|
|
|
| |
| | | |
De rol van de directe vergelijking van het Nederlandse en het
Engelse tijdssysteem bij het onderwijs aan Engelstaligen door Prof. Dr. Robert
S. Kirsner University of California at Los Angeles
In zijn prachtige boekje
Het Nederlands van Nu
merkt Etsko Kruisinga op, dat de reden
waarom de meesten van ons moeite hebben een vreemde taal te leren beheersen
hierin bestaat, dat we onze moedertaal zo goed kennen. Wanneer men Kruisinga's
opmerking uit zijn verband licht, dan blijft er niet veel meer van over dan iets
vanzelfsprekends, een elegante manier om iets voordehandliggends duidelijk te
maken. Het opvallende is echter, dat Kruisinga deze opmerking maakt, terwijl hij
bezig is het Nederlandse werkwoord te bespreken, en wel onmiddellijk nadat hij
semantische verschillen tussen de voltooid tegenwoordige en de onvoltooid
verleden tijd heeft duidelijk gemaakt, en onmiddellijk voorafgaand aan een
bespreking van het probleem van zullen en de toekomende tijd.
Uit het verband en uit de inhoud van zijn opmerkingen kan men opmaken, dat
Kruisinga - terecht - het systeem van de tijden als een van de moeilijkste
onderdelen van de Nederlandse grammatica beschouwt; moeilijk voor de linguïst
die tracht te begrijpen hoe dit systeem in elkaar zit, en moeilijk voor de
vreemdeling die erop uit is dit systeem te leren gebruken. De algemene
opmerkingen van Kruisinga over het Nederlandse werkwoord zijn natuurlijk
evengoed van toepassing op het Engelse werkwoord. Want, zoals de Amerikaanse
linguïst Martin Joos opmerkt, het systeem van de tijden is ook een ingewikkeld
onderdeel van de Engelse grammatica. Onze studenten wacht dus een moeilijke,
maar interessante taak. Er is reden ons af te vragen hoe wij mensen die één
moeilijk en subtiel systeem hebben leren beheersen, ertoe kunnen krijgen om zich
een ander net zo moeilijk systeem eigen te maken, zeker in gevallen waar de twee
systemen wezenlijk verschillend, en dus op verschillende manieren moeilijk zijn.
Ik wil trachten de stelling te verdedigen, dat een potentieel waardevolle
techniek hierin bestaat, dat men in de collegezaal de twee systemen domweg naast
elkaar zet, zodat de student onmiddellijk kan zien in welk opzicht de twee
systemen verschillen of overeenstemmen. Hierbij wil ik | | | | direct
opmerken, dat het niet mijn bedoeling is dat een dergelijke vergelijking een
theoretische beschouwing of een college in linguïstiek wordt. Ik wil het eerder
zien als een praktische gids op een gebied dat de student zelf moet bestuderen.
Er bestaat misschien een zekere analogie tussen de student die een vreemde taal
leert, en iemand die leert autorijden. Bepaalde dingen kan hij alleen door
ervaring leren. Maar toch kan men de leerling vaak helpen en hem tijd besparen
door hem vooraf te vertellen wat hem te wachten staat en wat hij ten koste van
alles moet vermijden. Tenslotte laten wij een naar het buitenland vertrekkende
Nederlander niet op zijn eigen houtje uitvinden, dat men in Engeland links
houdt.
Wat is nu de beste manier om de verschillen tussen het systeem van de Nederlandse
tempora en dat van de Engelse duidelijk te maken en Engelssprekende studenten te
helpen Nederlands te leren? Mijns inziens moet men het probleem aanpakken door
over de betekenis van de tijdvormen te spreken, met andere
woorden iedere tijdvorm beschouwen als een aanduiding van één enkele betekenis,
die een onderdeel vormt van de boodschap of mededeling, die wordt overgebracht
door de zin waarin die vorm voorkomt. Op basis hiervan moeten we dan uitleggen
wat voor informatie iedere vorm onder alle omstandigheden inhoudt en welke
andere betekenissen de spreker in ieder van de twee systemen ter beschikking
staan. Of, anders gezegd, we moeten uitleggen wat iedere vorm ‘eigenlijk zegt’
en wat voor keus de spreker heeft. Het komt dus hierop neer, dat wij elk van de
twee systemen zien als een manier om een semantisch terrein in een klein aantal
categorieën te verdelen. De twee systemen zijn in zoverre verschillend, dat elk
van beide ons een eigen classificatie van tijd biedt. De moeilijkheden die onze
studenten ondervinden, zijn juist daarin gelegen, dat die tempora die een
uiterlijke gelijkenis vertonen en die in beide talen dezelfde traditionele
benamingen dragen, in werkelijkheid verschillende betekenissen vertegenwoordigen
- verschillende categorieën in het raam van verschillende classificaties. Door
de student telkens uit te leggen wat de betekenis is en met welke categorie hij
te doen heeft, en door in ieder voorkomend geval aan de hand van een paar
voorbeelden te laten zien hoe de betekenis de manier waarop het tempus gebruikt
wordt, verklaart, leren wij hem om zich niet door uiterlijke gelijkenis met
Engelse werkwoordsvormen of identieke traditionele terminologie in de war te
laten brengen.
Laat ik beginnen met het volgende voorbeeld: een vergelijking van de zogenaamde
tegenwoordige tijden in het Nederlands en in het Engels. | | | | Op het
papier dat ik heb uitgedeeld, staat de betekenis in hoofdletters onder iedere
vorm aangegeven. Voorbeeld (1):
| (1) |
NEDERLANDS |
ENGELS |
| |
|
I am smoking BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
ik rook NIET-VERLEDEN |
|
| |
|
I smoke ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
De Nederlandse zin Ik rook verschilt van de uiterlijk daarop
gelijkende zin I smoke op twee manieren. In de eerste plaats:
de Nederlandse werkwoordsvorm zegt niet uitdrukkelijk, dat de gebeurtenis zich
hetzij op een bepaald of op een onbepaald tijdstip afspeelt. De Engelse
werkwoordsvorm echter duidt uitdrukkelijk een onbepaald tijdstip aan. In de
tweede plaats: de Engelse tegenwoordige tijd is veel meer tot het huidige
tijdstip beperkt dan de Nederlandse tegenwoordige tijd. Men kan zelfs zeggen,
dat de Nederlandse tegenwoordige tijd een Niet-Verleden tijd is, die zowel op de
toekomst als op het heden betrekking heeft. Laten we nu deze conclusies een voor
een bekijken, en wel aan de hand van de zinnen (2) en (3). Het vraagteken en het
sterretje duiden een toenemende graad van onsamenhangendheid aan. Ik heb deze
voorbeelden gekozen om de neutraliteit van de Nederlandse tegenwoordige tijd
tegenover de tegenstelling Bepaald/Onbepaald aan te tonen. Het Engelse werkwoord
brengt deze tegenstelling wel tot uitdrukking:
| (2) |
a. |
Op dit ogenblik |
slaapt hij. |
| |
|
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
He |
is sleeping at this moment. |
| |
|
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
* He |
sleeps at this moment. |
| |
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| (3) |
a. |
Wim is nachtwaker. Hij |
slaapt 's morgens. |
| |
|
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
Bill is a night watchman. |
|
| |
|
He |
sleeps in the morning. |
| |
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| | | |
| c. |
? |
Bill is a night watchman. |
|
| |
|
He |
is sleeping in the morning. |
| |
|
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
Aan de hand van deze voorbeelden kunnen we de student erop wijzen, dat de
Nederlandse werkwoordsvorm slaapt voorkomt in (2a), de zin met
de bepaalde tijdsaanduiding op dit ogenblik,
en ook in (3a), de zin met de onbepaalde tijdsaanduiding 's morgens. De tegenhangers van deze zinnen in het Engels
hebben natuurlijk verschillende werkwoordsvormen. Men kan de betekenis
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG niet gebruiken om (2a) te vertalen. Zin (2c), waar dit
wel is gebeurd, is daarom onsamenhangend. Men moet de betekenis BEPAALD,
TEGENWOORDIG gebruiken, zoals in (2b). Daarentegen moeten wij de voorkeur geven
aan de aanduiding ONBEPAALD, TEGENWOORDIG in (3b), het Engelse equivalent van
(3a).
Laten we nu de zinnen (4), (5), en (6) bekijken:
| (4) |
a. |
Rook je? |
| |
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
Are you smoking? |
| |
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
Do you smoke? |
| |
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| (5) |
a. |
(Wat ruik ik daar?) |
Rook je soms? |
| |
|
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
(What am I smelling?) |
Are you smoking, perhaps? |
| |
|
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
* (What am I smelling?) |
Do you smoke, perhaps? |
| |
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| (6) |
a. |
Rook je ooit? |
| |
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
* Are you ever smoking? |
| |
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
Do you ever smoke? |
| |
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
Hier doet zich, zoals U al hebt gezien, het geval voor, dat de zin Rook je? op zichzelf betrekking kan hebben zowel op een bepaald als
| | | | een onbepaald tijdstip. In (5a) is het duidelijk, dat de
afgeschilderde situatie zich op een bepaald tijdstip voordoet. De spreker ruikt
iets onaangenaams en wil weten wat er aan de hand is. Zin (5b) is dus een
passender vertaling van (5a) dan (5c). In (6a) echter maakt het onbepaalde ooit een onbepaalde interpretatie van Rook
je? noodzakelijk en deze onbepaaldheid moet in een Engelse vertaling door
de betekenis ONBEPAALD, TEGENWOORDIG worden weergegeven, niet door de betekenis
BEPAALD, TEGENWOORDIG. Aan de hand van deze voorbeelden ziet de student dus
duidelijk, dat het Engels een onderscheid maakt in de tegenwoordige tijd waar
het Nederlands dat niet doet.
Zoals ik daarnet al heb opgemerkt, verschilt de Nederlandse tegenwoordige tijd
van de Engelse tegenwoordige tijd nog in een ander opzicht: de Nederlandse
tegenwoordige tijd heeft betrekking op de toekomst zowel als op het heden. Dit
kunnen we de studenten duidelijk maken aan de hand van voorbeelden zoals (7),
(8) en (9):
| (7) |
a. |
De brief |
bereikt u binnenkort. |
| |
|
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
* The letter |
reaches you shortly. |
| |
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
* The letter |
is reaching you shortly. |
| |
|
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
d. |
The letter |
will reach you shortly. |
| |
|
|
TOEKOMSTIG |
| (8) |
a. |
|
Met elke fles Cluny Whisky maakt U een goede kans op een reis
(voor twee personen) naar Schotland. |
|
| |
|
|
Uw slijter |
vertelt u er alles van.1 |
| |
|
|
|
NIET-VERLEDEN |
| |
b. |
* |
Your whisky salesman |
tells you all about it. |
| |
|
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
* |
Your whisky salesman |
is telling you all about it. |
| |
|
|
|
BEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
d. |
|
Your whisky salesman |
will tell you all about it. |
| |
|
|
|
TOEKOMSTIG |
| (9) |
a. |
Deskundigen hebben berekend, dat bij het huidige tempo van de
vervuiling de zee over tien jaar dood |
is... |
| |
|
|
NIET-VERLEDEN2 |
| | | |
| |
b. |
* |
Experts have calculated that, at the present rate of pollution,
the sea |
is dead in ten years. |
| |
|
|
|
ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
| |
c. |
|
Experts have calculated that, at the present rate of pollution,
the sea |
will be dead in ten years. |
| |
|
|
|
TOEKOMSTIG |
Uit deze voorbeelden kan men opmaken, dat wij de vormen van de tempora het best
kunnen behandelen met gebruikmaking van een terminologie die aangeeft hoe die
tempora in het onderhavige geval worden gebruikt. Ik geloof, dat de student er
meer aan heeft als wij hem vertellen, dat het werkwoord in De brief
bereikt u NIET-VERLEDEN is en dat het werkwoord in The
letter reaches you TEGENWOORDIG is, dan te stellen, dat beide in de
tegenwoordige tijd staan. Per slot van rekening, als de zogenaamde
‘tegenwoordige tijd’ in het Nederlands werkelijk een tegenwoordige tijd was, dan
zouden (7a), (8a) en (9a) onmogelijk zijn, en dat is niet zo. Als wij toch over
werkwoordsvormen moeten spreken, kunnen wij net zo goed benamingen gebruiken die
erop gericht zijn de student te helpen wanneer hij met deze vormen moet leren
omgaan. Tussen haakjes moet ik hierbij opmerken, dat ik de schema's die ik U
laat zien niet aan mijn studenten voorleg. Ze zijn te beknopt en geven te veel
gegevens ineens. Het is niet nodig om alle verschilpunten tegelijk te bespreken
De schema's die ik zelf gebruik, vindt U onder (10) en (11):
(10)
| |
I am smoking |
| |
BEPAALD TIJDSTIP |
| ik rook |
|
| |
I smoke |
| |
ONBEPAALD TIJDSTIP |
(11)
| Hij spreekt. |
He will speak. TOEKOMSTIG |
| NIET-VERLEDEN |
He is speaking. He speaks. TEGENWOORDIG |
| VERLEDEN |
VERLEDEN |
Tot zover de zogenaamde ‘tegenwoordige tijd’ van het Nederlands. We hebben gezien
dat deze tegenwoordige tijd van de uiterlijk daarmee | | | | corresponderende ‘simple present tense’ of eenvoudige tegenwoordige tijd van
het Engels op twee manieren verschilt: (i) de Nederlandse tegenwoordige tijd is
er niet toe geëigend om een semantische tegenstelling Bepaald/Onbepaald aan te
geven, (ii) het is geen tegenwoordige tijd maar eigenlijk een Niet-Verleden
tijd. Ik wil nu enige aandacht schenken aan het probleem van de zogenaamde
‘onvoltooid verleden tijd’ en de ‘voltooid tegenwoordige tijd’. Laten we bij
wijze van inleiding in het kort het Nederlandse werkwoordssysteem in zijn geheel
bezien. Kijkt u eens naar het schema (12):
(12)
| Hij spreekt Nederlands. |
Hij heeft Nederlands gesproken. |
| ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’ |
‘voltooid tegenwoordige tijd’ |
| NIET-VERLEDEN |
NIET-VERLEDEN, VÓÓR |
| Hij sprak Nederlands. |
Hij had Nederlands gesproken. |
| ‘onvoltooid verleden tijd’ |
‘voltooid verleden tijd’ |
| VERLEDEN |
VERLEDEN, VÓÓR |
Het Nederlandse werkwoordssysteem heeft twee absolute tempora en twee relatieve
tempora. De absolute tempora zijn de Niet-Verleden tijd, die wij zojuist hebben
besproken, en de Verleden tijd. De betekenis NIET-VERLEDEN houdt in, dat men de
gebeurtenis die door het werkwoord wordt weergegeven, in een tijdruimte plaatst
die overeenstemt met het ogenblik waarop men spreekt, of dat daarop volgt. De
betekenis VERLEDEN houdt in, dat men de gebeurtenis die door het werkwoord wordt
weergegeven, plaatst in een tijdruimte vóór het ogenblik waarop men spreekt.
Beide absolute tempora zijn dus aanduidingen van een duidelijk bepaalde
tijdsperiode. (Wij noemen, met andere woorden, dinsdag ‘dinsdag’.) Bij de
relatieve tempora ligt het geval anders; die tempora zeggen alleen, dat de
gebeurtenissen zich vóór een zeker punt van uitgang afspelen, (Wij noemen
dinsdag ‘De dag vóór woensdag’.) Voor de zogenoemde ‘voltooid verleden tijd’
ligt het punt van uitgang in het Verleden. Om een voorbeeld te noemen: het
zinnetje Hij haa het boek gelezen houdt in, dat het lezen van
het boek gebeurde vóór het punt van uitgang, dat in het Verleden ligt. Bij de
zogenaamde ‘voltooid tegenwoordige tijd’ ligt het punt van uitgang in het
Niet-Verleden. Een zin als Hij heeft het boek gelezen houdt
in, dat het lezen geschiedde vóór het punt van uitgang, dat ergens in het heden
of in de toekomst ligt. U ziet dus, dat de twee voltooide tijden in het
Nederlands asymmetrisch zijn. Een tijdstip waarvoor wij de betekenis VERLEDEN,
VÓÓR gebruiken kan ook worden aangeduid door de betekenis VERLEDEN. Met andere
woorden, een tijdstip gelegen voor | | | | een punt van uitgang in het
Verleden - of wel een vroeger Verleden - behoort toch altijd tot het Verleden.
Maar een tijdstip waarop de betekenis NIET-VERLEDEN, VÓÓR betrekking heeft kan
men niet altijd, met de betekenis NIET-VERLEDEN aanduiden; een tijdstip vóór een
punt van uitgang in de Niet-Verleden tijd kan overal thuishoren, Verleden of
Niet-Verleden. Dit wordt begrijpelijk als men voor ogen houdt, dat zowel het
heden als de toekomst in het Niet-Verleden is begrepen. Als het punt van uitgang
het heden is, dan zal het tijdstip vóór dat punt van uitgang in het Verleden
vallen. Maar als het punt van uitgang de toekomst is, dan kan het tijdstip vóór
dat punt van uitgang in de toekomst ook in de toekomst liggen.
U ziet, om een voorbeeld te noemen, dat we zowel (13a) als (13b) kunnen zeggen:
| (13) |
a. |
Ik heb dat boek gisteren gelezen. |
| |
b. |
Ik heb dat boek aanstaande dinsdag gelezen. |
In (13a) is het punt van uitgang in het tegenwoordige gedeelte van het
Niet-Verleden gelegen en de gebeurtenis die plaatsvindt vóór dat punt van
uitgang is in het verleden gelegen. In (13b) daarentegen ligt zowel het punt van
uitgang als de gebeurtenis zelf in het toekomstige gedeelte van het
Niet-Verleden. Ik ga dit tweede type zin hier niet bespreken3 (ik bespreek het ook niet met
mijn studenten), ik vermeld het alleen om er de nadruk op te leggen, hoe
belangrijk het is, dat wij onszelf duidelijk maken wat de tempora eigenlijk
betekenen. Als we zouden zeggen dat de Nederlandse zin Ik heb het
boek gelezen en de Engelse zin I have read the book
beide de zogenaamde ‘voltooid tegenwoordige tijd’ bevatten, zouden wij noch
tegenover onszelf noch tegenover anderen kunnen verklaren waarom bijvoorbeeld
zin (14a) wel mogelijk is, maar zin (14b) niet:
| (14) |
a. |
|
Ik beloof je dat ik dat boek aanstaande dinsdag gelezen heb. |
| |
b. |
* |
I promise you that I have read that book next
Tuesday. |
Tussen twee haakjes: ik zou diegenen die de traditionele benaming ‘voltooid’ in
bijvoorbeeld de ‘voltooid tegenwoordige tijd’ willen verdedigen, erop willen
wijzen, dat deze benaming te enen male de feiten niet dekt. Als ik zeg Ik heb de hele dag honger gehad, dan betekent dat niet, dat ik
nu geen honger meer heb.4
We nemen nu het diagram van het Nederlandse systeem van tempora als basis en gaan
het probleem hoe men de zogenaamde ‘voltooid tegenwoordige tijd’ en ‘onvoltooid
verleden tijd’ moet onderwijzen, aan een nadere beschouwing onderwerpen. Een
voordehandliggende manier | | | | waarop wij onze studenten kunnen helpen
om de juiste vormen te vinden, is de volgende: we vertellen ze dat de voltooid
tegenwoordige tijd een verleden tijd is, die in de spreektaal wordt gebruikt
wanneer we over losstaande gebeurtenissen spreken, en dat de onvoltooid verleden
tijd een verhalende verleden tijd is, die wordt gebruikt wanneer men over een
serie gebeurtenissen spreekt. Maar ik geloof dat het ook nuttig is erop te
wijzen dat in beide gevallen dit gebruik het natuurlijke gevolg is van de
betekenis van het onderhavige tempus. De ‘voltooid tegenwoordige tijd’, die de
betekenis NIET-VERLEDEN, VÓÓR inhoudt, zegt alleen dat een gebeurtenis vóór het
Niet-Verleden ligt. Hij is daarom geschikt om gebeurtenissen aan te kondigen, om
iets te berde te brengen, om aan te geven dat de dingen zijn gebeurd vóór
datgene waarop zich onze aandacht van nature concentreert, namelijk, het moment
van het spreken. De ‘onvoltooid verleden tijd’, die de drager is van de
betekenis VERLEDEN, heeft alleen maar betrekking op het verleden, zonder dat
daaraan voorwaarden zijn verbonden, en is als zodanig niet geschikt voor het
eenvoudigweg aankondigen van gebeurtenissen die tot het verleden behoren, maar
wel voor het concentreren op de details van deze gebeurtenissen. Als wij de
betekenissen van de tempora goed bekijken, dan begrijpen we waarom de voltooid
tegenwoordige tijd vaak aan het begin van nieuwsberichten wordt gebruikt (d.w.z.
wanneer de luisteraar nog niets weet) en dat de onvoltooid verleden tijd later
wordt gebruikt, wanneer de aandacht al op het verleden is gericht. Dit zien wij
in (15), een voorbeeld ontleend aan het Nieuws van het Algemeen
Nederlands Persbureau, 9 september 1969:
(15) DEN HAAG. Een Arabisch sprekende jongen heeft vanmiddag even voor twaalf uur een granaat gegooid naar de Israëlische ambassade in Den Haag. Het projectiel ontplofte in de aangebouwde woning van de eerste sekretaris
van de Duitse ambassade aan de Klatteweg. Er ontstond een
enorme ontploffing en veel rook. Een politieagent, die de wacht hield bij de
Israëlische ambassade wist de jongeman die de aanslag pleegde
te grijpen. De dader had nog een granaat in zijn zak.
We zien, dat de gebeurtenis wordt aangekondigd in de voltooid tegenwoordige tijd,
die de drager is van de betekenis NIET-VERLEDEN, VÓÓR. De details worden dan in
de onvoltooid verleden tijd gegeven, die de drager is van de betekenis VERLEDEN.
Als men niet van voorbeelden uit nieuwsberichten houdt, dan zijn er ook nog
genoeg voorbeelden in boeken te vinden. Kijkt U bijvoorbeeld naar (16), ontleend
aan pagina 28 van de roman Terug naar Oegstgeest, door Jan
Wolkers:
(16) Vandaag ben ik naar Oegstgeest gegaan. Het regende en er stond
| | | | een krachtige wind. De weg was glad. Mijn
ruitenwissers werkten niet goed meer.
We zien weer precies dezelfde strategie bij het gebruik van de tempora, een
natuurlijk gevolg van de betekenis van die tempora. Mijn stelling is dus, dat
wij alleen het gebruik van de tempora kunnen begrijpen, als wij ons de betekenis
ervan voor ogen houden. Ik geef in (17) nog een voorbeeld van het gebruik van de
voltooid tegenwoordige tijd, ontleend aan een ander nieuwsbericht van 9
september 1969:
(17) BRUSSEL. Twee jonge mannen hebben vandaag kort na 12 uur twee granaten geworpen
naar het kantoor van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al in Brussel.
Drie bedienden van de maatschappij liepen verwondingen op. Beide daders zijn gearresteerd.
Evenals in de twee voorafgaande voorbeelden heeft de eerste zin - de zin die onze
aandacht vestigt op wat er gebeurd is - de betekenis NIET-VERLEDEN, VÓÓR. De
details van de aanval, de verwonding van de twee bedienden, worden in de
onvoltooid verleden tijd medegedeeld, die de betekenis VERLEDEN aanduidt. Maar
de laatste zin van het bericht - die ook betrekking heeft op een gebeurtenis in
het verleden - staat in de voltooid tegenwoordige tijd en niet in de onvoltooid
verleden tijd. Wij kunnen dit niet aan onze studenten uitleggen, zolang we ons
alleen kunnen verlaten op vage verklaringen, inhoudende dat ‘de voltooid
tegenwoordige tijd vaker in het Nederlands dan in het Engels voorkomt’.
Nogmaals: we moeten over betekenis spreken. Aangezien de voltooid tegenwoordige
tijd de betekenis NIET-VERLEDEN, VÓÓR aanduidt, maakt het gebruik ervan een
einde aan het vertellen. We bepalen onze aandacht niet langer bij het verleden.
Wij weten alleen, dat de twee jonge mannen zijn gearresteerd vóór het ogenblik
waarop de journalist zijn verhaal doet. Er is geen enkele aanwijzing, dat hun
arrestatie een onderdeel was van de opeenvolging van gebeurtenissen waaruit de
aanval bestond. Dit zou wel het geval zijn als de onvoltooid
verleden tijd was gebruikt, als er dus zou staan: Beide daders
werden gearresteerd. Daarbij komt nog dat, aangezien de betekenis van
de voltooid tegenwoordige tijd duidelijk gebeurtenissen uit het verleden met het
heden in verband brengt, de toehoorder of lezer in het heden wordt
teruggeplaatst. Zodoende wordt dit bericht, dat met het verleden heeft te maken,
aan het begin en aan het einde omsloten door duidelijke verwijzingen naar het
moment waarop de spreker aan het woord is.
Wij kunnen het verschil in betekenis tussen de voltooid tegenwoordige tijd en de
onvoltooid verleden tijd nog op een andere manier duidelijk | | | | maken,
namelijk door gebruik van het onderschikkend voegwoord toen.
Omdat toen verwijst naar een bepaald punt in het verleden,
kunnen we verwachten dat het daar wordt gebruikt, waar onze aandacht zich
bepaalt bij het Verleden, en niet het Niet-Verleden. Het is dus begrijpelijk,
dat toen meer in overeenstemming is met de onvoltooid verleden
tijd dan met de voltooid tegenwoordige tijd, zoals uit zin (18) blijkt:
| (18) |
a. |
|
Toen ik in Amsterdam woonde, was er minder verkeer. |
| |
b. |
* |
Toen ik in Amsterdam gewoond heb, was er minder verkeer. |
Zoals gezegd bestaat een van de fundamentele problemen waarmee wij als docenten
Nederlands in het buitenland te maken krijgen, hierin, dat onze studenten
geneigd zijn de Nederlandse tempora op één lijn te stellen met de daarmee
uiterlijk overeenkomende tempora van hun eigen taal. Ook als ze al weten, dat
ik spreek niet het equivalent is van I
speak, dan komen ze er toch nog gemakkelijk toe om ik heb
gesproken gelijk te stellen met I have spoken en ik sprak met I spoke. Dit probleem wordt nog
verergerd door het feit, dat al onze leerboeken tot op zekere hoogte steunen op
de traditionele grammatica en dat de traditionele grammatica de uiterlijk
overeenkomende - maar semantisch verschillende - tempora in beide talen dezelfde
termen heeft toebedeeld. Daarom is het volgens mij wenselijk (nadat men de
verschillen tussen de zogenaamde voltooid tegenwoordige tijd en de onvoltooid
verleden tijd in het Nederlands en de voorbeelden uit nieuwsberichten heeft
besproken - zoals ik nu gedaan heb) nog eens de betekenis van elk tempus in
beide talen te vergelijken en de studenten te waarschuwen, dat zij zich niet
door uiterlijke gelijkenis in de war moeten laten brengen. Laten we voorbeeld
(19) eens bekijken:
| (19) |
|
| I speak |
ik spreek |
| ONBEPAALD, TEGENWOORDIG |
NIET-VERLEDEN |
| I am speaking |
|
| BEPAALD, TEGENWOORDIG |
|
| I spoke |
ik sprak |
| VERLEDEN |
VERLEDEN |
| I was speaking |
|
| BEPAALD, VERLEDEN |
|
| I have spoken |
ik heb gesproken |
| ONBEPAALD, VERLEDEN |
NIET-VERLEDEN, VÓÓR |
| I had spoken |
ik had gesproken |
| VERLEDEN, VÓÓR |
VERLEDEN, VÓÓR |
| | | |
De semantische analyse op grond van de tegenstelling Bepaald/Onbepaald in het
Engelse werkwoord, die ik hier geef, is het werk van Professor William Diver van
de Columbia University te New York. Vanuit het gezichtspunt van de linguïst is
het een bijzonder interessante analyse, want Diver vindt semantische
adequaatheid belangrijker dan de uiterlijke symmetrie van de werkwoordsvormen.
Waar het ons om gaat is, dat het vanuit pedagogisch gezichtspunt een bijzonder
nuttige analyse is, want Diver vestigt onze aandacht op
die eigenaardigheid van het Engelse systeem - de Bepaaldheid - die het
opvallendste verschilpunt vormt tussen Engels en Nederlands.5 In (20), (21), (22) en (23) vindt U het Engelse systeem -
zij het onvolledig - geïllustreerd:
| (20) BEPAALDE TIJDSAANDUIDING |
|
| a. On that particular evening John |
was very quiet. |
| |
VERLEDEN |
| b. On that particular evening John |
was being very quiet. |
| |
BEPAALD, VERLEDEN |
| c. * On that particular evening John |
has been very quiet. |
| |
ONBEPAALD, VERLEDEN |
| (21) ONBEPAALDE TIJDSAANDUIDING |
|
| a. On some evenings John |
was very quiet. |
| |
VERLEDEN |
| b. * On some evenings John |
was being very quiet. |
| |
BEPAALD, VERLEDEN |
| c. On some evenings John |
has been very quiet. |
| |
ONBEPAALD, VERLEDEN |
| (22) |
|
|
BEPAALDE TIJDSAANDUIDING |
| |
a. |
|
Did you play chess last Friday? |
| |
|
|
VERLEDEN |
| |
b. |
|
Were you playing chess last Friday? |
| |
|
|
BEPAALD, VERLEDEN |
| |
c. |
* |
Have you played chess last Friday? |
| |
|
|
ONBEPAALD, VERLEDEN |
| (23) |
|
|
ONBEPAALDE TIJDSAANDUIDING |
| |
a. |
|
Did you ever play chess? |
| |
|
|
VERLEDEN |
| |
b. |
* |
Were you ever playing chess? |
| |
|
|
BEPAALD, VERLEDEN |
| |
c. |
|
Have you ever played chess? |
| |
|
|
ONBEPAALD, VERLEDEN |
| | | |
Let U er eens op hoe gemakkelijk het is om aan de hand van de betekenissen die
wij aan de tempora hebben toegekend, te voorspellen welke zinnen samenhangend
zijn en welke onsamenhangend. In de a- zinnen kan de
zogenaamde ‘preterite’ of verleden tijd, die de betekenis VERLEDEN aangeeft, in
een zinvol verband worden gebracht met zowel een bepaalde als een onbepaalde
tijdsaanduiding. De zogenaamde ‘past progressive’, die duidt op de betekenis
BEPAALD, VERLEDEN, kan alleen gecombineerd worden met een bepaalde
tijdsaanduiding. De zinnen (20b) en (22b) zijn goed Engels; de zinnen (21b) en
(23b) zijn onmogelijk. De zogenaamde ‘present perfect’, die duidt op de
betekenis ONBEPAALD, VERLEDEN, kan gecombineerd worden met een onbepaalde
tijdsaanduiding, zoals in de zinnen (21c) en (23c), maar de combinatie met een
bepaalde tijdsaanduiding leidt tot onsamenhangendheid, zoals blijkt uit (20c) en
(22c).
Indien wij nu de betekenissen van de Nederlandse tijden bekijken, dan valt het
op, dat Bepaaldheid daar helemaal geen rol speelt. Hieruit volgt dat, als wij de
zogenaamde ‘onvoltooid verleden tijd’ en de zogenaamde ‘voltooid tegenwoordige
tijd’ in het Nederlands en het Engels vergelijken, wij erop kunnen rekenen, dat
beide Nederlandse tempora een bepaalde tijdsaanduiding toelaten, maar dat in het
Engels alleen de ‘onvoltooid verleden tijd’ dit toelaat. Dit is de bekende
situatie, die wij in (24) aantreffen:
(24) BEPAALDE TIJDSAANDUIDING
| a. Last Wednesday Bobby |
played chess. |
| |
VERLEDEN |
| b. Afgelopen woensdag |
schaakte Bobby. |
| |
VERLEDEN |
| c. * Last Wednesday Bobby |
has played chess. |
| |
ONBEPAALD, VERLEDEN |
| d. Afgelopen woensdag |
heeft Bobby geschaakt. |
| |
NIET-VERLEDEN, VÓÓR |
Het diagram onder (25) is wellicht geschikt om de student een nog beter inzicht
in het verschil tussen de twee tijden in het Engels en in het Nederlands te
geven:
| | | |
(25) DE BESCHREVEN SITUATIE
| ENGELS |
|
NEDERLANDS |
| played VERLEDEN |
Bepaald tijdstip in het verleden |
schaakte VERLEDEN |
| has played ONBEPAALD, VERLEDEN |
Onbepaald tijdstip in het verleden |
heeft geschaakt NIET-VERLEDEN, VÓÓR |
Ik wil er nogmaals de nadruk op leggen, dat het eigenaardige gedrag van de
Nederlandse voltooid tegenwoordige tijd - of de Engelse voltooid tegenwoordige
tijd (dat hangt af van Uw moedertaal) pas begrijpelijk wordt
als wij niet langer de traditionele benamingen gebruiken, maar een paar
‘minuten’ van onze tijd opofferen om met de studenten over de betekenis van de tijden te praten. Om misverstand te voorkomen zeg ik
‘een paar minuten’, want in de collegezaal heb ik ook niet zoveel tijd.
Dergelijke uiteenzettingen zijn slechts bedoeld als een werktuig; de student kan
er zich mee behelpen, zolang hij zich het gebruik van de tempora door praktische
oefening nog niet volledig heeft eigen gemaakt. De betekenissen dienen, zoals
gezegd, om het terrein te verkennen. Een gedetailleerde, volledig verantwoorde
linguïstische analyse is in de collegezaal niet mogelijk. Waar het tenslotte op
aankomt is, dat wij studenten ertoe krijgen zinnetjes als Wanneer
bent u geboren? of Columbus heeft Amerika ontdekt te
zeggen. Als Nederlands lerend student behoeft hij zich niet het hoofd te breken
over de vraag waarom de uiterlijk daarmee corresponderende Engelse zinnetjes *
Where have you been born? of * Columbus has
discovered America onmogelijk zijn.
Er is echter één verschil tussen het Nederlands en het Engels dat wij niet kunnen
verklaren door een verwijzing naar de betekenis, en wel omdat de taal hier een
willekeurige keuze heeft gedaan. Dit verschil is het gebruik, in het Nederlands,
van de zogenaamde ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’, samen met bijwoorden nu en al, om gebeurtenissen aan te duiden
die in het verleden zijn begonnen en in het heden voortduren. (Het Engels
gebruikt hier gewoon de voltooid tegenwoordige tijd). In dit geval kan men de
stelling verdedigen, dat de onderhavige gebeurtenis in feite de categorieën die
door het systeem van de tempora worden geboden, omvat, overbrugt of
overschrijdt. Logisch gesproken passen dergelijke gebeurtenissen in het
Nederlands in de categorie Verleden, | | | | in de categorie Niet-Verleden
en in de categorie Niet-Verleden, VÓÓR. En in het Engels passen dergelijke
gebeurtenissen in de categorie Tegenwoordig en de categorie Verleden.
Desalniettemin moet in elk van beide talen één en niet meer dan één categorie
worden gebruikt om zo'n gebeurtenis aan te duiden. In principe is deze keuze in
hoge mate willekeurig,6 evenals de keuze tussen rechtshouden
in Nederland en linkshouden in Engeland. We zien dan ook, dat de grammatica vol
staat met dergelijke voorbeelden van een soortgelijke willekeurige keuze van
categorieën: broek in het enkelvoud, trousers in het meervoud. Maar wanneer de beslissing eenmaal is genomen,
moet men consequent blijven. Om dit verschil duidelijk te maken is het misschien
nuttig voor de student om de zinnen onder (26) met elkaar te vergelijken:
| (26) |
a. |
Hij is al vijf jaar met haar getrouwd. |
| |
b. |
He has been married to her for five years. |
| |
c. |
Hij is vijf jaar met haar getrouwd geweest. |
Misschien moeten wij hem dan ook vertellen, dat een letterlijke vertaling van
(26b) in het Nederlands, zoals U in (26c) kunt zien, het ongelukkige gevolg
heeft, dat er een einde komt aan het huwelijk!
Ik wil eindigen met een paar opmerkingen over het doel van mijn beperkte
voordracht en het gebezigde materiaal. De hier geschetste directe vergelijking
van het Nederlandse en het Engelse tijdssysteem heb ik U voorgelegd om een paar
algemene kwesties te berde te brengen. Ik heb slechts één jaar Nederlands
onderwezen en heb dus niet genoeg ervaring om een reeds beproefde techniek aan U
voor te leggen. En als linguïst geloof ik ook niet in wonderoplossingen. Wij
weten nog steeds niet zeker of de moderne taalwetenschap met zijn vaak
abstracte, theoretisch gerichte beschouwingen de docent werkelijk kan helpen bij
het oplossen van de technische problemen die zich in de praktijk van het
taalonderwijs voordoen. Ik wilde alleen iets vertellen over het materiaal
waarmee ik in mijn colleges heb geëxperimenteerd, en waarvan ik geloof, dat het
bij het onderwijs in het Nederlands nuttig is. Ik gebruik in deze colleges het
leerboek
Speak Dutch
door Prof. Dr. Lagerwey en de daarbij
behorende geluidsbanden. Als naslagwerk gebruiken wij
Introduction to Dutch
door Prof. Dr. Shetter. Het materiaal dat ik
hier heb besproken, dient niet om deze leerstof te vervangen, maar alleen om ze
aan te vullen, teneinde de aandacht van de studenten te vestigen op bepaalde
moeilijke onderdelen van de grammatica en hun enig inzicht te geven in het
mechanisme van het Nederlands. Om helemaal eerlijk te blijven moet ik erbij
zeggen, dat ik mij daarbij ook tracht | | | | te richten tot de analytisch
ingestelde student, in wie misschien een toekomstige linguïst schuil gaat, en
dat ik probeer zijn belangstelling voor het Nederlands te wekken door hem als
het ware te laten zien hoe mooi het horloge in elkaar zit. Natuurlijk zijn niet
alle studenten hiervoor toegankelijk, maar waar het op aankomt is, dat het er
tenminste een paar zijn - studenten die andere vormen van onderwijstechniek niet
kunnen waarderen. Een analoog geval is het volgende. Zo nu en dan probeer ik
belangstelling voor het Nederlands te wekken door mijn studenten een eenvoudig
gedicht te laten lezen, bijvoorbeeld ‘Moore’, door Lucebert, over de Engelse beeldhouwer Henry Moore. Ik zelf beschouw
‘Moore’ als een goed gedicht. In ieder geval is het zo eenvoudig, dat het
uitstekend geschikt is voor een beginnerscollege. Maar niet alle studenten
houden van poëzie, en voor die studenten betekent de lectuur van Lucebert alleen
maar tijdverlies. Maar voor de studenten die het wel waarderen, is het een
winstpunt. Hetzelfde geldt voor de studenten die zich tot de theoretische
benadering die de linguïstiek biedt, voelen aangetrokken, de studenten dus die
Nederlands studeren, niet uit belangstelling voor Nederlandse literatuur of
Nederlandse cultuur, maar om geheel andere redenen. Gezien het feit dat de
talenafdelingen aan de Amerikaanse universiteiten in een benarde positie
verkeren, en gezien het feit dat de studie van het Nederlands door de meeste
Amerikanen als exotisch en onpraktisch (zo niet erger!) wordt beschouwd, mogen
we deze studenten niet verwaarlozen.7
| | | |
| |
Literatuur
| Allen, Robert L. (1966) The Verb System of Present-Day
American English, The Hague: Mouton. |
| Diver, William (1963) ‘The Chronological System of the English Verb’,
Word 19, 141-181. |
| Ebeling, C.L. (1961) ‘A Semantic Analysis of the Dutch Tenses’, Lingua 11, 86-99. |
| Es, G.A. van (1971) ‘Het aspect als syntactische functie’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 87,
97-123 en 161-183. |
| Joos, Martin (1964) The English Verb: Form and
Meanings, Madison, Wisconsin: The University of Wisconsin Press. |
| Kirsner, Robert S. (1969) ‘The Role of zullen in the
Grammar of Modern Standard Dutch’, Lingua 24, 101-154. |
| Kruisinga, E. (1951) Het Nederlands van Nu, Tweede
druk herzien en uitgebreid door H. Gothelp. Amsterdam:
Wereldbibliotheek. |
| Leech, Geoffrey N. (1969) Towards a Semantic Description
of English. Bloomington, Indiana: Indiana University Press. |
| Palmer, F.R. (1966) A Linguistic Study of the English
Verb. London: Longmans, Green and Co., Ltd. |
|
1Vrij Nederland 16 september 1972, pag.
2.
2Vrij
Nederland 10 januari 1970, pag. 3.
3Zie Kirsner (1969: 110-112).
4Voor een bespreking van deze en
andere problemen, zie Es (1971). Ons gebruik van de betekenis VÓÓR komt
overeen met de definitie van PERFECT in Ebeling (1962: 96).
5Over de rol van Bepaaldheid in het Engelse tijdssysteem zie verder
Allen (1966: 139-163) en Leech (1969: 143-158). Grondige kritiek op het
begrip ‘current relevance’ (verband met het heden), dat in de literatuur
over de Engelse ‘present perfect’ vaak ter sprake komt, vindt men in Diver
1963. Het ligt voor de hand dat, als men zou stellen dat de Engelse ‘present
perfect’ drager was van een betekenis CURRENT RELEVANCE,
men de onsamenhangendheid van zinnen als * I know my way around
Amsterdam. After all, I have been born here niet zou kunnen
verklaren.
6Ofschoon deze gebeurtenis in het
Engels willekeurig als VERLEDEN en niet als TEGENWOORDIG is geklassificeerd,
is dat zeker niet het geval bij de keuze van de ‘present perfect’ boven de
‘past progressive’ en de ‘preterite’. De betekenis van de ‘present perfect’
- ONBEPAALD, VERLEDEN - geeft duidelijk aan, dat de gebeurtenis niet op een
bepaald tijdstip plaatsvindt. En als de gebeurtenis zelf niet precies
gelokaliseerd wordt in de tijd, wordt het einde van de
gebeurtenis ook niet gelokaliseerd. Niets, behalve de lexicale betekenissen
op zichzelf in de zin, belet dan de toehoorder de conclusie te trekken, dat
de onderhavige gebeurtenis voortduurt tot op het moment van spreken. Men
leze verder Diver (1963: 158).
7Ik zou graag een
dankwoord willen richten aan Prof. Dr. S. Bonebakker, Prof. Dr. J. Kooij en
de heer H. Scheltes, met wie ik dit onderwerp en de gebezigde voorbeelden
heb besproken en die mij veel hebben geholpen bij het tot stand komen van
deze lezing.
|
|