | | bronnen gebruik (van circa 1200 tot heden). Vaak zijn er in de loop van de tijd verschillen ontstaan; oudere en jongere citaten worden dan tegenover elkaar gesteld. Op andere punten is er sinds het Middelnederlands niets veranderd, hetgeen citaten uit diverse perioden illustreren.
We geven eerst voorbeelden van de verbinding met een naamwoordgroep (§ 2.1), dan van combinaties met ondergeschikte zinnen (SOV; § 2.2), tenslotte van verbindingen met ‘hoofdzinnen’ (SVO; § 2.3). De gebruiksmogelijkheden in het Nederlands zijn grotendeels vergelijkbaar met die in het Duits;1. voor de verschillen, die hieronder worden vermeld, zij verder verwezen naar Annema 1924.
| |
2.1 Participium + NC
Uit de volgende voorbeelden blijkt, dat woorden als gesteld en toegegeven aan een naamwoord voorafgingen. Toegegeven kon ook volgen:
| (5) |
Zal de uitvoering, gesteld de mogelijkheid, toch niet moeijelijk zijn? (Roorda 1864:185) |
| (6) |
De mogelijkheid toegegeven, of Toegestaan de mogelijkheid, zal de uitvoering toch zeer bezwaarlijk zijn (Roorda 1864:165, 185) |
In het Duits staan deelwoorden als vorausgesetzt en zugegeben meestal in postpositie. Ook in combinatie met een terugwijzend voornaamwoord staat het Nederlandse deelwoord achteraan. Wij kunnen slechts een citaat met vooropgezet geven:
| (7) |
Dit vooropgezet, zij de indruk geboekstaafd dat Frederik Hendrik [...] zeer wel besefte wat voor een gelukkige keuze hij had gedaan (J.J. Poelhekke. Frederik Hendrik. Zutphen 1978:138) |
doch mede op grond van Duitse wendingen als dieses aber angenommen en dieses aber eingestanden (Annema 1924:86-87) moeten we de mogelijkheid openhouden, dat ook verbindingen als dit gesteld en dit toegegeven mogelijk zijn geweest.
In het Nederlands kon het voltooid deelwoord worden gevolgd door een weinig zeggend substantief als het geval, dat weer door een dat-zin werd gespecificeerd:
| (8) |
Aangenomen het geval, dat gij kunt, wilt gij dan? (Van Helten 1894-1895, 2:30) |
In het Duits kan op gesetzt den Fall of den Fall gesetzt ook een zin met hoofzinvolgorde volgen: gesetzt den Fall, ich habe morgen keine Zeit (Griesbach und Schultz 1960:87).
| |
2.2 Participium + SOV
De bijzin behoeft niet van het geval afhankelijk te zijn.2. In de regel volgt op de
| | | | deelwoorden gesteld (ondersteld, vooropgesteld) en (aan-)genomen onmiddellijk de dat-zin. Ook toegegeven dat komt voor, maar lijkt in het hedendaags Nederlands niet erg gebruikelijk. De persoonsvorm in de door dat ingeleide bijzin werd in het verleden veelal in de aanvoegende wijs gesteld.3.
| (9) |
Of gesteld, dat gij besloten waart, ter wille van uwen hartstocht, ook het ergste te overzien, konden er zich dan van mijne zijde geene zwarigheden voordoen [...]? (Bosb.-Touss. 2, 244b [1843]; WNT 4, 1810) |
| (10) |
Ondersteld dat hy hadt geweeten, datmen in 't Latijn zegt, major quam ille, of, major illo, zo zou hy geschreeven hebben: zy zijn grooter als hy, en niet hem grooter (Werken Maetsch. Ned. Ltk. 1, 32 [1768]) |
| (11) |
Aangenomen dat Gorbatsjov terugkeert in al zijn functies, dan is dat voor een groot deel, zo niet volledig, aan Jeltsin te danken (NRC Handelsblad 22-8-1991) |
In plaats van dat kwam ook wel het onderschikkende of voor. Het voegwoord of kan hier als ‘indien’ worden begrepen, en onderstreept zo het conditionele karakter van de bijzin:4.
| (12) |
Genomen oft soo waar, soud'ick niet mogen weten, waar dat dees Jofvrou woont? of hoe sy is geheten? (Bredero 1, 343 [1615]; Van der Veen 1905:114) |
Wanneer de bijzin door een voltooid deelwoord wordt voorafgegaan, kan daaraan het tegenwoordig deelwoord zijnde worden toegevoegd:5.
| (13) |
Maar, gesteld zijnde, Mijn Heer! dat we hen alleen als onfeilbaare rechters in dit geschil te erkennen hadden; schijnt het my toe, dat [...] (Werken Maetsch. Ned. Ltk. 1, 12 [1737]) |
| (14) |
Toe-gegeeven zijnde, dat we ten opzigte der Ouden niet in acht te neemen hebben, of ze vertaalers zijn of niet; blijf ik tot nog by die zelfde gedagte, dat [...] (Werken Maetsch. Ned. Ltd. 1, 13 [1737]) |
| |
2.3 Participium + SVO
De zin die op het deelwoord volgt kan ook een hoofdzin zijn.6. Na toegegeven is dit zelfs de gewone constructie:
| (15) |
En gesteld, hij volgde haar niet meer, was daarmee dan de zaak wel uit? (Bordewijk, Tijding van ver 175 [1961]; Van Es en Van Caspel 1971-1975, nr. 37:28) |
| (16) |
Toegegeven: de Fransen zijn lastig en vaak irriterend, maar dat is geen reden hen onnodig voor het hoofd te stoten (NRC Handelsblad 28-1-1992) |
Ook wanneer een hoofdzin volgt, kan aan het voltooid deelwoord zijnde worden toegevoegd:
| | | |
| (17) |
Maer eens ondersteld zijnde, 't stond hier twyfelachtig, 't geen ik niet zie, zo is immers zijn gevoelen in zyne schriften te vinden (Werken Maetsch. Ned. Ltk. 1, 26 [1740]) |
Na het hypothetische gesteld en aangenomen kan de persoonsvorm zowel in de aantonende als in de aanvoegende wijs staan:
| (18) |
Genomen ghy wiert [...] door eenen fellen storm in zee beloopen, wat zout ghy wel denken! (Vondel 4, 191 [1642]; Oudemans 1870-1880, 2:509; WNT 4, 1572) |
| (19) |
Aangenomen de dief ware aan die wond gestorven, dan zou de verwonde toch niet wegens moord kunnen aangeklaagd worden (WNT 1, 144) |
Dat is ons ook uit het Duits bekend.7. Het schijnt zelfs regel te zijn, dat in de hoofdzin na gesetzt en zugegeben de aanvoegende wijs wordt gebruikt.8. Dat geldt in mindere mate ook voor vorausgesetzt.9.
De volgende voorbeelden laten zien, dat de verbinding van {toegegeven + hoofdzin} zeer zelfstandig kan zijn en heel los met de hoofdmededeling verbonden:
| (20) |
Toegegeven, de stroom vluchtelingen uit het ineengestorte Sovjet-rijk stelt de Duitse regering voor een groot probleem. Een poging om de stroom via administratieve stappen te reguleren is redelijk. Duitsland vraagt terecht zijn Europese partners de vluchtelingenlast te delen. Maar zolang er vluchtelingen op Duitse bodem zijn, is de staat verplicht hen te beschermen (NRC Handelsblad 13-10-1992) |
| (21) |
Dit jaar bij voorbeeld bestond negentien procent van de studenten uit vrouwen in mijn MBA klassen (toegegeven het is nog lang niet zoveel als de aantallen die men ziet in de Business Schools in de Verenigde Staten [...]) (NRC Handelsblad 9-1-1992) |
In (20) worden verschillende zinnen met hoofdzinvolgorde (van de stroom tot en met te delen) nevenschikkend doch asyndetisch met elkaar verbonden en aan toegegeven ondergeschikt. In de meeste gevallen gaat de concessie vooraf aan de hoofdmededeling. Uit (21) blijkt echter, dat de door het absolute deelwoord ingeleide toegeving ook op de hoofdmededeling kan volgen.
Terwijl zinnen met gesteld, ook wanneer die een hoofdzinvolgorde hebben, nauw samenhangen met de hoofdmededeling, zijn zinnen met toegegeven in hoge mate zelfstandig. Daardoor kunnen dit soort zinnen als een losse toevoeging of tussenvoeging dienen:
| (22) |
Hoe verlies je een klein fortuin bij Lloyd's of London, de beroemdste verzekeringsmarkt ter wereld? Door met een groot fortuin te beginnen! Toegegeven: een wrange grap, maar met een kern van waarheid (NRC Handelsblad 30-7-1992) |
| (23) |
De volgende eeuw, de negentiende, was [...] allerminst homogeen |
| | | |
| ‘optimistisch’ en zeker niet in de eerste helft [...]. Later in de eeuw domineerde in stromingen als het liberalisme en socialisme, toegegeven, een vooruitgangsoptimisme (NRC Handelsblad 8-12-1992) |
Wanneer zoals in voorbeeld (24) toegegeven volgt op datgene wat wordt toegegeven, staat het op zichzelf, ‘absoluut’. Het deelwoord kan in deze zelfstandige, losse, onafhankelijke positie naderen tot een tussenwerpsel met de betekenis ‘akkoord!’, ‘goed!’, ‘soit!’:10.
| (24) |
Het getal der toehoorders op die collegiën [...] zal aanmerkelijk verminderen. Toegegeven; maar wat schade? (Vissering, Herinn. 3, 280 [1868]; WNT 17, 460) |
| |
3. De absolute constructie
Op de syntactische eigenaardigheden waardoor deelwoorden als gesteld worden gekenmerkt, is reeds in het begin van de achttiende eeuw de aandacht gevestigd door Balthazar Huydecoper. Deze beschouwde het gebruik van de deelwoorden als één van de verschijningsvormen van de zogenaamde ablativus absolutus in het Nederlands, een absolute participiumconstructie gekenmerkt door de ablativus oftewel zesde naamval:
| (25) |
dees Volstrekte Ablativus bestaat dikwils in een enkel Deelwoord, zonder uitgedrukt Naamwoord. Wanneermen een Geval onderstelt, dat of niet is, of twyffelachtig is, bedientmen zich doorgaands van het eene woord Gesteld, [...] al 't welke, volleedig, zou moeten zyn, Het Geval gesteld, of ondersteld, of genomen [zijnde] [...] Dat nu Gesteld, Genomen, enz. moeten aangemerkt worden als staande in den Ablativus, schynen zy zelfs te weeten, die hunne moedertaal met basterdwoorden stoffeeren; gelykmen, daarvoor, dagelyks hoort zeggen, Posito; ook wel, ten overvloede, Posito genomen. welk Posito niet anders is, dan de Ablativus van het Latynsche Deelwoord Positus, d.i. gesteld, en afhangt van 't niet uitgedrukte Naamwoord Casu. Zo gebruiktmen deezen Volstrekten Ablativus ook in [...] Toegestaan [...] (t.w. als 'er ZYNDE bykomt, of by verstaan wordt).11. |
Huydecoper ontleent dus aan de vergelijking met posito een bewijs voor zijn stelling, dat absolute constructies met gesteld en genomen ook in het Nederlands in de zesde naamval zouden staan. Deze naamval wordt echter niet in de vorm zichtbaar: zowel het participium als het aan te vullen naamwoord het geval blijven onverbogen.12.
De naamvalskwestie kunnen we hier laten rusten. Van belang is het feit, dat Huydecoper een verband legt met de Latijnse ablativus absolutus, waarin het naamwoord moet worden opgevat als het subject van de door het participium uitgedrukte handeling of werking. Dat deze subject-predikaatsverhouding ook in het Nederlands inderdaad moet worden aangenomen, blijkt zijns inziens uit de
| | | | mogelijke aanvulling met zijnde. Inderdaad maakt deze aanvulling het onmogelijk het deelwoord als een verbindingswoord te interpreteren. Zijnde versterkt de subject-predikaatsverhouding van de constructie, die dus uit een naamwoordelijk deel bestaat (het subject) en uit een werkwoordelijk deel (het participium); zie noot 5.
Uit de voorbeelden die Huydecoper geeft van de constructie met een ‘enkel Deelwoord’ blijkt, dat hij het patroon op het oog heeft, waarin de plaats van het ‘niet uitgedrukte Naamwoord’ wordt ingenomen door een zin met SVO-volgorde, die op het deelwoord volgt:
| (26) |
Genomen 'k miste een deel door ramp en ongeluck, Noch zou de moedt my niet ontvallen (Vondel 11, 483 [1671]; Huydecoper 1730:574; WNT 4, 1572) |
Hier moet dus genomen als het werkwoordelijke deel worden beschouwd en 'k miste ... ongeluck als het naamwoordelijke deel. De specificerende zin acht Huydecoper eigenlijk afhankelijk van het geval, dat ook toegevoegd kan worden, terwijl het werkwoordelijke karakter van genomen door de toevoeging van zijnde kan worden onderstreept: [genomen zijnde]vc [het geval, 'k miste ...]NC.
De absolute participiumconstructie wordt traditioneel gedefinieerd als een tweeledige verbinding van een naamwoord met een deelwoord, die zich tot elkaar verhouden als subject en predikaat. De absolute constructie komt niet afzonderlijk voor, doch is altijd gekoppeld aan een zin met persoonsvorm. Niet het naamwoord of het deelwoord zijn met deze ‘hoofdzin’ verbonden; de absolute constructie als geheel vervult de functie van een (beknopte) bijwoordelijke bijzin. Deze omschrijving lijkt te voldoen voor constructies waarin inderdaad een naamwoord voorkomt. In het Nederlands resterende verbindingen als alle factoren in aanmerking genomen en haren gekamd, schoenen gepoetst, gingen de kinderen naar school kunnen als bijzinnen worden beschouwd, waarin de door het deelwoord aangeduide werking iets over het ‘subject’ zegt. De nominale constituent staat daardoor centraal en kan, net als het onderwerp in een zin met persoonsvorm, als de kern van de constructie worden gezien:
| (27) |
NCkern participiumspecificatie |
Deze verhouding is echter minder vanzelfsprekend, wanneer het naamwoord achter het deelwoord staat (als in hangende het onderzoek, staande de vergadering), of wanneer de plaats van de NC wordt ingenomen door een zin, die eveneens op het participium volgt. Daarom willen wij hier nader ingaan op de aard en structuur van de absolute constructie.13. Om de syntactische mogelijkheden en onmogelijkheden van gesteld en toegegeven in het hedendaags Nederlands te verklaren, zullen we in de navolgende paragrafen ook de ontwikkelingen bespreken die de constructie heeft doorgemaakt.
De absolute constructie, een verbinding van participium en NC, vormde (en vormt) net als het absolute deelwoord, een weliswaar secundaire doch vrij zelfstandige toevoeging aan een zin. In een mededeling als:
| | | |
| (28) |
Wij zijn, alle factoren in aanmerking genomen, zeer tevreden |
wordt de ‘bijzin’ niet door middel van voegwoorden met de hoofdmededeling verbonden, en staat daardoor in formeel opzicht enigszins apart. Ook naar de inhoud vormt de verbinding een perifere, ‘parenthetische’ mededeling, die als een ‘bijgedachte’ of ‘bijkomende omstandigheid’ aan de hoofdmededeling wordt toegevoegd.
De verbinding van nomen en participium werd als een subject-predikaatsverbinding ervaren, als een soort bijzin. Net als gewone bijzinnen met verbum finitum konden absolute constructies daardoor als deel van een samengestelde zin worden gezien. De verbindingen waren niet langer ‘bijgeschikt’, losjes aan de hoofdmedeling toegevoegd, doch werden ervaren als onderdeel van de hoofdmededeling, als bijwoordelijke bijzin. Maar dan kon wel zo goed een regelmatige bijzin met conjunctie en persoonsvorm worden gebruikt, waarbinnen de verhoudingen duidelijk zijn en waarvan de verbinding met de hoofdzin doorzichtig is. De interpretatie dus als ‘bijzin’ maakt de absolute constructie overbodig. Het feit dat zich sinds het Middelnederlands een uitgebreid systeem van bijzinnen heeft ontwikkeld, maakt het mogelijk en begrijpelijk, dat absolute constructies, die veel aan de interpretatie overlaten, worden vermeden.
| |
4. De veranderende functie van het participium
Het verdwijnen van de absolute constructie moge daarmee verklaard zijn, de vraag dringt zich op, hoe deze in formeel opzicht primitieve constructie ooit bruikbaar kan zijn geweest. De relatie tussen subject en werkwoord blijkt niet uit congruentie naar persoon en getal; aanduidingen van tijd en modus ontbreken. Ook de verhouding tussen ‘beknopte bijzin’ en ‘hoofdzin’ is onduidelijk. Er is geen onderschikkend element en ook de aard van de verhouding wordt niet aangegegeven. Zouden we in oorsprong wel met een bijzin te doen hebben?
Twijfel wordt ook ingegeven door het hierboven reeds genoemde verschijnsel, dat het ‘subject’ vaak op het ‘werkwoord’ volgt. En bovendien doet als ‘subject’ vaak een zin dienst, niet alleen een dat-zin, maar ook een zin met hoofdzinvolgorde. Om deze anomalie te maskeren werd, zoals Huydecoper beschrijft, het geval tussengevoegd (zie 25), waardoor de constructie er wat meer als een zin uitziet. En om dezelfde reden werd het werkwoordelijke aspect van het voltooid deelwoord versterkt door de toevoeging van zijnde.
Het is zeer wel denkbaar, dat de bijzin-interpretatie, d.i. structuur (27), die nu aan de absolute constructie wordt toegekend, afwijkt van de oorspronkelijke structuur van de verbinding. Deelwoorden hebben in het huidige Nederlands een dubbele functie. Het zijn bijvoeglijke, adnominale woorden dan wel werkwoorden. Er zijn echter gebruiksgevallen in het hedendaags en vooral het historische Nederlands die vanuit deze twee functies niet bevredigend verklaard kunnen worden; daartoe zou ook de absolute constructie kunnen behoren.
Nu wordt in Duinhoven 1985 (en 1988:157-171) betoogd, dat participia, die we tegenwoordig als afleidingen van de werkwoordstam zien, in oorsprong
| | | | adverbiale samenstellingen zijn. In de weliswaar ondoorzichtig geworden uitgangen zijn nog de oorspronkelijke bijwoorden te herkennen, die door de werkwoordstam gespecificeerd werden. In deelwoorden als gesteld en toegegeven (met jonger prefix ge-) geven de suffixen -d (< te/to, d.i. ‘te/toe’) en -en (d.i. ‘in’) het effect van de werking aan. Zo betekende gezegd ‘in woorden’ en gelopen ‘te voet’. Gesteld kan met ‘in stelling’ en toegegeven met ‘als concessie’ worden weergegeven. Deelwoorden waren dus adverbiale formaties, vergelijkbaar met de tegenwoordige voorzetselgroepen.
De hypothese, dat deelwoorden in oorsprong adverbiale formaties waren, lijkt het antwoord te bieden op alle vragen die hierboven aan de orde zijn gesteld. In de eerste plaats is het probleem weggenomen, dat de absolute constructie steeds met een ‘hoofdzin’ verbonden moet worden geacht zonder dat deze onderschikking formeel werd aangegeven. Beschouwen we het deelwoord als een adverbiale formatie, een samenstel van werkwoordstam en bijwoord (of ‘achterzetsel’), dan geeft dit onderschikkende element de verhouding ten opzichte van de rest van de mededeling weer.
Dit houdt in, dat het participium het kerngedeelte van de absolute constructie is, dat via het adverbiale suffix direct met de ‘hoofdzin’ is verbonden. Het nomen binnen de absolute constructie is als een specificatie bij het participium te beschouwen, zodat deze structuur heeft gegolden:
| (29) |
Participiumkern NCspecificatie |
De specificerende functie van de NC maakt het begrijpelijk dat ook zinnen ter specificatie kunnen worden gebruikt. We zullen hieronder nog ingaan op de condities waaronder dit gebeurt.
Wanneer we nu (27) met (29) vergelijken:
| (27) |
NCkern participiumspecificatie |
wordt duidelijk wat er gebeurd moet zijn. Het participium, eerst de adverbiale kern van de constructie, die daarmee als geheel een adverbiale bepaling was, werd meer en meer als een werkwoordsvorm gezien. Het nomen, eerst een specificatie bij het participium,14. kon daardoor als subject en uitgangspunt van de verbinding worden beschouwd,15. hetgeen in vele gevallen een omzetting vanzelfsprekend maakte:
| (30) |
[Participiumkern NCspecificatie]adv.bep. → [NCkern participiumspecificatie]bijzin |
De adverbiale bepaling is hiermee tot een beknopte bijzin geworden, die door de normale bijzin met conjunctie en persoonsvorm is verdrongen.
Zoals bij alle herinterpretaties blijft naast het nieuwe syntactische patroon de oude constructie nog een tijd lang in gebruik. Wanneer we nu trachten te verklaren, hoe de deelwoorden gesteld en toegegeven tot verbindingswoorden konden worden, moeten we met beide constructies rekening houden.
| |
| | | |
5. Van participium tot verbindingswoord
De hierboven geschetste overgang van adverbiale bepaling tot bijzin maakt nog niet duidelijk, hoe gesteld en toegegeven tot verbindingswoorden zijn geworden, en evenmin waarom uit deze deelwoorden slechts ‘voegwoorden’ en geen voorzetsels zijn ontstaan. Onverklaard is ook, waarom de door gesteld en toegegeven ingeleide zinnen zowel hoofd- als bijzinnen kunnen zijn. En waarom wordt na gesteld de dat-zin (SOV) geprefereerd en na toegegeven de hoofdzin (SVO)?
We mogen op grond van de woordorde aannemen, dat de verbindingswoorden gesteld en toegegeven zich rechtstreeks uit structuur (29) hebben ontwikkeld. Wanneer het naamwoord een nadere bepaling bij het deelwoord vormt, is achterplaatsing min of meer ‘natuurlijk’. We kennen wel woordgroepen waarin de bepaling aan de kern voorafgaat, als in: hij is {op zijn rust gesteld}. Op zijn rust vormt hier een min of meer vaste of in de situatie vanzelfsprekende bepaling, die nauw met de kern gesteld is verbonden. Gaat het om nieuwe informatie, dan is achterplaatsing gewoon: hij is gesteld op zijn rust. Op het verschil tussen de ‘synthetische’ en ‘analytische’ presentatie komen we in de volgende paragraaf terug.
Even vanzelfsprekend als de volgorde in (29) is die in de structuur met bijzinkarakter (27). Wanneer de absolute constructie eenmaal als een subject-predikaatsverbinding wordt beschouwd, ligt vooropplaatsing van de naamwoordgroep voor de hand. Net als in de zin met persoonsvorm wordt eerst het subject geïntroduceerd, waarover vervolgens in het predikaat nieuwe informatie wordt verstrekt.
De opeenvolging van kern en specificatie heeft dus tot twee vaste structuren (27) en (29) geleid. Een en dezelfde verhouding op informatieniveau (eerst de bekende kern, dan de nieuwe specificatie) heeft twee syntactische patronen opgeleverd. Zoals altijd kunnen deze gefixeerde syntactische structuren weer worden doorkruist door nieuwe, tegengestelde informatieverhoudingen. Dat kan bij gelijkblijvende volgorde tot nieuwe syntactische structuren leiden, maar ook bij gelijkblijvende syntactische verhoudingen tot nieuwe volgordepatronen.
Wat het laatste betreft: wanneer in (6) reeds over de mogelijkheid gediscussieerd is, vormt de syntactische kern toegegeven het nieuwe element en ligt de volgorde de mogelijkheid toegegeven voor de hand. Het is de informatieverhouding die de volgorde bepaalt. Dat verklaart het feit, dat terug wijzende voornaamwoorden wel voorop moeten staan: *vooropgezet dit (vgl. 7). Er is echter een goede kans, dat een woordgroep als dit vooropgezet als een ‘bijzin’ wordt geïnterpreteerd (27), waarin vooropgezet het gezegde vormt. Hoewel dus de wisselende informatieverhoudingen in verschillende contexten voor veranderingen in de volgorde kunnen zorgen, blijven de twee hoofdregels voor de volgorde van de absolute constructie toch gelden: het adverbiale deelwoord staat voorop en het werkwoordelijke deelwoord achteraan.
Ook wanneer de volgorde onveranderd blijft, kan de onderlinge verhouding van twee elementen zich wijzigen. In (27) staat het subject voorop en bevat het participium als gezegde de nieuwe informatie:
| | | |
| (27) |
NCkern participiumspecificatie |
Veelgebruikte, stereotiepe participia nu (als uitgezonderd en inbegrepen) worden niet meer als een predikaat ervaren, doch als een ‘achterzetsel’, een met een voorzetsel vergelijkbaar verbindingswoord (vgl. Komen 1993, inz. § 10). In iedereen, Karel uitgezonderd is het subject van de absolute constructie, nl. Karel, als een appositie bij iedereen opgevat en daarmee binnen de hoofdzin getrokken. Uitgezonderd kan niet langer als een werkwoord worden beschouwd, doch vormt een ‘achterzetsel’, dat de verhouding tussen iedereen en Karel verduidelijkt. Syntactische verbindingswoorden vormen dus niet alleen de voortzetting van vooropgeplaatste adverbiale participia (29), maar in mindere mate ook van verbale participia (27).
Voor ons van het meeste belang is de structuurverandering van (29):
| (29) |
Participiumkern NCspecificatie |
Als specificatie bevat de naamwoordgroep de nieuwe informatie waarom het de taalgebruiker in de mededeling te doen is. De naamwoordgroep vormt dus in informatief opzicht de kern, en het adverbiale participium kan als ondergeschikt worden ervaren. Het is nu mogelijk, dat de syntactische structuur aan de informatiestructuur wordt aangepast. Er ontstaat dan eenzelfde verhouding als tussen de in oorsprong eveneens adverbiale preposities en de navolgende naamwoorden. In ongeacht de mogelijkheid bijvoorbeeld, net als in zonder, met of vanwege die mogelijkheid, kunnen we het naamwoord als de syntactische kern zien, die wordt voorafgegaan door een verbindingswoord. Dit voorzetsel geeft aan in welke verhouding de nominale constituent staat ten opzichte van de rest van de zin.
Gelet op de adverbiale status van het participium is het dus niet verwonderlijk, dat verscheidene veelgebruikte deelwoorden zich in het Nederlands tot verbindingswoorden, i.c. voorzetsels, ontwikkeld hebben:
| (31) |
Participiumkern NCspecificatie → verbindingswoord NCkern |
Daarmee houdt deze ontwikkeling een argument in voor de hypothese dat het participium inderdaad een adverbiale formatie was. De participia gesteld en toegegeven echter zijn wel tot verbindingswoorden geworden, maar niet tot voorzetsels. We zullen in de navolgende paragraaf bezien, hoe dat kan worden verklaard.
| |
6. Gesteld en toegegeven + zin
Dat gesteld en toegegeven niet tot voorzetsel doch tot ‘voegwoord’ geworden zijn, hangt uiteraard samen met het feit, dat deze deelwoorden zelden door een naamwoord doch meestal door een zin worden gespecificeerd. Volgt er al een zelfstandig naamwoord, als in (5) en (6), dan lijkt de oude verhouding (29) te gelden en kunnen we nog van een absolute constructie spreken. Gesteld en
| | | |
toegegeven hebben hier ‘nog niet volkomen het karakter van voorzetsels [...] aangenomen’ (Cosijn 1886-1888, 1:173).
Dat gesteld en toegegeven echter wel als een soort voegwoorden moesten worden beschouwd, werd een eeuw geleden reeds betoogd: voor een zin geplaatst hebben de participia ‘min of meer de kracht eener praepositieve uitdrukking’ (Brill 1871-1881, 2:295). Wanneer de plaats van het naamwoord ‘door een zinsnede uitgedrukt wordt, dan noemt men [...] het woord gesteld of ondersteld een voegwoord’ (Roorda 1864:186). Maar waarom werd de specificerende NC in (31) zo regelmatig door een meerledige ‘zinsnede uitgedrukt’?
Het feit dat gesteld en toegegeven voornamelijk door een zin en niet door een naamwoord gespecificeerd worden, en dientengevolge tot een soort voegwoord en niet tot voorzetsel geworden zijn, is te verklaren vanuit de woordbetekenis van de deelwoorden, die uiteraard doorwerkt in de aard van het verband dat door de verbindingswoorden wordt gelegd. Gesteld en toegegeven worden meestentijds in een overdrachtelijke betekenis gebruikt. De woorden hebben dan betrekking op werkingen niet in de waarneembare wereld doch in de wereld van de geest. Ze duiden geen fysieke handelingen aan, doch psychische activiteiten.
De werkwoorden stellen en toegeven houden een uitspraak in over de waarheidswaarde van een bewering.16. Van het concrete stellen (‘plaatsen’, ‘zetten’) is de abstracte hypothetische betekenis ‘[in de werkelijkheid] plaatsen’, ‘poneren’, ‘stellen dat iets waar is’ afgeleid. Stellen wordt door verschillende voorvoegsels gepreciseerd en versterkt: onderstellen, veronderstellen, vooronderstellen. Het letterlijke toegeven (‘extra geven’ of ‘meegeven’) heeft zich ontwikkeld tot de concessieve betekenis ‘als waar of zo-zijnd erkennen’ (vgl. Van Dale 1992:3107). De hypothetische, conditionele en concessieve betekenisverhoudingen zijn nauw verwant. De concessieve functie is vaak een bijzondere vorm van de conditionele functie, die op haar beurt weer te beschouwen is als verbijzondering van de hypothetische functie (vgl. Van Es 1953:1; ANS 1984:658).
In alle gevallen is de waarheid in het geding van wat wordt gesteld, voorondersteld of erkend. Een hypothese houdt in, dat iets als waar wordt aangenomen. Deze veronderstelling kan als een voorwaarde worden gezien voor de vervulling van de hoofdwerking. Hetgeen wordt aangenomen, kan echter ook als van geen belang voor de hoofdwerking worden gepresenteerd. De erkenning vormt dan een toegeving ten opzichte van de hoofdmededeling. Voor veronderstelling, voorwaarde en toegeving geldt gelijkelijk, dat een bepaalde constellatie voor werkelijk wordt gehouden, waar wordt geacht. Zowel in hypothese, als in conditie en concessie wordt uitgedrukt: ‘dit of dat zo zijnde’. De precieze verhouding ten opzichte van de hoofdmededeling wordt door verbindingswoorden, waaronder gesteld (‘indien het zo is’) en toegegeven (‘al is het zo’) aangegeven.
Het waarheidsoordeel betreft een constellatie, een samenstel van factoren, of in logische termen een propositie, een verbinding van elementen. Een persoon of zaak op zichzelf kan niet waar zijn. Daarom kunnen we niet zeggen *de boom is waar, * het is zo, dat de boom of * gesteld de boom. Slechts een combinatie van feiten kan juist, waar of werkelijk worden geacht, worden verondersteld of
| | | | toegegeven: het is waar: de boom is dood; gesteld of toegegeven dat de boom dood is. In het algemeen is er een zin nodig om een propositie tot uitdrukking te brengen. Wanneer daarom de absolute deelwoorden en later de verbindingswoorden gesteld en toegegeven in overdrachtelijke zin worden gebruikt en een uitspraak over de waarheid doen, moet de specificatie de vorm van een zin aannemen. Dat verklaart het feit, dat gesteld en toegegeven slechts ‘voegwoorden’ zijn.
| |
7. Onderschikking, nevenschikking en bijschikking
Er zijn verscheidene redenen om gesteld en toegegeven voegwoorden te noemen. De woorden leiden zinnen in, en koppelen die aan een hoofdmededeling. Ze geven bovendien aan in welke relatie de ondergeschikte zin tot de hoofdzin staat. Het voegwoordelijke karakter lijkt te worden bevestigd door het feit, dat gesteld (dat) door een woord als indien kan worden vervangen, en toegegeven (dat) door hoewel en ofschoon. Toch levert de categorisering problemen op.
| |
De verhoudingen in de voorzin
We kennen in het Nederlands nevenschikkende voegwoorden, als en, maar en want, en onderschikkende als dat, of en wanneer. Op woorden van de eerste categorie volgt een ‘hoofdzin’ met SVO-volgorde, op ondergeschikte conjuncties, soms versterkt met dat, een bijzin met SOV-volgorde. Voegwoorden zijn ofwel nevenschikkend ofwel onderschikkend. Weliswaar komt of in beide categorieën voor, maar in dit homonieme woord zijn twee verschillende voegwoorden (ofte en of) samengevallen (zie Duinhoven en Riem Vis 1986). Het is daarom opmerkelijk, dat op gesteld en toegegeven zowel een hoofdzin (SVO) als een bijzin met dat (SOV) blijkt te kunnen volgen; vergelijk (1)-(4):
| (1) |
Gesteld dat hij het examen aflegt, dan zal hij slagen |
| (2) |
Toegegeven dat hij ijverig is, toch zal hij niet slagen |
| (3) |
Gesteld, hij legt het examen af; dan zal hij slagen |
| (4) |
Toegegeven, hij is ijverig; toch zal hij niet slagen |
Hoe zijn deze twee structuren ontstaan, en wat bepaalt de keuze tussen hoofdzinen bijzinvolgorde?
De tegenstelling tussen hoofdzin (SVO) en bijzin (SOV) kan worden getypeerd als een verschil in presentatie. De informatie die een woordgroep of zin bevat, kan als één geheel, synthetisch, worden verstrekt dan wel deel voor deel, analytisch worden gepresenteerd. In een SVO-zin wordt de mededeling in fasen uiteengezet; de ene specificering volgt op de andere; in een uiteenzetting worden de verbanden al sprekende gelegd. Een zin met SOV-volgorde daarentegen is een synthetische constructie, waarin alle betekeniselementen tezamen, in één keer worden aangeboden. De kleinere eenheden waaruit de mededeling is opgebouwd, behoeven daardoor niet in chronologische volgorde te staan; zo heeft het object, dat logischerwijs op de werking moet volgen, zijn plaats vóór het werkwoord. Het
| | | | een en ander houdt in, dat de verbanden binnen de bijzin al voorheen zijn gelegd. De synthetische constructie refereert aan een bestaand betekeniscomplex, dat in een analytische presentatie juist wordt opgebouwd (vgl. Duinhoven 1992:426).
Doordat een bijzin één samengestelde constituent vormt die naar een reeds geformeerd betekeniscomplex verwijst, bevat de constructie op zichzelf geen uiteenzetting. De bijzin is daardoor een afhankelijke constructie, verbonden met, geïncorporeerd in een groter geheel. Dit in tegenstelling tot de hoofdzin (SVO), die zelfstandig nieuwe informatie verschaft. Passen we deze algemene beschouwing toe op de verbindingen met gesteld en toegegeven.
Doordat de hoofdzin een zelfstandige toevoeging vormt, bezit ook het deelwoord nog een grote mate van zelfstandigheid. We hebben in {gesteld/toegegeven + SVO} met twee successieve mededelingseenheden te doen. Eerst wordt aangekondigd: ‘er volgt een hypothese resp. concessie’, en dan wordt uiteengezet waaruit die veronderstelling dan wel toegeving bestaat. Niet alleen de informatie van de SVO-zin wordt deel voor deel gegeven, ook de verhouding tussen participium en zin is analytisch. De analytische constructie zal bij voorkeur worden gebruikt, wanneer de veronderstelling of toegeving nieuw of onverwacht is, en ter plaatse wordt geformuleerd.
In vele situaties echter is de inhoud van de hypothese of concessie reeds bekend of vanzelfsprekend. Er behoeft dan slechts aan een bestaand betekeniscomplex te worden gerefereerd. Daartoe wordt de synthetische bijzinsvorm gebruikt, die de inhoud als een eenheid typeert. Om duidelijk te maken dat de zin een veronderstelling resp. toegeving noemt, wordt de bijzin met gesteld en toegegeven verbonden. Terwijl in mededelingen als (3) en (4) de zinnen vóór de puntkomma twee zelfstandige, zij het samenhangende, leden bevat, vormt de voorzin in (1) en (2) een samengestelde eenheid: veronderstelling en concessie worden in één klap op tafel gelegd.
| |
De verhouding tussen voor- en nazin
In de voorbeelden (1-4) bevat de nazin in alle gevallen de hoofdmededeling. Doordat in (1) en (2) de voorzin een eenheid vormt en bijzinvolgorde heeft, lijkt er tussen voor- en nazin een verhouding te bestaan als tussen bijzin en hoofdzin. Het feit dat gesteld dat en toegegeven dat door onderschikkende voegwoorden als indien en hoewel vervangen kunnen worden, bevestigt die indruk. Vanwege de hoofdzinvolgorde is het in (3) en (4) moeilijker de voorzin als een formele bijzin te zien, hoewel die ook hier in informatief opzicht ondergeschik is. Welbeschouwd echter is de verhouding tussen voor- en nazin in alle gevallen dezelfde.
De bijwoordelijke status van een vooropgeplaatste bijzin blijkt uit de inversie van subject en persoonsvorm in de hoofdzin. In (1) en (2) komt wel inversie voor, doch die kan aan de bijwoorden dan en toch worden toegeschreven. Het feit dat de toevoeging van deze terugwijzende bijwoorden verplicht is, doet twijfelen aan de adverbiale status van de voorzinnen. Geheel onafhankelijk lijken de voorzinnen echter niet te zijn. En ook de zelfstandigheid van de voorzinnen in (3) en (4) met hun hoofdzinvolgorde wordt door de verplichte hervatting door middel van dan en toch ondergraven.
| | | |
De verhouding tussen voor- en nazin kan daarom ter onderscheiding van ‘onderen en nevenschikking’ misschien beter als ‘bijschikking’ worden getypeerd.17. Dat wil zeggen, dat gesteld en toegegeven ondanks hun onmiskenbare functie van verbindingswoorden en inleiders van zinnen, tot op zekere hoogte nog steeds absolute participia zijn, die een bijkomende, niet in de hoofdmededeling geïntegreerde, mededeling doen. De deelwoorden hebben alleen hun kernfunctie verloren (vgl. 31):
| (32a) |
[Participiumkern zinspecificatie]absolute constructie |
| → (32b) |
[Participiumverbindingswoord zinkern]absolute bijzin |
We zullen in de volgende paragraaf echter zien, dat de ontwikkeling nog verder is gegaan. In sommige gevallen is de ‘absolute bijzin’ tot bijwoordelijke bijzin geworden.
Vatten we het bovenstaande samen. De deelwoorden gesteld en toegegeven kunnen door een bijzin (SOV) worden gevolgd en vormen daarmee dan één samengestelde mededeling. Of ze gaan aan een hoofdzin (SVO) vooraf; de participia zijn dan nog een afzonderlijke mededelingseenheid en kondigen zelfstandig de hypothese of concessie aan. De keuze wordt door de informatieverhoudingen bepaald. Beslissend is de vraag, of de hypothese of concessie nieuw en verrassend is (hoofdzin), dan wel bekend en vanzelfsprekend (bijzin).
| |
8. Hypothese, conditie en concessie
Tot nu toe hebben de overeenkomsten tussen gesteld en toegegeven op de voorgrond gestaan. Opvallend is het echter, dat met gesteld meestal een bijzin wordt verbonden, terwijl op toegegeven doorgaans een hoofdzin volgt. Bovendien kan een zin met gesteld dat achter de hoofdzin worden geplaatst en een zin met toegegeven dat niet:
| (33) |
Hij zal slagen, gesteld dat hij zijn best doet |
| (34) |
* Hij zal slagen, toegegeven dat hij niet gewerkt heeft |
Een nazin met toegegeven (dat) is alleen mogelijk, wanneer het om een overweging achteraf, dus om een nieuwe, op zichzelf staande mededeling gaat. Dit gebruik is bij gesteld uitgesloten:
| (35) |
Hij zal niet slagen. Toegegeven, hij heeft ook niet gewerkt |
| (36) |
?Hij zal niet slagen. Toegegeven, dat hij ook niet gewerkt heeft |
| (37) |
Hij zal wel slagen. Gesteld, dat hij zijn best doet |
| (38) |
* Hij zal wel slagen. Gesteld, hij doet zijn best |
Om deze verschillen te begrijpen moeten we wat dieper ingaan op de aard van het hypothetische, conditionele en concessieve verband.
| |
| | | |
Het hypothetisch-conditionele verband
In een hypothese wordt een bepaalde stand van zaken voor waar aangenomen. In het algemeen neemt men een bepaalde constellatie aan om te onderzoeken welke mogelijkheden die biedt. Latent aanwezig is daardoor een verhouding als van oorzaak en gevolg, van voorwaarde en verwezenlijking. Dat verklaart de regelmatige vooropplaatsing van de hypothese en onze neiging de veronderstelling ook te zien als een voorwaarde voor de vervulling van de hoofdwerking. Dit conditionele verband is echter alleen geïmpliceerd; door gesteld (dat) wordt slechts de hypothese uitgedrukt. Het oorzakelijke, voorwaardelijke verband wordt door het separatieve, continuerende dan (< danen, ‘vandaar’) verwoord. Dit blijkt ook uit het feit, dat dezelfde hypothetische zin die in (39) voorwaardelijk is, eveneens een toegeving kan specificeren (40), die dan door toch wordt aangeduid:
| (39) |
Gesteld dat hij zijn best doet, dan zal hij slagen |
| (40) |
Gesteld dat hij zijn best doet, toch zal hij zakken |
In een zin als (39) zijn dus twee betekenisaspecten in het geding, die echter door de betrekkelijke zelfstandigheid van de hypothetische voorzin en het continuerende dan uit elkaar worden gehouden. Wanneer echter gesteld in combinatie met de afhankelijke en onzelfstandige bijzin aan zelfstandigheid inboet, kan de gehele combinatie als een (hypothetisch-)conditionele bijzin worden gezien. Dan in de hoofdzin lijkt dan redundant, net als na een zin met indien of als (vgl. als hij komt, dan vraag ik het hem). Het feit echter dat het continuerende en daardoor ook scheidende dan in zinnen als (39) niet kan worden weggelaten, bewijst dat voor- en bijzin nog steeds als zelfstandige eenheden worden herkend.
Wanneer de hypothetische zin als een overweging achteraf, na de hoofdzin wordt geplaatst, ontbreekt uiteraard het continuerende dan. In een zin als (33) en reeds in (37) kan het voorwaardelijke aspect aan de bijzin zelf worden gehecht. Gesteld dat wordt daardoor als een synoniem ervaren van op voorwaarde dat. Zo kan de ‘bijgeschikte’ absolute hypothetische zin (vgl. 32b) zich tot een ondergeschikte, voorwaardelijke bijzin ontwikkelen (vgl. Bos 1964:119). Dat (38) dubieus klinkt, komt doordat het zelfstandige gesteld minder gemakkelijk als een onderschikkend voegwoord kan worden gezien.
| |
Het concessieve verband
Waarom nu is een vergelijkbare ontwikkeling bij de concessieve zin met toegegeven uitgesloten (vgl. 34)? Er zijn toch ook ondergeschikte toegevingen mogelijk, bijzinnen ingeleid door hoewel en ofschoon? Laten we de aard van het concessieve verband in zinnen als (2) en (4) nader bezien.
| (2) |
Toegegeven dat hij ijverig is, toch zal hij niet slagen |
| (4) |
Toegegeven, hij is ijverig; toch zal hij niet slagen |
In de toegevende voorzin wordt een bepaalde stand van zaken als waar erkend,
| | | | maar tegelijkertijd getypeerd als voor de hoofdmededeling van geen belang. Deze onverschilligheid ten opzichte van wat er wordt uitgedrukt, is kenmerkend voor de concessie (vgl. Duinhoven 1988:282). De erkenning van irrelevante omstandigheden heeft alleen maar zin, wanneer men mocht verwachten, dat ze wèl van invloed zouden zijn. Daardoor is er in zinnen als (2) en (4) een oorzakelijk verband tussen voor- en nazin, dat echter tegelijkertijd wordt ontkend.
De hier gegeven analyse verduidelijkt verscheidene eigenaardigheden. Daar de oorzaak natuurlijkerwijs aan het gevolg voorafgaat, is vooropplaatsing van de concessieve zin gewoon. Begrijpelijk is ook, dat er geen inversie in de hoofdzin optreedt. De toegeving is voor de hoofdwerking van geen betekenis, en laat ook de vorm onaangetast:18.
| (41) |
Toegegeven, dat hij ijverig is; hij zal toch niet slagen |
| (42) |
Toegegeven, hij is ijverig; maar hij zal niet slagen |
Het tegenstellende verband wordt door tegenstellende bijwoorden en verbindingswoorden (echter, maar, toch) tot uitdrukking gebracht, welke woorden tegelijkertijd de scheiding tussen voor- en nazin onderstrepen.
Het is op grond van de inhoudelijke en formele oppositie tussen voor- en nazin begrijpelijk, dat de voorzin niet als een onzelfstandige en ondergeschikte bijzin beschouwd kan worden, waardoor samengestelde zinnen zijn uitgesloten:
| (43) |
*Toegegeven dat hij ijverig is, zal hij toch niet slagen |
| (44) |
*Hij zal (toch) niet slagen, toegegeven dat hij ijverig is |
De vraag is na dit alles eerder, hoe het komt dat concessieve bijzinnen als (45) en (46) wèl voorkomen:
| (45) |
Hoewel hij ijverig is, zal hij (toch) niet slagen |
| (46) |
Hij zal niet slagen, ofschoon hij ijverig is |
We hebben hier met onmiskenbaar adverbiale bijzinnen te doen, die bij vooropplaatsing inversie in de hoofdzin veroorzaken. Het feit dat we deze zinnen ook ‘concessief’ noemen (ANS 1984:885) is misleidend. In (45) en (46) wordt door de spreker niet erkend of toegegeven, dat de inhoud van de bijzin waar is. Dat het subject ijverig is, wordt voorgesteld als een vaststaand feit. Aan dit bekende feit wordt gerefereerd, omdat het in tegenspraak lijkt met de hoofdmededeling. De bijzin noemt een niet-werkzame oorzaak, die net als een werkzame oorzaak of reden, een ondergeschikte bepaling bij de hoofdwerking kan vormen:
| (47) |
Hij zal slagen, doordat/omdat hij ijverig is |
We zouden daarom beter van ‘bijzinnen van tegenwerking’ kunnen spreken. Die tegenwerkende kracht is ook in werkelijk concessieve zinnen als (41) en (42) te herkennen. In deze zinnen evenwel staat de toegeving oftewel erkenning door de
| | | | spreker centraal. En daarmee komen we toe aan het antwoord op de laatste vraag die hierboven is gesteld: waarom wordt bij gesteld de bijzinvolgorde (SOV) geprefereerd, en bij toegegeven de hoofdzinvolgorde (SVO)?
| |
9. Directe en indirecte rede
We hebben ons tot nu toe geconcentreerd op de tegenstelling tussen de analytische hoofdzinvolgorde en de synthetische bijzinvolgorde. Daarbij is een ander verschil tussen (1) en 2) enerzijds en (3) en (4) anderzijds buiten beschouwing gebleven:
| (1) |
Gesteld dat hij het examen aflegt, dan zal hij slagen |
| (2) |
Toegegeven dat hij ijverig is, toch zal hij niet slagen |
| (3) |
Gesteld, hij legt het examen af; dan zal hij slagen |
| (4) |
Toegegeven, hij is ijverig; toch zal hij niet slagen |
In de eerste twee zinnen wordt aan gesteld en toegegeven het onderschikkende voegwoord dat toegevoegd. We kunnen dus zeggen, dat gesteld en toegegeven ofwel door een hoofdzin of wel door een dat zin worden gevolgd. Deze zelfde oppositie kennen we bij de werkwoorden van (onder meer) ‘zeggen’, die door een directe dan wel door een indirecte rede worden gespecificeerd. Wanneer we ons nu realiseren, dat in hypothetische en concessieve zinnen een uitspraak wordt gedaan over de waarheidswaarde van de mededeling, dan loont het misschien de moeite het onderscheid tussen indirecte en directe rede wat nader te bezien.
In de analytische directe rede wordt nieuwe informatie gegeven, waaraan in de synthetische indirecte rede wordt gerefereerd. De directe rede geeft de gebezigde woorden weer, die alleen de spreker in de mond kunnen worden gelegd. Ook wanneer de eenmaal uitgesproken woorden letterlijk worden herhaald, voert de directe rede ons terug naar de oorspronkelijke situatie, waarin de spreker een uiteenzetting geeft. In de indirecte rede daarentegen worden niet de gesproken woorden herhaald, doch wordt hun inhoud achteraf samengevat. Die samenvatting kan door iedereen worden gebruikt, en niet alleen als indirecte rede. Wanneer Lubbers zegt: ‘Ik treed af als minister-president’, kunnen alle kranten melden, dat Lubbers (zegt dat hij) aftreedt.
Van belang is hier de constatering, dat de directe rede met de spreker is verbonden en de indirecte rede niet. Nu is al vaker opgemerkt, dat zinnen met gesteld (dat) een aansporing lijken in te houden van de aangesproken persoon. Annema (1924:84) en Sütterlin (1918:400) spreken van ‘Befehlspartizipien’ en ‘Befehlsätzen’. Dat geldt ook voor het participium genomen (zie 12), dat Van der Veen (1905:114) een imperatief noemt. De door toegegeven ingeleide concessie daarentegen doet geen beroep op de aangesproken persoon; het gaat ook niet om een algemene erkenning door derden. De uitspraak is tot de spreker beperkt, die verklaart dat een constellatie waar is, inderdaad bestaat.
Deze exclusieve band met de spreker maakt het begrijpelijk, dat toegegeven meestal door de directe rede wordt gevolgd (als in 4), al is het gebruik van de indirecte rede (2) niet uitgesloten. Ook de spreker zelf kan immers zijn eigen
| | | | woorden samenvatten en naar de inhoud weergeven. Wie ‘ik kom’ gezegd heeft, kan herhalen dat hij komt. Aangezien echter de concessie die de spreker doet, in het geheel van zijn redenering een nieuwe uitspraak vormt, is een woordelijke weergave vanzelfsprekend. Dat verklaart de voorkeur voor de analytische directe rede na toegegeven.
Ook na gesteld hebben we de keuze tussen hoofdzin en dat-zin, maar hier wordt meest de indirecte rede gebruikt. De spreker legt nu geen verklaring af over een bestaande constellatie, hij verzint, bedenkt, poneert een stand van zaken, doet alsof die imaginaire constellatie waar is. Een hypothese kan echter alleen een rol spelen in een redenering, wanneer die voor alle gesprekspartners aanvaardbaar is. Vandaar dat gesteld, dat op zichzelf geen enkele aanwijzing inhoudt ten aanzien van de betrokken persoon (vgl. Duinhoven 1984:149), als een aansporing voor de aangesprokene wordt geïnterpreteerd. En voor hem geldt, dat hij met het voorstel van de spreker moet instemmen. Hij formuleert de hypothese niet zelf, doch neemt die over. Dan is de indirecte rede het meest passend.
Er is nog een andere reden waarom een woordelijke weergave wordt vermeden. Stellen kan weliswaar soms als een werkwoord van ‘zeggen’ worden beschouwd (‘poneren, beweren, betogen’; Van Dale 1992:2909 sub 24) en zeggen kan, omgekeerd, een hypothese tot uitdrukking brengen: zeg, zeggen we of laten we zeggen, dat we de minister bereiken, hoe overtuigen wij hem? In zinnen als (1) en (3) echter houdt gesteld vooral de aansporing in zich een bepaalde constellatie voor te stellen. Het gaat bij stellen meer om de gedachte dan om de verwoording daarvan. Stellen is eerder een werkwoord van ‘denken’ dan van ‘zeggen’. Nu denken we voor een deel in woorden, terwijl we andere gedachten ook ‘onder woorden’ kunnen brengen. Op werkwoorden van ‘denken’ kan dan ook een directe rede volgen; ik dacht, ik ga eens bij hem langs.19. Gewoner is het echter, dat door middel van de indirecte rede naar de eerder gevormde gedachten verwezen wordt: dacht je, dat ik langs zou komen?
| |
10. Besluit
De hierboven beschreven ontwikkelingen kunnen als volgt worden samengevat. De in oorsprong ‘absolute’ participia gesteld en toegegeven, die als bepalingen aan een zin als geheel waren toegevoegd, konden nader worden bepaald door een naamwoordgroep, door een zin met SVO-volgorde en door een dat-zin met SOV. De verbinding van deelwoord en naamwoordgroep werd als een subjectpredikaatsverbinding ervaren, dus als een soort bijzin:
| [Participiumkern NCspecificatie]abs.adv.bep. → [NCkern participiumspecificatie]bijzin |
De bijzin met persoonsvorm heeft deze weinig doorzichtige, adverbiale ‘absolute constructie’ geheel verdrongen.
Verscheidene deelwoorden hebben zich tot verbindingswoorden ontwikkeld, in combinatie met een NC tot voorzetsel, en met een zin tot voegwoord. Daar gesteld en toegegeven een waarheidsoordeel tot uitdrukking brengen, worden ze bijna
| | | | uitsluitend door een zin gespecificeerd:
| [Participiumkern Zspecificatie]abs.adv.bep. → [verbindingswoord Zkern]bijgeschikte zin |
Of deze ‘bijgeschikte’ zin SVO- dan wel SOV-volgorde heeft, is afhankelijk van de presentatie, die analytisch (SVO) dan wel synthetisch (SOV) kan zijn. De verhouding van de participium-zin ten opzichte van de ‘hoofdzin’ is nevengeschikt noch ondergeschikt, doch kan het best als een ‘bijschikking’ worden getypeerd.
Zinnen met gesteld dat kunnen ook als voorwaardelijke bijzin dienst doen. Een zo nauwe band tussen zinnen met toegegeven (dat) en de hoofdzin is uitgesloten, daar hetgeen wordt toegegeven, juist als irrelevant voor de hoofdmededeling wordt voorgesteld. Tenslotte is verklaard, waarom toegegeven meestal door een directe rede wordt gevolgd. Dat hangt samen met het feit dat de spreker zelf een uitspraak doet. Gesteld daarentegen brengt geen woorden maar een gedachte tot uitdrukking, en niet van de spreker alleen. Gedachten worden meest in de indirecte rede weergegeven.
J.A.M. Komen en A.M. Duinhoven zijn verbonden aan het Instituut voor Neerlandistiek, Universiteit van Amsterdam
| |
| | | |
Bibliografie
| Adelung, J.C. 1774-1786. Versuch eines vollständigen grammatisch-kritischen Wörterbuches der hochdeutschen Mundart. Leipzig. |
| A[lewijn], Z.H. 1766. Verdediging van den nominativus absolutus met verwerping van den ablativus. In: N. Bydr. Opbouw Vadert. Ltk. 2, 339-372. |
| Andresen, K.G. 1854. Über absolute Participialconstruction im Deutschen. In: Arch. Studium neueren Spr. u. Lit. 10 (Bd. 16), 72-93. |
| Annema, H. 1924. Die sogenannten absoluten Partizipialkonstruktionen im Neuhochdeutschen. Groningen. |
| | | |
| ANS 1984. Algemene Nederlandse Spraakkunst. G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. van den Toorn. Groningen-Leuven. |
| Bilderdijk, W. 1825. Over den zoogenaamden Ablativus of Nominativus Absolutus. In: Bilderdijk, Nieuwe taal- en dichtkundige verscheidenheden. Rotterdam 1824-1825. Dl. 3, 95-120. |
| Blaise, A. 1975. Lexicon latinitatis medii aevi. Turnhout. |
| Blatz, F. 1900. Neuhochdeutsche Grammatik mit Berücksichtigung der historischen Entwickelung der deutschen Sprache. Karlsruhe.3 |
| Bos, G.F. 1964. Het probleem van de samengestelde zin. The Hague etc. |
| Brill, W.G. 1871-1881. Nederlandsche Spraakleer. 2 dln. 4de resp. 3de dr. Leiden. |
| Brinkmann, H. 1962. Die deutsche Sprache. Düsseldorf. |
| Brockhaus-Wahrig: Brockhaus Wahrig Deutsches Wörterbuch. G. Wahrig, H. Krämer und H. Zimmermann. Wiesbaden-Stuttgart 1980-1984. |
| Brugmann, K. 1910. Der sogenannte Akkusativ der Beziehung im Arischen, Griechischen, Lateinischen, Germanischen. In: Idg. Forsch. 27, 121-151. |
| Campe, J.H. 1807-1811. Wörterbuch der deutschen Sprache. Braunschweig. |
| Cosijn, P.J. 1886-1888. Nederlandsche spraakkunst. 7de dr. J. te Winkel. Haarlem. |
| Dal, I. 1966. Kurze deutsche Syntax auf historischer Grundlage. Tübingen.3 |
| Van Dale 1984 resp. 1992. Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal. 11de resp. 12de dr. door G. Geerts en H. Heestermans. Utrecht-Antwerpen. |
| Duinhoven, A.M. 1984. Ban de bom! Over vorm en betekenis van de imperatief. In: Ntg 77, 148-156. |
| Duinhoven, A.M. 1985. De deelwoorden vroeger en nu. In: Voortgang 6, 97-138. |
| Duinhoven, A.M. en F.A.M. Riem Vis 1986. Of terug naar af. Over het heden en verleden van een voegwoord. In: Ntg 79, 114-133. |
| Duinhoven, A.M. 1988. Middelnederlandse syntaxis, synchroon en diachroon. Deel I. De naamwoordgroep. Leiden. |
| Duinhoven, A.M. 1992. Verboden toegang voor onbevoegden. Over de volgorde in de naamwoordgroep. In: Ntg 85, 422-440. |
| DWb: Deutsches Wörterbuch von Jacob und Wilhelm Grimm. Leipzig 1854-1954. |
| Elzevier, K. 1761. Drie dichtproeven, [...]. Benevens een proef van een nieuwe Nederduitsche Spraekkonst. Haarlem. |
| Engelien, A. 1878. Grammatik der neuhochdeutschen Sprache. Berlin.2 |
| Es, G.A. van 1953. Voegwoordelijke verbindingen ter uitdrukking van de conditionele (hypothetische) modaliteit in het Nederlands. In: TNTL 71, 1-119. |
| Es, G.A. van en P.P.J. van Caspel 1971-1975. Syntaxis van het moderne Nederlands. Groningen. |
| Griesbach, H. und D. Schultz 1960. Grammatik der deutschen Sprache. München. |
| Grimm, J. 1819-1837. Deutsche Grammatik. Göttingen. |
| Halma, F. 1710. Woordenboek der Nederduitsche en Fransche taalen. Amsterdam. |
| Helten, W.L. van 1894-1895. Kleine Nederlandsche spraakkunst. Groningen.6 |
| Herling, S.H.A. 1830-1832. Die Syntax der deutschen Sprache. Frankfurt am Main. |
| Hertog, C.H. den 1903-1904. Nederlandsche spraakkunst. Amsterdam.2 |
| Huguet, E. 1925-1967. Dictionnaire de la langue française du seizième siècle. Paris. |
| Huydecoper, B. 1730. Proeve van taal- en dichtkunde. Amsterdam. |
| Jespersen, O. 1924. The Philosopy of Grammar. London-New York. |
| Jong, F. de, L. Oversteegen en H. Verkuyl 1990. Betekenis en taalstructuur. Dordrecht.2 |
| Kiliaan, C. 1972. Etymologicvm tevtonicoe lingvoe: Kiliaans Etymologicum van 1599. Ed. F. Claes. 's-Gravenhage. |
| Komen, J.A.M. 1991. Huydecoper en de ablativus absolutus. Een achttiende-eeuwse pennestrijd over de zogenaamde volstrekte derver of losse neemer. In: Gramma 15, 95-125. |
| Komen, J.A.M. 1993. De uitzonderlijkheid van uitgezonderd. In: Ntg 86, 127-148. |
| Kummer, J.C. 1914. Nederlandsche spraakkunst. Amsterdam. |
| Latham, R.E. 1965. Revised medieval Latin word-list. London. |
| Leest, J. 1929. Duitsche invloea op het Nederlandsch der protestantsche theologen seaert het begin der 19de eeuw. Groningen-Den Haag. |
| Littré: E. Littré, Dictionnaire de la langue française. Paris 1863-1877. |
| Lockwood, W.B. 1968. Historical German syntax. Oxford. |
| Matthias, Th. 1929. Sprachleben und Sprachschaden. Leipzig.6 |
| | | |
| Oudemans, A.C. 1870-1880. Bijdrage tot een Middel- en Oudnederlandsch woordenboek. Arnhem etc. |
| Paul, H. 1916-1920. Deutsche Grammatik. Halle. |
| Paul, H. 1921. Deutsches Wörterbuch. Halle.3 |
| Paul, H. und H. Stolte 1951. Kurze deutsche Grammatik. Tübingen.2 |
| Roorda, T. 1864. Over de deelen der rede en de rede-ontleding. Leeuwarden.3 |
| Schottelius, J.G. 1663. Ausführliche Arbeit von der teutschen Hauptsprache. Braunschweig. |
| Sütterlin, L. 1918. Die deutsche Sprache der Gegenwart. Leipzig.4 |
| Tobler-Lommatzsch: A. Tobler, E. Lommatzsch und H.H. Christmann. Altfranzösisches Wörterbuch. Berlin etc. 1925-[...]. |
| Trübner: Trübners Deutsches Wörterbuch. A. Götze, W. Mitzka e.a. Berlin 1939-1957. |
| Veen, J.O.S. van der 1905. Het taaleigen van Bredero. Amsterdam. |
| Verdam, J. 1882. Absolute naamvallen in Mnl. en Ndl. In: TNTL 2, 188-198. |
| Vernaleken, Th. 1861-1863. Deutsche Syntax. Wien. |
| Weiland, P. 1799-1811. Nederduitsch taalkundig woordenboek. Amsterdam. |
| Winkel, J. te 1898. Geschichte der niederländischen Sprache. In: H. Paul 1896-1909. Grundriss der germanischen Philologie. Strassburg.2 Dl. 1, 781-925. |
| Winkel, J. te 1901. Geschiedenis der Nederlandsche taal. F.C. Wieder (vert.). Culemborg. |
| WNT: Woordenboek der Nederlandsche taal. M. de Vries, L.A. te Winkel e.a. 's-Gravenhage-Leiden 1882-[...]. |
| Zeydelaar, E. 1781. Néderduitsche spraakkonst. Utrecht. |
|
*Dit artikel is een bewerkte versie van de lezing die de eerste auteur heeft gehouden op de TIN-dag, georganiseerd door de Algemene Vereniging voor Taalwetenschap, op 16 januari 1993 te Utrecht. Graag willen wij dr. J.M. van der Horst bedanken voor zijn commentaar op de tekst van die lezing.
1.In hypothetisch-conditionele functie komen in het Duits gesetzt, angenommen en präsupponiert voor; in concessieve verhoudingen de deelwoorden zugegeben, zugestanden en eingestanden. Naast vorausgesetzt worden en werden ook wel vorausgestellt, vorausgeschickt en vorausgesandt gebruikt (vgl. Andresen 1854:75). Het gebruik van (aan) genomen in het Nederlands is wel toegeschreven aan Duitse invloed (Leest 1929:60; vgl. echter noot 13).
2.De verbinding zonder naamwoord wordt als een jongere constructie gezien: ‘Somtijds werd het naamwoord [...] vervangen door een geheelen zin; vgl. b.v. [...] gesteld dat het waar zij, aangenomen dat hij kan [...] enz., waar [...] “dat het waar zij”, “dat hij kan”, [...] het naamwoord vervangen’ (Van Helten 1894-1895, 2:30). Vergelijk: ‘den fall gesetzt, daß... ( auch bloß gesetzt, daß...)’ (Brugmann 1910:143); zie ook Andresen 1854:75-76; Paul & Stolte 1951:315; Griesbach & Schultz 1960:87; Brockhaus-Wahrig 5, 749 s.v. setzen.
3.Vergelijk: ‘ghenomen dattet so zije’ (Kiliaan 1972:135; vgl. WNT 4, 1572; vgl. ook Halma 1710:760 s.v. stellen; Weiland 1799-1811, 3:127). Dit gebruik van de aanvoegende wijs zou ‘stellig ten onrechte’ zijn en ‘niet slechts overtollig wezen, maar ook iets anders uitdrukken, dan men bedoelt’ ( WNT 1, 144).
4.Vgl. WNT 10, 67-81; Van Es 1953; Duinhoven en Riem Vis 1986.
5.Door de toevoeging van zijnde wordt het absolute karakter van de constructie versterkt. De dat-zin vervult daarin de functie van subject ( patiens) bij de door het participium uitgedrukte werking of handeling.
6.Vgl. WNT 1, 143-145; 4. 1572; 4, 1809; Van Dale 1984:889 s.v. genomen.
7.Vgl. Adelung 1774-1786, 4:442; Campe 1807-1811, 4:419; Paul & Stolte 1951:315; Griesbach & Schultz 1960:87; Brinkmann 1962:279.
8.Deze ‘Konjunktiv der indirekten Rede’ maakt de zin die op het deelwoord volgt, ondergeschikt (Annema 1924:84; vgl. Blatz 1900, 2:621). Ook de indicatief is echter mogelijk: ‘angenommen, er kommt doch’ ( Brockhaus-Wahrig 5, 749 s.v. setzen).
9.Vgl. Paul 1916-1920, 4:90; Paul 1921:616 s.v. voraus; Trübner 7, 720 s.v. voraus; Brockhaus-Wahrig 6, 600 s.v. voraussetzen.
10.Vgl. WNT 17, 702 s.v. toestaan; Van Dale 1992:3107 s.v. toegeven; voor het Duits DWb 16, 423. Het deelwoord toegestemd! wordt ook als ‘tussenwerpsel’ gebruikt, in bijna de zelfde betekenis als toegegeven! (vgl. Van Dale 1992:153 s.v. akkoord). Zie voor gesetzt! als ‘toegegeven!’: Annema 1924:84.
11.Huydecoper 1730:574-575; vgl. WNT 4, 1809-1810; 12, 3574-3575; Komen 1991:98.
12.Het ‘absolute’ gebruik van deelwoorden was reeds opgemerkt door de Duitse grammaticus Justus Georg Schottel: ‘Es werden etzliche Mittelwörter gantz allein gesetzet, und wird doch dadurch eine gantze Meynung angedeutet, als: [...] Gesetzet, [...] Gestanden’ (Schottelius 1663:763). Huydecoper heeft zich waarschijnlijk stilzwijgend op deze passage gebaseerd. Zijn observatie is vervolgens in verschillende spraakkunsten vrijwel letterlijk overgenomen (Elzevier 1761:135; Zeydelaar 1781:171; vgl. Komen 1991:111). Zijn stelling dat de vorm posito bewijst, dat ook deelwoorden als gesteld en genomen in de ‘ablatief’ zijn gesteld, is echter omstreden (vgl. Alewijn 1766:345, 351-352).
13.De herkomst van de absolute constructie in het Nederlands blijft hier buiten beschouwing. Men neemt meestal navolging van het Latijn (of het Frans) aan. Zo zouden ook de deelwoorden gesteld ( dat), ondersteld ( dat), voorondersteld ( dat) en toegegeven leenvertalingen zijn van achtereenvolgens posito (casu) quod en supposito ( casu) quod (of posé ( le cas) que en supposé ( le cas) que) en concesso quod. Vgl. WNT 1, 43; 4, 1572, 1809; Cosijn 1886-1888, 1:173; Te Winkel 1898:910-911; 1901:213; vgl. voor het Duits Engelien 1878:412; Dal 1966:119; Lockwood 1968:166, voor het Latijn: Latham 1965:103; 361, 469; Blaise 1975:706, 894; en voor het Frans. Liuré 2, 1088, 1229; Tobler-Lommatzsch 7, 1634; 9, 1082-1083; Huguet 1925-1967, 6:90; 9:133.
14.We laten hier de vraag buiten beschouwing, of we met een subjects- dan wel objectsspecificatie te doen hebben. De tegenstelling is misschien slechts van semantische aard. In syntactisch opzicht is de naamwoordgroep een specificatie (nadere bepaling) zonder meer. Over de syntactische status van de naamwoordgroep binnen de absolute constructie is in het verleden bij herhaling gediscussieerd. Vgl. Bilderdijk 1825:113-114; Roorda 1864:164-165, 185; Verdam 1882:196; Van Helten 1894-1895, 2:30; Den Hertog 1903-1904, 2:98; Kummer 1914:148.
15.In het Duits wordt deze constructie daarentegen wel geanalyseerd als een ‘absolute accusatief’, waarin het nomen moet worden opgevat als object bij het participium: dies vorausgeschickt [ habend] (Grimm 1819-1837, 4:909-910; Herling 1830-1832, 2:121; Blatz 1900, 2:621; Sütterlin 1918:375; Jespersen 1924:127; Matthias 1929:349-350; Dal 1966:120).
16.Vgl. voor deze en andere aan de logica ontleende begrippen: De Jong e.a. 1990.
17.Deze verhouding tussen voor- en nazin geldt voor alle vier zinstypen. In het WNT (1, 143; 4, 1572, 1809) worden aangenomen, genomen en gesteld ‘bijschikkend voegwoord’ genoemd, wanneer ze ‘met weglating van dat’ worden gebruikt, ‘in welk geval de bijzin den vorm van een hoofdzin aanneemt’. Waarschijnlijk moet de term ‘bijschikkend’ hier echter als synoniem met ‘nevenschikkend’ worden opgevat (vgl. Van Dale 1992:369).
18.Inversie is er wel in (14): toe-gegeeven zijnde, dat [...] blijf ik. Er is hier echter ook een temporele verhouding. Het hulpwerkwoord zijnde activeert het verleden-tijdsaspect van het voltooid deelwoord. De ‘beknopte bijzin’ kan worden geparafraseerd als ‘nadat is toegegeven, dat ...’.
19.Of een semi-directe rede: ik dacht, ik ga eens bij je langs. Vgl. ANS 1984:785.
|
|