|
|
|
| |
| | | |
Idiomatische uitdrukkingen in tweetalige woordenboeken. Een vergelijkend
onderzoek Nederlands-Italiaans1
Elisabeth Koenraads
1. Inleiding
Wie zich op welke manier dan ook bezighoudt met vreemde talen, kent het lief en het leed dat
gepaard gaat met het gebruik van woordenboeken. En hoewel we allemaal duidelijk voor ogen
hebben wat een hels karwei het samenstellen van een woordenboek is, zijn het toch vooral de
gebreken en de tekortkomingen die ons opvallen; gebreken die zich vaker voordoen en ernstiger
zijn naar gelang de behandelde woordenschat ingewikkelder van structuur wordt.
Onderwerp van dit artikel zal de fraseologie zijn, om een uit de Duitse linguïstiek geleende
term (Phraseographie, Burger 1998, 168) te gebruiken, waarmee men doelt op
het schrijven van woordenboekartikelen die idiomatische uitdrukkingen (voortaan IU)2 bevatten. In het bijzonder zal nader ingegaan worden op de problemen die
komen kijken bij de behandeling van idiomatische uitdrukkingen in tweetalige woordenboeken.
De lexicografie maakt onderscheid tussen de macrostructuur en de microstructuur van een
woordenboek; de eerste wordt gevormd door de verzameling ingangen, de trefwoorden, die in een
woordenboek wordt opgenomen (Van Sterkenburg 1979, 171); de tweede betreft de informatie die
over de trefwoorden in het woordenboekartikel gegeven wordt.
De evaluatie richt zich zowel op de materiaal verzameling, als op de structuur, de vertaling
en de presentatie3 en zal geïllustreerd worden aan de hand
van voorbeelden uit het Van Dale handwoordenboek Nederlands-Italiaans en Italiaans-Nederlands
(voortaan Van Dale) en uit het Prisma | | | | woordenboek Nederlands-Italiaans en
Italiaans-Nederlands (voortaan Prisma). Het betreft hier de meest gebruikte woordenboeken van
een zekere omvang, aangezien kleinere zakwoordenboeken weinig of helemaal geen idiomatische
uitdrukkingen bevatten. Onze aandacht zal vooral gaan naar de vertaalrichting
Nederlands-Italiaans.
IU behoren tot de intieme kem van een taal;4
zonder figuurlijk taalgebruik zou een taal tot een saaie massa verworden. Daarbij komt dat men
overwegend zijn toevlucht neemt tot idiomatisch taalgebruik bij directe taalhandelingen5 en in
informele taalsituaties die vaak emotioneel beladen, en dus vanuit communicatief oogpunt
belangrijk zijn (Koenraads 2003, 177-182). Voor vt-leerders is het gebruik van IU moeilijk,
omdat de combinatiemogelijkheden gering en niet voorspelbaar zijn en omdat de figuurlijke
betekenis niet altijd gemakkelijk te achterhalen is. Een goed tweetalig woordenboek (voortaan
2twb) kan daarbij van onschatbare waarde zijn. Als voorbeeld kunnen de volgende twee IU dienen,
die éénzelfde oorsprong in de scheepsbouw vinden, maar wel duidelijk in betekenis verschillen:
‘op stapel staan’ en ‘op de helling staan’.
Gezien het belang van de IU is het dan ook vreemd, dat ze in de taalkunde en ook in de
lexicografie zo stiefmoederlijk behandeld worden. Het zou dus wenselijk zijn om bij het
samenstellen van een woordenboek meer aandacht te besteden aan de idiomatische uitdrukkingen;
om de woorden van Haussman aan te halen: ‘Het idioom dient bevrijd te worden: Zijn plaats is
niet aan de rand, maar in het centrum van de taal.’6 (Hausmann 1999, 136).
Er is de laatste jaren wel veel onderzoek gedaan naar lexicale en grammaticale vaste
verbindingen met een letterlijke betekenis (de zogenaamde collocaties).7 Enkele theoretische conclusies uit deze onderzoeken zijn gedeeltelijk
ook geldig voor de IU.
| | | |
Bij het samenstellen van een 2twb moet er rekening gehouden worden met vier groepen
gebruikers (Duval 1986, 95-96; 1986, 33-34; Schnorr 1986, 54); als voorbeeld kan dienen een
Italiaanse student die Nederlands leert (A) en een Nederlandse student die Italiaans leert (B).
De volgende situaties doen zich dan voor:
| 1. | A die de betekenis van een Nederlands woord in een bepaalde context opzoekt; |
| 2. | B die de betekenis van een Italiaans woord in een bepaalde context opzoekt; |
| 3. | A die de Nederlandse vertaling voor een Italiaans woord opzoekt; |
| 4. | B die de Italiaanse vertaling voor een Nederlands woord opzoekt. |
Het betreft hier twee verschillende soorten receptieve en twee verschillende soorten
productieve vaardigheden. De lexicograaf dient rekening te houden met de specifieke eisen van
elk van de vier groepen;8 wat
de macrostructuur betreft uit zich dit vooral in de keuze van het trefwoord; wat de
microstructuur betreft in de natuur en de rol van het commentaar9 en in de volgorde van de
informatie. Dit zullen de onderwerpen van de volgende paragrafen zijn.
| |
2. De macrostructuur
Allereerst zal de lexicograaf moeten beslissen welke woorden een eigen ingang verdienen. Een
van de omstandigheden die zich wreekt bij het samenstellen van 2twb, is dat deze haast altijd
gebaseerd zijn op ééntalige woordenboeken (voortaan 1twb); het 1tw dient als intermediair
tussen de taal en het 2twb. Het is niet alleen dit tweefaseproces dat negatieve invloed heeft
op de samenstelling van het 2twb, maar vooral de bron zelf. Men hoeft maar een 1twb in de
brontaal (BT) te vergelijken met een 1twb in de doeltaal (DT) om te zien hoe verschillend de
woordenschat is. Zo schenken de Italiaanse 1twb minder ruimte aan de IU dan de Nederlandse;
het gevolg hiervan is dat in het Italiaans-Nederlandse deel van Van Dale aanmerkelijk minder
van deze uitdrukkingen staan dan in het Nederlands-Italiaanse deel.
| | | |
De tweede keuze die de samensteller moet maken betreft de ordening van de trefwoorden.
Normaliter wordt er voor een alfabetische volgorde gekozen. Naast het opzoekgemak heeft deze
ordening ook enkele nadelen, aangezien ze geen inzicht in de structuur van de taal geeft en
omdat er onduidelijkheid bestaat over welk deel van een meerwoordig lexeem als trefwoord
gebruikt dient te worden (Geeraerts 1989, 217). Vooral dit laatste nadeel telt zwaar bij de
behandeling van IU.
Naast de alfabetische ordening kan een thematische of ideologische ordening toegepast
worden, die rekening houdt met de semantische verwantschap tussen de lexemen. Een derde
mogelijkheid is de IU uit de cognitieve semantiek te benaderen. IU zouden dan naar begrippen
zoals bijvoorbeeld ‘woede’, ‘doodgaan’ geordend kunnen worden. Het grote voordeel bij een
dergelijke behandeling van de IU is dat de betekenis van de uitdrukking in z'n geheel erbij
betrokken wordt, terwijl daarentegen een ideologische benadering met thematische indeling in
semantische velden de gebruiker op het verkeerde spoor kan zetten (Burger 1998, 188); er dient
immers onderscheid gemaakt te worden tussen de letterlijke betekenis van de afzonderlijke
elementen en de figuurlijke betekenis van de IU. Als we afgaan op de afzonderlijke woorden,
zou een IU als ‘met je mond vol tanden staan’ tot het semantische veld van de lichaamsdelen
behoren; de betekenis van de gehele uitdrukking verwijst echter naar een staat van
sprakeloosheid.
Bij de behandeling van IU zal de lexicograaf moeten beslissen of deze een afzonderlijke
ingang dient te hebben. In de literatuur10 geeft men een eigen status aan de IU, omdat deze een autonome betekenis heeft
die niet of maar gedeeltelijk af te leiden is uit haar verschillende componenten. Dit kenmerk
pleit ervoor om de IU als een afzonderlijk trefwoord op te nemen en eventueel te beschouwen
als een geval van homonymie ten opzichte van de letterlijke betekenis. Woorden en IU
verschillen dan slechts in hun grammaticale structuur, maar krijgen een gelijkwaardige
macro-structurele lexicale status (Gouws 1996, 68; Verstraten 1992, 209). Het voordeel van een
eigen ingang is niet alleen dat het semantisch correcter is, gezien de ondoorzichtigheid van
vele IU, maar ook dat het gebruiksvriendelijker is, omdat het het zoeken door vele kolommen,
zoals bijvoorbeeld onder ‘hand’ of ‘oog’, overbodig maakt (Verstraten 1992, 208; Palumbo | | | | 2001, 186). De aanwezigheid van lexicale anomalieën in IU pleit eveneens voor een
eigen ingang (Koenraads 2003, 66).11
Normaliter bevinden de IU zich echter onder het trefwoord van een van de componenten. Van
Dale geeft onder het trefwoord ‘gelag’ als eerste de betekenis consumazione
(consumptie) en dan pas ‘het gelag betalen’. Prisma geeft alleen de IU ‘het gelag betalen’,
hetgeen taalkundig correcter is, omdat het woord niet meer afzonderlijk gebruikt wordt.
Aan de invoering van IU in de macrostructuur zijn dus twee problemen verbonden: 1. welke
ingangen komen in het woordenboek?; 2. onder welk trefwoord plaatsen we de IU?
Elke taal bezit een geweldig aantal IU en het is onmogelijk, vooral in een 2twb, deze
allemaal op te nemen.12 Algemeen toegepaste
selectiecriteria in 2twb zijn: frequentie en omkeerbaarheidsbeginsel. Beide criteria zijn
problematisch. Niets wijst erop dat de frequentie van een trefwoord hetzelfde is in de BT en
in de DT (Zgusta 1971, 310). Het verschil in frequentie zal niet erg groot zijn voor woorden
met een letterlijke betekenis die tot de kern van de taal behoren, maar dit verandert wanneer
we IU gaan vergelijken.
Onder het omkeerbaarheidsbeginsel verstaan we de eis dat alle trefwoorden in een 2twb X-Y,
als vertalingsequivalent in Y-X verschijnen en alle trefwoorden in Y-X als
vertalingsequivalent in X-Y (Gouws 1989, 178).
De keuze van het trefwoord is van belang zowel bij de traditionele invoering van de IU onder
een van haar elementen, als bij een zelfstandige ingang. Eén van de moeilijkheden waarmee de
gebruiker zich geconfronteerd ziet bij het opzoeken van een IU is dat hij niet weet onder welk
trefwoord deze zich bevindt. De theorie is op dit gebied schaars (Rösel 1995b, 198), met het
gevolg dat er dikwijls geen duidelijke systematiek gevolgd wordt. Eloquent zijn de woorden van
Rettig (1985, 111): ‘Zo gaat meestal het opzoeken van een meerwoordig lexeem, als een
woordenboek | | | | al zo goed is dit op te nemen, met de nodige inspanning
gepaard’.13 Elk van de vier groepen gebruikers zal deze zoektocht op een eigen manier
organiseren.14
In de meeste woordenboeken worden de IU geplaatst onder een inhoudswoord; dit is een
eenvoudig te bevatten semantisch criterium. Het tweede criterium, de volgorde van de
verschillende grammaticale categorieën, is morfosyntactisch en moeilijker te vatten voor de
gemiddelde gebruiker. De volgorde die het vaakst voorkomt is: zelfstandig naamwoord -
werkwoord - bijvoegelijk naamwoord - bijwoord - voornaamwoord, waarbij de vervangbare eerste
positie (iemand, iets) niet meegerekend wordt (Gouws 1996, 56). Aangezien
deze volgorde niet altijd vaststaat, moeten er ook verwijzingen onder de andere grammaticale
klassen opgenomen worden (Verstraten 1992, 212). Deze verwijzingen ontbreken echter dikwijls
(Rösel 1995b, 198). Als voorbeeld van deze verwarring kan de IU ‘iets met lede ogen aanzien’
dienen, die zich bij Van Dale onder het trefwoord ‘oog’ bevindt en bij Prisma onder dat van
‘leed’.
De vorm waarin de IU vermeld wordt, is tevens belangrijk. Bij éénwoordige lexemen kiest men
in de meeste talen voor een neutrale, onverbogen vorm, zoals de infinitief van het werkwoord
of het enkelvoud van een substantief (Geeraerts en Janssens 1982, 14), maar bij de IU moet men
rekening houden met lexicale en grammaticale restricties; in de IU ‘de touwtjes in handen
hebben’, kan het zelfstandig naamwoord alleen in de verkleinvorm staan. De Van Dale plaatst de
IU onder ‘touw’, weliswaar met vermelding van ‘touwtjes’ en niet van de tilde die het
trefwoord vervangt; ook hierin is Prisma correcter, want de uitdrukking bevindt zich onder het
afzonderlijke trefwoord ‘touwtjes’. Deze onvolkomenheden en fouten worden overgeheveld naar
het Italiaans-Nederlandse deel, zodat een niet-moedertaalspreker onjuiste informatie
krijgt.
| |
| | | |
3. De microstructuur
3.1 Commentaar en volgorde
De microstructuur heeft betrekking op de informatie over een trefwoord in een
woordenboekartikel. Deze informatiegegevens worden in het artikel geplaatst in een bepaalde
volgorde en aangegeven door middel van labels, afkortingen en commentaar, in combinatie met
typografische hulpmiddelen, die alle verklaard worden in de gebruiksaanwijzing aan het begin
van het wb. Ons interesseren hier alleen degene die van belang zijn voor de IU en hun
vertaalequivalenten.
De gebruiksaanwijzing is over het algemeen in beide talen geschreven en bij het gebruik van
labels en redactionele afkortingen wordt rekening gehouden met ‘beide gebruikersgroepen’ (uit
de gebruiksaanwijzing in Van Dale Nederlands-Italiaans). Het commentaar in de artikelen wordt
meestal in de BT gegeven, maar, afhankelijk van de doelgroep, kan het ook de DT zijn (Rettig
1985, 101). Rettig (1985, 102) en Ianucci (in Gouws 1989, 171) maken onderscheid tussen
commentaar in de BT dat gericht is op verklaring van betekenisonderscheiding,15 zoals het
aangeven van register, vaktaal en polysemie, en commentaar in de DT, dat een verklarende
functie heeft bij de vertaalequivalent. Zo vinden we in Van Dale onder het trefwoord ‘kaak’
bij vertaling 4. het label (hist, schandpaal) berlina, gogna en vervolgens
bij de voorbeelden de IU 4. ‘aan de kaak stellen’ mettere alla gogna.
Het overzicht van de verschillende betekenissen met hun vertaalequivalenten kan alfabetisch
zijn, of op logische en cognitieve principes berusten; concrete en letterlijke betekenissen
komen echter altijd voor abstracte en figuurlijke betekenissen (Burger 1998, 175); frequentie
en algemeenheid kunnen bij de ordening een rol spelen.
IU hebben zelden een eigen ingang,16 met het gevolg dat zij in de meeste gevallen deel
uitmaken van het artikel van een éénwoordig tref- | | | | woord. Ze worden dan aan het
eind van dit artikel geplaatst na een typografisch teken. Van Dale plaats alle IU na een zwart
dropje samen met de voorbeelden; het ‘vlaggetje’ ¶ geeft aan dat de IU niet terug te voeren is
op een van de betekenisonderscheidingen voor het dropje.17 Zo treffen we onder het trefwoord kost het vlaggetje aan voor de IU: ¶ ‘dat is andere ∼’ è un altro paio di
maniche. De typografische conventie dient duidelijk te maken dat het trefwoord deel
uitmaakt van een meerwoordig lexeem en slechts een referentiële functie heeft (Elnitsky 1984,
24), aangezien er geen semantisch verband tussen het onafhankelijke trefwoord en hetzelfde
woord in de IU aangewezen kan worden (Gouws 1996, 56).
| |
3.2 Vertaalequivalenten
Hét probleem waarvoor de lexicografen van 2twb (en vertalers) zich geplaatst zien bij hun
werk is dat geen twee talen op dezelfde manier gestructureerd zijn. Zgusta (1971, 294)
spreekt van ‘anisomorphism’, waarmee zij duidt op ‘de verschillende wijzen waarop in elke
taal de denotaties georganiseerd worden’.18 Dit gebrek aan isomorfisme is
aanwezig in bijna alle lexicale eenheden; uitzonderingen zijn de woorden die tot de kern van
de taal behoren en wetenschappelijke terminologie (Zgusta 1971, 296; Rettig 1985, 95).
In de literatuur19 worden er vier of vijf (één is een gemengd type) soorten vertaalequivalenten
(voortaan VE) onderscheiden:
| 1. | absolute VE en congruentie; |
| 2. | divergentie; |
| 3. | convergentie; |
| 4. | multivergentie = divergentie plus convergentie; |
| 5. | ontbrekende of surrogaat equivalentie. |
| | | |
| 1. | Congruentie kan gezien worden als een beperkte vorm van absolute VE, waarbij trefwoord
en VE weliswaar dezelfde betekenis hebben, maar verschillen in lexicale en morfosyntactisch
structuur. Wel moeten de pragmatische en stilistische restricties in BT en DT hetzelfde
zijn, zodat er niet alleen semantische maar ook communicatieve equivalentie tot stand komt
(Gouws 1996, 73). |
| Volledige congruentie hebben we bij de vertaling van ‘het ijs breken’ rompere il ghiaccio en ‘de geit en de kool willen sparen’ voler salvare
capra e cavoli; als voorbeeld van een gedeeltelijke congruentie met gebruik van andere
lexicale elementen, kan de IU dienen ‘twee vliegen in één klap slaan’ met VE prendere due piccioni con una fava (twee duiven met één boon vangen). |
| 2. | Divergentie houdt in dat voor een trefwoord in de BT meerder VE in de DT gegeven
worden. Het betreft hier overwegend VE die verschillen in register en stijl of VE die de
verschillende polysemische aard van de DT weergeven.20 Zo kan de IU ‘op alle slakken zout leggen’ op twee manieren
vertaald worden, met cercare il pelo nell'uovo (de haar in het ei zoeken)
en met spaccare un capello in quattro (een haar in vier delen breken). |
| 3. | Bij convergentie treden we buiten de microstructuur, aangezien hier verschillende
trefwoorden in de BT naar éénzelfde VE verwijzen: ‘wie kaatst, moet de bal verwachten’ en
‘wie A zegt, moet B zeggen’ vinden hun tegenhanger in het Italiaanse chi la fa,
l'aspetti (wie het doet, kan het verwachten). Een echte congruentie weerspiegelt de
mogelijkheden en de beperkingen van een taal.21 |
| 4. | Zoals vaak bij equivalentverhoudingen tussen talen, komen gemengde vormen het meest
voor (Rettig 1985, 95; Gouws 1989, 173): combinaties van divergentie en convergentie lopen
als een rode draad door 2twb, ook omdat IU niet-idiomatische synoniemen hebben (Gouws |
| | | |
| 1996, 81). Van Dale geeft voor ‘van een koude kermis thuiskomen’ avere una doccia fredda, scornarsi, fare fiasco, tornare con le pive nel sacco (met
de doedelzakken in de zak terugkomen), een geval van divergentie; maar dezelfde uitdrukking
convergeert samen met ‘met lege handen terugkeren’ in tornare con le pive nel
sacco (Van Dale). |
| 5. | Sommige woorden en uitdrukkingen zijn gewoonweg niet te vertalen, omdat het voorwerp of
begrip waarnaar de BT verwijst niet bekend is in de DT of naar andere socioculturele normen
verwijst (Snell-Hornby 1990, 210). Men spreekt dan van cultuurgebonden en onomasiologische
lacunes (Schnorr 1986, 55). Het kan ook zijn dat de de betekenis bekend, maar niet
gelexicaliseerd is. |
Een IU waarvoor geen figuurlijk VE in de DT bestaat, zal in het woordenboek weergeven
worden met een surrogaat VE, die overeenkomt met de vertaling van de parafrase van de IU in
de BT. Enkele voorbeelden: ‘er voor spek en bonen bij zitten’ non contare
veramente (niet meetellen) (Prisma), ‘buiten zijn boekje gaan’ oltrepassare le proprie competenze (Van Dale) contravenire ad una
regola (Prisma), beide vertalingen van de parafrase ‘zijn bevoegdheden
overschrijden’.22
Het kan voorkomen dat lexicografen voor een surrogaat VE kiezen, ook wanneer de DT een IU
heeft met dezelfde semantische waarde.23 Deze keuze kan ingegeven zijn door de volgende overwegingen: verschil in
stijl tussen de UI in de BT en de DT (Farina 1996, 2; Gouws 1996, 57), voorkeur voor
eenvoudigere uitdrukkingen (Mel'cuk 1988, 30) of voor een functionele vertaling24 en verschil in frequentie. De vertaling van het
zeer frequente ‘iemand van het kastje naar de muur sturen’ mandare qualcuno da
Erode a Pilato (iemand van Herodes naar Pilatus zenden), enige vertaling in beide
woordenboeken, is in Italië vrij onbekend, terwijl dit land toch ook onder de bureaucratie
lijdt.
| | | |
Het omkeerbaarheidsbeginsel verplicht de lexicograaf alle VE op te nemen als trefwoorden in
het andere deel; daarbij is het strikt noodzakelijk dat een weinig gebruikte IU van geschikt
commentaar voorzien wordt door middel van de labels (zeldzaam) of (ongewoon). Dat het omkeerbaarheidsbeginsel niet altijd toegepast wordt blijkt
in het Italiaans-Nederlandse deel van Van Dale waarin ‘coltivare il proprio orticello’ (zijn eigen moestuin verbouwen) de, volgens ons niet geheel correcte, VE schoenmaker houd je bij je leest krijgt; in het Nederlands-Italiaanse deel
wordt onder ‘schoenmaker’ geen enkele IU vermeld, onder ‘leest’ krijgt ‘schoenmaker, blijf
bij je leest’ VE chi vuol fare l'altrui mestiere fa la zuppa nel paniere
(wie het beroep van een ander uitoefent, maakt soep in een mand).
| |
3.3 Overige informatie
De overige informatie in de microstructuur van een artikel kan van diverse aard zijn; ons
interesseren slechts die inlichtingen die van belang zijn voor de vertaling van IU:
connotatieve en pragmatische waarde, en de voorbeeldzinnen.
De term connotatie verwijst in ruimere zin naar het geheel van nietreferentiële
bijbetekenissen van een lexeem (Geraerts 1989, 141), waaronder stijl en register; in nauwere
zin verwijst het daarentegen slechts naar de emotionele en affectieve bijwaarde.25 In beide betekenissen wordt de
connotatie in woordenboeken aangegeven door middel van labels. Bij IU vinden we bijvoorbeeld
het label inf. (informeel) of vulg. (vulgair); wat de
regionale verschillen betreft, merken we op dat in beide woordenboeken Zuid-Nederandse
varianten van IU ontbreken.
Het aangeven van de net zo belangrijke pragmatische waarde wordt in het algemeen als taak
van de voorbeeldzinnen gezien. Cultuurverschillen tussen taalgemeenschappen weerspiegelen
zich in het gebruik van de taal, in ‘de taalstrategieën’26 (Rey 1986, 37). Combrink (in Gouws 1989, 185) wijst erop dat
twee IU met dezelfde semantische betekenis niet noodzake- | | | | lijk identieke
gebruiksvoorwaarden hebben27. Aangezien de pragmatische functie van IU vooral
tot uiting komt in mondeling taalgebruik en in informele tweespraak, zou in de digitale
toekomst toevoeging van fragmenten van dialogen als illustratie kunnen dienen.28
Vele IU hebben zowel een letterlijke als een figuurlijke betekenis. In 2twb wordt
overwegend alleen de VE van de figuurlijke betekenis gegeven, aangezien de letterlijke uit de
betekenis van het afzonderlijke trefwoord opgemaakt kan worden. Beide betekenissen moeten
duidelijk gescheiden worden; als dit niet gebeurt, dan kan dat aangeduid worden als een
lexicografische ‘abberatie’ (Hausmann 1985, 33; Gross 1994, 247).29
Een woordenboekartikel eindigt met voorbeeldzinnen die na het dropje (of ander teken)
geplaatst worden. Zij geven de context aan, waarbinnen de VE gebruikt kunnen worden, want, om
uit de gebruiksaanwijzing van Van Dale te citeren:
De precieze betekenis van een woord, en daarmee ook de geschikste vertaling, is
vaak afhankelijk van de context waarin het woord voorkomt. Daarom is in dit boek een ruim
aantal voorbeeldzinnen opgenomen.
De voorbeeldzinnen dienen dientengevolge ter illustratie van:
| a. | het syntactische gebruik (Geeraerts en Janssens 1982, 18); we denken hierbij aan de
selectierestricties en combinatiemogelijkheden; |
| b. | het pragmatische gebruik; |
| c. | het betekenisverschil tussen semantische equivalente VE met verschillende connotatieve
waarden (Rettig 1985, 103). |
| | | |
Hoewel lexicografisch niet correct, worden in 2twb de IU haast altijd door middel van
voorbeeldzinnen geïntroduceerd.30 Dit kan tot grote verwarring leiden, omdat het
voor de gebruiker niet duidelijk is, of het meerwoordig VE van een IU in de BT ook een vaste
verbinding is, of slechts een aaneenschakeling van woorden zonder vast karakter (Rettig 1985,
96). Het zou inderdaad wenselijker zijn de IU van de voorbeelden te scheiden (Rettig 1985,
108). Een vergelijkend probleem doet zich voor, waneer de IU ter illustratie van de context
in een langere voorbeeldzin ingebed is. Gouws (1996, 65) wijst erop dat: ‘Zowel vanuit het
standpunt van de gebruiker als op taalkundige gronden, deze methode onaanvaardbaar is’.31 In de volgende voorbeeldzinnen uit Van Dale zien we enkele
ingebedde IU: ik ben je geklaag meer dan beu, het nieuws deed me de haren te
berge rijzen, het huis wordt in de gaten gehouden.
| |
4. Een blik op de toekomst
Uit het voorafgaande blijkt wel dat 2twb tot nu toe verre van perfect zijn. Dat heeft vele
oorzaken: de enorme hoeveelheid stof die verwerkt moet worden; het veelvoudige talent dat van
de samenstellers geëist wordt en de hoeveelheid tijd die het maken van een woordenboek vraagt.
Veel van de onvolledigheden en fouten zijn echter te wijten aan gebrek aan wetenschappelijk
onderzoek (De Kleijn 1988, 4) en aan het geringe vertrouwen van lexicografen in het nut van de
moderne taalkunde (Van Sterkenburg 1979, 167). Vooral naar de structuur van de meerwoordige
lexemen dient vanuit lexicografisch oogpunt nog onderzoek gedaan te worden (Rösel 1995b,
206).32 Gevolg hiervan is dat macro- en microstructuren kunnen verschillen van
woordenboek tot woordenboek en ook binnen één en hetzelfde boek niet altijd consequent
toegepast worden. Ondanks het feit dat perfectie | | | | nooit bereikt zal worden, is er
op velerlei gebied vooruitgang in zicht. De nieuwe digitale hulpmiddelen kunnen daarbij zeker
een rol spelen. Enkele belangrijke voorstellen die in het voorafgaande al ter sprake zijn
gekomen, betreffen de verwerking van cognitieve en pragmatische gegevens in het wb. Een
cognitieve aanpak van de trefwoorden die een meerdimensionale structuur vereist (Geeraerts
1989, 228) kan mogelijk worden door de verbreking van de traditionele lineaire vormbeperkingen
en het oneindige expansievermogen van de digitale hulpmiddelen.
Nog meer dan de cognitieve is de pragmatische aanpak gebaat bij het bestaan van computer en
internet. Voorbeelden van IU in context kunnen gegeven worden zowel door middel van software
als door het aangeven van links: aan de ene kant kunnen dialogen en
authentiek materiaal bijgesloten worden, aan de ander kant kan de microstructuur uitgebreid
worden met meer taalkundige informatie zoals de aanduiding van de functies (Elnitsky en
Mel'cuk 1988, 76). Vooral bij meerwoordige lexemen zijn de voordelen van ICT duidelijk:
toegang tot het trefwoord kan via elk deel van de uitdrukking plaatshebben, net zo goed als
via de functies, connotatieve of pragmatische betekenis, syntactische kenmerken of
restricties. De zoektocht hoeft ook niet meer verplicht de richting brontaal-doeltaal te
volgen. Er ontstaat zo een semantisch netwerk met verschillende toegangen (Fontenelle 1998,
205), dat aan alle vier groepen gebruikers dezelfde mogelijkheden biedt. Andere voordelen van
het gebruik van ICT zijn het gemak van de bijwerking, waardoor een e-wb minder snel
veroudert,33 en de mogelijkheid meerdere e-wb tegelijkertijd te
gebruiken (Palumbo 2001, 181).
Indien een e-wb naast semantische en syntactische informatie, ook connotatieve en
pragmatische aanwijzingen wil bevatten, is het werken met grote corpora waarschijnlijk
eenvoudiger dan het gebruik van papieren wb als bron, aangezien er meer voorbereidend werk
nodig is om dezelfde gegevens uit een al bestaande papieren uitgave te halen (Fontenelle 1998,
190); tot nu toe zijn de meeste e-wb voornamelijk op hun papieren voorgangers gebaseerd.
Al deze vele mogelijkheden die de ICT de lexicograaf biedt, worden nog niet ten volle
uitgebuit. Het is inderdaad een paradox, zoals Palumbo opmerkt (2001, 192), dat op dit moment
vooral de traditionele woordenboeken voordeel trekken van de ICT.
| |
| | | |
Bibliografie
| Burger, Harald: Phraseologie. Eine Einführung am Beispiel des
Deutschen. Berlijn, 1998. |
| Cowie, A.P.: ‘Phraseological dictionaries: some East-West comparisons’. A.P. Cowie
(ed.), Phraseology. Theory, analysis, and applications. Oxford, 1998,
209-229. |
| Duval, Alain: ‘La métalangue dans les dictionnaires bilingues’. Lexicographica 2, 93-100 (1986). |
| Elnitslcy, Léo: ‘Présentation d'un article de dictionnaire (lexéme) et d'un superarticle
(vocable)’. Igor Mel'čuk, Dictionnaire explicatif et combinatoire du francais
contemporain. Recherces lexico-sémantiques. Vol. II. Montreal en Quebec, 1984. |
| Elnitsky, Léo en Mel'cuk, Igor: ‘Le champ sémantique “grandeurs” (= paramètres):
description lexicographique de quelques cas problématiques de la coocurrrence lexicale
(actants à valeur numérique et modificateurs de degré’. Igor Mel'čuk, Dictionnaire explicatif et combinatoire du français contemporain. Recherces
lexico-sémantiques. Vol II. Montreal en Quebec, 1984, 73-80. |
| Farina, Donna M.T.Cr.: ‘The bilingual lexicographer's best friends’. Lexicographica 12, 1-15 (1996). |
| Felnoulhet, J.: ‘Fraseologie en Lexicografie’. Th. Hermans et al. (eds), Handelingen Elfde Colloquium Neerlandicum. Woubrugge, 1992, 107-120. |
| Fontenelle, Thierry: ‘Discovering significant lexical functions in dictionary entries’.
A.P. Cowie (ed.), Phraseology. Theory, Analysis, and Applications. Oxford,
1998, 189-207. |
| Geeraerts, D. en Janssens, G.: Wegwijs in woordenboeken. Assen, 1982. |
| Geeraerts, Dirk: Wat er in een woord zit. Leuven, 1989. |
| | | |
| Gouws, R.H.: ‘Idioms and collocations in bilingual dictionaries and their Afrikaans
translation equivalents’. Lexicographica 12, 54-88 (1996). |
| Gouws, R.H.: Leksikografie. Pretoria en Kaapstad, 1989. |
| Gross, Maurice: ‘Constructing lexicon-grammars’. B.T.S. Atkins en A. Zampolli (eds), Computational Approaches to the lexicon. Oxford, 1994, 213-263. |
| Hausmann, Franz Josef: ‘Trois paysages dictionnairiques: La Grande-Bretagne, la France
et l' Allemagne’. Lexicographica 1, 24-50 (1985). |
| Hausmann, Franz Josef: ‘Le dictionnaire de collocations - Critères de son organisation’.
Norbert Greiner et al. (hrsg.), Texte und Kontexte in Sprachen und
Kulturen. Trier, 1999, 121-139. |
| Kempcke, Günter: ‘Lexikologie, lexilcographische Theorie und lexikograpische Praxis’. E.
Agricola et al. (eds.), Wortschatzforchung heute. Leipzig, 1982, 42-61. |
| Kleijn, Piet de: ‘Kennis van vaste woordverbindingen: belangrijk en moeilijk’. Neerlandica Extra Muros 50, 2-7 (1988). |
| Koenraads, Elisabeth: Le locuzioni neerlandesi. Proposte di analisi.
Triëst, 2003. |
| Kornelius, Joachim: ‘Vom Printwörterbuch zum elektronischen Kollokationswörterbuch’. Lexicographica 11, 153-171 (1995). |
| Lewandowska-Tomaszczyk, Barbara: ‘Meaning, synonymy, and the dictionary’. Jerzy
Tomaszczyk en Barbara Lewandowska-Tomaszczyk (eds), Meaning and
lexicography. Amsterdam en Philadelphia, 1990, 181-208. |
| Ludwig, Klaus-Dieter: ‘Zu normativen, konnotativen und stilistischen Angaben in
Wörterbucheintragen’. E. Agricola et al. (eds.), Wortschatzforschung heute.
Leipzig, 1982, 166-184. |
| | | |
| Mel'čuk, Igor: ‘Principes et critères de description sémantique dans le DEC’. Igor
Mel'čuk, Dictionnaire explicatif et combinatoire du français contemporain.
Recherces lexico-sémantiques. Vol. II. Montreal en Quebec, 1988,27-39. |
| Palumbo, Giuseppe: ‘I dizionari bilingui italiano e inglese su cd-rom: uno strumento
realmente innovativo?’. Rivista internazionale di tecnica della traduzione
6, 177-194 (2001). |
| Rettig, W.: ‘Die zweisprachige Lexikographie Französisch-Deutsch, Deutsch-Französisch.
Stand, Probleme, Aufgaben’. Lexicographica 1, 83-124 (1985). |
| Rey, Alain: ‘Les écarts culturels dans les dictionnaires bilingues’. Lexicographica 2, 33-42 (1986). |
| Rösel, Petr: ‘Strukcturen des Zugriffs auf Mehrwortausdrücke in bilingualen
Wörterbüchern zum Englishen und Deutschen: benutzererwartungen und lexikographische Praxis’.
Lexicographica 11, 196-209 (1995). |
| Snell-Hornby, Mary: ‘Dynamics in meaning as a problem for bilingual lexicography
dictionary’. Jerzy Tomaszczyk en Barbara Lewandowska-Tomaszczyk (eds.), Meaning
and lexicography. Amsterdam en Philadelphia, 1990, 209-225. |
| Sterkenburg, P. van: ‘Wat is lexicografie?’ Bernard T. Tervoort, Wetenschap
& taal. Muiderberg, 1979, 163-177. |
| Verstraten, Linda P.: Vaste verbindingen. Amsterdam, 1992. |
| Zgusta, Ladislav: Manual of lexicography. Den Haag en Parijs,
1971. |
| |
Woordenboeken
| Groot, Hans de: Van Dale Idioomwoordenboek. Utrecht, Antwerpen,
Amsterdam en Brussel, 1999. |
| | | |
| Kleijn, Piet de: Combinatiewoordenboek. Amsterdam, 2003. |
| Lo Cascio, V.: Van Dale Handwoordenboek Italiaans-Nederlands, Zanichelli
Dizionario Italiano-Neerlandese. Utrecht, Antwerpen en Bologna, 2001. |
| Lo Cascio, V.: Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Italiaans, Zanichelli
Dizionario Neerlandese-Italiano. Utrecht, Antwerpen en Bologna, 2001. |
| Visser-Boezaardt, G. et al.: Prisma Italiaans-Nederlands. Utrecht,
1997. |
| Visser-Boezaardt, G. et al.: Prisma Nederlands-Italiaans. Utrecht,
1997. |
|
1Dit artikel is een ingekorte versie van
de lezing gehouden tijdens het Vijftiende Colloquium Neerlandicum.
2Idiomatische uitdrukkingen zijn vaste verbindingen met een figuurlijke
betekenis.
3Zie Geeraerts en Janssens (1982, 27-28) voor een
uitvoeriger beschrijving van evaluatiecriteria.
4Ook wanneer ze niet erg
frequent zijn, nemen figuurlijke vaste verbindingen een belangrijke plaats in in het
bewustzijn (Kornelius 1995, 163); waarschijnlijk omdat ze cognitief relevant zijn.
5De Kleijn (1988, 3) spreekt van ‘eerstelijns taalsituaties’.
6‘Il faut
déghettoïsir le fait idiomatique. Il est au centre de la langue, non à sa péripherie’. De
vertalingen van de citaten zijn van de auteur.
7Zie het in 2003 verschenen Combinatiewoordenboek voor het Nederlands van
Piet de Kleijn.
8Voorwaarde is dan ook dat bij de samenstelling
van een 2twb moedertaalsprekers van beide talen betrokken worden (Farina 1996, 3).
9Duval
(1986, 95) gebruikt de term metalingua.
10Elnitsky (1984); Gouws
(1996), Burger (1998), Hausmann (1999); zie tevens de bibliografie in Koenraads
(2003).
11We onderscheiden twee soorten
lexicale anomalieën: archaïsche woorden die niet meer zelfstandig gebruikt worden, zoals
‘gelag’ in ‘het gelag betalen’ en woorden, waarvan de betekenis onbekend is, als ‘beu’ in
‘iets/iemand beu zijn’. Zouden beide woorden als trefwoorden opgenomen worden, dan verkrijgen
ze hiermee de status van een onafhankelijk woord, ondanks het feit dat ze niet tot de actuele
woordenschat van de taal behoren, terwijl van een 2twb geëist wordt, dat zij een
synchronische weergave van de taal geeft (Gouws 1989, 100).
12Er doet zich ook een kwantitatief probleem
voor: 2twb zijn kleiner dan 1twb (Zgusta 1971, 327).
13‘So ist meistens das Auffinden eines mehrwortigen Lexems,
sofern ein Wörterbuch es dankenswerterweise verzeichnet, mit einer gewissen Strapaze
verbunden’.
14Over hoe dat te werk gaat zijn niet alle lexicografen
het eens. Fenoulhet (1992, 116) kritiseert bijvoorbeeld de theorie van Van Sterkenburg
volgens welke uit een zelfstandig naamwoord en een bijvoegelijk naamwoord bestaande lexicale
vaste verbindingen voor productief gebruik opgezocht worden bij het zelfstandig naamwoord en
voor receptief gebruik bij het bijvoegelijk naamwoord. Volgens Felnoulhet bestaat er geen
twijfel wat het eerste betreft, maar het tweede geval is lang niet zo duidelijk, omdat de
niet-moedertaalspreker soms geen van beide woorden kent en dan waarschijnlijk bij het
zelfstandig naamwoord zal gaan zoeken; zie tevens de resultaten van experimenten in Rösel
(1995b, 199-202).
15‘Bij woorden met meer dan één betekenis wordt meestal kort aangegeven om welke
betekenis of om welk gebruik het gaat. door middel van een label of een korte aanduiding van
de betekenis tussen punthaken’ (uit de gebruiksaanwijzing in Van Dale).
16Uitzondering zijn sommige 1 twb
en projecten zoals dat van Mel'cuk; in dit laatste project krijgt de IU, in hoofdletters, een
eigen ingang (Mel'cuk 1988, 28).
17Andere
mogelijkheid is dat doorzichtige IU voorafgegaan worden door een open dropje met het nummer
dat naar de semantisch verwante betekenis verwijst; na een zwart dropje volgen de
ondoorzichtige IU (Elnitsky 1984, 25).
18‘the differences in
organization of designate in the individual languages’.
19Hausmann 1977 (in Rettig 1985), Gouws (1989) en
Gouws (1996); in dit laatste artikel concentreert de auteur zich voornamelijk op de
IU.
20Gouws (1989,
167-168; 1996, 68) maakt onderscheid tussen lexicale en semantische divergentie; bij
lexicale divergentie corresponderen synonieme VE aan één vorm in de BT. Wanneer de BT
echter een polysemisch trefwoord bevat, elk met een eigen VE in de DT, spreekt men van
semantische divergentie.
21In 2twb komt het
echter helaas ook vaak voor dat congruentie de neiging tot vereenvoudiging van de
samenstellers weergeeft. Dit geldt vooral voor de IU die aan een bepaald concept verbonden
zijn; hier is sprake van een generalisatie die niet als correcte VE opgevat kan worden. De
gebruiker zou kunnen denken dat we hier met synoniemen te maken hebben, maar dat is niet
zo; de meerdere IU die congrueren tot een VE hebben verschillende connotationele aspecten
die ook in de DT uitgedrukt zouden kunnen worden (Verstraten 1992, 215).
22Een VE kan ook incompleet zijn, zodat er aanvullend
commentaar geleverd moet worden, zoals bij de VE in Van Dale van ‘iemand van de sokken
rijden’ investire ql.no (mandandolo a gambe all'aria) (iemand aanrijden
door hem met de benen de lucht in te sturen).
23Het blijft natuurlijk
noodzakelijk dat bij niet-idiomatische VE van een IU in de BT, er gewezen wordt op de
idiomatische natuur van deze laatste en op het verlies aan stijl en register dat gepaard
gaat met een niet-idiomatische vertaling; helaas ontbreken deze aanwijzingen dikwijls (Gouws
1996, 83).
24Voor het debat tussen vertaalequivalenten en functionele equivalenten zie
Zgusta (1971) en Snell-Hornby (1990).
25De connotatieve waarde in engere zin is een subjectief en taalgevoelig gegeven
(Ludwig 1982, 170; Duval in Farina 1996, 5).
26‘les
stratégies de discours’.
27Nederlandse politici maken bijvoorbeeld
meer gebruik van IU dan Italiaanse.
28Zie Lewandowska-Tomaszczyk (1990) voor een soortgelijk voorstel voor
vreemdetaalonderwijs.
29Gouws (1996, 63) geeft een voorbeeld uit een Engels-Afrikaans woordenboek: ‘a piece of
cake’ 1. 'n stuk koek; 2. doodmaklik; op deze wijze ontstaat een
verhouding van homonymie tussen een vrije opeenvolging van woorden en een meerwoordig
lexeem; dit is lexicografisch niet toegestaan, omdat een homonieme alleen tussen
afzonderlijke lexemen kan bestaan. Onjuist is ook een VE die alleen de letterlijke betekenis
weergeeft, zoals het VE onder ‘op zijn tenen lopen’, waarvoor zowel Van Dale als Prisma
slechts de letterlijke vertaling geven, camminare in punto die piedi en andare
in punto die piedi.
30Uit de gebruiksaanwijzing van Van
Dale: ‘Een andere categorie voorbeelden wordt gevormd door de (idiomatische) uitdrukkingen
en spreekwoorden’. In de korte gebruiksaanwijzing voorin de Italiaanse versie wordt dit wel
vermeld maar niet bij de Nederlandse!
31‘Judged from a user perpective and on linguistic grounds this is not an
acceptable method’.
32Het wetenschappelijk onderzoek dat uitgevoerd is heeft zich
tot nu toe vooral beperkt tot de 1twb. Volgens Fontenelle (1998, 194) is dit onder andere toe
te schrijven aan het gedrag van de uitgevers, die zich terughoudend opstellen ten opzichte
van de universiteiten door geen elektronische versies van 2twb ter beschikking te
stellen.
33Moderne IU als ‘kort door de bocht’ ontbreken in de
geanalyseerde woordenboeken.
|
|