De Gids. Jaargang 85


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 85. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1921


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 372]

Bibliographie.

Poëzie in Europa, vertaalde gedichten door Albert Verwey. Amsterdam, W. Versluys, 1920.

Uit zeer belangrijke dichters heeft Albert Verwey een keus gedaan, verzameld en vertaald in dezen bundel, dien hij ‘Poëzie in Europa’ noemt. Hij heeft gekozen uit het werk van de volgende dichters: Shelley, George, Hofmannsthal, Wolfskehl, Gundolf, Régnier, Dowson, Hölderlin, Fröding, Gripenberg, Petrarca, Ronsard, Shakespeare, Moréas, Rimbaud, Hérédia, Brentano, Du Bellay, Anakreoon, Ben Jonson, Goethe, Herrick, Novalis, Wordsworth, Milton.

Ik denk niet, dat de vertaler ons daarmede de meest karakteristieke stukken van Europeesch dichtleven heeft willen voorzetten, maar dat hij bij toeval een greep heeft gedaan in verzen, die hem bij de lezing hebben ontroerd en ze tot Nederlandsche melodieën heeft verwerkt.

Wanneer iemand deze gedichten aandachtig leest, vele achter elkander, ontwaart hij wel eene latente schoonheid, doch merkt hij tevens, dat er een glans is te loor gegaan, dien hij vermoedt, dat er oorspronkelijk moet zijn geweest, wanneer hem de gedichten niet reeds bekend zijn. Er is iets bevrorens, door de nachtvorst der vertaling gestijfd; doch talrijk zijn nog de kristallen, die er om heen hangen als een kroon van luister door des vertalers kunst aangebracht. En zoo staat de lezer te staren naar deze kille schoonheid van kunstig vertaalwerk.

Met eenig recht ware te wenschen geweest, dat de vertaler de oorspronkelijke gedichten nauwkeuriger hadde aangegeven, zoo, dat het zoeken daarnaar den lezer gemakkelijker zou vallen ter vergelijking. Immers, wetend dat hij eene vertaling vóór zich heeft, is hij begeerig het origineel op te zoeken. Moet hij dit nu liever nalaten en zich houden aan de Nederlandsche woorden? Daarover zou te twisten zijn, doch eene afdoende reden voor

[p. 373]

ééne der beide meeningen is mijns inziens niet te geven. Ad huc sub judice lis est.

Over de waarde van vertalingen is ten allen tijde verschillend gedacht. Nog onlangs las ik de meening van een zeventiendeof achttiende-eeuwschen Franschman (ik ben zijn naam vergeten) die beweerde, dat men slechts uit een vertaling over de waarde van een werk kon oordeelen, omdat dan de grondslag daarvan pas goed te voorschijn treedt. Dat gold zoowel voor poëzie als voor proza. Men zal, dunkt mij, tegenwoordig anders daarover denken. Volgens onze begrippen gaat er iets onherstelbaars verloren bij de vertaling; en al is de vertaler een grooter kunstenaar dan de vertaalde, hij vermag dat niet altijd tegen te houden. Goethe heeft het bewezen. Een vertaler treedt altijd op als de tweede, terwijl de schoonheid jaloersch is en steeds op het eerstgeboorterecht schijnt aanspraak te willen maken. Toch is dit niet geheel door te voeren en kan ook een vertaling een groot kunstwerk zijn. Er zijn omzettingen in een andere taal, die niet naar het origineel doen verlangen. Doch ook hier geldt weer het oud-burgerlijke spreekwoord: zoo veel hoofden, zoo veel zinnen. Over niets loopen de appreciaties zoo zeer uiteen, als over het al of niet gelukte eener vertaling. Daarover zou een interessant boek zijn te schrijven, waarbij de verschillende litteraire opinies in een bizonder helder daglicht komen te staan.

Ziehier een voorbeeld van Verwey's vertaaltalent. Ik neem hiertoe het vers van Rimbaud:

Le Dormeur du Val.
 
C'est un trou de verdure, où chante une rivière
 
Accrochant follement aux herbes des haillons
 
D'argent, où le soleil, de la montagne fière,
 
Luit. C'est un petit val qui mousse de rayons.
 
 
 
Un soldat jeune, bouche ouverte, tête nue
 
Et la nuque baignant dans le frais cresson bleu,
 
Dort; il est étendu dans l'herbe, sous la nue,
 
Pâle dans son lit vert où la lumière pleut.
 
 
 
Les pieds dans les glaïeuls, il dort. Souriant comme
 
Sourirait un enfant malade. Il fait un somme.
 
Nature, berce-le chaudement: il a froid!
 
 
 
Les parfums ne font pas frissonner sa narine;
 
Il dort dans le soleil, la main sur sa poitrine
 
Tranquille. Il a deux trous rouges au côté droit.
[p. 374]
De Slaper in 't Dal.
 
Een groene kloof waar een rivier door zingt
 
En vasthecht zilvren flarden aan 't gepluimt
 
Van 't randgras, waar de zon langs rotswand springt
 
En blinkt. Een klein dal dat van stralen schuimt.
 
 
 
Een jong soldaat blootshoofds, met open mond,
 
De nek in frissche blauwe kers gebaad,
 
Slaapt, uitgestrekt in 't gras op d' open grond,
 
Bleek in zijn groen bed daar de zon hem braadt.
 
 
 
Slaapt, voeten in de zwaardbloem. Als een knaapje
 
Dat ziek ligt, glimlacht, zoo doet hij zijn slaapje.
 
Hij heeft het koud! Natuur bestraal hem vrij.
 
 
 
Geen geuren doen zijn neusgaten meer rillen,
 
Geen stralen hand die op zijn borst rust, trillen.
 
Twee roode gaatjes heeft zijn rechterzij.

Moge deze bundel eenig succes hebben in dezen tijd van weinig belangstelling voor verzen. Al heeft deze wensch weinig kans om te worden vervuld, omdat slechts beroepslitteratoren zich er voor zullen interesseeren, hij blijft in het oeuvre van Verwey een zeer merkwaardig brok poëzie. Wie kan zeggen waarom juist de uit het Fransch vertaalde verzen niet het minst voldoen, terwijl de uit het Hoogduitsch naar het Nederduitsch verplaatste een meer duidelijke tuimeling hebben ondergaan?

 

Frans Erens.