|
|
|
| |
Letterkundig leven uit de december-tijdschriften
De Gids.
Johan de Meester eindigt zijn roman. ‘Walmende Lampen’ schier alle de menschen met wie Meta - wier eigen levens- en ziele-lamp, sinds zij in Brussel den ‘misstap’ beging, niet geheel zuiver brandde - in aanraking kwam. En als zelfs Hamster haar teleurstelt is 't haar kind, is het Baasje alleen - hoe levendig en met liefde geteekend deze dreumes; de Meester gaf er in zijn boeken niet veel! - is 't haar geestkrachtige boy aan wien zij zich staande houdt; hem toegewijd zal ze blijven in deemoedig geluk over hun lamp, die helder zal schijnen.
M.C. Boxman-Winkler geeft een gedicht ‘Pingala’; Gerard van Eckeren het slot zijner novelle over versmade liefde. ‘De Boom’ van Frans Erens zal worden omgehakt, als de graaf, wien hij toebehoort, geld noodig heeft: de boom onder wiens breede takken oudtijds werd recht gesproken, onder wiens bladeren zich ten tijde van den veertienden Lodewijk een Fransch soldaat verborg... Of dit schetsje van Erens het houden kan tegenover het gelijksoortig van Streuvels, waarvan in dit G.W.-nr. juist een nieuwe uitgave wordt aangekondigd? - Dr. Colenbrander vervolgt zijn Studiën over de Nederlandsche Restauratie en behandelt ditmaal onze vereeniging met België.
De nieuwe jaargang van De Gids belooft ons weer veel genot, o.a. worden aangekondigd een nieuwe roman van Nico v. Suchtelen: Demonen, en de geschiedenis van een jongen edelman in het begin der 20e eeuw, door Carel Scharten, ditmaal blijkbaar buiten de gewone collaboratie om. De heer R.W.P. Tutein Nolthenius treedt met den nieuwen jaargang uit de redactie om plaats te maken voor den jongen dichter A. Roland Holst.
| |
| | | |
Stemmen des Tijds.
Het eeuwfeest van Mary Ann Evans den 22 Nov. j l. heeft J.C. van Dijk een artikel in de pen gegeven over deze schrijfster. In 1858 verschenen de ‘Scenes’ onder 't pseudoniem George Eliot.
Haar biograaf zegt van dezen schuilnaam: zij koos hem omdat George de voornaam was van Mr. Lewes [haar echtgenoot] en omdat Eliot ‘was a good mouth-filling, easely-pronounced word’. Er werden present-exemplaren gezonden aan Froude, Dickens, Thackeray, Tennyson, Ruskin, Albert Smith, Mrs. Carlyle en Faraday.
Het is curieus op te merken dat, terwijl ieder den onbekenden auteur voor een dominee hield, Dickens in zijn bedankbriefje aan ‘George Eliot, Esq.’ zijn sterk vermoeden uitspreekt dat de schrijver een schrijfster is. Hij schreef: ‘ik heb zoo duidelijk vrouwelijke trekken in deze ontroerende verhalen gevonden, dat de verzekering van het titelblad mij maar niet kan overtuigen. En als het niet een vrouw is die ze geschreven heeft, dan geloof ik dat nooit tevoren een man de kunst heeft verstaan zich geestelijk zoo aan een vrouw gelijk te maken, sedert het begin van de wereld’.
Mrs. Carlyle verbeeldde zich haar dank te richten tot ‘een man van middelbaren leeftijd, met een vrouw, aan wie hij de fraaie vrouwelijke toetsen in zijn boek te danken heeft, een huis vol kinderen en een hond’.
Maar de eigenlijke critiek bleef koel; het succes kwam pas met Adam Bede.
| |
Groot Nederland
brengt o.a. proza van J. Dijkstra, Justine Abbing en Henriëtte Barbe, een jonge schrijfster blijkbaar met talent. Aart v.d. Leeuw schrijft over Gottfried Keller. Na de lectuur uit Keller:
Het is niet te beschrijven, hoe gelukkig en verheugd ge U voelt, als ge na urenlang over deze boeken gebogen te hebben gezeten, optuurt en Uw kamer weer herkent. Het lijkt op een thuiskomen na een ganschen dag wandelen, pas tegen den avond, met een grooten ruiker wilde bloemen in de hand; want het beste wat er van dit volop genieten te zeggen valt, zal wel dit moeten wezen: het was zoo frisch, zoo kerngezond! Vol verwondering haalt ge U dan, na zoo'n tocht langs de velden en bergpaden van zijn zomerlijk gebied, dien kleingebouwden, driftigen staats-secretaris, met zijn breed voorhoofd, voor den geest en ge twijfelt, of dat wat ge ter verklaring van zijn wezen bijeenzocht, land en tijd en kinderlijke wijsheid, U het geheim van den dichter wel voldoende hebben opgehelderd....
| |
In Elseviers
vervolgt Just Havelaar zijn mooie studie over Boeren-Breughel, geeft Felix Rutten een dramatische schets Driekoningen, Emmy v. Lokhorst weer een ‘Schets van Ontrouw’ etc. De Hollandsche Revue bekarakterschetst Henri Polak; in Vragen van den Dag schrijft Ds. A. Klaver over Tagore en zijn wegbereiders. -

De Boomen Naar een teekening van Jules Fonteyne
Als Kabir [een zijner voorloopers] is ook Tagore de dichter der blijaanvaarde werkelijkheid. Alle wereldontvluchting in ascese is hem vreemd, en in zijn pantheïstische vroomheid geeft hij de aanvaarding, de vreugdevolle viering en de zegening van den lust. ‘Neen mijn vrienden! Asceet word ik nooit, ik zal nooit mijn huis en haard verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en niet een tip van een safraangelen mantel fladdert in den wind’. Hij is een der eerste onzer heiligen geweest, die niet heeft geweigerd te leven....
Een volgend maal reserveeren we wat meer plaatsruimte voor de tijdschriften.
|
|
|