De Gids. Jaargang 148


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 148. Meulenhoff Nederland, Amsterdam 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Joris Duytschaever
Faulkner en Claus

Maarten 't Harts klaagzang geldt evenzeer voor Vlaanderen: ook daar is Faulkner nog ondergewaardeerd. Niet alleen omdat hij te moeilijk is, maar wellicht ook omdat hij inzichten verschaft die zo pijnlijk toepasselijk zijn op Vlaamse situaties, dat ze niet leiden tot behaaglijk leesgenot. Vlamingen ontwijken immers graag zelfkennis, of hebben er althans minder behoefte aan dan Nederlanders; dat blijkt niet alleen uit het feit dat de psychoanalyse bij ons nooit voet aan de grond gekregen heeft, het werd onlangs ook vastgesteld door de socioloog Luc Huyse naar aanleiding van de eerste publikatie van allerlei vitale gegevens omtrent het maatschappelijk bestel. In Nederland waren die al sinds jaar en dag openbaar gemaakt, geen Vlaming had er zich om bekreund dat ze bij ons niet beschikbaar waren.

Toch kan Vlaanderen bogen op één pluspunt: een schrijver van formaat die in enkele werken faulkneriaanse allure vertoont, Hugo Claus. Al is het oeuvre van Claus veelzijdiger en zijn levensstijl kosmopolitischer, er blijft

[p. 408]

toch een diepe verwantschap met Faulkner, met de universele streekromanschrijver die in de ban bleef van zijn streek en haar toch niet ophemelde en ook haar afschuwelijkste aspecten onder ogen wilde zien. Nu kwam zo'n schrijver voor Claus niet als een deus ex machina, want ook Streuvels' streekromans waren vaak allesbehalve zoetsappig. Bovendien vertoonden ze een sterk zintuiglijke component, en juist zulke suggestieve beschrijvingskunst is volgens Claus het wezenlijkste van de roman. De plot-component kon immers zonder meer door de film worden opgeslokt. Er was dus bij Claus al een ontvankelijkheid voor Faulkner vanuit de eigen traditie.

Er zijn twee fasen te onderscheiden in Claus' verwerking van Faulkner: de eerste had vooral te maken met As I Lay Dying (De Metsiers, 1950), de tweede hoofdzakelijk met Absalom, Absalom! (De verwondering, 1962). Het zou bijna twintig jaar duren voor de tweede fase genoeg aandacht kreeg, maar de invloed van Faulkner in de eerste fase werd al in recensies van De Metsiers gesignaleerd en als cliché in handboeken overgenomen. Eigenlijk behoorde dit ‘amerikanisme’ tot de opdracht die de negentienjarige Claus had gekregen van een kleine Westvlaamse uitgever om voor 2.000 Bfr. een roman met Amerikaanse inslag te schrijven. Er liep echter iets fout met de publikatie, waarna Claus met het manuscript een prijs in de wacht sleepte. De Metsiers werd een sensatie omdat men volgens de toen vigerende normen dit Vlaamse familieverhaal wel erg overladen vond met geweld, seks en incest.

Ook ruimdenkende recensenten die het wonderkind wel wilden toejuichen, waren er toch als de kippen bij om wat te pikken naar de Amerikaanse invloeden; vooral voor iemand als Lampo, die verkleefd bleef aan de ‘oorspronkelijkheid’ was het te veel ‘een virtuoos geklutst mengsel van Faulkner en Caldwell’ (Volksgazet 19.10.1950). Daar romantisch zelfbedrog nooit tot de poëtica van Claus behoorde, kon hij rustig de rol van Faulkner bevestigen: ‘Het procédé van Faulkners As I Lay Dying heb ik gebruikt voor De Metsiers. Invloed is nu eenmaal onvermijdelijk’ (Het Boek van Nu, 1953).

Met ‘procédé’ bedoelt Claus de fragmentizering van het verhaal in 25 hoofdstukken waarin telkens een van de personages aan het woord komt, zonder overkoepelend vertelmedium. Zodoende krijgen de personages gestalte enerzijds door wat ze van zichzelf openbaren in innerlijke monologen, anderzijds via de perceptie van de anderen in hun monologen. Faulkners segmenten zijn echter niet alleen dubbel zo talrijk, maar ook meer gemoduleerd: overwegend sombere bijdragen van de familie Bundren wisselen af met komische segmenten vanuit het perspectief van de gemeenschap. Bij Claus blijft dit aanvullende gezichtspunt beperkt tot dat van de Amerikaanse soldaat Jim Braddok, en dat is allerminst komisch. Zo wordt de atmosfeer van incestueuze beslotenheid nog versterkt, meer in de trant van The Sound and the Fury; ook al is Claus' Bennie niet zo achterlijk als Faulkners Benjy, in hun aanhankelijkheid aan hun zuster zijn ze opvallend verwant.

Toen Claus de pose van het wonderkind niet meer nodig had, heeft hij zich wel eens kritisch uitgelaten over zijn romandebuut omdat daarin het maakwerk overheerste; het verwonderde hem dat Vestdijk het boek zo mooi gevonden had: ‘Maar dat is omdat hij waarschijnlijk niet genoeg de achtergronden kende... Of hij dacht: het zit wel vol met die Amerikaanse invloed, maar het is toch iets op zichzelf’ (interview met Jessurun d'Oliveira in Scheppen riep hij gaat van Au, 1957). De laatste gissing is beslist de beste, want Vestdijk was nu net een van de weinigen met voldoende kennis van zaken om de schaduw van Faulkner te zien (vergelijk ‘Erotische driehoeksmeting’ van 1948, herdrukt in Zuiverende kroniek, 1956). Bovendien heeft Vestdijk nooit verborgen wat hijzelf te danken had aan een gangmaker als Joyce; vanuit zijn brede visie op de creatieve imitatie kon hij De Metsiers als bijzonder geslaagd waarderen.

Nu hoeft men natuurlijk niet alle elementen uit deze roman te verklaren in het licht van

[p. 409]

andere teksten. Dat zou leiden tot een bar soort vertoon van eruditie zoals die van de onvergetelijke leermeester die het beeld van het doorboorde hart bij Shakespeare altijd wou verklaren vanuit een of andere voorloper en geschokt was door de barbaarse opmerking dat deze symbolen ook wel op bomen voorkomen. Observatie van reële toestanden is voor Claus altijd belangrijk geweest, en onlangs heeft hij dit nog toegelicht in verband met de bedenking van Paul Claes dat The Golden Bough vol agrarisch materiaal zit, maar dat er bij De Metsiers al agrarische elementen voorkomen voor Claus Frazer kende: ‘Dat heeft te maken met het feit dat het land waarin ik opgegroeid ben een landbouwland is. Ik kan moeilijk metropolische toestanden oproepen als ik geboren ben in West-Vlaanderen. Ik heb alleen maar te maken met boeren. Zelfs onze hoogleraren drukken zich uit als boeren’ (Claus-Reading, 1984). Volgens deze optiek zou het uiteraard misleidend zijn om Faulkner aan de oorsprong te zien van Claus' voorkeur voor het platteland. Wel kan Faulkner Claus' blik gescherpt hebben voor racistische en patriarchale onderdrukkingsmechanismen die zowel in het diepe Zuiden als in Vlaanderen de romantiek van het heldendom en het gezinsleven een boosaardige dimensie verleenden.

Deze laatste aspecten komen aan bod in De verwondering, een boek waaraan Claus even lang en moeizaam werkte als Faulkner aan Absalom, Absalom! maar dat in menig opzicht verder gaat. Deze matrix-roman heeft De verwondering ongetwijfeld even belangrijke impulsen gegeven als enkele andere meesterwerken als bijvoorbeeld La route des Flandres van Claude Simon en Mutmassungen über Jakob van Uwe Johnson. De grotere complexiteit van De verwondering komt voort uit het samenvloeien van krachtlijnen die al lang in Claus' werk aanwezig waren maar hier in een stroomversnelling raken: het surrealisme, dat hem reeds kort na de oorlog fascineerde; de vegetatiemythen, die hij vanaf De Hondsdagen verwerkte en de allegorische component, die in een subversieve variant uitgewerkt wordt. Bovendien wordt Faulkner op een veelzijdige manier verwerkt via technische verfijningen, met het accent op zijn fictionele geschiedschrijving die naar een intenser visie streeft dan het schoolse historisme.

Hoewel enkele recensenten terloops naar Faulkner verwezen, ontging iedereen de talrijke overeenkomsten met Absalom, Absalom!. In een interview uit 1963 wilde Claus de kritiek blijkbaar in de goede richting sturen door uitgerekend deze roman te vermelden bij de vijf beste prozawerken van de twintigste eeuw (J. de Ceulaer, Te gast bij Vlaamse auteurs, 1964). De boertige leraar-interviewer trok uit deze primeur echter geen conclusies betreffende raakpunten die toch voor de hand lagen: ‘- Bent u zich ervan bewust dat uw personages enorm veel geuren opsnuiven?. - Er is weinig waarvan ik mij niet bewust ben. [...] - Het komt mij voor dat de veelvuldige reukgewaarwordingen wijzen op een sterke sensualiteit. - Dank u.’ Zoals 't Hart opmerkt is de neus bij Faulkner het belangrijkste zintuig, en al hoeft men in dit opzicht geen strikt causaal verband te leggen, een bepaald verband is toch wel aannemelijk.

Daarnaast zijn er nog parallellen te over, waarvan in dit bestek slechts een flauw idee gegeven kan worden. Details zijn te vinden in mijn artikel in De Vlaamse Gids (1979, nr. 3; het krioelt wel van de zetfouten), het Synthesedeeltje over De verwondering (1979, passim) en mijn recente lezing over ‘History as a Massive Continuum in Absalom, Absalom! en Claus' De verwondering’ (in: Faulkner and History, ed. Michel Gresset & Javier Coy, Salamanca 1985). De belangrijkste verbindingspunten tussen beide romans kunnen als volgt samengevat worden.

Centraal staat de fatale fascinatie van een problematische intellectueel (de student Quentin Compson respectievelijk de leraar De Rijckel) voor een primitieve held die hij nooit ontmoet heeft, maar die voortleeft in de legenden van zijn gemeenschap. Het ruimtelijke spanningsveld ligt in beide romans tussen twee polen: een spookachtig landgoed waar de held

[p. 410]

verbleven heeft en waarnaar de hoofdfiguur een tocht onderneemt die hem voorgoed tekent, en een kamer in de stad waar de hoofdfiguur tevergeefs probeert zijn evenwicht te herwinnen door zijn verwarrende ontdekkingen te herkauwen vanuit vier perspectieven die stilistisch zeer gedifferentieerd zijn. Het lot van de ontluisterde helden, die te veel wilden voor hun beperkte middelen, voltrekt zich als spiegeleffect ook aan de hoofdfiguren: op hun beurt verder gedreven dan hun mogelijkheden, hebben ze geheimen ontsluierd zonder de onthulling te kunnen verdragen; ze missen de veerkracht en de creativiteit om eigen, alternatieve mythes te scheppen.

Om welke ontluistering gaat het nu? In beide gevallen worden de onmenselijke grondslagen van grootse dromen blootgelegd: Sutpens ‘grand design’ (en meteen The Old South in al zijn glorie) blijkt vergiftigd door de racistische en patriarchale verwerping van machtelozen die niet in dit grandioze plan passen. Ook Claus onthult deze mechanismen als verderfelijke aspecten van de Vlaamse grootheidswaan zoals die tijdens het interbellum opgeblazen werd tot het droombeeld van een in zijn middeleeuwse luister hersteld Bourgondisch rijk. Strategisch een meesterlijke zet van Claus om de Verdinaso-ideologie als doelwit te kiezen; dit ‘edelfascisme’ had volgens velen minder te maken met het nazisme dan het meer platvoerse Vlaamse fascisme, terwijl Claus duidelijk maakt hoe medeplichtig aan de jodenmoord ook dit soort elitaire bewegingen werd omdat ze al aan de bron vergiftigd waren.

Binnen het heersersvolk wordt het racisme weerspiegeld door de patriarchale onderdrukking: de mythe van het degelijke Vlaamse gezin als hoeksteen van een Groot Vlaanderen wordt verpulverd door het verhaal van een meisje dat op bevel van de vader gesteriliseerd werd om de overleden moeder te vervangen als pleegmoeder. Hier gaat de satirische verheviging verder dan Faulkners ondermijning van de mythe dat de familiecultus het Zuiden een bijzondere kwaliteit zou verschaffen. Beide schrijvers ontmaskeren echter niet vol leedvermaak de waarden die hun streekgenoten zo dierbaar zijn; men voelt dat zij zelf geraakt worden in illusies die ze toch ook ooit gekoesterd hebben. Deze problematische betrokkenheid wordt consequent uitgedrukt in een vormgeving die de verleidelijke esthetische droom van het monumentale weerstaat. Wat Evan Watkins onovertroffen formuleerde in verband met Faulkner, geldt ook voor Claus: ‘The “design” of Absalom, Absalom! is no completed pattern, no “Sutpen's Hundred”, no monument to artistic vision. It's life is actual, in a way which implicates Faulkner at every point, which in fact “articulates” him in this world’ (The Critical Act, 1978.) Precies in dit verzaken aan de demiurgische kunstenaarsdroom ligt misschien hun grootste triomf.

Het is begrijpelijk dat de Amerikaanse lezers zich anno 1936, op het dieptepunt van de depressie, liever lieten meeslepen door Gone with the Wind, waarvan het succes dat van Absalom, Absalom! volkomen overschaduwde. Dat De verwondering echter in 1963 voor de staatsprijs het onderspit moest delven tegen Lampo's De komst van Joachim Stiller, een escapistische roman vol zweverige verzoeningsmetafysica, is voor Nederlanders allicht minder begrijpelijk. Blijkbaar is er naast ‘Dutch Comfort’ ook een variant ‘Flemisch Comfort’ die nog méér beducht is voor verontrustende zelfkennis. Zo is het maar te hopen dat De verwondering uiteindelijk via de (uitverkochte) Franse en de Duitse vertaling de ereplaats in de wereldliteratuur zal krijgen die het werk ten volle verdient.