Den Gulden Winckel. Jaargang 16


auteur: [tijdschrift] Gulden Winckel, Den


bron: Den Gulden Winckel. Jaargang 16. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1917  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 145]

De ziel overwint

Dr. Jac. van Ginneken S.J. Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden. Een hartig woord aan hen die belang stellen in de toekomst van het nederlandsche volk.
Leergang der nederlandsche taal: I De roman van een kleuter1. Nijmegen. L.C.G. Malmberg. 1917.

I

DIT is de juichende strijdkreet waarmee Dr. Jac. van Ginneken S.J. oproept tot den kruistocht ter verovering van het Heilige Land van 't moedertaalonderwijs, dat nog altijd overheerscht wordt door de oude grammatische school. Wel heeft deze methode, sedert de oprichting van Taal en Letteren in 1891 en de voortzetting daarvan in 1907 als De Nieuwe Taalgids, heel wat aanvallen te verduren gehad, en is als gevolg daarvan wel op enkele punten eenige verbetering gekomen - maar over 't geheel is de oude richting de heerschende gebleven. Hoe dat komt? Dr. Van Ginneken maakt hier een woord van Auguste Comte tot het zijne: ‘On ne détruit que ce qu'on remplace’. En dit hebben de voorstanders van een nieuw moedertaal-onderwijs tot nog toe verzuimd: een nieuwe synthese te geven, die de oude zou moeten vervangen.

Deze nu geeft Dr. Van Ginneken; hij bestemde zijn taalmethode voor 't middelbaar en gymnasiaal onderwijs. En wellicht zullen er lezers zijn die zich al afvragen of een bespreking van een dergelijk werk wel thuis hoort in een tijdschrift als ‘Den Gulden Winckel’. Laat ik dan daarop dadelijk even mogen antwoorden, dat èn door het toelichtende geschrift èn door den aard van de methode zelf, deze ongetwijfeld de aandacht verdient ook buiten de direkt belanghebbenden: de leeraren en leerlingen van de genoemde inrichtingen van onderwijs.

Voor 'n deel berust deze leergang op het Handboek der nederlandsche taal van denzelfden schrijver, die daarvan in 1913 en '14 de twee eerste deelen liet verschijnen: 'n gedeelte van de stof daaruit zal men hier - zij 't natuurlijk lang niet zoo uitvoerig - in terug vinden. Maar er is ook stof die in den leergang wel, in 't handboek niet wordt aangetroffen: n.l. de behandeling van de kindertaal.

Dr. Van Ginneken geeft dan hier een leergang voor het onderwijs in de moedertaal, d.i. het onderwijs in 't algemeen-nederlandsch. Dit algemeen-nederlandsch is - evenals taal in 't algemeen - zooals men weet, eigenlijk een abstraktie: ‘de taal’ bestaat niet, is enkel iets ‘tusschen de

[p. 146]

menschen’. Taal is, om met Mauthner1) te spreken, feitelijk alleen taalgebruik. Er is geen mensch die zijn moedertaal geheel kent; dus ook niemand die het algemeen-nederlandsch volkomen kent. Ieder kent er maar een stukje van; en hier hoort men dit stuk, en daar weer een ander. Maar al die stukken tezamen (alle ook weer abstrakties!) vormen 't algemeen-nederlandsch, ‘de levende taal’. We zouden deze kunnen vergelijken met een stroom, gevoed door tal van nevenstroompjes. Daaronder zijn er enkele die wat meer uitkomen, door kracht en diepte: de dialekten, de stands- en vaktalen, de literatuurtaal. Welnu, Dr. Van Ginneken brengt 't algemeennederlandsch - de levende taal - in de school; en daarnaast de dialekten en de literatuurtaal. Maar dan geeft hij nog iets; en daar begint hij mee: hij laat zien, hoe de taal, dus 't taalgebruik, telkens weer opnieuw ontstaat, bij het jonge kind. Evenals alle onderwijs moet ook het taalonderwijs door kennen brengen tot kunnen. Dit laatste is het doel, het hooge doel. Kunnen; dat is hier: spreken en schrijven: in beschaafd nederlandsch spreken, in dragelijk nederlandsch schrijven. En daartoe heeft ons taalonderwijs onze jongens en meisjes niet opgeleid; getuige de klachten van examenkommissies. Doordat de moedertaal onderwijzers en -leeraren zelf het nooit tot kunnen hadden gebracht; getuige de taal in taalboeken en tijdschriften. En wat ze van de taal kenden, was larie - het woord is van Dr. Van Ginneken. Zooals ik al schreef - Dr. Van Ginneken brengt ‘de moedertaal’ in al haar volheid in de school. Wijlen Jan Ligthart zou hier spreken van ‘zaakonderwijs’: geen praten òver de dingen, geen woordkramerijen; maar het ding, de zaak zelf leeren kennen door innerlijk aanschouwen - aanhooren, zou 't dan van de taal zijn. ‘We moeten leren horen. En dat doen we niet met de oren. We horen met de ziel. En daarom moet de ziel gewekt worden. Hoe wekken we de ziel? Door het kind in levende aanraking te brengen met de stof; door arbeid. Goed onderwijs richt zich van hart tot hart en niet van hoofd tot hoofd. Eerst het hart levend maken’2).

En zoo is men ook gekomen tot zielkundige taalwetenschap. Eigenlijk is àlles psychisch in de taal, zegt Dr. Van Ginneken, die vol overtuiging taalpsycholoog is. En dan ziet hij van dat standpunt af het leven der taal als 't zieleleven van den spreker; maar ook van den hoorder; en ook ziet hij den wederzijdschen invloed dien de zielelevens van sprekers en hoorders op elkaar uitoefenen; en ten slotte ook het sociale zieleleven in alle landen en tijden.

Aan een goed gegeven moedertaalonderwijs schrijft Dr. Van Ginneken een groote mate van opvoedende strekking toe. Herhaaldelijk wordt daarop door hem in zijn begeleidend geschrift gewezen. In de eerste plaats is goed moedertaalonderwijs uitnemend voor een gezond nationale opvoeding. Immers, ‘de taal is de allerfijnste uitstraling van den nationalen geest’. En daarmee raken de leerlingen vertrouwd. De schrijver is niet bang voor vreemde talen; integendeel, hoe meer talen men kent, hoe beter: elke taal maakt een nieuwen mensch in ons wakker. Maar vooraf ‘moeten de nationale denk- en vorm- en voelgewoonten in klare bewustheid liggen te fonkelen diep daarbinnen’, in de hoofden onzer kinderen. Mag ik hier een klein citaat geven? ‘Ons te verdiepen in den bouw onzer taal, is dus een vaderlandsche geschiedenis van binnen gezien, neen, meegeleefd, doorvoeld en ondervonden; een geestelijk bad van nationale wedergeboorte, een wijdingsvol opgaan tot de geesteswereld van het voorgeslacht, een verkeer met de grootste zielen onzer afgestorvenen, een helle-, vagevuur en hemelvaart, ons Danteskgroot makend door de kennis onzer nationale slechte, middelmatige en hoog-edele neigingen; kortom een klaar reflexief bewust worden van alles wat daar ongeweten sluimert in onzen Nederlandschen, verstandelijken, gemoedelijken en wilskrachtigen aanleg’.

Maar er is nog meer. Als zoo de leerlingen in aanraking worden gebracht met den levenden inhoud der taal; als ze - in plaats van 't peuteren met doode vormen - het leven in de taalziel hebben hooren en voelen kloppen; dan zijn ze daardoor gekomen, ook tot meer zelfkennis: ze hebben hun eigen ziel gezien als weerspiegeld in de taal. En toch weer niet geheel hun eigen ziel, maar een ideaal-spiegelbeeld; doordat juist de besten, de grooteren uit de taalgemeenschap naar evenredigheid een grooter aandeel hebben gehad aan de vorming van de taal. In dit opzicht staat het algemeen-beschaafd hooger dan de literatuur-taal: de omgangstaal is meer waar, meer oprecht dan de laatste; omdat deze ten gevolge van 't feit dat ook minder begaafden haar gebruiken, aanleg heeft tot mooidoenerij, tot ‘manier’. Bovendien zorgt het mondelinge gebruik beter voor een keuring: de mondelinge overlevering scheidt noodzakelijk het mindere en lagere van het betere, en werpt het eerste uit.

En dan nàast dat algemeen-beschaafd ook het dialekt. Vooreerst om de tegenstelling; om 't eerste te leeren waardeeren, als het hoogere, als de bekroning. Maar ook nog om wat anders: ook om

[p. 147]

te voorkomen de Erziehung zur Phrase; om te verhoeden dat de leerlingen de beschaafde uitdrukkingen en zegswijzen als de eenig toelaatbare zullen gaan beschouwen, en daardoor weer tot alledaagsche zullen neertrekken. Want dan wordt de beschaving tot een vernis, tot een uiterlijk vertoon; terwijl het daarbinnen ruw en vulgair is, of leeg en koud. Ook de tallooze overgangen tusschen het algemeen-beschaafd en de volkstaal zijn hoogst leerzaam, en opvoedend tevens.

Nog een citaat moge hier volgen; ook, evenals het vorige, als proeve van het proza van Dr. Van Ginneken: een taalleeraar die wèl schrijven kan. De lezing van dit geschrift, waarvan de vorm volkomen beantwoordt aan den rijken inhoud, kan ik niet sterk genoeg aanbevelen. Men zal zijn kennis van en inzicht in het leven der taal en wat daarmee samenhangt vermeerderen en verhelderen; en - wat niet het minst is - zich verfrisschen en ... verwarmen aan het idealisme van den schrijver.

't Bedoelde citaat luidt: ‘Moge ons proefspel op het majestueuse Nederlandsche taalorgel, waarvan wij beurtelings alle registers zullen laten klinken, aan de orgelaars der toekomst leeren, dat er tusschen de massieve zwaarte der pedalen en de hoogstatige gratie der vox angelica: nog twee drie toetsenrijke klavieren met elk weer reeksen van taalgamma's daar in elpen gedweeheid liggen neergevlijd, om van fluweelen vingerindrukken het ritme en de melodie onzer innerlijkste zielsbewegingen op te vangen, en door te geven aan de trompetten en fluiten, hoorns en bazuinen, dat de Nederlandsche kerk ervan weergalmen en vol zijn zal. Moge de blijde aanschouwing der regenboogkleuren van nederlands taal: ons opkomend geslacht niet slechts een taalvorm, maar ook vooral een zielsinhoud bijbrengen, die hen met hunne kinderen en kindskinderen: mogen vrijwaren tegen een zondvloed van jammeren, als thans tot straf voor een gehuichelde beschaving onze arme wereld verdelgt’.

II

Na getracht te hebben u een indruk te doen krijgen van deze voorbereidende toelichting, zijn we nu gekomen tot den leergang zelf. Ook hierbij zal ik er alleen naar streven u eenig idee daarvan te geven. Geen bespreking zal het dus zijn: die zou voor dit tijdschrift te veel plaatsruimte vorderen; nog veel minder een kritiek: die zou hier niet passen; en bovendien zal die het best geleverd worden door de mannen van de praktijk. Maar als deze zullen spreken - laat me dit even mogen zeggen - dan hoop ik dat het zijn zal nàdat ze, met hart-en-ziel, bij hun taalonderwijs eerst een ernstige proef hebben genomen met dezen leergang.

Het eerste deel ervan is getiteld: De roman van een kleuter. ‘Ik heb dit boek geschreven met mijn hartebloed, d.w.z. ik heb nog nooit in mijn leven op taalgebied iets geleverd, waar ik zoo geduldig van al mijn kunnen en kennen in heb neergedragen, dat ik met zoo teere zorg heb gekoesterd, met zooveel vaderweelde en moedersmarten heb geteeld en opgekweekt als dit simpele schoolboekje, meer dan andere: mijn zielekind’. Zoo spreekt de schrijver erover. En wij zijn geneigd te vragen: zou een kind van zoo'n vader-en-moeder, een kind ook van zooveel liefde, verloren kunnen gaan!

Ook zegt Dr. Van Ginneken hier niets te veel. Ik heb het voorrecht gehad een lezing van hem bij te wonen, waar hij het ook had over Keesje, 't jongetje waarvan deze ‘roman’ de taalontwikkeling geeft. En een vader had niet met meer geestdrift kunnen vertellen van de vorderingen in het spreken van zijn jongen; had niet met meer liefdevolle belangstelling die gestadige ontwikkeling kunnen nagaan - dan deze pater-taalgeleerde. Eigenlijk is het jammer dat zoo'n boek geschreven wordt: het onderwijs vraagt aanraking met het leven. En nu bestaat altijd het gevaar, zelfs bij een methode die gekenmerkt is door levensvolheid, dat het boek zich plaatsen gaat daar waar het leven behoorde te zijn; dat de letter den geest doodt. Dit gevaar wordt te grooter, als de schrijver ‘al zijn kunnen en kennen’ erin heeft neergelegd.

Zoo'n boek moest kunnen leven, evenals de taal zelf, gaande van den een naar den ander, enkel door het klankrijke gesproken woord.

Maar dit kan zoo niet zijn; en dus zijn we blij dat zoo'n kostelijk boek geschreven wordt. Het toont hoe in den beginne was de ‘Mitteillungstrieb’, en hoe, om nog eens de woorden van Mauthner te gebruiken, alle spreken eenzelfden weg volgt: ‘von der unbewussten Bewegung durch das bewusste Wollen zum Unbewussten zurück’1). En ook, dat de spraakbewegingen eerst taal worden, als ze verstaanbaar zijn, d.i. dienstig zijn voor 't sociale leven.

Dr. Van Ginneken had voor zijn uiteenzetting de beschikking over aanteekeningen van een moeder met betrekking tot de spraakontwikkeling van haar zoontje. En aan de hand van dit materiaal schetst de schrijver deze ontwikkeling, toont de moeilijkheden die daarbij voor het kind te overwinnen vallen - moeilijkheden van fonetischen en van grammatikalen aard - en trekt paralellen tusschen de kindertaal en die van de volwassenen.

[p. 148]

Aan 't eind van het boek is Keesje drie jaar; en hij heeft het in dien tijd gebracht van ‘sprakeloos wicht’ tot een die van zichzelf verklaart: ‘nou zeg Keesje 't goed, moeder!’

Over elf hoofdstukken heeft de schrijver deze ontwikkelingsgeschiedenis verdeeld; en natuurlijk schetst hij niet enkel de fasen van die ontwikkeling, maar hij doet opmerken wat daarachter zit: hoe 't daarbij toegaat in het kleine hoofdje - hij toont ons ‘de ziel’. Af-en-toe geeft de schrijver aan zijn leerlingen oefeningen. Deze plaatsen hen in onmiddellijk kontakt met hun eigen taal, met ‘de’ taal. De ouwe school zei: zoo moet het zijn, zoo alleen is het maar goed. En ging daarbij dan nog uit van een treurig voorbeeld: de levenlooze boeketaal van 1840-'80. Hier, in dit boek, wordt gevraagd aan de leerlingen: hoe is dat bij jullie, bij anderen? Immers, zoo iets kènnen ze: 't is toch hun moedertaal waarover het gaat. En het sluimerende, het onbewuste, wordt zoo gewekt. Ze leeren verschillende eigenaardigheden van de taal als zoodanig opmerken; verschillende verschijnselen ontdekken ze, en worden hun helder: ze beginnen de ‘levende taal’ van zichzelf en anderen optemerken, te hooren, te voèlen - zei ik haast.

Vermelding verdienen ook de illustraties, de geestige plaatjes van Herman Haeck. Ze geven, naar de aanwijzingen van Dr. Van Ginneken, kindergroepjes, die door hun houding en door hun akrobatische toeren in symbolische taal de verschillende zinkonstrukties verbeelden, die Keesje zoo al te hooren geeft. 't Is een mooi voorbeeld van aanschouwelijkheid bij het onderwijs.

En eindelijk geeft het boek ook lektuur. Elk hoofdstuk wordt besloten door enkele stukjes in proza en poëzie, ontleend zoowel aan binnenlandsche als buitenlandsche literatuur. In 't laatste geval zijn ze vertaald. Toepasselijke stukjes zijn het: ze handelen over kinderen van de leeftijds- en ontwikkelingsfasen van Keesje; en voegen zich dus uitnemend ìn diens ‘roman’, waarmee ze zoo één welsluitend geheel vormen. Deze lektuur is met smaak en zorg gekozen1).

Wonderlijk toch: hier is nu een vergelijkende grammatika van de kindertaal en de grootemenschentaal (want dat ìs 't toch eigenlijk), die we van begin tot eind met groote belangstelling kunnen lezen. Ik zeg wij; want deze roman van een kleuter, geschreven om als schoolboek, als leerboek te dienen, is ook interessante lektuur voor volwassenen. Dat dit zoo is, komt naar mijn gevoelen door drie oorzaken. Ten eerste is het boek niet geschreven in den gebruikelijken clichéstijl dien we van de gewone grammatika's kennen; Dr. Van Ginneken schrijft een eigen stijl: los, levendig, geestrijk. Ten tweede is de schrijver iemand die, toegerust met al de wetenschappelijke kennis noodig voor zijn onderwerp, toch de gave bewaard heeft om zich ìn-te-leven in het kind, kind te worden mèt het kind: de noodzakelijke voorwaarde om òver het kind te schrijven. En eindelijk is dezen taalgeleerde de taal niet geworden tot een lijk, geschikt voor een anatomische les; maar hij weet ons de lijnen en vormen te doen zien van het schoone, levende lichaam. En dan ook: vàn dit lichaam de ‘ziel’.

 

Amsterdam.

P.L. VAN ECK Jr.