De belangstelling voor onse literatuur en taal is sedert de laatste oorlog zeer toegenomen. Dit kan ik het kortst en duidelijkst aantonen door mee te delen welke studenten nu de colleges enz. volgen; zoals de toestand nu is, is deze sedert de laatste vijf jaar ongeveer.
De studieduur is drie, een enkele maal vier jaar. Het B.A.-examen geeft bevoegdheid om les te geven; alleen zij, die wetenschappelijk onderzoek gaan doen met het oog op een universitaire loopbaan, blijven daarna als ‘post-graduate students’ doorstuderen voor de graad van Master of Arts (M.A.) en eventueel Ph.D. (Doctor of Philosophy dwz. ‘Letteren en Wijsbegeerte’).
Het B.A.-examen is hetzij: B.A. Honours of B.A. General.
B.A. Honours wil zeggen: één hoofdvak en één bijvak (waarin men na het 2e jaar examen doet; het hoofdexamen heeft na 't 3e jaar plaats).
B.A. General: drie gelijkwaardige vakken (in alle drie doet men na het 3e jaar examen).
Zij, die daarna doorstuderen, doen dan na nog 2 jaar het M.A.-examen (met degelijk proefschrift dat getypt en gebonden, maar niet gedrukt wordt: dit wordt in drie exemplaren in de Bibliotheek van de Universiteit bewaard, maar komt niet in de handel). De doctorstitel wordt dan (eventueel) weer 2 jaar later behaald, maar vrij veel academische docenten halen alleen de graad M.A. Na deze voorafgaande verklaring volgt nu de huidige stand van zaken in de lopende cursus.
Mijn college ‘Capita uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis’, dat ik van a-z in het Nederlands geef, wordt gevolgd door 16 studenten. Deze volgen ook andere colleges (oefeningen in het lezen van teksten) van mij, waarover straks nader; verder lopen ze een aantal practische colleges bij de Lector, die mij terzijde staat, over grammatica der moderne taal, zijn oefeningen in het vertalen in beide richtingen en het maken van opstellen in het Nederlands. Voorts maken ze allen één of twee conversatielessen mee, die worden gegeven door een Nederlandse angliste (Doctoranda), welke als ‘Student-Assistant’ onder mijn leiding werkt. (Wij komen docenten te kort; over een jaar zal er een ‘Assistent-Lecturer’ benoemd worden).1)
Van genoemde 16 studenten werken er:
| a) | drie voor de graad B.A. Honours (hoofdvak Nederlands)
dwz. één derdejaars, één tweedejaars en één eerstejaars. Het vorig jaar is
er één afgestudeerd en a.s. october komt er weer één (minstens) aan.1) Zij leggen
een examen af dat het volgende omvat (één schriftelijk examen van drie uur
voor elk onderdeel):
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| b) | vier studenten voor de graad B.A. General, dwz. meestal
Nederlands naast Frans en Duits, of naast Engels en Frans. Deze bestuderen
niet de geschiedenis van de Nederlandse taal, wèl één Middelnederlandse
tekst (Lanseloet van Denemarken). Hun examen omvat, voor het Nederlands, drie ‘papers’ van drie uur n.l.:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| c) | de overige 9 studenten voor Nederlands als bijvak; hun hoofdvak varieert; dit jaar b.v. òf Duits (5) òf Frans (1), òf Maleis (3). Alle studenten in het Maleis moeten Nederlands als bijvak studeren om de in Leiden uitgegeven teksten te kunnen gebruiken. Zij komen daarvoor op mijn colleges; hun hoofdvak volgen ze op de ‘School of Oriental and African Studies’, die onder de Londense Universiteit ressorteert. |
Verder geef ik nog speciaal college Middelnederlandse literatuur voor studenten in het Duits, die als ‘special option’ (verplicht, maar ze kunnen allerlei dingen kiezen, b.v. ‘Goethe’, ‘de Duitse romantiek’, ‘Oudnoorse literatuur’, ‘Oudsaksische literatuur’ enz.), Middelnederlandse literatuur hebben gekozen (één examen-‘paper’ van drie uur). Met hen lees ik passages uit ‘Karel ende Elegast’, de ‘Reinaert’, twee liederen van Henric van Veldeke, vijf liederen van Hadewijch en Maerlants ‘Van den Lande van Oversee’. De groep beginnelingen (tweedejaars Duits) omvat vier, de meergevorderde groep (derdejaars Duits) omvat vijf studenten. (N.B. de studenten in het Nederlands komen van alle ‘Colleges’ van de Universiteit London, die feitelijk een federatie van ‘Colleges’ is).
En nu de Postgraduate students:
Momenteel werkt er één student voor de graad M.A. en twee voor Ph. D. (doctorstitel). Twee daarvan zijn oud-leerlingen van mij, de derde heeft Algemene Geschiedenis en Hebreeuws gestudeerd. De onderwerpen zijn nog niet defenitief vastgesteld.1) Wel kan ik meedelen, dat twee oud-leerlingen vroeger reeds de graad M.A. gehaald hebben; zij schreven, onder mijn leiding, proefschriften over a) Vondels ‘Adam in Ballingschap’ en Grotius' ‘Adamus Exsul’ (1957); b) de uitgegeven en onuitgegeven Shelley-vertalingen van Albert Verwey (alleen de gedichten) (1956).
((Bij dit alles dient men te bedenken, dat het Nederlands aan geen enkele Engelse of Schotse school onderwezen wordt. Alleen ondernemende (en dikwijls begaafde) studenten kiezen het als studievak. De carrièremogelijkheden zijn beperkt: betrekkingen bij de (Britse) Unilever of Shell; vertaalwerk; ‘diplomatic and consular service’; Oosterse talen (Maleis). Het gebeurt nogal eens, dat mensen, die reeds een betrekking bij de ‘Civil Service’ hebben, Nederlands studeren. Generaliseren is hier onmogelijk; elke student is een geval op zichzelf. Maar de belangstelling bestaat en duurt voort)).
Dit wil dus zeggen, dat er dit jaar 26 studenten voor een examen in het Nederlands werken.
Daarnaast is er dan de categorie van studenten, die zonder examenverplichting een college volgen. Ik geef n.l. jaarlijks in october een drietal colleges voor anglisten en germanisten. Onderwerp: ‘The Dutch Language as a Key to the Relation of English and High German’. Deze worden door gemiddeld 60 studenten, meestal germanisten, gevolgd. Als voortzetting daarvan volgt dan een college van één uur voor het lezen van Nederlandse novellen enz., dat gemiddeld door een twaalftal germanisten wordt bijgewoond. In de loop daarvan geef ik ook een (zeer beknopt) overzicht van de Nederlandse literatuur, uiteraard in hoogtepunten en met behulp van vertaalde gedichten. (Hiervan is een
aantal opgenomen in mijn zo juist verschenen boek ‘Poetry of the Netherlands in its European Context - 1170-1930’, Athlove Press, London 1960, prijs 35 sh.).
Andere Britse universiteiten, waar Nederlands gedoceerd wordt, zijn Cambridge, Sheffield en Liverpool, waar het Nederlands onderwijs aan een lector is toevertrouwd. Omtrent de beide laatste universiteiten kan ik geen bijzonderheden opgeven; te Cambridge, waar mijn oud-leerling, Mr. P.K. King doceert, studeert thans, meen ik, een tiental studenten voor het Tripos-examen in het Nederlands plus een andere taal. (De talenstudie in Cambridge omvat altijd twee talen en de student moet daar op beide even diep ingaan. Men combineert b.v. Nederlands/Engels, Nederlands/Duits; ook Nederlands/Russisch is voorgekomen.)
Als figuren, waarvoor bij mijn studenten speciale belangstelling gewekt is, noem ik: Hadewijch, Bredero (de liederen), Hooft (sonnetten en liederen), Vondel (Adam in Ballingschap), Luiken, Multatuli, Gorter (Mei en Verzen), Verwey (vooral de mystieke verzen), Leopold, A. Roland Holst. Meer dus voor de poëzie dan voor het proza, uitgezonderd Multatuli.
De speciale moeilijkheid is uiteraard het ontbreken van propaedeuse; vandaar de noodzakelijkheid van goed grammatikaal onderwijs en conversatielessen. Vandaar ook dat ik onverbiddelijk in het Nederlands doceer en de studenten naar de ‘Student-assistant’ verwijs, als ze ‘niet mee kunnen’. De resultaten geven mij hierin volkomen gelijk: alle studenten verwachten niet anders. Hun literaire opstellen (appreciatie van te behandelen werken) voor mij schrijven ze echter in het Engels; hun oefeningsopstellen over andere onderwerpen voor de lector in het Nederlands.
Voordrachten over Nederlandse literatuur gegeven door Collega W.A.P. Smit in 1956 over Vondels Lucifer in het Engels; over zijn Gebroeders en Joseph in Dothan in het Nederlands, over Jan van der Noot in het Engels, en dit jaar door Collega Hellinga over The Dutch Language in Europe; en over Vondels Gysbrecht en Rembrandts Nachtwacht in het Nederlands, werden zeer gewaardeerd en trokken een vrij talrijk gehoor (bij de Engelse voordrachten ± 60 toehoorders, bij de Nederlandse colleges een twintigtal van mijn studenten benevens twee uit Cambridge).
Tenslotte nog twee opmerkingen: De Nederlandse neiging om te pas en te onpas Engelse woorden te gebruiken, vinden mijn studenten belachelijk; zij beschouwen dat als dwaze anglomanie, die hun onsympathiek is. Ik hoor van hen ook niet veel goeds over onze Hollandse neiging om hen, als ze ons in het Nederlands aanspreken, in het Engels te antwoorden!
((Anekdote: waar gebeurd: - Een Engels Reutercorrespondent in Nederland spreekt een Hollander in het Nederlands aan. Het antwoord volgt in het Engels. De Engelsman daarop ditmaal in zijn eigen taal: ‘You think you are polite, don't you, when you answer my Dutch in English? Well, I'll tell you, you're damned rude!)).
En voorts: De Neerlandicus, die in een Engels-sprekend land wil doceren ((leerstoelen te New York, Grand Rapids, Melbourne (Australië)), moet doorkneed zijn in het Engels en moet zijn Engelse literatuur grondig kennen. Anders staan zijn handen verkeerd en is hij hier niet te gebruiken. Maar veel te solliciteren valt er tot dusver niet! Het aantal betrekkingen is heel klein.
BEDFORD COLLEGE
(University of London)
Department of Dutch
Language and Literature
April 1960