|
|
|
| |
Taalkundige kroniek
IV
Secundaire Congruentie. (Komt u binnen)
De natuuronderzoeker laat u wonderen zien aan een waterdruppel, een nietig bloempje, een doodgewoon kiezelsteentje, de taalkundige staat stil bij de wonderen van doodgewone, alledaagse wendingen. - Komt u binnen, gaat u zitten, wij horen en gebruiken het elke dag en daarnaast horen en zeggen we: kom binnen mensen, ga zitten of neem plaats, maar nu kom en ga (en neem) zonder t, zoals we ook zeggen: kom eens hier, jongens, vertel me even...., alles zonder t.
Wij hebben in onze algemene cultuurtaal in hoofdzaak maar één imperatiefvorm, al mag dan deze of gene grammatica nog zeggen: gebiedende wijs enkelvoud, stam van het werkwoord; gebiedende wijs meervoud, stam + t. Een enkele geïsoleerde, sedert lang gefixeerde wending als geeft acht verandert niets aan het feit dat in beschaafde gesproken taal de meervoudsvorm op t verdwenen is. In de geschreven taal is hij snel bezig te verdwijnen. Men kan zich moeilijk een leraar of onderwijzer voorstellen die voor de klas zegt: Jongens, neemt je pen, luistert goed en schrijft op. En een statistisch onderzoek zou kunnen uitwijzen, hoeveel terrein de vorm op t in de laatste tientallen jaren heeft verloren in geschreven taal.
Natuurlijk is de kwestie iets ingewikkelder dan ik ze hier voor- | | | | stel. Er zijn in het Nederlandse taalgebied dialecten, waar de t-vorm van de imperatief wèl leeft, zelfs òòk voor het enkelvoud wordt gebruikt. En sprekers uit een dergelijk gebied zullen, ook wanneer ze algemeen beschaafd Nederlands gebruiken, een neiging gevoelen wel t-vormen te zeggen. Bovendien, zij die aan traditie hechten, de oudere generatie dus in de eerste plaats, nemen bij hun schrijven de oudere grammaticale voorschriften: enkelv. stam; meervoud stam + t nog min of meer in acht. Min of meer, want ook bij hen gaat de natuur meermalen boven de leer. Daar is dan verder nog hogere en lagere stijl, bijbelse of ceremoniële taal tegenover de familiare. - Toch mag men in 't algemeen zeggen: voor de beschaafde Nederlander leeft enkel nog de imperatiefvorm zonder t. Zo heeft de taalontwikkeling van de laatste eeuw het gewild, en die ontwikkeling kan enigszins vertraagd, maar niet tegengehouden worden.
En daarmee heb ik u gebracht bij het ‘wonder’, het raadsel: In imperatieven die vergezeld gaan van u, komt de t-vorm wel voor, is de t-vorm meer gebruikelijk dan die zonder t, niet alleen bij het meervoud, ook bij het enkelvoud.
Waarom heerst in deze spreektaalvormen, en alleen in dèze de t-vorm? Er zijn taalkundigen die gaat u zitten enz. beschouwen als in oorsprong een vragende indicatief. Bezwaren tegen deze opvatting komen aanstonds ter sprake. - Onze algemene cultuurtaal heeft zich zò ontwikkeld dat zij voor de imperatief, afgezien van de hier nader te bespreken wending, slechts één vorm heeft, de stam. Die vorm is wel zwaar belast. Hij dient voor talrijke schakeringen, van het nadrukkelijke bevel tot de meest vriendelijke of beleefde uitnodiging, hij dient voor enkel- en meervoud, voor alle menselijke verhoudingen. En in tal van situaties is de enkele en onvergezelde imperatief veel te direct. Welke middelen heeft de taal om het ‘gebod’ te verzachten tot uitnodiging of aandrang, om uit te drukken of het tot één of meerderen is gericht, om er een beleefdheidsaccent in te leggen enz.?
Het dienstmeisje dat voor een bezoeker de deur opent, zegt niet: ‘Kom binnen!’ Dat zou onbeleefd zijn. En ‘Kom binnen meneer!’ is eigenlijk nog maar zo-zo; ze zegt: ‘komt u binnen meneer.’ U en meneer hebben hier vrijwel gelijke, elkaar aanvullende functie: beide woorden zijn noodzakelijke beleefdheidsformules, die de verhouding tussen spreekster en aangesprokene markeren. - Tegen de groenteboer of de kruier zegt de dienstmaagd: ‘geef maar twee pond of wacht maar eventjes.’ ‘Ga nu maar rustig naar huis’ heeft overredende kracht, en een vriend in de huiskamer bieden we een sigaar aan met de woorden: steek
| | | |
es op. Voeg bij deze modale bijwoorden de intonatie, de omschrijvingen: je moet komen, je zult komen enz., dan zijn dat al te zamen middelen om een ‘gebod’ te moduleren en te modifiëren. Er zouden er meer te noemen zijn, maar dit moge voldoende wezen.
Ik beperk mij hier tot toegevoegde pronomina, steunpronomina, die naast het markeren van de verhouding tussen spreker en hoorder ook modulerende functie kunnen hebben. En ook getal-indicatie kunnen geven. Kom jij maar mee en blijf jullie even wachten; daarmee wordt één uit een groep gehaald. Zo is ook: jij daar, let toch op een door de situatie geëiste of gewenste precisering van het gebod, een precisering die niet in de imperatief zelf zijn formele uitdrukking kan vinden. Maar, in dit laatste voorbeeld staat het steunpronomen voorop; ik wil mij bepalen tot onmiddellijk achter de imperatief gevoegde pronomina.
Die kunnen zijn: jij, jullie, u en in literaire taal soms gij; ‘geef gij aan den broeder 't noodige geld’ (Alb. Thijm, Willem van Oranje); in de dialecten waar het oude enkelvoudspronomen nog leeft, ook vormen als doe, dou. Zo zegt een Friese vader tegen zijn zoontje: kom dou mar ris by heit (= vader); en ook kan hij zeggen: kom hy mar ris bij heit, waar hy de waarde heeft van een aanspreekvorm, een tweede-persoons-voornaamwoord. Dit hij wordt in deze functie vooral gebruikt in intieme sfeer, tegen kinderen, het heeft een beschermend-vriendelijk accent.
Deze Friese voorbeelden bewijzen duidelijk dat men bij de hier besproken wendingen niet te denken heeft aan ‘een in oorsprong vragende indicatief’. Immers, die luidt: komstou by heit en komt hy by heit? Wil men een ander bewijzend voorbeeld? De gebiedende wijs van lizze (leggen) is liz; de 2de persoon enkelv. dou leist (jij legt). En naast elkaar staan liz dou dat der mar del (leg jij dat daar maar neer): liz dou, imperatief + toegevoegd pronomen - en leist dou (leistou) dat der del? indicativische 2de persoon enkelv. = leg jij dat daar neer? Ik zet naast deze wending: komm du mal her, waar blijkt dat ook het Duits een duidelijke imperatiefvorm + du heeft en niet de omgekeerde woordorde van du kommst: kommst du (mal her).
Bezien we nu de constructie kom jij maar hier, loop jij maar door enz., dan is hier niet formeel uit te maken, of dit een imperatief of in oorsprong een vragende indicatiefzin is. Immers de imperatief luidt loop, maar ook de omgekeerde (vragende) woordorde heeft loop jij, kom jij enz. Hier kan ons een enkel onregelmatig werkwoord helpen. Naast de imperatiefzin wees jij nu kalm, staat de vraagzin: ben jij nu kalm? wees imperatief, naast
| | | |
ben werkwoordsvorm van de 2de persoon. Zo is het ook: wees jullie nu kalm! naast ben (zijn) jullie nu kalm? Daarmee is de hypothese: vraagzin heeft zich hier ontwikkeld tot imperatiefzin weerlegd. De ongelijkheid van vorm wees - ben spreekt hier duidelijke taal; wees komt in dit (onregelmatige) werkwoord niet anders voor dan als imperatief; in de vervoeging van het werkwoord hebben we geheel andere vormen (ik ben, jij bent, hij is, wij zijn enz.).
Dan kan nu iets anders onze aandacht vragen. Naast wees jullie maar kalm is ook in gebruik wezen jullie maar kalm! Zo naast loop jullie maar door lopen jullie maar door enz. Hoe is die bijvorm op - en te beoordelen? Die komt in het oorspronkelijke imperatiefsysteem niet voor, wel in het praesens. Daar heeft zich naast: loop jullie, werk jullie enz. ontwikkeld een vorm lopen jullie, werken jullie. Dit is analogie naar de 1ste en 3de persoon meervoud. Wij, zij lopen heeft naast jullie loopt een bijvorm jullie lopen doen ontstaan. Daarmee is vormgelijkheid tussen de drie personen meervoud bereikt: wij, jullie, zij lopen; ook in de omgekeerde woordorde: lopen wij, jullie, zij. Deze bijvormen op en zijn betrekkelijk jong: in de literatuur komen ze niet eerder voor dan in de tweede helft van de 19de eeuw. Ze illustreren de zucht naar flexie-vereenvoudiging die de ontwikkeling van het Nederlands, van de Germaanse talen in het algemeen sedert eeuwen kenmerkt. Maar ik kom weer ter zake.
Dat wendingen als loop jij heen, loop jullie een eindje met me mee imperatieven zijn met een toegevoegd steunpronomen en niet zijn ontstaan uit vragende indicatiefzinnen, heb ik hierboven trachten te betogen; maar ik wil niet ontkennen dat beide constructies in verschillende opzichten dicht bij elkaar kunnen staan. Een vraag als loop jullie (soms) een eindje met me mee en een uitnodiging (gebod): (toe) loop jullie een eindje met me mee naderen elkaar: de bedoeling of zin is dezelfde, er is vormgelijkheid, alleen de zinsmelodie, de intonatie verschilt, maar zelfs dat verschil kan gering worden. De syntactische relatie tussen loop en jullie is in de vraagzin een andere dan in de imperatiefzin. In de eerste hebben we de verhouding: verbaalvorm + subjectspronomen, en tussen die twee bestaat congruentie; wijziging van het subject (tot hij bijv.) veroorzaakt wijziging van de verbaalvorm. In de imperatiefzin hebben we de combinatie: imperatief (in wezen een onveranderlijke vorm) + steunpronomen van vocativische aard, geen subject; hier geen congruentie. De vorm-overeenkomst, zoals in het gegeven voorbeeld, is toeval. Maar -
| | | | er is genoeg overeenkomst om te bewerken dat er voor ons taalgevoel secundair in de imperatiefzin een dergelijk rapport ontstaat tussen de combinatie imperatief + toegevoegd pronomen, als er van ouds bestaat tussen werkwoordsvorm en volgend subject. En daar nu in de vraagzin naast loop jullie een eindje mee? ook is opgekomen lopen jullie een eindje mee? komt bij de imperatiefzin de neiging tot een overeenkomstige bijvorm op. Zò is (toe,) lopen jullie een eindje mee te beoordelen. Ik zou dit vormverandering door attractie of secundaire congruentie willen noemen.
Dat deze imperatiefverandering door attractie niet noodzakelijk vormen behoeft te scheppen die gelijk zijn aan die van het praesens-systeem van de indicatief, bewijst wezen jullie toch voorzichtig; een praesensvorm wezen jullie (jullie wezen) komt niet voor. Hier is door secundaire congruentie achter een oorspronkelijk wees (jullie) dezelfde meervouds-en geplaatst, die zo goed als alle werkwoordsvormen bij het subject jullie sedert ongeveer een eeuw hebben aangenomen. Zo hebben we dus naast elkaar wees en wezen jullie maar voorzichtig. Maar, de attractie kan nog verder gaan, zò ver dat ten slotte volkomen vormgelijkheid met de omgekeerde indicatiefvormen wordt bereikt. In de vragende zin is het: zijn jullie (wel) voorzichtig of ben jullie....? Welnu, ook in de imperatiefzin hoort men reeds zijn jullie maar voorzichtig! Mogelijk staat ben jullie maar voorzichtig ons te wachten; of is die vorm er reeds? Dat zou dan de vierde zijn: naast wees jullie.... eerst wezen jullie...., dan zijn jullie.... en ten slotte ben jullie....! Dat demonstreert ten volle de gewijzigde relatie die zich tussen imperatief en toegevoegd steunpronomen heeft ontwikkeld.
Een juiste beoordeling van kom of komt u een ogenblik binnen, neem of neemt u plaats is ons nu mogelijk geworden. De oudste vorm moet zijn kom u...., neem u.... enz., de enige imperatiefvorm. De t-vormen zijn ontstaan door secundaire congruentie: onder invloed van vragende zinnen als komt u (misschien even) binnen enz., waar komt de verbaalvorm is, die bij u wordt vereist, neemt ook de imperatief met volgend u een t aan. Begunstigende omstandigheden zijn de hiaat-positie: ga u zitten doe u dat maar nemen wel heel gemakkelijk de t aan.
Overigens is deze t, in tegenstelling met die van indicativische zinnen met omgekeerde woordorde (waar komt u vandaan? dan weigert u zeker), facultatief. Wel schijnen de vormen met t (neemt u plaats) meer gebruikelijk, meer verzorgd te zijn geworden dan die zonder t (neem u plaats). In het eerste geval komt de beleefdheidsverhouding in zekere zin dubbel tot uitdrukking: in het toegevoegde u en in de t.
| | | |
Met een paar opmerkingen wil ik besluiten. Ook uit het Friese (en Duitse) materiaal is duidelijk gebleken dat deze imperativische vormveranderingen facultatief zijn (vgl. nog het aangehaalde voorbeeld met gij: geef gij....).
Reeds in de 17de eeuw ontmoet men tal van imperatieven met toegevoegd jij; ook daar zijn congruentieneigingen te constateren, waarover ik hier zwijg. Uit oudere taal ken ik geen voorbeelden; wel uit het oudere Engels. En wat het moderne Engels betreft wijs ik op: look you here, mind you, don't you worry en dergelijke, alle in gewone omgangstaal gebruikelijk.
Mogelijk verzucht een lezer, aan het eind gekomen van deze lange beschouwing over een doodgewone wending: is deze omelet zoveel gerucht van woorden waard? - Ik heb u in de keuken willen brengen van het taalbedrijf, iets willen laten zien van de interne wetten, welke in de taalkeuken heersen. Wij allen zijn daaraan onderworpen en eerst bij nauwkeurige analyse wordt ons iets van deze wondere processen duidelijk.
A.A. Verdenius
|
|
|