terug  begin  verderprepost
[p. 60]

Nederlanders en Nederlands aan de Universiteit te Leipzig
door Dr. K.R.G. Worgt

Voor zover mij bekend is Leipzig de enige universiteit in de Duitse Democratische Republiek, waar Nederlands wordt gedoceerd en wel in die mate, dat de studenten deze taal als bijvak mogen kiezen.

Het Nederlands heeft aan de in 1409 te Leipzig gestichte universiteit nog geen oude traditie: een ‘Nederlandse Afdeling’ werd pas in 1918 opgericht. In dit verband moeten we echter rekening houden met het feit, dat het ‘Deutsche Seminar’ ook eerst in 1873 onder leiding van Prof. Friedrich Zarncke tot stand kwam. Met de benoeming van Prof. Albert Köster in 1899 werd het in een Oude en een Nieuwe Afdeling gesplitst. Een ‘Nordische Abteilung’ (Afdeling voor Skandinavische talen) werd reeds in 1894 gesticht. Onder de leden van het ‘Deutsche Seminar’ vinden we in de jaren '70 tot '80 twee bekende Hollanders; van 1875-'77 Barend Sijmons, die later grote verdiensten voor het onderzoek der Germaanse sagengeschiedenis verworven heeft en van 1879-'80 Roeland Anthonie Kollewijn, de voorvechter van een vereenvoudiging van de Nederlandse spelling. Laatstgenoemde promoveerde in 1880 op een proefschrift ‘Uber den Einflusz des holländischen Dramas auf Andreas Gryphius’.

Al werd de ‘Nederlandse Afdeling’ pas in 1918 opgericht, toch was er reeds eerder Nederlands gedoceerd. In de lijst van de colleges van het winterhalf jaar 1909-'10 lezen wij onder ‘Ubungen des Pro-seminars’: cand. phil. Jos Dupont (im Auftrage der Direktoren) mittel- und neuniederländische Übungen, je 2 Stunden publice. In het zomerhalf jaar van 1910 was Dr. phil. van Gorp met deze cursus belast. Lange jaren vinden we dan geen spoor meer van Nederlandse colleges.

In 1918 kreeg de als Nederlander geboren en als Duitser gestorven dichter, toneelschrijver en -regisseur, literatuur- en kunstcriticus, literatuur- en kunsthistoricus, archeoloog en folklorist1) Prof.Dr. André Jolles een leerstoel te Leipzig, aanvankelijk in de kunstgeschiedenis en de archeologie, spoedig daarna echter in de ‘Allgemeine und vergleichende Literaturwissenschaft, niederländische Sprache und Literatur’. Prof. Jolles werd tevens tot leider van de Nederlandse Afdeling benoemd. Hij bleef dat tot het winterhalf jaar 1944-'45, na afloop waarvan de universiteit haar deuren voor een jaar moest sluiten.

[p. 61]

Op het gebied van het Nederlands heeft Prof. Jolles colleges gegeven over de Nederlandse lyriek sedert 1880, over de Gouden Eeuw, over Vondel, Maerlant en Potgieter. Hij heeft met zijn studenten Van den Vos Reinaerde, Gijsbrecht van Aemstel en de Walewijn gelezen. Hij heeft taalcursussen gegeven en colleges over syntaxis en de Middelnederlandse grammatica gehouden. Vanaf 1931-'32 heeft hij geregeld samen met Prof. Frings, de huidige leider van het Instituut voor Duitse en Germaanse Filologie, die een zeer goed kenner van het Nederlands is oefeningen (Hauptseminare) gehouden o.m. over Ferguut, Floris ende Blancefloer, Trijntje Cornelisdr., Van den Vos Reinaerde.

Na de oorlog, in 1947, ging de leiding van de Nederlandse Afdeling op Prof. L.E. Schmitt over. Hij heeft taalcursussen gegeven en o.a. lezingen gehouden over de geschiedenis der Nederlandse taal, de letterkunde in de 16e en 17e eeuw, over Bredero, de Tachtigers, Vondel, Timmermans, Multatuli e.a.

Na het heengaan van Prof. Schmitt, thans hoogleraar aan de Universiteit te Marburg en leider van de ‘Deutsche Sprachatlas’, werd Dr. G. Worgt met de Nederlandse colleges belast. Deze had al sedert 1949 de taalcursussen gegeven en was vanaf 1952 als assistent aan de Nederlandse Afdeling verbonden.

 

In Leipzig wordt niet alleen Nederlands gedoceerd maar ook wetenschappelijk werk verricht. Hier moeten vooral Prof. Th. Frings en Dr. Gabriele Schieb genoemd worden. Prof. Frings werd al in 1920 tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden gekozen. In 1922 en 1923 was hij als ruilprofessor in Amsterdam en in 1937 werd hem een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam verleend. Prof. Frings is één van de weinige Duitse germanisten, die zich met het Nederlands hebben beziggehouden. Behalve zijn opstellen over de Vlaamse letteren en bijdragen tot de Nederlandse taalkunde verdienen vooral zijn boek ‘Die Stellung der Niederlande im Aufbau des Germanischen’, Halle 1944 en zijn Veldeke-studiën, die hij samen met Dr. Gabriele Schieb schreef, vermeld te worden.

 

Dr. G. Schieb, die thans met een uitgave van Veldekes Eneide bezig is, werd in 1957 tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden benoemd.

Een studente heeft voor haar doctoraal examen een verhandeling geschreven over de Nederlandse uitdrukkingen in het Duits.

Dr. G. Worgt is gepromoveerd op een proefschrift over de Engelse invloed op het Nederlands1) en heeft een artikeltje geschreven over de uitspraak

[p. 62]

der Nederlandse namen in Duitsland.1) Zijn verhandeling over de genusdoubletten in het Nederlands nadert haar voltooiing. Bijna alle assistenten en docenten van het Instituut voor Duitse en Germaanse Filologie kennen Nederlands en velen van hen hebben ook een examen erin afgelegd.

Het onderwijs in het Nederlands

Op het ogenblik zijn er te Leipzig een vijftiental neerlandici, waarvan 7 beginnelingen. Slechts studenten, die niet van plan zijn leraar te worden, kunnen het Nederlands als bijvak kiezen. De meesten van hen hebben Duits als hoofdvak, maar er zijn ook 6 anglisten en 2 kunsthistorici bij. In tegenstelling met de anglisten, romanisten en slavisten hebben de neerlandici geen voorafgaande kennis van de taal, die ze gaan studeren. Ze moeten dus het Nederlands van meet af aan leren. In de bibliotheek van het Instituut voor Duitse en Germaanse Filologie staan hiervoor de volgende spraakkunsten te hunner beschikking:

1)M.A. van de Kerckhove, Lehrbuch der Niederländischen Sprache, Leipzig 1923,
2)M.J. van der Meer, Grammatik der neuniederländischen Gemeinsprache, Heidelberg 1923,
3)Hechtle-Hartsen, 30 Stunden Niederländisch für Anfänger, Berlin 1954,
4)Dr. C.W.H. Lindenburg, Kleine Niederländische Sprachlehre, Heidelberg 1953.

In het onderwijs worden deze boeken slechts zelden gebruikt, want van de Kerckhove is verouderd; Van der Meer past de Kollewijnse spelling toe: hij schrijft: ‘Russies, fabriekant, vreselik, tuis, Februarie enz;’ Lindenburg geeft een goede beschrijving van de Nederlandse grammatica, maar zijn oefenstukken schijnen mij minder geschikt voor studenten, b.v.: ‘De vader en moeder zijn oud, maar het kind is jong. Het paard van de(n) man is jong. De hoed van de vrouw is mooi. Een paard is groot, maar een kat is klein. U had de bloem in de tuin niet gezien enz.’. De teksten bij Hechtle-Hartsen vind ik ook enigszins vervelend; bovendien is de grammatica niet erg duidelijk beschreven, de interlineair aangegeven uitspraak is veelal foutief en de student kan het vocabulaire niet zonder meer voor het leren van nieuwe woordjes gebruiken; zo zou het beter zijn in plaats van ‘postzegels, een eeuw, bioscoop enz.’ het betreffende zelfstandige naamwoord met het bepalend lidwoord aan te geven, dus: ‘de postzegel, de eeuw, de bioscoop’.

 

Om deze reden worden bij het onderwijs steeds oorspronkelijke teksten gebruikt, die gestencild worden en waarvan ieder student een exemplaar in handen krijgt.

[p. 63]

De teksten worden thuis door de studenten voorbereid en in de volgende les worden ze gemeenschappelijk gelezen, vertaald en besproken. De grammatica wordt steeds op het bord geschreven. In de zomer van 1961 is van Dr. Worgt een Zweedse spraakkunst1) verschenen en hij is van plan ook een Nederlands leerboek te schrijven.

 

Omdat er geen wondermethode bestaat, moeten de studenten veel woorden, uitdrukkingen en vaste verbindingen van buiten leren. Alle colleges voor de meergevorderden worden in het Nederlands gehouden en de studenten zijn verplicht zelf Nederlands te spreken; ook moeten zij korte voordrachten over het een of andere taal- of letterkundig onderwerp in het Nederlands houden.

Op het leerprogramma voor neerlandistiek staan o.m.:

Een beknopt overzicht der Noord- en Zuidnederlandse letteren, Middelnederlands, inleiding tot het Afrikaans, moderne schrijvers en dichters, de Gouden Eeuw, Van den Vos Reinaerde, andere Middelnederlandse teksten, het verschil tussen het Noord- en Zuidnederlands, conversatie, vertaaloefeningen. In 1956 hebben de heren Prof. W. Pée uit Gent en Prof. Heeroma uit Groningen in Leipzig gastlezingen gehouden.

1)Zie verder W. Thys, Uit het leven en werk van André Jolles (1874-1946) in N.Tg. 1954, 129-137 en 199-208.
1)Besproken door wijlen Prof. C.G.N. de Vooys, in N.Tg., XLIX (1956), p. 3-8.
1)In N.Tg. (1961), p. 41

1)G. Worgt, Wir lernen Schwedisch, Halle 1961
prepostterug  begin  verder