Den Gulden Winckel. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Gulden Winckel, Den


bron: Den Gulden Winckel. Jaargang 20. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1921  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

De Nederlandsche detective-roman

TOEN eenige jaren geleden ‘Ivans’ met ‘De Man uit Frankrijk’ verscheen, als eerste van een reeks oorspronkelijke detective-romans, debuteerde daarmede de Nederlandsche detective-roman.

Men had reeds tallooze Engelsche gelezen, men las nu ‘De Man uit Frankrijk’. Men keek elkaar aan en men zei met een vleugje vaderlandschen trots: ‘nou, zie je wel, dat kunnen wij óók al’. Inderdaad scheen het, dat thans voor goed aan het Engelsche monopolie een einde zou gekomen zijn.

Thans krijgen we het achtste boek uit de ‘G.G. serie’, en dezelfde auteur gaf ook nog ‘Het Verre Koninkrijk’, een soort historischen ‘roman van strijd en avontuur’, en nu ‘Juffrouw Mientje’ met een aantal ‘vreemde verhalen’.

En het is een teleurstelling gebleken.

Bij de blijde geboorte van den auteur ‘Ivans’ juichten de omstanders over dezen Nederlandschen Conan Doyle. Dat was niet geheel onjuist: de eerste werken van de G.G. serie kunnen werkelijk in velerlei opzicht met de Sherlock-Holmes-serie vergeleken worden. Doch beging men reeds in den aanvang de vergissing, ook den naam van Edgar Poe te noemen, thans blijkt men zelfs den naam van Arthur Conan Doyle oneer te hebben aangedaan.

Dat het noemen van Edgar Poe een vergissing was, is duidelijk. Edgar Poe heeft in zeker opzicht de heele generatie van Engelsche en Amerikaansche schrijvers van detective-stories ingeleid, doch dit verandert niets aan de waarheid dat Edgar Allan Poe een kunstenaar was, terwijl de meerderheid dier navolgers slechts schrijvers zijn.

Dit ‘slechts’ houdt geen geringschatting in. Het schrijven van goede detective-verhalen is een eerzaam handwerk en zelfs een zeer bijzonder en zeer moeilijk handwerk, dat een heel bepaalden aanleg eischt. De goede detective-verhalen vormen een zeer te waardeeren ontspannings-lectuur en de uiterst scherpzinnige geesten, die ze maken kunnen, hebben recht op onze bewondering en op de geldelijke belooning, die hun dan ook ruimschoots gewordt.

Het blijft echter ... handwerk. Terwijl Allan Poe een kunstwerk schiep. Waar Conan Doyle, Oppenheim, Reeve, Le Queux, Jenkins, Rohmer, en dozijnen anderen den lezer spanning geven, geeft Poe huivering. Zij, de detective-story-schrijvers houden het verstand bezig, op zeer aangename wijze bezig, doch Edgar Allan Poe - en Chesterton, als hij wil - spreken tot datgene, wat slechts door kunstenaars kan worden bewogen.

De schrijvers die na Poe kwamen hebben situaties bedacht, véél gecompliceerder dan Poe, ontknoopingen gevonden, véél verrassender, maar een enkel zinnetje van Poe geeft meer sensatie - niet in de bioscoop-beteekenis van het woord -

[p. 2]

suggereert meer stemming, dan heele hoofdstukken van die anderen.

Daarom ... het noemen van Poe was een vergissing.

Want dat Ivans geen kunst gaf, leerde reeds de allereerste bladzijde, en hij had ook geenszins de pretentie.

Maar nu Ivans een paar jaar heeft geschreven, kan de plaats naast Doyle, Reeve, Oppenheim en soortgenooten hem eveneens niet langer worden gelaten.

Een detective-verhaal moet in de allereerste plaats spannend zijn. De Engelschen hebben er het zuiverder woord voor: ‘thrilling’.

‘Thrilling’ zijn, dat is hun taak, houdt tevens hun bestaansrecht in. Het verstand moet erdoor worden beziggehouden, de aandacht van de dagelijksche dingen afgetrokken maar toch niet naar iets ‘beters’ omhooggehaald. En na ingespannen arbeid, of in den trein, of in een verloren uur, of in dagen van conflicten vormen zij dan ook een pleizierig en niet te onderschatten middel tot ontspanning en verstrooiïng.

Hoe geheel en uitsluitend zij zich richten tot het verstand, blijkt zeer duidelijk uit het dikwijls geheel ontbreken van het liefdethema, terwijl toch in elk ander soort van Engelschen roman de loveaffair een onontbeerlijk attribuut is. Het liefdehistorietje ontbreekt zelfs nimmer in de avontuurlijke romans - het genre, hetwelk hier het dichtst aan grenst, en waarvan Rider Haggard en De Vere Stacpoole eenige der voornaamste bedrijvers zijn. In den zuiveren detectiveroman is dit thema, zoo al niet onmogelijk, dan toch geenszins noodzakelijk. Wel is een vlot beschrijvingsvermogen noodig, en het gemakkelijk treffen van den dialoog, en het karakteriseerend typeeren, en de kennis van vreemde landen, maar de voornaamste van deze vereischten ‘how to write a novel’ is: het vinden van een spannende en niet te ontwarren intrigue en het zelf-gevonden raadsel dan op vakkundige en aangename wijze te ontraadselen.

Dit is het eerst-noodige. De rest.... doet ieder op eigen wijze. Veel Engelschen beschikken daarbij over humor, de een grimmig, de ander spottend, maar altijd goed gehumeurd, die hun figuren een groote aantrekkelijkheid geeft. In het kiezen en uitbeelden van deze figuren zoowel als van de omgeving waarin zij optreden, bleken de Engelschen en Amerikanen even onuitputtelijk als vindingrijk.

Zoodat een buitengewone virtuositeit hen inderdaad in staat stelt, het intellect van honderdduizenden - zij, die het vak goed verstaan, schrijven zich allen rijk - eenige uren bezig te houden.

Zoodra het detective-verhaal dit echter niet meer doet, is het veroordeeld. En de laatste werken van Ivans missen inderdaad het vermogen bezig te houden, verliezen daarmede hun recht van bestaan en hun auteur daardoor zijn plaats tusschen de Engelsche corypheeën op dit gebied.

Voor ons is dit te betreuren, omdat er geen enkel ander Hollander is, die het wel kan.

Voor den schrijver Ivans zelf is het eveneens te betreuren, omdat zijn experimenten op ander ‘gebied’ - schrijversgebied, kunstgebied zelfs - tot heden alle mislukt zijn en er geen enkele aanwijzing is dat zij eens wel zullen gelukken.

Terwijl juist de Engelsche voorgangers van Ivans al-doende leeren, de moeilijkheden van hun vak steeds beter overwinnen, telkens weer nieuwe situaties vinden, draden weven, handelingen bedenken, figuren scheppen, hun vak steeds volkomener beheerschen, begon de G.G.-serie van Ivans na het vierde, vijfde werk te verslappen. Een inzinking vertoonde zich; het begon te vervelen. Ivans bleek niet de onuitputtelijkheid te bezitten welke van zijn overzeesche vakgenooten een van de onbegrijpelijkste en meest bewonderenswaardige eigenschappen is. ‘Aan den Rand van het Bosch’ en ‘De Schaduw’ stonden technisch ver beneden de vorige.

En slechts op de techniek komt het aan, bij deze werken, omdat zij niets anders zijn dan techniek.

De auteur Ivans is een te scherpzinnig man, om dit niet zelf bemerkt te hebben. Zijn eerste werken waren frisch, met goede typeering, oorspronkelijke opvatting en een voortreffelijke intrigue. Hij schreef den beschaafden zakenmans-stijl, welke voor werk, dat met literatuur in geenerlei verband staat, geheel voldoende is.

Doch na ‘Het Verloren Spoor’ begonnen de invallen moeilijker te komen; het ging wat haperen, er stokte ergens iets; af en toe moest gezocht en geknutseld worden, en de schrijver bemerkte zelf wel, dat het niet meer het ware was.

Toen begon zijn vergissing. Hij ging zich toen wagen aan een soort gefingeerd-historischen roman. Het bleek een mislukking.

En thans, not at all abashed, verschijnt hij met ‘Juffrouw Mientje’, een Amsterdamsche geschiedenis. Gevolgd door een aantal ‘Vreemde verhalen’.

Dit nu had de heer Ivans niet moeten doen. Want het is een betreurenswaardige vergissing. Het gebied waarop hij zich hiermede waagde, is hem volkomen vreemd en hij is diensvolgens hopeloos verdwaald.

Voor het verhaaltje, hoe een oud, gebogen kantoormannetje tot diefstal komt op een kantoor waar hij al veertig jaren werkte, is toch iets anders noodig dan de heer Ivans kan geven.

[p. 3]

Een detective-verhaal is het niet. Daarmede vervalt dus de daarvoor bestemde maatstaf en past het oordeel dat verhalen met literatuur-allures treffen moet.

Nog dringender is dit noodzakelijk voor de verhalen, die op ‘Juffrouw Mientje’ volgen.

‘Juffrouw Mientje’, een burgerlijk vertelseltje, is alleen maar vlak en onbeduidend en vervelend, maar die ‘vreemde verhalen’ met hun Edgar Poepretenties, zijn werkelijk een weinig ergerlijk.

Met deze korte verhalen bedoelt Ivans heel iets anders dan met zijn G.G. boeken.

Nog zonder hem de pretentie in de schoenen te willen schuiven, iets als Poe's Tales te willen geven, zoo ligt een vergelijking met de korte verhalen van bijvoorbeeld Walch of Bordewijk toch te zeer voor de hand om niet vast te stellen, hoe volkomen mislukt deze literaire poging is.

Deze schetsen gaan alle over iets bovennatuurlijks. Geheimzinnige honden, welke verschijnen, droomen die uitkomen, geesten die voorspellingen doen, dooden die terugkeeren vormen de onderwerpen. Daar is toch wel iets mee te doen, nietwaar? Deze stof is bovendien gewild in onzen tijd, waarin zoo velen die den vasten grond verloren, zich wierpen in die ‘geestelijke stroomingen’, draaikolken welke zoo menigeen omlaag trokken.

En Bordewijk, om een voorbeeld te noemen, hééft er hier en daar ook wel iets van gemaakt, al is ook hem wel af en toe het gevaar der banaliteit te sterk gebleken.

Ook Ivans probeerde het, reikte daarmee naar ‘de litteratuur’. Hij kwam niet verder dan de keuken.

Want dat deze verhalen een enkel serieus lezer zouden vinden, is onmogelijk. Elk griezelig historietje is niets dan een eentonig relaas. Menige ‘gemengd nieuws’-rubriek is smakelijker. Daar is geen enkel zinnetje, in al dit werk, dat ook maar iets meer is dan een mededeeling zonder meer. Iedere suggestie, iedere stemming ontbreekt geheel. Zelfs de zeurigste stamgast zou zich schamen aan zijn tafeltje met zulke flauwe geschiedenissen aan te komen, waarin geen enkele aardige wending, noch beschrijving, noch uitbeelding is te vinden en de ‘pointe’ even zouteloos en onbeteekenend is als de telkens weer klagende conclusie: ‘wie in godsnaam geeft mij de verklaring?’

Deze ‘vreemde verhalen’ zijn niet raadselachtig, maar onnoozel, niet geheimzinnig maar kinderachtig, niet bovennatuurlijk maar vervelend. De schrijver wilde iets griezeligs geven, en zou er niet in slagen, kinderen naar bed te jagen.

Deze mislukking is te betreuren. Doch er is een mogelijkheid, dat wij reden tot verheuging zouden hebben. Die mogelijkheid ligt in de kans, dat de schrijver deze mislukking zal aanvaarden.

Indien de auteur Ivans zich van literaire experimenten onthoudt en zich bepaalt tot het lectuurgebied, dat hij eens blijk gaf te beheerschen, kunnen wij nog goede boeken van hem verwachten, welke, in hun eigen aard, een niet te ontkennen verdienste hebben.

Want dat Ivans een aardigen detective-roman kan schrijven, hebben zijn eerste werken aangetoond. Dat zij desniettegenstaande achteruitgingen, matter werden, verslapten, is zeer goed te verklaren uit een overproductie, die in het aanvankelijk succes zijn oorzaak vond.

De eerste boeken der G.G.-serie, door een toeval ontstaan, vonden een hartelijk onthaal en vele lezers; het was dus verklaarbaar, schoon niet verstandig, dat Ivans meer leverde, in korter tijd dan goed was voor de hoedanigheid van zijn werk, dat juist een zorgvuldige en min of meer minutieuze bewerking eischt.

In een paar jaar tijds schreef Ivans tien romans en verschillende schetsen. Dit is te veel.

Maar indien hij zich den tijd gunt tot het weloverdacht ontwerpen, het verzorgd uitwerken, en hij zich weet te beperken tot één, of hoogstens twee romans per jaar, dan zullen deze ongetwijfeld dezelfde goede eigenschappen bezitten, welke ‘De Man uit Frankrijk’, ‘Het Spook van Vöröshegy’ en de ‘Medeplichtigen’ tot aangename ontspannings-boeken maakten.

 

W.G.N. DE KEIZER.